← Table of contents
Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

HET AFSCHEID.

Cath. A. Visser translation

Na den terugkeer uit het rijk der Uitgeworpenen, begon Frommherz den omgang met zijne reisgenooten, meer en meer te beperken. Hij nam weliswaar nog aan de gemeenschappelijke maaltijden deel, maar trok zich verder, voor zoover dit ongemerkt te doen was, uit het gezelschap zijner vrienden terug. Op de avonden, die anders gewijd waren aan algemeene gesprekken en gedachtenwisseling over het schoone land Lumata, ging hij nu alleen wandelen, en genoot in stilte van de eigenaardige betoovering der heldere nachten. En hij zou weer weg moeten van hier, verdreven uit dit Eden, en weer moeten terugkeeren naar die koude aarde?!! Frommherz leed inderdaad onder die gedachte. De andere heeren waren te zeer bezig met zichzelf, om veel waarde te hechten, aan het zonderlinge gedrag van hun reisgenoot. Door Eran had Stiller aan het hoofdbestuur van den stam der Wijzen, te Angola, doen meedeelen, dat hij en zijn vrienden vast besloten waren naar de aarde terug te keeren. Als datum van vertrek hadden zij den tweeden verjaardag van hun aankomst op Mars gekozen.

Daarop was als antwoord eene uitnoodiging gevolgd om nogmaals naar Angola te komen. De ontvangst dáár liet aan hartelijkheid niets te wenschen over. Er werden feesten gegeven te hunner eer en ter viering van het naderende afscheid. Het beste en schoonste wat beeldende en uitbeeldende kunsten op Mars konden opleveren, werd bij deze feesten de bewoners der aarde te genieten gegeven, maar de schaduw van het afscheid van deze schoone planeet, begon reeds te drukken op de Zwaben, en was oorzaak, dat zij niet meer ten volle genoten van al het schoone en goede dat hun geboden werd.

Het laatste middagmaal had plaats in de groote spiegelzaal van het paleis der Wijzen. Genoodigden van alle streken van Mars, en vertegenwoordigers van alle stammen waren daar verschenen.

In het Westen begon het eeuwige licht, de zon, te dalen. De ontelbare spiegels in de zaal weerkaatsten, duizenden malen gebroken, hare zachte koesterende stralen. Het was in de zaal een en al licht, het was oogverblindend. Door de geopende vensters drong heerlijke bloemengeur naar binnen en de kronen der palmen daarbuiten wiegden zachtkens in den zoelen avondwind. Rustig en stil lag het donkerblauwe meer onder het groene bladerdak der boomen, waarin nog haastig een paar tsjilpende vogels heen en weer vlogen, en de bloesems der lianen in heerlijke kleurenpracht schitterden.

Zacht glooiende heuvelrijen, rood getint door de laatste stralen der ondergaande zon, omlijstten het heerlijke landschap, dat de bewoners der aarde voor de laatste maal aanschouwden. Deze waren het eerst de zaal binnengekomen, en stonden voor de hooge vensters in stomme bewondering van het prachtig tooneel daarbuiten.

„Het afscheid wordt ons waarachtig moeilijk genoeg gemaakt,” zei Piller zacht tot Stiller, die naast hem stond. „Frommherz heeft gelijk. Is dit niet een land, dat met recht den naam van Paradijs zou kunnen dragen?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Stiller, „het is een Eden, als geschapen voor bedroefden, voor menschen zonder vaderland, zooals wij voortaan zullen zijn.”

„Zonder vaderland! Hoe meent ge dat, Stiller?”

„Zonder vaderland, zeker!” hernam Stiller, en zijne lippen trilden zenuwachtig, toen hij na een oogenblik zwijgens voortging: „Gelooft ge dan, dat wij ons in ons vaderland weder zullen thuis voelen, nadat wij hier twee volle jaren hebben vertoefd, te midden eener heerlijk schoone natuur, in een land een Paradijs gelijk, onder fiere, vrije, edele menschen? Nooit! Vreemdelingen zullen wij zijn daar, waar wij zijn geboren, daar, waar wij vroeger hebben geleefd, gewerkt en gestreden voor onze overtuiging.”

„Stiller, maak mij, als ’t u blieft, het afscheid niet heelemaal onmogelijk!”

Piller moest zooals altijd, wanneer hij hevig ontroerd was, herhaalde malen zijn neus snuiten; toen ging hij naar de tafel, schonk zich een glas wijn in en dronk dat in één teug leeg.

„Het zij verre van mij, u het afscheid onmogelijk te willen maken, want wij moeten vertrekken, maar”—en de oogen van den spreker schitterden bij deze woorden—„we zullen daar beneden op aarde zonder veel woorden te gebruiken, het zaad uitstrooien voor een toekomst, zooals wij die hierboven zoo heerlijk verwezenlijkt hebben aangetroffen.”

Als teeken van instemming drukte Piller zijn collega stilzwijgend de hand.

Langzamerhand vulde de zaal zich met genoodigden. Alle traden op de zonen der Aarde toe en schudden hen de hand.

Nadat Anan was verschenen nam de maaltijd een aanvang. Naast de Oudsten der Ouden zaten de zeven Zwaben. De kroonlichten der zaal bestonden uit electrische lampen, die haar schitterend licht wierpen op de rijk versierde tafel en het groote feestelijk gestemde gezelschap. Beneden in de spiegelgalerij was een koor van zangers en muzikanten opgesteld, die gedurende den maaltijd verschillende nummers ten gehoore brachten. Toen de tafel was afgeloopen stond Anan op.

„Mijne broeders en zusters,” aldus ving hij aan „de ure is gekomen waarop van Angola zal worden afscheid genomen. Onze gasten uit het verre Zwaben gaan daarheen terugkeeren. Mogen zij gelukkig en gezond hun vaderland weder bereiken! Zij zullen bij ons steeds in aangename herinnering blijven! Wij hebben besloten, om hunne namen in vergulde letters op marmeren gedenksteenen hier in deze zaal aan te brengen, met hunne beeltenissen, opdat onze nakomelingschap worde herinnerd aan hunne moedige reis hierheen en hun langdurig verblijf in ons midden, dat door geen wanklank werd verstoord. Verder hebben wij besloten om ter herinnering aan het verblijf van de eerste en laatste aardbewoners, de verschillende mededeelingen die zij ons omtrent het leven en streven der volkeren op aarde hebben gedaan, te boek te stellen, welk werk wij hier in ons tehuis eene eereplaats zullen geven. Behalve de namen van onze gasten zal dus ook datgene worden geboekstaafd wat zij ons in plechtige oogenblikken hebben verteld. Hiermede zal de herinnering aan hun bezoek tot in lengte van dagen, bij ons in eere worden gehouden.

„En nu mijne waarde vrienden!”—bij deze woorden wendde Anan zich tot de zeven Zwaben, „voor U hebben wij eenige geschenken, ter herinnering aan ons en onze planeet, bestemd; voortbrengselen van de kunst en wetenschap van onze kinderen des Lichts.

„Neem hetgeen daarginds op tafel ligt, mede, als een herinnering aan uw verblijf te onzent. Het bevat de ontwikkelings-geschiedenis van ons volk. Met den algemeenen vooruitgang der beschaving en de grootere ontwikkeling van het zelfbewustzijn werd bij ons de wetgeving meer en meer vereenvoudigd. Zij is eigenlijk alleen gegrond op de stelling: „Doe niets wat gij niet wilt dat u gedaan zal worden.” Gij zult dus, wat dit betreft, in dit boek weinig meer vinden; want hoe grooter het aantal wetten, hoe minder zelfstandig een volk blijkt te zijn. Het boek bevat ook onze opvattingen over de natuurlijke moraal, de eeuwige onverwoestbare grondstelling die bij ons het werk der loutering heeft voltooid. Moge ook in dit opzicht uw gevaarvolle en moeilijke tocht naar ons ver verwijderd hemellichaam en uw verblijf te onzent rijke vruchten afwerpen!”

Anan ging weer zitten.

Een diepe stilte volgde op deze woorden van den grijsaard. Nu stond Stiller op. Op ontroerden toon dankte hij allereerst in naam zijner reisgenooten voor al het goede dat men hun hier had bewezen. Hij had hier eene mate van ontwikkeling aangetroffen waarvan hij vroeger had gedroomd, maar die hij in werkelijkheid niet voor mogelijk had gehouden. Hij en zijne vrienden hadden hier boven veel geleerd en waren van menige dwaling genezen geworden.

„Zoo heb ik ook altijd gedacht dat de hoogere ontwikkeling der menschen niet mogelijk was zonder dat daaraan de moeilijke strijd om het bestaan was voorafgegaan en dat die bepaald noodzakelijk was om den mensch te reinigen en te louteren. Van die meening ben ik door hetgeen ik hierboven heb gezien, genezen geworden. De zware strijd is slechts het gevolg van lage zelfzucht, de ware naastenliefde tracht dien strijd te verzachten, en die liefde ontbreekt bij ons helaas nog in hooge mate!

„Ook hierboven wordt een strijd gestreden, maar hoe hemelsbreed verschilt die van datgene wat men daaronder op aarde verstaat! Hier is ieder er op uit aan zijne evenmenschen en broeders, het beste te schenken wat hij te geven heeft en wat dienen kan tot bevordering van het welzijn van zijn evenmensch. Hier leeft ieder het groote gemeenschapsleven mede, omdat ieder zich een integreerend deel van die gemeenschap voelt, want gaat het den een goed dan komt het ten bate van ’t geheel. Lijdt daarentegen een der leden, dan lijdt ook de gemeenschap. En hoe gezond en krachtig is deze hier. Hoe ver daarentegen zijn wij op onze aarde nog verwijderd van deze levensidealen en levensopvattingen. Hoe klein zijn wij in vergelijking van u! En toch, eens moet en zal ’t ook op aarde anders en beter worden. Wij, die hier bij u hebben vertoefd, wij zullen, voor zoover ’t in ons vermogen ligt, het zaad uitstrooien van een schooner en reiner leven in de toekomst, zooals wij dat hier zoo heerlijk hebben leeren kennen. Onze reis hierheen was niet tevergeefs. Wat toch beduiden de vermoeienissen en gevaren, die wij hebben doorstaan, vergeleken bij al het reine, schoone en goede wat wij hier hebben mogen genieten. Wij aanvaarden onze thuisreis met een bezwaard hart, met het bewustzijn dat wij hier ons rijkste en schoonste stukje leven hebben doorgebracht, dat zoo oneindig rijk is aan heerlijke herinneringen. Moeder Aarde verlangt echter terug, wat haar toebehoort.

„Nooit, tot onzen laatsten ademtocht, zullen wij vergeten, wat gij ons hebt gegeven, wat gij voor ons geweest zijt, en hoe gij ons hebt geëerd. Wanneer wij later, teruggekeerd in ons vaderland, in nachtelijke uren van uit de verte, uw Mars, uw Kind des Lichts, zien schitteren, dan zullen onze gedachten bij u verwijlen en met stillen weemoed zullen wij terugdenken aan dezen, den schoonsten tijd onzes levens!

„Vaartwel, waarde vrienden! Vaart allen wel! Ik omhels Anan voor u allen en druk hem voor u allen den broederkus der Aardbewoners op het reine voorhoofd. Want broeders zijn wij allen, die zich „menschen” noemen, of zij hier boven dan wel op de aarde wonen.”

Stiller’s woorden hadden op alle aanwezigen een diepen indruk gemaakt, en toen hij nu op Anan, den eerwaardigen grijsaard toetrad en hem den broederkus gaf, dreunde de zaal van luide bijvals-betuigingen.

„Broeder, edele zoon van uw land,” antwoordde Anan, „heb dank voor hetgeen gij hebt gezegd. Ontvang ook van mij,—den ouden zoon van het Kind des Lichts, den broederkus, en keer met uwe reisgenooten gelukkig huiswaarts. Met hen zult gij zegenrijk werkzaam zijn aan de volmaking der menschheid, dat weet ik! Mijne oogen zullen zich weldra sluiten, in dien slaap waarop geen ontwaken meer volgt, maar zoolang ik nog leef, zal ik met vreugde terugdenken aan de uren, die ik met u in ons Angola heb doorgebracht!”

Eenige dagen na het roerend afscheid te Angola, waren de Zwaben weer in Lumata terug. Stiller was druk met den ballon bezig, waarbij hij door de Marsieten trouw werd geholpen. Door de inmiddels opgedane ervaring, was het hem mogelijk al de tekortkomingen en gebreken waarmede zij op de heenreis te kampen hadden gehad, op afdoende wijze te voorzien. Hij bereidde er zich op voor, dat de terugreis geruimen tijd zou duren, in weerwil van de sterke magnetische aantrekkingskracht van de aarde, die tweemaal zoo groot was als die van Mars.

Sedert de opstijging van de Cannstatter weide op den bewusten Decemberavond, was nu nagenoeg twee en een half jaar verloopen. Mars had zich intusschen vele millioenen kilometers van de aarde verwijderd, zoodat de afstand tusschen deze beide planeten, nagenoeg tweemaal zoo groot was als bij de afreis. Stiller berekende dat zij volgens de gewone tijdrekening, minstens vijf volle maanden in de gondel zouden moeten verblijven, en dan nog altijd in de veronderstelling, dat geen enkele onvoorziene omstandigheid, de vaart van den Argonaut zoude belemmeren. Maar nu hij en zijn tochtgenooten, in een tamelijk bevredigenden gezondheidstoestand en zonder noemenswaardigen tegenspoed op Mars waren aangekomen, waarom zou dan op stuk van zaken, de terugtocht niet even goed afloopen. Weliswaar zag de anders zoo moedige man eenigszins op, tegen den vermoedelijk langen duur der terugreis. Vijf volle maanden in de gondel te moeten doorbrengen, en zich allerlei daarmede verbondene ontberingen te moeten getroosten, zooals gebrek aan daglicht en behoorlijke lichaamsbeweging, was wel iets wat zelfs den dappersten den moed zou kunnen benemen.

Stiller schudde echter al die sombere gedachten met kracht van zich af en verheugde zich over de inderdaad buitengewoon groote technische kennis van den stam der Uitvinders, die niet alleen tot vulling van den ballon een gas bereidden, dat geheel overeen kwam met het Argonauton, maar ook de kunst verstonden, om op inderdaad meesterlijke wijze allerlei voedingsmiddelen voor de reis te conserveeren.

Aan electrische kracht, gecomprimeerde lucht, die reeds sedert onheugelijke tijden bij de Uitvinders bekend waren, was evenmin gebrek, en de Argonaut voerde van deze kracht en deze middelen van bestaan een geheel anderen voorraad mee dan toen hij opsteeg.

Zonder gedruisch, zonder eenige verdrietelijkheid was de ballon in elkaar gezet. Wat stak die manier van werken gunstig af bij die van twee jaar geleden, op de Cannstatter-weide!

Dank zij de hooge ontwikkeling en de bereidwilligheid der Uitvinders, was de Argonaut zóó voortreffelijk in orde, dat de gevaarlijke reis ieder oogenblik kon worden ondernomen. Stiller achtte zich verplicht zijne reisgenooten op de hoogte te houden van het verloop der werkzaamheden. Hij verzweeg zijne vrienden ook den vermoedelijken duur der reis niet.

Eerst waren de collega’s wel eenigszins geschrikt bij het denkbeeld zóó lang in de gondel te moeten vertoeven, doch zij hadden zich er al spoedig overheen gezet en gingen met moed en vertrouwen de toekomst tegemoet. Alleen Frommherz zeide niets. Stil, in zich zelf gekeerd liep hij rond, terwijl de andere heeren bezig waren hunne weinige bezittingen te pakken en naar de gondel te brengen.

De Argonaut was uit de loods te voorschijn gehaald, en lag zacht wiegelend voor anker op de plaats, waar hij eens was neergedaald.

De laatste dag van het verblijf op Mars, was maar al te spoedig aangebroken. Den volgenden morgen, in alle vroegte, zou men van Lumata vertrekken.

Eran, de gastvrije, eerwaardige grijsaard, had er op aangedrongen zijne gasten een schitterend afscheidsmaal aan te bieden, waarvan de plechtigheid en het genot werden verhoogd, door de harpspelers en zangers van Lumata.

Iedereen was op de been, nergens werd gewerkt. De vriendelijke Zwaben hadden zich overal bemind weten te maken en er was niemand, die het heengaan der dappere mannen niet oprecht betreurde. Maar zij hadden daar beneden op aarde vaders, moeders, broeders en zusters en daarom scheen hun terugkeer den Marsieten, bij wie het familie- en gemeenschapsgevoel zoo sterk was ontwikkeld, niet meer dan plicht.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings