TUSSCHEN HEMEL EN AARDE.
Cath. A. Visser translation
Geen noemenswaardige luchtstrooming belemmerde het bijna loodrecht opstijgen van den Argonaut. Het luchtschip bevond zich nog in den dampkring der aarde, de reeds bereikte hoogte was merkbaar door den verminderden luchtdruk en het dalen der temperatuur, ook binnen in de gondel. Professor Stiller, die de geheele leiding op zich had genomen, sloeg daarom voor, allereerst een eenvoudig avondmaal te nuttigen, dat wel het laatste zou zijn in de nabijheid van Moeder Aarde, waarvan men volgens den stand van den barometer reeds 7000 Meter verwijderd was. Dit voorstel vond algemeenen bijval. De heeren lieten zich het uitstekende Stuttgarter vleesch en gebak voortreffelijk smaken, en ook de medegenomen fonkelende roode Neckarwijn werd dapper toegesproken, voor zoover de geleerde heeren geen onthouders waren.
Na den maaltijd richtte aller opmerkzaamheid zich weder op de instrumenten. Deze wezen aan, dat de grens van den aardschen dampkring was bereikt, en men op het punt stond door te dringen in het onmetelijke aetherruim. De met Xylol gevulde thermometer stond buiten de gondel reeds op 42° onder nul, en de barometers wezen eene hoogte aan van 19.950 Meter. In de gondel werden de electrische gloeilampen ontstoken, nadat reeds van te voren het toestel tot toevoer van lucht in gebruik was gesteld. Er heerschte in de gondel eene dragelijke temperatuur, terwijl men gemakkelijk ademhaalde.
De dienst in de gondel was dusdanig geregeld, dat gedurende 24 uur ieder der geleerden afwisselend 3 uur en 42 minuten de instrumenten had waar te nemen. Op die manier werd voor een ieder de dienst niet al te vermoeiend. Alleen professor Stiller had zich voorbehouden om, indien hij dit noodig oordeelde, dien dienst een zekeren tijd alleen waar te nemen.
De eerste nacht in de gondel, hoog boven in het aetherruim, ging rustig en kalm voorbij. De ballon was inmiddels met verbazende snelheid gestegen. Den 8en December ’s morgens om 7 uur, had men eene hoogte van 90.723 Meter bereikt. De thermometers voor de micavensters van de gondel wezen de ontzettende koude van 120° aan. Een ondoordringbare nacht omgaf de luchtreizigers. Geen enkele zonnestraal drong door die diepe duisternis. Het luchtschip steeg met al grooter en grooter snelheid, en bewoog zich, gehoorzamend aan het roer steeds in oostelijke richting.
Tegen den middag wees de snelheidsmeter den kolossalen afstand van 220.000 M. van de aarde aan.
Wanneer het stijgen voort zou gaan in dit, steeds in snelheid toenemende tempo, dan moesten de luchtreizigers binnen enkele dagen in de nabijheid van de maan komen, die dan 90° oostwaarts juist in haar eerste kwartier zou staan.
Met de nabijheid van de maan ontvingen de luchtreizigers weder het licht van de zon en konden de gondelbewoners zich weder verheugen in de schitterende stralen van die bron van alle kracht. Ofschoon ze nog geen 24 uur onderweg waren, maakte de duisternis die hen omringde op de heeren den indruk van een al te langen nacht. Zij begonnen daarover te spreken.
„Wij zijn kinderen van het licht der zon, en voelen dadelijk haar gemis,” zei professor Dubelmeier.
„Dat is wel waar!” bevestigde Fridolin Frommherz. „Alle licht, ook dat onzer zielen, komt van boven.”
„Alles zonlicht, mijn waarde!” liet professor Hämmerle er op volgen.
„Noem het zooals ge wilt, het laatste van alle raadsels, de werkelijke oorzaak van alles wat leeft en bestaat, blijft voor ons stervelingen toch altijd verborgen, en wie weet of dit niet zeer goed is!” hernam Frommherz.
„Daarover zullen wij hier in onze gondel nu maar niet redetwisten, maar ons liever verheugen in het vooruitzicht, dat we binnenkort uit de duisternis van het aetherruim, weer in het volle zonlicht zullen komen, al is het dan ook om zeer spoedig weder in duisternis te worden gehuld en dan voor langeren tijd!” bracht professor Stiller in het midden.
Plotseling werd het gesprek afgebroken. De Argonaut begon te trillen en scheen een oogenblik stil te staan. Het trillen van den grooten ballon deelde zich aan de gondel meê. „Wat is er aan de hand! Om ’s hemels wil, wat is er gebeurd?”—dit waren vragen die door het meerendeel der opgewonden geleerden werden geuit.
„In de eerste plaats kalmte, geen opwinding die tot niets dienen zou, beste vrienden!” aldus stelde professor Stiller zijn verschrikte reisgezellen gerust. „Het schijnt dat wij ons bevinden binnen het bereik van de electrische aantrekkingskracht van de maan, waarop de Argonaut met zijn eigen electrische stroomingen dadelijk heeft gereageerd; vandaar het plotselinge trillen,” ging professor Stiller voort. „Ziet maar, hij wordt al weder kalmer en gaat weder vooruit, en nu met nog grootere snelheid, een bewijs voor de juistheid mijner beweringen.” Met deze woorden verliet professor Stiller een oogenblik zijn waarnemingspost, waarheen hij echter dadelijk weder terugkeerde.
Van de verbazende snelheid, waarmede het luchtschip zich voortbewoog, bemerkte men in de gondel weinig of niets. Met groote opmerkzaamheid sloeg professor Stiller de snelheidsmeter gade. Na verloop van een uur constateerde hij hoofdschuddend, dat een afstand van 4500 Kilometers was afgelegd.
„Waarom schudt gij het hoofd?” vroeg professor Piller aan zijn collega.
„Hij gaat minder snel vooruit dan ik mij voorstelde en volgens mijne berekeningen ook heb verwacht.”
„Nu, mij dunkt dat niemand het ons zoo makkelijk na zal doen om 4500 Kilometers in een uur vliegend af te leggen; zulk een snelheid overtreft alles, zelfs de stoutste berekening,” bracht Brummhuber in het midden.
„Gij ziet daarbij de onmetelijke afstanden over het hoofd, die wij hebben af te leggen alvorens ons doel te bereiken,” hernam professor Stiller. „Maar ik hoop, dat het verder niet in dit tempo zal gaan; want anders,” liet hij er eenigszins gedwongen glimlachend op volgen, „zouden wij wat al te laat op Mars aankomen.”
„Op een paar dagen meer of minder komt het bij onze reis niet aan,” hernam Thudium.
Stiller gaf geen antwoord meer; ernstige gedachten hielden hem bezig en kwelden hem, doch die gedachten wilde hij voorloopig liever vóór zich houden. Waarom nu reeds de rust en het vertrouwen van zijn reisgenooten verstoord? De tijd bracht van zelf wel raad, en misschien ook.... hulp....! Zoo ging de tweede en ook de derde dag der reis voorbij.
Toen bedroeg de afgelegde afstand 324.000 K.M. De snelheid van den Argonaut was dus eenigszins toegenomen, dank zij de meerdere electriciteit aan de voortstuwers afgegeven van uit de toestellen, die door professor Stiller met Piller en Hämmerle nauwkeurig werden nagegaan. Zoo verliep het eene uur na het andere. Geen der heeren kon slapen, want naar alle waarschijnlijkheid moest de Argonaut nog dezen nacht in de onmiddellijke nabijheid der maan komen.
Een plotseling helder licht dat van buiten af in de gondel drong, deed professor Stiller onmiddellijk de electrische stroom afsluiten. Het luchtschip begon zich langzamer voort te bewegen en hield eindelijk geheel stil. De heeren liepen naar de vensters van de gondel om te zien waaraan die onbegrijpelijke stilstand van den ballon was toe te schrijven. Het schouwspel dat zich daar aan hunne oogen voordeed, was zoo overweldigend schoon, dat het als verlammend werkte op de bewoners van de gondel. Zij stonden eenige oogenblikken in stomme bewondering; toen gaven zij daaraan eindelijk lucht.
„Prachtig! Onvergelijkelijk schoon! Alleen al een reis waard! Voorbeeldeloos! De maan, de maan!” klonk het van aller lippen.
Onmiddellijk beneden hen, vertoonden zich aan hun oog reusachtige, hier en daar gespleten, trotsch opgaande bergen, die hel beschenen door de zon, zonderlinge en buitengewoon scherpe schaduwen wierpen. Daartusschen gaapten afgronden, duizenden meters diep, terwijl tusschen die afgronden en de rotsmuren een overgroot aantal uitgebrande kraters zichtbaar waren. Tamelijk vlakke landschappen werden omringd door een muur van vroeger geweldige vulkanen. Dit land lag aanmerkelijk hooger dan dat wat zich buiten dien ring bevond, en waarboven hier en daar weder kegelvormige bergen, overblijfselen van vroegere vulkanen, scherp uitstaken. De eigenaardige belichting met de eenig mooie schaduwbeelden, de geheele indruk was zoo eigenaardig, en zoo geheel afwijkend van wat de heeren op aarde hadden gezien, dat zij daarmede geen vergelijking konden maken. Waarheen ze hun blik ook richtten, nergens konden zij een spoor van plantengroei of water ontdekken. Geen meer, geen rivier, geen bruisende oceaan, geen groene weiden, geen boomen of struiken, niets, niets was er te zien. Dat stomme aangrijpende beeld van den kouden dood, dat zich hier aan het oog der reizigers voordeed, liet niet na een grooten indruk op hen te maken. De eerste kreten van bewondering werden weldra gevolgd door een diepe stilte, een plechtigen ernst, dien de dood bij ieder denkend en gevoelend mensch wakker roept. Men kon slechts weinig tijd besteden om de maan te bekijken aan de zijde die van uit de gondel waarneembaar was. De Argonaut begon langzaam te dalen.
„Op de maan kunnen wij ons niet laten braden, en evenmin wenschen wij er te bevriezen,” riep professor Stiller uit. „We zullen dus maken dat wij zoo spoedig mogelijk buiten den invloed harer aantrekkingskracht en weder in de neutrale aetherruimte komen.”
Met de meeste snelheid werd de electrische machine weder aangezet, de schroef draaide en de Argonaut verwijderde zich hoe langer hoe meer van het doode kind van de levende Moeder Aarde.
Volgens de berekeningen van prof. Stiller moest de Argonaut na de baan van de maan te hebben gekruist en haar aantrekkingskracht te hebben overwonnen, in het bereik van de aantrekkingskracht van Mars komen, als zijnde het grootste hemellichaam, dat zich het dichtst bij de aarde bevond. Deze nabijheid van de aarde moest natuurlijk grooten invloed hebben op de aantrekkingskracht tusschen Mars en de aarde die berust op electromagnetische stroomingen.
Daaruit volgt dat, wanneer voorwerpen, die aan deze aantrekkingskracht onderhevig zijn—zooals bijv. op het oogenblik de Argonaut—binnen het bereik van die kracht komen, zij meer door Mars zullen worden aangetrokken, naar mate zij dichter bij de aarde staat of verder daarvan verwijderd is. De Argonaut was nu precies 386,492 K.M. van de aarde verwijderd. Er bestond dus geen twijfel meer of de Argonaut was reeds onder den invloed van de aantrekkingskracht van Mars. Hiermede werd de juistheid van de berekening van Stiller bewezen, want de ballon ging met gelijkmatige snelheid in oostelijke richting verder. Voor de aanvankelijk gevreesde inwerking van de aantrekkingskracht van de zon, behoefde men geen angst meer te hebben. De Argonaut was op den rechten en den naasten weg naar het doel.
Buiten de gondel was het reeds lang stikdonkere nacht en heerschte eene verschrikkelijke koude. In weerwil van de hermetische afsluiting en de dikke pelsbekleeding van de gondel, konden de reizigers zich alleen door electrische verlichting en verwarming beschutten.
De eene dag na de andere verliep. De eerste week werd gevolgd door een tweede, de tweede door een derde, de derde door een vierde, en nog altijd scheen de tocht van den Argonaut geen einde te zullen nemen.
Op zekeren dag—in de vierde week werd de stilte in de gondel door een eigenaardig geluid onderbroken.
„Wat is er aan de hand,” vroegen de geleerden verwonderd aan professor Stiller.
„Ik kan het mij niet verklaren,” antwoordde deze, „noch onze horloges noch de snelheidsmeter kunnen de oorzaak van dit opvallend geratel zijn. En toch moeten wij die oorzaak hierbinnen zoeken, want het is bekend dat de aether geen geluidgolven overbrengt.”
Terwijl Stiller zoo sprak zocht hij naar de oorzaak van het steeds sterker wordende geluid.
„Ik kan werkelijk niets vinden. Al onze apparaten voor lucht en electrische kracht zijn in orde, en werken rustig, zonder stoornis. Maar wacht eens even, daar valt mij wat in; het is de lucht in onze gondel zelf die het geluid voortplant, waarvan de oorzaak daarbuiten in het wereldruim moet liggen.”
„Dan is het waarschijnlijk het een of ander hemellichaam, in welks nabijheid wij gekomen zijn,” merkte professor Hämmerle bezorgd op.
Het was in de gondel een getik en een geraas als in een klokkenmakerswinkel. Het was alsof er honderden wekkers tegelijk afliepen.
„Wat is dat een helsch leven, daar zou iemand hooren en zien bij vergaan,” viel professor Thudium woedend uit. Maar het geluid van zijn stem werd overheerscht door het oorverdoovende geratel.
De zeven menschen in de gondel werden opgeschrikt door een plotseling hel licht als van flikkerend vuur. Het was door het vreeselijke lawaai onmogelijk een woord te wisselen. De reizigers sloten onwillekeurig de oogen, die pijnlijk werden aangedaan door het bliksemende licht dat door de vensters drong.
De pijn werd heviger bij iedere poging om ze weder te openen. Op dit kritieke oogenblik dacht professor Dubelmeier gelukkig aan zijn gletscherbril, dien hij als hartstochtelijk bergbeklimmer steeds bij zich droeg, en dien hij goed verpakt, in een foudraal had meegenomen en in een van de zakken van zijn rok moest gestoken hebben. Voorzichtig betastte hij den rok van buiten. Juist, daar voelde hij hem in den bovensten rechter zijzak, het was de bril, den hemel zij dank! Eindelijk had hij hem op zijn neus gezet. Beschut door de donkere glazen, kon hij nu zijne oogen open doen. Allereerst keek hij de gondel rond. Daar lagen zijne reisgenooten stom en met gesloten oogen. De uitdrukking van hunne gelaatstrekken was die van mannen, die zich geschikt hadden in hun lot, waaraan niet viel te ontkomen.
Met knikkende knieën en kloppend hart sloop professor Dubelmeier naar het naastbijzijnde mica venster. Hij wilde probeeren het scherm dat daarvoor was aangebracht neer te laten, iets, waaraan bij het krankzinnig lawaai tot nu toe nog geen der heeren gedacht had. Voorzichtig keek hij daarbij naar buiten in het onmetelijk wereldruim. Welk een grootsch schouwspel vertoonde zich aan zijn oogen! Van loutere opwinding daarover, vergat hij het geheele scherm; al zijn denken en zinnen was in beslag genomen door het prachtig natuurtooneel daarbuiten.
Millioenen lichtgevende bollen, die evenals de melkweg, aan den nachtelijken hemel een breeden stralenkrans vormden, fonkelden en schitterden in de verte in wonderlijke pracht! Wat dit wel wezen mocht? Dat moest hij dadelijk aan zijn collega Stiller vragen, want wellicht kon hij het gevaar, dat de luchtreizigers dreigde, nog afwenden.
Professor Dubelmeier liet nu eerst de schermen voor de vensters zakken, ging toen naar Stiller toe, zette hem den bril op zijn neus en schudde hem flink door elkaar. Verbaasd over zijn plotseling teruggekeerd gezichtsvermogen, stond professor Stiller met den bril van zijn vriend op den neus op, en volgde diens stomme pantomime. Hij trok het scherm voor een der vensters weg en keek naar buiten, ook hij bleef eenige oogenblikken aan het venster staan, geheel onder den machtigen indruk dien het prachtige natuurtooneel daarbuiten op hem maakte. Nu werd hem ook de oorzaak van het oorverdoovende geraas duidelijk. De Argonaut was op zijn weg naar Mars terechtgekomen in de nabijheid van een komeet, die met groote snelheid door het aetherruim vloog en juist dezen weg kruiste. Een direct gevaar bestond daarbij voor de luchtreizigers niet, althans niet voor de eerste uren, in aanmerking genomen den nog altijd grooten afstand en de verbazende snelheid waarmede de komeet zich bewoog. Gerustgesteld, maar nog half versuft door dit eenig schouwspel, verliet Stiller het venster.
Stiller deed nu met zijn collega Piller, zooals Dubelmeier met hem had gedaan. Piller zorgde weder voor Hämmerle en zoo voort, totdat ieder der reizigers zonder gevaar voor zijn gezichtsvermogen het eenig prachtige schouwspel had kunnen gadeslaan. Men kon zich daarover echter eerst uitspreken na verloop van eenige uren, toen het lawaai van de voorbijtrekkende komeet langzaam begon af te nemen. Toen verklaarde professor Stiller aan zijne reisgenooten de oorzaak van het verschijnsel en verkondigde den lof van Dubelmeiers bril.
„Bij de keus van hetgeen ik mee zou nemen, heb ik aan allerlei gedacht, en ik meende ook, dat ik werkelijk niets vergeten had; ik moet echter eerlijk bekennen, dat de praktische en toch zoo voor de hand liggende gedachte aan den donkeren bril niet in mij is opgekomen. Daaruit ziet men alweer, dat een mensch aan zichzelf niet genoeg heeft, en men nooit op zich zelf vertrouwen kan. De zorg van onzen vriend Dubelmeier is ons van groot nut geweest.”
„Maar, mijn beste man, vertel mij nu toch eens, hoe ge op het denkbeeld zijt gekomen om in een luchtballon een gletscherbril mede te nemen,” vroeg professor Piller nieuwsgierig.
Dubelmeier werd verlegen, en wist eerst niet best wat te zeggen. Toen men echter van alle kanten begon te vragen en te dringen, bekende hij eindelijk, dat hij zich niet had kunnen vereenigen met de gedachte, misschien jaren lang zijne geliefde bergtochten te moeten ontberen. Daarom had hij, in de stille hoop dat daartoe misschien ook op Mars gelegenheid wezen zou tenminste zijn gletscherbril medegenomen.
„En waar is dan uw bergstok en verdere uitrusting? Daarvan zie ik niets!” vroeg professor Brummhuber.
„Met uitzondering van mijne schoenen met spijkers, heb ik alles zuchtend in Tübingen achtergelaten,” antwoordde Dubelmeier.
„Dat was verstandig, want onze gondel is niet berekend op het medenemen van dergelijke bagage,” merkte professor Stiller lachend op, „maar uw bril heeft de eer van ons uitstekende diensten te hebben bewezen!” Het doorsnijden van de velden der van Mars uitgaande aantrekkingskrachten, had een ongunstigen invloed uitgeoefend op de snelheid van den Argonaut. Toen hij de snelheidsmeter nauwkeurig opnam, bemerkte professor Stiller tot zijn schrik, dat, in de angstige uren, die zij hadden doorgebracht, de ballon zich in de richting van Mars had voortbewogen met slechts 1/10 deel der tot hiertoe gevolgde snelheid. Eerst langzamerhand scheen de Argonaut deze weder te zullen bereiken. Dit moest een zeer ongewenschte verlenging ten gevolge hebben van de toch reeds zoo moeilijke reis, die, verschillende omstandigheden in aanmerking genomen, noodlottige gevolgen hebben kon.
In de plaats van de vroegere levendige gesprekken, en het zoowel lichamelijk als geestelijk welzijn, waarin allen zich mochten verheugen, was een zekere matheid gekomen, eene meerdere of mindere loomheid, waaruit de verschijning van de komeet, allen slechts voor korten tijd had kunnen opwekken. Bij dezen en genen der heeren vertoonde zich als een dreigend spook, de verveling, het begin der lethargie. De reis in de betrekkelijk toch kleine besloten ruimte begon te lang te duren. Daarbij kwam nog het gebrek aan lichamelijke beweging en de gewone geestesarbeid.
De wetenschappelijke onderwerpen, die zoowel het algemeen als ieder afzonderlijk interesseerden, de bijzonderheden van den loop van de reis tot hier toe, waren reeds zoo vaak en op zoo velerlei wijze besproken, dat deze hare aantrekkelijkheid verloren hadden. Stil, zonder een woord te spreken, bijna gevoelloos, lagen of zaten in hunne pelsjassen gewikkeld, de meeste heeren die tot voor korten tijd zoo vroolijk en levenslustig waren geweest. Niemand zou gaarne voor de tweede maal zulk een ontzettend langen tocht meemaken, waarop men niet eens een goed warm maal kon krijgen of zijne verstijfde ledematen wat beweging geven kon! En, was men er dan zoo zeker van, dat het doel bereikt zou worden, zoo niet, wat dan? Ja, wat dan? Dat waren de gedachten en de angstige vragen, die rondwoelden in de hersens der heeren.
Die vervloekte reis naar Mars! Wat had die hun aangelokt, wat hadden zij zich daardoor van de wijs laten brengen, en hoe hadden zij den invloed van het langdurige verblijf, in die enge smalle ruimte en het langdurig gemis van het zonlicht onderschat!
Professor Piller had bij het begin van de reis weliswaar geklaagd over een begin van bloedarmoede, en in weerwil van den uitstekenden eetlust, ook over storing in de spijsvertering en dergelijke, maar nu lag hij ook half versuft in een hoek van de gondel, en verwenschte in stilte zichzelf, zijne reisgenooten, den Argonaut, het gansche heelal, maar het meest den verleidelijken Mars. Dat waren zoo te naastenbij ook de gedachten der overige heeren. Zij herinnerden zich hoe gezellig en aangenaam zij eenmaal binnen Tübingens muren hadden geleefd, hoe zij iederen avond na volbrachten arbeid bij elkaar hadden gezeten aan hun stamtafel in „de Beer,” „de Walvisch,” „de Kroon,” en op andere zoo gezellige plaatsen in de oude universiteitsstad in vroolijk gezelschap en onder het genot van een glas koelen geurigen wijn, en voelden levendige spijt, dat zij deze dwaze reis hadden ondernomen.
„Ik wilde dat Mars naar den drommel liep,” riep professor Piller uit, daarmede uiting gevende aan zijne gedachten.
„Laten wij dat nu maar niet wenschen,” hernam Stiller op eenigszins scherpen toon. „Dat de expeditie met allerlei gevaren en tegenspoeden zou te kampen hebben, en wij ons allerlei ontberingen zouden moeten getroosten, hebben wij van te voren geweten; daarover kunnen wij ons achteraf niet beklagen, zulke klaagliederen zijn onzer onwaardig. Zwijg en verdraag, dat moet onze leuze zijn!”
„Goed gesproken,” bevestigde Bombastus Brummhuber, „maar eindelijk moet er aan dat zwijgen en verdragen ook een eind komen!”
„Wacht maar eerst af wat komt,” riep professor Stiller boos uit.
„Maar gij hebt toch gezegd, dat de reis niet langer dan eenige weken zou duren,” bracht Frommherz in het midden, „nu is deze tijd verstreken, en.....”
„Gij moogt het allerminst uw geduld verliezen, Frommherz,” viel Stiller zijn reisgenoot in de rede. „Overigens heb ik nooit precies opgegeven hoelang de reis duren zou, om de eenvoudige reden, dat ik dat niet kon. Ik sprak van eenige weken in het allergunstigste geval. Laat het u echter niet ontmoedigen, dat de reis langer duurt dan mij zelf lief is. Integendeel laten wij moed houden! We hebben dien dringend noodig!”
„Wat beduidt dat, druk u duidelijker uit, Stiller!” klonk het van verschillende zijden.
„Nu, ik geloof dat het duidelijk genoeg is, wat ik met deze weinige woorden wilde zeggen; wij hebben slechts een zeer klein gedeelte van onze reis achter den rug, vóór ons ligt nog een groote afstand, die aan onzen moed en ons weerstandsvermogen hooge eischen stellen zal.”
„Hoe groot is die afstand nog?”
„Nog ongeveer 30 millioen Kilometers.”
„Dertig millioen Kilometers? Dan zijn we nauwelijks op de helft! Het is gewoon verschrikkelijk,” bromde professor Dubelmeier.
„Hoe moet dat eindigen!” zuchtte Frommherz.
„Laten wij hopen van goed, mijn waarde Frommherz, want anders zoudt gij wat eerder ten hemel varen dan u waarschijnlijk lief is,” spotte professor Stiller, over wien langzamerhand een soort galgenhumor was gekomen.
Deze stemming duurde echter bij den professor niet erg lang. Zij werd al heel gauw op den achtergrond gedrongen door de zorg over het wel en wee der expeditie. Hij had de geheele zaak, het waagstuk, eigenlijk op touw gezet, en droeg dus ook alleen de volle verantwoordelijkheid voor het leven zijner reisgenooten die, vertrouwende op zijn aanwijzingen, zonder aarzelen aan den tocht hadden deelgenomen. Professor Stiller was bij al zijn zenuwachtigheid en zijne neiging om alles van de beste zijde te bekijken, en de moeilijkste problemen met een zekere lichtvaardigheid te behandelen en in weerwil van zijn opvliegend karakter, toch een veel te rechtschapen en eerlijk man, om zijn eigen doen en laten niet telkens weer aan een streng zelfonderzoek te onderwerpen.
Meer dan eens had hij in stilte gewenscht, dat hij de reis maar alleen had ondernomen of slechts vergezeld van een trouw dienaar in plaats van zijn collega’s mede te nemen. Tot op dit oogenblik hadden zijn reisgenooten hem nog geen enkel verwijt toegevoegd. Het korte gesprek, dat zij zoo even hadden gevoerd en de lichamelijke en geestelijke toestand waarin zijn reisgenooten zich bevonden, bewezen genoeg, dat de goede en vreedzame verstandhouding, die tot nu toe in de gondel had geheerscht, den eersten zwaren schok had gekregen. Reeds in de eerste dagen der reis was hij door een zekeren twijfel en sombere gedachten gekweld geworden, die hij in den beginne nog van zich had kunnen afschudden, maar die zich telkens sterker aan hem opdrongen en zich nu niet zoo spoedig lieten verdrijven.
Wat professor Stiller het meeste verontrustte, was de betrekkelijk geringe snelheid van den Argonaut. Hij had er vast op gerekend, dat de ballon zoodra hij in het veld der aantrekkingskracht van Mars gekomen was, zich met bliksemsnelheid naar die planeet zou voortbewegen en nu moest hij bekennen, dat hij zich daarin schromelijk had vergist. Deze groote vergissing sleepte twee andere na zich; de voorraad versche lucht en electrische energie waren op eene kortere reis, dat wil zeggen op eene grootere snelheid berekend, en moesten binnen enkele weken zijn verbruikt. Om de maat van zorgen vol te meten, verminderde ook de voorraad voedingsmiddelen snel. Men had weliswaar een voorraad eten en drinken voor drie maanden mede genomen, doch professor Stiller had daarbij geen rekening gehouden met den gezonden eetlust van zijne reisgenooten. In het begin had hij zich over dien eetlust verheugd, in de verwachting dat de Argonaut het doel bereiken zou in de helft van den tijd waarvoor de levensmiddelen bestemd waren, maar nu hij zich in die verwachting zag teleurgesteld, kwam bij alle andere ook nog de zorg voor de voeding.
Goed- of kwaadschiks moesten van nu af aan de rantsoenen worden verminderd, wilde men met den voorraad nog langeren tijd toekomen. Hoofdzakelijk de hoeveelheid dranken was sterk verminderd; vooral die van het zoozeer geliefde Göppinger water was zeer geslonken. Zoo sleepte de eerste groote vergissing eene reeks van onaangename gevolgen na zich, waarvan de uitwerking niet was te overzien. Stiller werd, hoe meer hij daarover nadacht, hoe langer hoe somberder. Allereerst stelde hij zich de vraag, hoe hij het best zijn collega’s zou mededeelen, dat de vermindering der dagelijksche hoeveelheid spijs en drank dringend noodzakelijk was. Het scheen professor Stiller bijna onmogelijk om dit te doen zonder zijne reisgenooten te kwetsen en hunne reeds zoo groote opgewondenheid nog te doen toenemen. Gebeurde er toch maar een wonder en werd de snelheid van den Argonaut toch maar verdubbeld, dan waren al die moeilijkheden ineens overwonnen!—dacht professor Stiller. Maar er gebeurde geen wonder, en hoe nauwkeurig de professor de snelheidsmeter ook gadesloeg, de Argonaut bleef zich gelijkmatig voortbewegen.
„Stikken, bevriezen, verhongeren vóór wij Mars bereiken,—waarachtig wij hebben de keus tusschen allerlei manieren om aan ons eind te komen! Wat geeft het eigenlijk, of ik mijne reisgenooten door vermindering van hun rantsoen, nog ’t beetje genoegen bederf dat eten en drinken hun verschaft, wanneer wij toch zoo goed als zeker den dood in het vooruitzicht hebben! Het beste is dat ik alles maar bij het oude laat. En daarmede uit!”
Na lang en somber-gepeins nam de professor eindelijk dit besluit!
De week liep ten einde en met haar waren de Marsreizigers het nieuwe jaar ingetreden.
Geen hunner had zich bekommerd om de jaarswisseling, die vroeger op aarde door hen in gezelligheid en vroolijkheid was gevierd.
Eene doffe onverschilligheid was over het geheele gezelschap gekomen, die hun ook meer en meer den vroegeren lust tot eten en drinken ontnam. „Wanneer ik goed en wel uit deze gondel op Mars kom, en ik merk dat de levensomstandigheden maar eenigszins gunstig zijn, dan zien zij mij op de aarde en in Zwaben niet meer terug. Geen hemelsch geweld zal mij dan weder tot zulk eene reis verleiden,”—aldus sprak op zekeren dag professor Fridolin Frommherz, terwijl alle andere heeren toestemmend knikten.
Professor Stiller zeide niets op deze woorden, die zoo duidelijk de gevoelens van zijne reisgenooten vertolkten. Met het oog op den buitengewoon kritieken, steeds pijnlijker wordenden toestand van den Argonaut, schenen hem al die opmerkingen van zijne collega’s vrijwel overbodig, hij bewaarde een somber stilzwijgen en begon na te denken over middelen en wegen om de reis te bekorten.
„Wie aan zich zelf begint te wanhopen, gaat zeer zeker verloren. Waar nog slechts een schijn van hoop bestaat, zij die ook nog zoo klein en zoo zwak, daar ziet de moedige mensch nog altijd mogelijkheid om een uitweg te vinden, een middel tot redding, terwijl de moedelooze zich aan wanhoop overgeeft. Was ik dan laf en zwak, of ben ik het werkelijk?” vroeg professor Stiller zichzelf af. „Waarvoor vrees ik eigenlijk? Voor den dood, voor het verlies van een leven, dat in dienst der wetenschap voor de gemeenschap eenige waarde heeft, maar dat ik persoonlijk nooit zoo heel hoog heb geschat?”
Het grootsche idee van deze reis, de kunstige bouw van den Argonaut, die tot op dit oogenblik bewezen had zoo uitstekend te zijn, was op stuk van zaken toch zijn werk, waarvoor hij in alle opzichten zooveel had opgeofferd. Reeds vóór de reis tot uitvoering kwam, had hij rekening gehouden met de mogelijkheid dat de expeditie zou mislukken, maar in weerwil daarvan had hij vol moed en hoop zijn vaderland verlaten, in de vaste overtuiging dat hij alle bezwaren zou overwinnen. En, nu de zaak wat kritiek begon te worden, zou hij als een zwakkeling den moed laten zakken? Wat moest hij wel van zichzelf denken? Hij bloosde van schaamte bij die gedachte! Weg met alles wat naar zwakheid en naar lafheid leek! Wanneer hem wezenlijk het lot beschoren was, reeds nu in den bloei en de kracht zijner jaren te sterven, welnu, in Gods naam dan, maar dan was toch ook de wijze waarop hij zou heengaan zijner waardig, zij was even grootsch als eigenaardig. De namen van hem en zijne tochtgenooten, zouden, ook al waren zij reeds lang van den aardbodem verdwenen, op aarde nog altijd met eerbied worden genoemd. Met gulden letters zouden zij worden opgeteekend in de annalen der wereldgeschiedenis en der wetenschap, als die van stoutmoedige, zij het dan ook als ongelukkige luchtreizigers. Die gedachte was ook een troost, een groote zelfs, een trotsche een verhevene. Toen legde professor Stiller bij zichzelf de heilige belofte af, dat hij vastberaden en met open oog de toekomst zou te gemoet gaan, ze mocht dan brengen wat ze wilde.
Hij werd wonderlijk kalm, en was daardoor in staat helder te denken en te overleggen. Allereerst begon hij zoo nauwkeurig mogelijk vast te stellen, hoeveel electrische energie hun nog overbleef. Hij rekende dagen en dagen lang. De afstand tusschen den Argonaut en Mars bedroeg juist achttien millioen kilometers. De werking der aantrekkingskracht der planeet op den Argonaut kon van dezen uit worden vermeerderd, wanneer men er toe kon besluiten, een deel der electrische energie op te offeren en het wereldruim in te zenden, Mars tegemoet.
Professor Stiller moest zichzelf bekennen, dat dit een waagstuk was, want de voorraad energie, die noodig was voor verlichting en verwarming van de gondel, werd er verbazend door verminderd. Hij bedacht zich echter niet, nadat hij tot de overtuiging was gekomen, dat het opofferen van een groot deel der electrische energie de eenige mogelijkheid was om hun leven te redden en de expeditie tot een goed einde te brengen. Het was een va-banque-spel, maar moest in de gegeven omstandigheid gespeeld worden. Er was geen andere keus!
Professor Stiller ging direct aan het werk. Eerst sloegen de heeren de nieuw ontwaakte bedrijvigheid van hun reisgenoot bijna onverschillig gade. Langzamerhand echter begonnen zij nieuwsgierig te worden, en de verflauwde belangstelling in de wetenschap weder te ontwaken.
„Wat voert ge daar toch uit, Stiller?” klonk het van uit de verschillende hoeken van de gondel waar de heeren lagen.
„Ik werk aan onze redding,” antwoordde de aangesprokene kortaf.
„Dat is een prijzenswaardige arbeid,” merkte Frommherz met zwakke stem op.
„Verklaar ons uw plannen eens,” sprak professor Dubelmeier.
„Mijn beste vrienden, laat mij nu rustig mijn gang gaan. Bij mijne verklaringen komen zooveel cijfers te pas, dat u het hoofd zou omloopen, en dat moet juist wat ontzien worden.”
„Stiller heeft gelijk,” besloot professor Piller, „geef mij liever uit de kast, waar gij vlak vóór zit, een flesch van onzen heerlijken vaderlandschen wijn. Ik wil daarin vergetelheid zoeken.”
„Ge drinkt bepaald te veel, Piller,” waarschuwde Dubelmeier maar voldeed toch aan het verzoek van zijn vriend, en overhandigde hem een flesch met het fonkelende roode vocht. „Alcohol is verderfelijk voor de hersens, dat moet gij als medicijnman toch wel het allerbest weten.”
„Voor mijn part!” merkte professor Piller geeuwend op, waarna hij een flinke teug nam. „Zoo, dat heeft gesmaakt! Er gaat toch niets boven een goed glas wijn. En nu, Dubelmeier, raad ik u dringend, ook eens nader kennis te maken met dezen vijand der menschelijke hersens. Alleen met Göppinger water houden onze hersens het op deze vervloekte reis niet uit!”
Na deze woorden deed professor Piller zijne oogen weder dicht, en sliep rustig in. Ook de andere heeren keerden weldra weder in hunnen lethargischen toestand terug.
Professor Stiller had intusschen de uitwerking van zijn proefneming gade geslagen. De snelheidsmeter wees inderdaad eene belangrijk meerdere snelheid aan. Reeds vleide de professor zich met de hoop, dat alles naar wensch ging,—toen er al weer iets anders gebeurde.
„Wat duivel! Wat is er nu weder aan de hand?” vroeg Piller, plotseling opschrikkende uit zijne verdooving, toen men een vreemd geluid, gelijk aan dat van den rollenden donder, in de gondel vernam.
„Dat heeft wel iets van het bruisen van een bergstroom, die tallooze steenen rotsblokken met zich voert,” bracht Dubelmeier in het midden. Nauwelijks had hij deze woorden gesproken, of een zwaar voorwerp kwam tegen de gondel aan. Verschrikt sprong professor Stiller op.
„Gauw, vrienden, helpt mij de vensters beveiligen, als ik mij niet vergis is er een sterrenregen in aantocht.”
De heeren snelden naar de vier vensters van de gondel, en lieten zoo snel zij konden de schermen zakken. Eene kletterende regen ontlastte zich boven den Argonaut, doch hoofdzakelijk boven de gondel.
Reeds meende professor Stiller, dat het gevaar geweken was, toen andermaal een slag, veel heviger dan te voren de gondel trof. Daarna vernam men een kletterend geluid, gevolgd door een jammerkreet. De plaats waar zich de snelheidsmeter in de gondel bevond, was door een kleinen meteoor getroffen.
Door den vreeselijken schok was dit instrument beschadigd, en het glas gebroken. Een der stukken glas had professor Frommherz, die kermend en bebloed op den bodem van de gondel lag, getroffen. Door den slag was de gondel met zóóveel kracht op zijde geworpen, dat daarbinnen de grootste verwarring heerschte. Eerst na verloop van eenigen tijd hield de schommelende beweging op, en maakte plaats voor de oude gelijkmatige. Men vernam geene slagen meer, en professor Stiller kon aannemen, dat de Argonaut ook aan dit gevaar gelukkig was ontkomen.
Nu kon Piller den gewonde onderzoeken. Het stond al vast, dat de verwonding niet zoo ernstig was, als het zich liet aanzien.
„Gij jammert veel te hard naar verhouding van uw wond,” spotte Piller, nadat hij de wond had onderzocht.
„O, hemel, dat ontbrak er nog maar aan,” steunde de verwonde, toen Piller met zijne naalden door de randen van de wond ging.
„Bah,” hernam Piller droogjes, „wat een groot woord, onmensch! Dank uw Schepper liever, dat gij er zoo goed zijt afgekomen. Het zal u wat kranig staan, zulk een roode streep op uw voorhoofd!”
„Wat zal men van mij denken?”
„Wat men wil! Ziezoo, zet nu niet zoo ’n ongelukkig gezicht meer. De wond is genaaid, het verband gelegd, met een beetje watten gedrenkt in Göppinger water, nemen wij de laatste bloedsporen van uw gezicht weg. Dan ziet gij er helderder uit dan een van ons. Over een paar dagen neem ik de draden weg, en daarmede is de zaak gezond.”
„Was het maar eerst zoover!”
„Wanneer dat doelt op het eind van de reis, dan ben ik het volkomen met u eens. Eenmaal moet toch aan dien vervloekten tocht een einde komen!” bromde de dokter mismoedig.
Het ergste was, dat nu de snelheidsmeter niet meer werkte en totaal onbruikbaar geworden was. Aan repareeren viel gedurende de reis niet te denken. Dat was een leelijke streep door de berekeningen van professor Stiller, die hem bovendien iedere contrôle onmogelijk maakte. Nu moest alles aan het blinde toeval worden overgelaten. In plaats van berekenen, kon men nu slechts vermoeden. Hij gaf zich dan nu ook weer aan allerlei zwaarmoedige en sombere gedachten over.
Inmiddels verliep de tijd en de ballon vervolgde zijn weg. De levensmiddelen waren intusschen zóó geslonken, dat hongersnood voor de deur stond, terwijl ook de voorraad electrische energie onrustbarend afnam.
Wilde professor Stiller voor zich en zijne reisgenooten dus nog eenige dagen licht en warmte behouden, dan moest hij onmiddellijk eindigen met electrische energie naar het aetherruim af te voeren. Met een bezwaard hart, brak hij dus de verbinding naar buiten af.
Wat zouden de eerstvolgende dagen brengen? Zij hielden in hun schoot, het lot, het geluk, of den ondergang der expeditie verborgen.
Het electrisch licht in de gondel begon zwakker te worden, en eene doordringende koude, die zelfs de pelsen der heeren niet vermocht af te weren, deed zich gevoelen.
De een voor, de ander na, werd hoe langer hoe onverschilliger. Zij schenen langzamerhand over te gaan in een toestand van bewusteloosheid. Het einde der martelaren scheen eindelijk gekomen te zijn. Geen geluid werd meer in de gondel vernomen.
Plotseling gevoelde men een geweldigen schok. Ballon en gondel vlogen op zij, en schenen te willen kantelen. De arme menschen in de gondel vielen tegen en over elkander, en werden als het ware uit hun doodsslaap wakker geschud. Doodelijk ontsteld, door dien plotselingen schok, slaagden de heeren er eindelijk in, weder overeind te komen, en toen zij daarna de oogen weder openden, scheen een vriendelijk zonlicht door de verbrijzelde vensters van de gondel.
Het duurde eenigen tijd, vóór de oogen der reizigers, die zoo lang het licht hadden moeten ontberen, weder aan de heldere stralen gewend waren. Maar toen scheen ook plotseling alle loomheid geweken.
Professor Stiller was het eerst op de been. Zonder te denken aan mogelijk gevaar, stak hij moedig het hoofd uit een der vensters, om te zien met welk ander vreemd lichaam de Argonaut in aanraking was gekomen, want dat dit moest zijn geschied, was den geleerde onmiddellijk duidelijk.
„Hoera, hoera!” riep hij opgewonden uit. „Hoera! wij zijn gered! Wij hebben de kleine maan van Mars, Phoebus, gelukkig maar even geraakt. Maar het buitenste omhulsel van onzen ballon is erbarmelijk gescheurd; en wij hebben, zooals ik zie, nog meerdere schade beloopen, maar dat doet er niet toe! Daar beneden, daar beneden ligt Mars! Wij zijn gered, ge....” professor Stiller viel bewusteloos neder.
Na veel moeite slaagde professor Piller er in, hem weder tot bewustzijn te brengen.
„Waar zijn wij,” vroeg professor Stiller met zwakke stem.
„Dat weten wij zelf niet recht, in elk geval nog in de lucht, en niet op vasten bodem,” antwoordde professor Piller.
„Dan moeten wij den Argonaut langzaam en voorzichtig laten dalen,” zeide Stiller.
„Gevoelt ge u weder sterk genoeg, om de geheele leiding op u te nemen?”
„Het moet eenvoudig!”
Met deze woorden stond professor Stiller op, om zich met een blik door het venster, van de plaatselijke omstandigheden van den ballon te overtuigen.
Juist, daar beneden, op geringen afstand van den Argonaut, stroomde eene breede krachtige rivier, aan wier oevers een donkergroene tropische plantengroei welig tierde.
Daarnaast zag men schitterend in het helle zonlicht, bebouwde velden en bloeiende tuinen. Eigenaardige gebouwen, die van verre schitterend wit schenen, bewezen de nabijheid van levende schepselen. De luide kreten van bewondering, waarmede de koene luchtreizigers aan hunne verrassing hadden lucht gegeven, bij het voorbijtrekken van de maan, hadden hier voor eene stomme bewondering plaats gemaakt, terwijl zij, dankbaar gestemd tegenover het lot, dat hen op het laatste oogenblik voor het uiterste had bewaard, van uit de gondel eenen blik wierpen op het schoone landschap, dat zij thans snel naderden.