WEDER OP AARDE.
Cath. A. Visser translation
Ook te Stuttgart was, sedert het opzienbarend vertrek der zeven Zwaben, de tijd niet blijven stilstaan. Waar of die landslui, die waaghalzen, wel zijn mochten? Zouden zij werkelijk Mars hebben bereikt? Misschien waren zij in het geheel niet op deze planeet beland, maar neergedaald op een der talrijke planetoïden; misschien ook was de geheele expeditie verongelukt en waren de ongelukkige natuurvorschers voor altijd in het onmetelijk wereldruim verdwenen. Deze laatste meening werd vrijwel algemeen gedeeld en voor waar aangenomen.
Na de opstijging van den Argonaut werd aanvankelijk te Stuttgart nog veel en levendig over die reis der natuurvorschers geredeneerd en allerlei vragen geopperd; langzamerhand echter verflauwde de levendige belangstelling in de Marsexpeditie. Nieuwe vragen des tijds, meer actueele gebeurtenissen hadden zich voorgedaan, en verdrongen eindelijk de herinnering aan de sprookjesachtige onderneming.
Plotseling, als een bliksemstraal uit helderen hemel, ontving men op zekeren Septemberdag te Stuttgart het bericht, dat de heeren professoren, die voor ongeveer drie jaar van de Cannstatterweide waren opgestegen, op een van de eilanden der Zuidzee waren neergedaald en wel met den Argonaut.
In het eerste oogenblik wilde niemand aan dit bericht geloof hechten, en hield men het voor een zeer misplaatste grap. Toen het echter verscheen in het „Staatsblad voor het Koninkrijk Wurtemberg” en door duizenden extra bladen werd verspreid, werd zelfs de meest hardnekkige twijfelaar van de waarheid van dit bericht overtuigd.
Een telegrafisch bericht luidde lakoniek kort:
Matupi, 31 Aug. ’s nachts.
Argonaut van Mars terug, hier neergedaald. Stiller, Piller, Brummhuber, Hämmerle, Dubelmeier, Thudium.—Betrekkelijk welvarend.
w. g. Districtshoofd.
In de eerste groote verrassing viel het in het geheel niet op, dat er in het telegram slechts van zes personen sprake was. Eerst langzamerhand begon men er aan te denken, dat toch nog een zevende aan de expeditie had deelgenomen. De conclusie was spoedig gemaakt. Frommherz was ongetwijfeld gedurende de reis gestorven.
Met het grootste ongeduld zag men in Zwaben, in Duitschland, ja in de geheele beschaafde wereld, nadere berichten te gemoet. Welke belangrijke mededeelingen, kon men van de reeds verloren gewaande natuurvorschers verwachten!
De eerste tijd na het vertrek van Mars, ging vrij dragelijk voor de bezoekers der planeet voorbij. Zooals Stiller reeds had uitgemaakt, was de Argonaut in de goede richting en ondervond den invloed van de aantrekkingskracht der aarde. De reis stelde weer hooge eischen aan de heeren met betrekking tot hunne gezondheid, geduld en volharding. Maanden waren sedert verloopen en het einddoel van de reis, de aarde, was nog maar altijd niet in het zicht. De stakkerds voelden zich hoe langer hoe meer uitgeput, en benijdden in stilte vaak den achtergebleven Frommherz. Maar eindelijk moet toch, zelfs na den langsten en donkersten nacht, de dag weer gloren!
Het liep tegen het einde van Augustus. Reeds meer dan vijf maanden bewoog de Argonaut zich door het aetherruim, en Stiller verwachtte iederen dag met het luchtschip in den dampkring der aarde te komen. Juist, een flauwe schemering kondigde de nabijheid daarvan aan!
Evenals vroeger bij het naderen van Mars, in een oogwenk de herinnering aan alle, gedurende de reis, doorgestane ellende was verdwenen, werd dit ook nu het geval.
Toen Stiller zijne tochtgenooten meedeelde, dat zij zoo even in den dampkring der aarde waren gekomen, en waarschijnlijk nog heden ergens op den aardbol landen zouden, wanneer zijne vrienden er ten minste niet de voorkeur aan gaven dadelijk door te reizen naar Duitschland, werd er in de gondel luide gejubeld.
Vergeten was plotseling alle kommer en ellende, alle lichamelijk ongemak.
„Waar of het ook wezen moge, dalen en uit deze vervloekte kast,” riep Piller. „Wij zijn nu waarachtig lang genoeg opgesloten geweest!”
„Piller heeft gelijk,” zei Thudium.
„Geen uur langer dan bepaald noodzakelijk is, blijf ik in deze afschuwelijke kooi,” verklaarde Hämmerle, en Dubelmeier en Brummhuber waren het volkomen met hem eens.
„Wanneer het zóó met u gesteld is, landen wij maar waar we kunnen,” antwoordde Stiller, kalm als altijd. „Wij moeten er echter voor zorgen, dat wij in eene beschaafde streek dalen, en niet bij vergissing in den vollen Oceaan terechtkomen.”
„Daarvoor moet gij maar zorgen, Stiller,” zeide Piller. „En nu, vrienden, laten wij met dien heerlijken Marswijn drinken op onze gelukkig volbrachte reis. Het is mij eene ware vreugde, mijn goede Dubelmeier, dat ik u gedurende dezen tocht van Saulus tot Paulus heb gemaakt, en u wijn heb leeren drinken in plaats van water. Prosit!”
Terwijl de overige heeren de bokaal, een prachtig kunststuk der Marsieten, dat men hun te Angola ten geschenke had gegeven, lieten rondgaan, had Stiller het ventiel van den ballon een weinig geopend en een der vensters van de gondel ontsloten. De Argonaut daalde snel.
„Wanneer ik mij niet bedrieg, dan zweven wij op het oogenblik boven de oostkust van Australië,” zeide Stiller, nadat hij een blik door het venster had geworpen. „Wij zullen bij Brisbane in Queensland landen.”
„Prachtig, Stiller, oude jongen! Prosit! Daar zullen wij eens op drinken.” Piller wilde juist zijn collega de bokaal met wijn toereiken toen de gondel plotseling een hevigen windstoot kreeg die haar met ballon en al deed ronddraaien. De bokaal viel op den bodem, en de heeren zelf moesten zich aan de meest nabijzijnde vaste voorwerpen vastklemmen, wilden zij niet als ballen door elkander rollen.
„Wij zijn op het laatste oogenblik in een cycloon terecht gekomen, zooals hier in de buurt dikwijls voorkomen,” riep Stiller zijne verschrikte reisgenooten toe. „Nu komt het er vooral op aan moed te houden. Wij zijn nu aan het blinde toeval overgeleverd.”
Gedurende de eerstvolgende angstige uren woedde de orkaan in onverminderde hevigheid en kracht. De wind blies huilend door het opene geheel vernielde venster van de gondel, en deed daarbinnen alles wat niet bevestigd was, door elkander waaien. Het was bij het vreeselijk loeien van den orkaan niet mogelijk een woord te wisselen. Voor meerdere zekerheid moesten die in de gondel waren, zich op den bodem neerleggen.
Hulpeloos dreef de ballon waar de stormwind hem joeg. Het was een tragisch lot, dat in het laatste oogenblik der reis, zoo kort voor de landing op aarde, de reizigers trof; en daarbij bestond nog het groote gevaar, dat de Argonaut naar zee gedreven zou worden en de expeditie na de ongehoorde reis naar en van Mars, tot dusver zoo gelukkig te hebben volbracht, tenslotte toch nog zou verdrinken.
De zes mannen waren van treurige, sombere gedachten vervuld. Verscheidene uren verliepen. De dag die onder zulke heerlijke voorteekenen was begonnen, liep ten einde. De storm scheen te bedaren, mogelijk ook was de Argonaut buiten den maalstroom van den wervelwind geslingerd. In elk geval, de dolle vaart door de lucht verminderde merkbaar en de heeren konden eindelijk uit hunne minder aangename positie opstaan en naar buiten kijken. Tot hunne vreugde bemerkten zij, dat de ballon dreef naar den kant van een grooten inham, met een bosch van groene kokospalmen tot achtergrond en omzoomd door vriendelijke kleine huizen.
Fluks opende Stiller het ventiel van den Argonaut, toen deze juist boven het palmbosch zweefde. Met volle zwaarte viel de ballon op de hooge palmboomen neer, die krakend braken. In het wit gekleede mannen snelden toe, gevolgd door bijna naakte donkere gestalten, de inboorlingen, die schreeuwend en gesticuleerend rondom de open plek stonden, die de Argonaut in het palmbosch zich had gemaakt. Uit de gondel vernam men de stemmen der reizigers.
„Dat schijnen wel Duitschers te zijn!” riep een der mannen, eene slanke gestalte met blonden baard en blauwe oogen.
„Ja, dat zijn wij!” riep Stiller uit de gondel. „Wees zoo goed en help mij den ballon vastmaken. Hier is het touw met het anker.”
„Met genoegen,” antwoordde de heer, „hier jongens, helpt eens een handje, maakt dat anker vast!” Met deze woorden, wendde hij zich tot de rondom staande zwartjes, en weldra lag de zwaar toegetakelde Argonaut geankerd in het palmenwoud.
„Waar zijn wij?” vroeg Piller uit het gondelvenster.
„Op Duitschen bodem!”
„Sedert wanneer groeien er palmen in het Duitsche Rijk?”
„Sedert wij koloniën hebben,” was het lachende antwoord. „Gij zijt in den Bismarck archipel op Matupi.”
„Zoo, dus op eene Duitsche bezitting! Nu dàt noem ik nog eens geluk bij een ongeluk!” lachte Brummhuber.
„Ja, het scheelde werkelijk niet veel, of wij waren verdronken,” merkte Dubelmeier op.
„Nu, dan waart ge in uw element, het water,” schertste Piller.
„Komt, vrienden, stapt uit; wij zijn eindelijk op vasten bodem,” sprak Stiller.
Toen de heeren uitgestapt waren, stelde de behulpzame blanke zich voor, als Sebastiaan Scheufele uit Cannstatt-Stuttgart, sedert drie jaren keizerlijk districtshoofd op Matupi.
„Wij zijn ook Zwaben,” zeide Stiller lachend, „wij zijn professoren aan de universiteit te Tübingen en indertijd met onzen ballon van de Cannstatterweide opgestegen. Zwaben schijnt men overal in de wereld toch te vinden! Mocht ge nog eens ooit van uw leven op Mars komen, dan zult gij zelfs dáár een landsman aantreffen!”
Het districtshoofd keek den spreker eenigszins verbaasd aan, alsof hij hem niet goed begrepen had.
„Gij komt dus met uw ballon uit Cannstatt?”
„Direct, neen, indirect ja. Direct komen wij van Mars. Hebt gij nooit van de expeditie van Mars gehoord? Het is trouwens ook al ongeveer 2¾ jaar geleden dat wij van de Cannstatterweide opstegen.”
„Ah, ja, nu herinner ik mij, dat ik in het Zwabensch Handelsblad wel iets over die vreemdsoortige reis heb gelezen. En—gij zijt dus werkelijk die zeven Zwaben? Maar ik zie er maar zes....”
„O, gij bekrompen aardbewoners,” viel Piller den twijfelaar in de rede, gelooft gij werkelijk dat zes eerwaardige Zwabensche professoren u wat leugens op den mouw zullen spelden? Wij zijn de zeven Zwaben, die naar Mars gingen. Wij zijn twee jaar daarboven geweest, en komen met ons zessen terug, omdat de zevende daarginds verkoos te blijven. Begrijpt gij het nu eindelijk, man, of moet ik u nog andere tastelijke bewijzen geven, dat wij diegenen zijn, waarvoor wij ons uitgeven? Overigens is mijn naam Paracelsus Piller.”
„Neen, neen,” riep Scheufele uit, „neem me niet kwalijk, ik geloof u op uw woord, ik was alleen maar wat in de war, en geheel van streek door wat ik gehoord had.”
„Nu, wij willen het u gaarne vergeven, onder voorwaarde, dat gij ons, die sedert een half jaar geen warme soep hebben geproefd, een lekker warm maal met goeden wijn voorzet.”
„Maar natuurlijk, zeker, met het grootste genoegen! Komt mee, heeren, als ’t u blieft!”
„Het loopen valt ons wat moeilijk, onze ledematen zijn tamelijk stijf geworden,” deelde Stiller aan het districtshoofd mede, toen hij eenigszins ongelukkig naast hem voortstrompelde. „Wij zijn den 7en Maart van daarboven vertrokken, en als ik mij niet vergis, hebben wij nu 31 Augustus. We zijn dus ongeveer 6 maanden in de gondel geweest, een langen bangen tijd!”
„Wat ben ik er trotsch op, dat gij juist hier bij ons moest landen!”
„Het heeft maar een haar gescheeld, of wij waren nog op het laatste oogenblik verongelukt, en niemand had dan ooit iets van ons wedervaren op Mars vernomen. Maar ik geloof dat we hier zijn, waar we wezen moeten.”
„Gaat binnen, heeren, in mijn huis, beschouwt het alles als het uwe en laat mij de eerste zijn, die u de moedigste reizigers, die ooit hebben geleefd, op Duitschen bodem welkom heet. Duidt het mij niet ten kwade, dat ik eerst nu, dien beleefdheidsvorm in acht neem, maar ik was door uwe verrassende verschijning geheel verbluft.”
Scheufele schudde ieder der professoren hartelijk de hand, en stelde hun de overige heeren voor, die allen, de van den hemel nedergedaalde gasten met de meeste hoogachting begroetten.
De luchtreizigers ontdeden zich allereerst van hunne pelzen en maakten daarna gaarne gebruik van het aanbod van hun gastheer, om hunne Zware reiskleeding tegen lichte, witte tropencostuums te verwisselen, die hij in een aangrenzend vertrek had doen klaar leggen. Weldra waren zij hiermee gereed, en lagen de heeren in hunne luchtige kleederdracht in schommelstoelen onder de waranda.
Daarbuiten viel de regen in stroomen neer, en het kletterend geluid op het dak verhoogde het gevoel van behagelijke huiselijkheid.
Scheufele zorgde intusschen voor eene hartsterking, en de zwarte bedienden, die zonder geruisch te maken rondliepen, schonken champagne.
„Morgen moet gij onzen Marswijn eens proeven,” zeide Piller tot Scheufele, toen hij zijn glas in één teug ledigde en het ten tweede maal liet vullen.
„Wat, hebt gij zelfs wijn van daarboven medegebracht?” vroeg Scheufele verwonderd.
„En wat goeden!” hernam Piller. „Zelfs mijn anders alleen waterdrinkende collega hier, professor Dubelmeier, was er niet tegen bestand, en is voor de verzoeking bezweken!”
„Gedwongen door de omstandigheden,” bracht Dubelmeier er tegen in.
„Daarover zullen wij maar niet kibbelen, Dubelmeiertje, laten wij liever eens klinken en drinken op Zwaben en het Duitsche vaderland.”
„En nu, een hiep, hiep, hoera! voor onze hoogvereerde gasten,” zeide Scheufele tot de beambten van Matupi. Nadat het hoera-geroep was verstomd, werd aangekondigd dat de maaltijd gereed was, en begaf het gezelschap zich naar de eetkamer.
De heeren tastten met grooten eetlust toe, en weldra was het onderhoud levendig en algemeen.
„Ik zal uw aankomst dadelijk naar Stuttgart telegrafeeren; wat een groote verrassing zal dat bericht daar in het lieve vaderland zijn!” zei Scheufele.
„Ja, doe dat,” hernam Stiller. „Ik denk dat wij per extra gelegenheid naar Duitschland zullen terugkeeren.”
„Wij hebben hier een veertiendaagsche stoomvaart op Singapore, en vandaar kunt gij natuurlijk altijd verbinding krijgen met Europa. Ik ben blij, dat de laatste boot verleden week juist vertrokken is, zoodat gij nog zeven volle dagen onze welkome gasten zijn moet,” zei Scheufele lachend. „Gij zult op uw reis en daarboven wel veel wonderlijks hebben beleefd en gezien?”
„Daarover zullen wij een paar boeken uitgeven, want onze berichten zullen deelen vullen,” antwoordde Stiller.
„En dat werk zullen wij u later zenden, als bewijs van dankbaarheid voor uwe gastvrije ontvangst,” liet Piller er op volgen. „Want wanneer wij alles wat we hebben beleefd u mondeling moesten meedeelen, zouden wij nog menige stoomboot moeten laten voorbijgaan; en dat gaat niet! Wij verlangen er veel te hard naar, om nu eindelijk thuis te komen.”
„Dat kan ik mij levendig voorstellen, gij zult wel allerlei interessante dingen van Mars hebben meegebracht.”
„Zeker, morgen zullen wij u het een en ander laten zien, en daaruit zult gij dan kunnen opmaken, op welken hoogen trap van beschaving de bewoners van die prachtige planeet staan; die in zich het meest verheven begrip van „mensch zijn” verwezenlijken,” antwoordde Stiller. „Wij zouden echter niet graag voor de tweede maal die reis maken; niet alleen is zij vol gevaren, maar ook ontzettend vermoeiend. Het was niet onze eigen verdienste, maar louter toeval, dat wij de reis heen en weer door het luchtruim onder betrekkelijk gunstige omstandigheden konden volbrengen. En toen wij van morgen juist over Queensland zweefden, en voornemens waren op Brisbane aan te sturen, overviel ons plotseling de orkaan en dreef ons hierheen.”
„Het is zeker zeer te betreuren dat gij tot besluit van uw buitengewone reis nog in een cycloon terecht moest komen. Zooals ik hoorde, heeft de storm op andere eilanden van den archipel zwaar gewoed. Maar ik ben dien wervelwind toch dankbaar dat hij u, de beroemde zonen van Zwaben, hierheen heeft gedreven!”
„O gij vleier!” zei Piller tot Scheufele. „Maar nu zouden wij u toch oprecht dankbaar zijn, wanneer gij ons een bed wildet wijzen, want dat hebben wij langen tijd moeten ontberen.”
De reizigers werden nu bij de verschillende beambten te Matupi onder dak gebracht, en weldra lagen zij allen in een diepen, rustigen slaap.
Nog dienzelfden avond verzond Scheufele het telegram naar Stuttgart.
Toen de reizigers zich den volgenden morgen door een bad in het frissche water van de golf hadden verkwikt, kwam er reeds antwoord uit Stuttgart. Zoowel het stedelijke-, als het Staatsbestuur heetten de reizigers van harte welkom op aarde, en verzochten tevens om bericht betreffende den heer Frommherz, daar van hem geen melding was gemaakt op de lijst der teruggekeerden.
„Frommherz vrijwillig op Mars achtergebleven. Expeditie volkomen gelukt. Twee jaren daarboven geweest. Hopen binnen vier weken te Stuttgart aan te komen.
Stiller.”
Met bewondering bekeken Scheufele en de beambten de inrichting van de gondel, die Stiller hun liet zien en verklaarde. Nog meer waren ze verbaasd over de uit zilver en goud vervaardigde kunstproducten, en over de vele en kostbare geschenken der Marsieten. Het Gulden Boek vond men helaas niet meer terug. Daar de gondel gedurende den nacht gesloten was geweest, viel aan diefstal niet te denken en nog te minder, daar de Papoea’s geen verstand hadden van de waarde van het boek. Men moest daarom wel tot de veronderstelling komen, dat het boek door een der kleppen van de gondel in het heelal gevallen was. Het was een onherstelbaar verlies dat de geleerden zeer ter nederdrukte. Eindelijk echter kreeg de vreugde over de behouden terugkeer de overhand over alle treurige gedachten.
Piller stond er op, de heeren van Matupi te onthalen op het kleine restant van den Marswijn. Zij verklaarden allen nog nooit zulk een fijnen en geurigen wijn te hebben gedronken.
De dagen die men te Matupi doorbracht, werden gebruikt voor het inpakken van alles wat men had meegebracht en het opbergen der instrumenten. Ballon en gondel zouden later verpakt en naar huis gezonden worden.
Precies den 7en September in den vroegen morgen stoomde de Venus de haven binnen, en ging tegenover de factorij van Matupi voor anker. Na een hartelijk afscheid vertrokken de heeren nog dienzelfden avond.
„Wat een merkwaardig toeval!” zeide Stiller tot zijne tochtgenooten, toen zij het zich ’s avonds aan boord van de stoomboot gemakkelijk hadden gemaakt. „We komen van Mars, varen op de Venus door de blauwe golven der Zuidzee terwijl, zooals Scheufele mij zeide, te Singapore ons de „Stuttgart” wacht, die ons naar Genua brengen zal.”
Een week later kwam de boot te Singapore aan. Reeds bij het binnenvaren der ruime haven, was de Venus, met de beroemde Zwabensche passagiers aan boord, het voorwerp van veler belangstelling.
De talrijke in de haven liggende schepen van alle mogelijke natiën, waren gepavoiseerd, en zelfs de Maleische prauwen en de Chineesche jonken waren feestelijk getooid.
Van de vestingwerken werden saluutschoten gelost toen de Venus langzaam naar hare aanlegplaats stoomde.
Op plechtige wijze werden de moedige Marsreizigers, door het bestuur van Singapore en de diverse consuls begroet. Daarna had in de feestelijk versierde zaal van de Duitsche club het onvermijdelijke feestmaal met de daarbij behoorende redevoeringen plaats. De heeren waren blij, toen zij na al dat feestgewoel in de tropische hitte van Singapore, goed en wel op het dek van de „Stuttgart” zaten die, nadat de gevierde passagiers aan boord waren gekomen, het anker lichtte en de straat van Malakka instoomde.
„Gevoelt gij weer niet dien ouden tegenzin, tegen al die officieele huldebetoogingen, die toch in den grond der zaak, alle den stempel van onwaarheid dragen,” vroeg Piller aan zijn vriend Stiller.
„Het gaat mij als u,” antwoordde Stiller. „Deze luidruchtige feesten, waarbij ieder zijn eigen ik zooveel mogelijk op den voorgrond dringt vormen eene schrille tegenstelling met de waardige harmonische wijze, waarop te Angola feest wordt gevierd. Bij de Marsieten voelden wij ons dadelijk thuis. Hier beneden krijgen wij al dadelijk weer dat onbehagelijke gevoel in den omgang met de groote menigte. Men voelt als bij instinct, dat al die woorden van waardeering—die als een zondvloed neerkomen op dengeen, die bij het een of ander ondernemen meer noemenswaard succes heeft gehad dan een ander—in de meeste gevallen althans, volstrekt niet gemeend zijn.”
„Gij drukt precies mijne gedachten uit,” zei Dubelmeier, die het gesprek der beide vrienden had gevolgd. „Ik moet u eerlijk zeggen, dat ik van al die feestmalen en feestredevoeringen al genoeg had, toen ze nog nauwelijks waren begonnen.”
„Nu, wij zullen dat nog wel eenige malen moeten verduren, voor wij weer ongestoord in onze studeerkamer kunnen werken,” hernam Piller.
„Ja, daar zal wel geen ontkomen aan zijn. Wat een geluk dat wij hier op zee nog wat kunnen uitrusten vóór dat het spektakel in ons vaderland weder begint,” zei Dubelmeier.
Maar reeds in Colombo kregen zij eene nieuwe en verbeterde uitgave der feesten ter eere der zeven Zwaben, en toen de „Stuttgart” te Suez kwam, verzocht de Egyptische regeering, de eer te mogen hebben hen te Caïro te ontvangen.
Na twee dagen feest te hebben gevierd, kwamen de Marsreizigers eindelijk weder op de boot terug, die nu direct koers zette naar Genua. Daar kwamen de reizigers in het begin van October aan, en zetten na eene driejarige afwezigheid weer den voet op Europeeschen bodem.