← Table of contents
Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

LUMATA EN ANGOLA.

Cath. A. Visser translation

De volgende weken gingen voor de gasten van den Patriarch in gezellig verkeer met hem en de Marsbewoners voorbij. De vreemdelingen gaven zich alle moeite, om zich voor hunne nieuwe vrienden verstaanbaar te maken en tevens deze te verstaan. Ze schreven daarom voor allerlei dingen de namen op zooals zij die hoorden uitspreken. Daarop brachten zij deze dingen in verband met het doel waarvoor zij gebruikt werden, en de eigenschappen, waardoor zij zich onderscheidden, en kregen zoo op de meest eenvoudige wijze langzamerhand den sleutel tot de taal zelve.

Al vlotte ook in het begin het gesprek slechts zeer langzaam, toch deed het hun veel genoegen, dat zij langzamerhand de welluidende taal begonnen te begrijpen, waarin zij de belooning vonden, voor de groote moeite, die zij zich bij hunne studie moesten getroosten.

In de menschenwereld gaat alles slechts langzaam vooruit; nergens gaat de ware vooruitgang met zevenmijlslaarzen. De waarheid van die woorden ondervonden de zeven Zwabensche geleerden niet alleen voor zichzelf bij hunne studiën, maar konden zij ook bij de Marsbewoners waarnemen. Ofschoon zij eerst korten tijd daar vertoefden, en hunne waarnemingen zich tot eene betrekkelijk kleine ruimte hadden beperkt, waren zij toch reeds tot de overtuiging gekomen, dat de bewoners van Mars een zeer hoogen trap van beschaving hadden bereikt, die slechts het product kon zijn van eene eeuwenlange geestelijke ontwikkeling.

Naarmate de heeren de hen omringenden beter konden verstaan, nam hunne bewondering en waardeering voor deze hoogstaande menschen toe.

Meer en meer vestigde zich bij hen de overtuiging, dat de Marsbewoners, tenminste die, wier gasten zij waren, op de meest ideale wijze—als menschen datgene vervulden, wat op aarde slechts de besten en edelsten, dus altijd slechts enkele individuën presteerden.

Wat zij zelf daar beneden op aarde hadden gedroomd van alles wat schoon, waar en goed was, vonden zij hier in werkelijkheid terug, want overal en in alles openbaarde zich de heerlijkste harmonie, alles ademde schoonheid, goedheid en waarheid, en het geheele leven droeg den stempel van kalme werkzaamheid.

Ongetwijfeld moest eene wijze regeering hier aan het hoofd van den Staat staan, ofschoon de heeren van overheidspersonen, die in hun vaderland zoo talrijk waren, hier niets hadden gemerkt.

Zou dit leven vol licht en schoonheid ook zijne schaduwen, zijne donkere zijde hebben? Deze vraag werd herhaaldelijk geopperd, wanneer de heeren ’s avonds in de groote bibliotheek van hun tehuis onder elkander zaten te praten. Een afdoend antwoord werd hierop nooit gegeven—want gewoonlijk werd men het daarover eens, dat men, alvorens een oordeel te kunnen vellen, eerst de taal volkomen meester wezen moest.

Hierboven op Mars, was alles zoo heel anders als daar beneden op de aarde.

De zeven Zwaben voelden zich in hun nieuw verblijf zóó uitermate thuis, dat zij in het geheel niet meer aan een mogelijken terugkeer schenen te denken; tenminste door geen der heeren werd daar ooit over gesproken.

De Marsieten, zooals zij de Marsbewoners noemden, behandelden hen als lieve oude vrienden, geheel als huns gelijken, en men bewees hun op eene zoo fijn gevoelige wijze gastvrijheid, dat deze niets drukkends had en zij integendeel daarvan een vroolijk dankbaar gebruik maakten.

Ook de Argonaut was op praktische wijze onder dak gebracht; in alle stilte had men op de weide, waar de ballon was neergedaald, eene ruime loods gebouwd van plaatijzer en met glas overdekt. Daar was het luchtschip in geborgen. De defecten die de ballon had bekomen, waren door de Marsieten zóó meesterlijk hersteld, dat Stiller erover verbaasd stond. De handigheid en vaardigheid, in zake de grootste moeilijkheden op het gebied van luchtscheepvaartkunde, dwongen hem bewondering af. Waar de technici op Mars bij het repareeren van den Argonaut blijk hadden gegeven van zooveel praktische bekwaamheid, hoe groot moest dan wel hunne theoretische ontwikkeling zijn! Wat konden zijzelf hier nog veel leeren!

Dit vooruitzicht was zóó aanlokkelijk, dat Stiller nauwelijks den tijd af kon wachten, waarop hij en zijne vrienden in nauwere aanraking zouden komen met de mannen der wetenschap, hunne collega’s op Mars.

De vraag, hoe zij de hun bewezen gastvrijheid zouden vergelden, hield de zeven Zwaben dikwijls bezig, want het was hun duidelijk, dat zij die maar niet altijd konden blijven aannemen, zonder daarvoor iets in de plaats te geven. Zij besloten daarom, om later op de eene of andere manier ieder naar zijne kundigheden den Marsieten van dienst te zijn, en op gepaste wijze uiting te geven aan hunne dankbaarheid. Het hoe, dat stond hun nog niet duidelijk voor den geest, doch zou zich waarschijnlijk te eeniger tijd van zelf uitwijzen.

De tijd verliep; ze deden velerlei ervaringen op, en sloegen meermalen een blik in de eigenaardige nieuwe wereld, waarin zij leefden. Allereerst hadden zij uitgemaakt, dat hunne woonplaats zich bevond op het Noordelijk halfrond van Mars en wel op 15° breedte. Daar de breedte der keerkringen van Mars de helft bedraagt van die der aarde, lag de 15° noorderbreedte hier reeds in de zuidelijke heete luchtstreek. De gematigde luchtstreek van Mars strekte zich zoowel noordelijk als zuidelijk tot op 35° breedte uit. Daarboven en daaronder begon de koude luchtstreek. Terwijl deze, zooals aan de geleerden werd medegedeeld, slechts zeer dun en door een bepaald soort Marsbewoners bevolkt was, leefde het meerendeel der Marsieten binnen de 35° breedte noordelijk en zuidelijk van den equator. Het was dus slechts betrekkelijk een klein gedeelte van de planeet, dat bewoond en productief gemaakt werd, maar het was volkomen voldoende, om de tweehonderd en vijftig millioen, waarop het aantal bewoners van Mars geschat werd, een goed bestaan te verzekeren. Dat dit bestaan verband hield met de reuzenkanalen, was reeds lang vermoed, naar aanleiding van de waarnemingen door professor Stiller en andere natuurkundigen gedaan. Deze vermoedens werden zekerheid, nu professor Stiller in de gelegenheid was, om de allereerste levensvoorwaarden op Mars, persoonlijk te leeren kennen.

De atmosfeer van Mars kwam met die der aarde overeen; maar daar er op Mars slechts kleine oceanen en binnenzeeën waren, bevatte de dampkring die deze planeet omringde, minder waterdamp en vocht dan de atmosfeer der aarde. Het natuurlijk gevolg daarvan was, eene wonderlijk heldere doorzichtige lucht, waardoor de verst verwijderde voorwerpen dichtbij schenen, een diep donkerblauwe hemel, maar tevens ook gebrek aan flinke regenbuien. Weliswaar dauwde het in de heerlijk koele nachten zóó sterk, dat planten en boomen hunne natuurlijke frischheid behielden, maar deze vochtige neerslag alleen gaf niet voldoende water voor de behoefte der plantenwereld. De Marsbewoners waren dus in den strijd om hun bestaan genoodzaakt, aan dit gebrek in de natuur door kunst te gemoet te komen. Op deze wijze ontstonden de kanalen, die zich tot in de koude luchtstreken uitstrekten, en die het water, dat daar in den zomer ontstond door het smelten der enorme ijsmassa’s, naar alle richtingen voerden.

Reeds alleen de grootsche uitvoering dezer eeuwenoude waterwegen, duizenden kilometers lang, die hier en daar samenvloeiden in kunstmatige bassins, reuzenmeren gelijk, en de wijze waarop deze met de grootste zorgvuldigheid werden in stand gehouden, wezen op den hoogen trap van ontwikkeling der Marsbewoners, hun hoogen graad van beschaving, en hun sterk ontwikkeld gemeenschapsgevoel. De regeling van het water was volkomen in overeenstemming met het jaargetijde. Dank zij deze inrichting en het onmetelijk aantal watertjes die naar alle richtingen stroomden, was er op Mars nooit gebrek aan vocht. Het gevolg daarvan was de weelderige en prachtige plantengroei, die de Zwaben weer telkens opnieuw moesten bewonderen. Daarbij kwam de totale afwezigheid van wilde dieren, vergiftige slangen en gevaarlijke insecten. Het was een eldorado, waar de zonen der aarde waren terecht gekomen.

Deze talrijke kanalen waren tevens de beste en eenvoudigste verkeerswegen der Marsbewoners. Geen wonder, dat hier dan ook eene levendige scheepvaart was. De schepen, die zich op de waterwegen bewogen, bedierven de heerlijke lucht niet door rookende schoorsteenen. Alle vaartuigen, zoowel voor personen- als voor goederenvervoer, werden door electriciteit bewogen en maakten een rustig en snel verkeer mogelijk.

Met deze vaartuigen, die even doelmatig als gemakkelijk en sierlijk waren ingericht, hadden de zeven Zwaben reeds menige groote reis gemaakt. Zij hadden het overige land en zijne bewoners, daarbij echter slechts vluchtig leeren kennen, daar die tochten hoofdzakelijk werden ondernomen met het oog op de algemeene oriënteering. Wat zij echter zagen, versterkte slechts hunne eerste goede indrukken, en bevestigde hen in hunne overtuiging dat zij zich in een grootschen Staat bevonden die voorbeeldeloos werd bestuurd. Niet alleen waren de Marsbewoners van de verschillende luchtstreken overal dezelfde—d. w. z. zij spraken dezelfde taal, en schenen onder dezelfde sociale verhoudingen te leven, als hunne broeders in Lumata, zooals de kolonie heette, waar de heeren uit Zwaben waren aangeland,—maar ook viel op de verschillende plaatsen, die de vreemdelingen bezochten, eene zekere gelijkheid van bezit op, en deed hun de totale afwezigheid van werkelijke armoede aangenaam aan.

De geologische gesteldheid van Mars kwam vrijwel met die der aarde overeen; ook hier vond men steen-formatie, en verschillende aardlagen, in nagenoeg dezelfde volgorde als op aarde. De geologische ontwikkelings-geschiedenis van Mars scheen dus met die der aarde overeen te stemmen; alleen had Mars blijkbaar de verschillende ontwikkelingsperioden sneller en vroeger doorgemaakt. Daarvoor getuigde het totaal ontbreken van werkende vulkanen. Daarentegen was Mars rijk aan allerlei heete bronnen; ook was er geen gebrek aan Fumarolen, (d. w. z. openingen in den bodem op vulkanischen steengrond, waaruit waterdampen opstijgen, die dikwijls met allerlei chemische dampen zijn bezwangerd), noch aan Moffetten (gasbronnen waaruit koolzuur stroomde).

Groote steden, zooals zij in de zoogenaamde beschaafde Staten der aarde te vinden zijn, waren op Mars niet; er bestonden alleen kleinere of grootere huizengroepen, die ieder op zich zelf geheel vrij lagen, meestal in het groen. Alleen aan een groot meer, twee dagreizen zuidwaarts van Lumata, hadden de Zwaben iets gevonden, wat eenigermate op eene stad leek. Dat was eene grootere kolonie, met talrijke mooie gebouwen, die straatsgewijze waren opgetrokken. Een stad van paleizen scheen het wel, die zich onderscheidde door eene zekere deftige kalmte, door overgroote reinheid, en de pracht der publieke tuinen. De zonen der aarde konden met hunne zeer gebrekkige spraakkennis, slechts te weten komen, dat deze plaats, Angola geheeten, het hoofdverblijf was van de stammen der Wijzen, der Vroolijken, en der Ernstigen. Maar wat waren dat voor stammen?

Toen zij thuis waren gekomen, vroegen zij daar den Patriarch naar; deze glimlachte op eene eigenaardige wijze op die vraag en antwoordde de nieuwsgierige heeren, dat hij later zelf eens met hen naar Angola zou gaan, om hen met zijn broeders dáár bekend te maken, die echter reeds lang op de hoogte waren van hunne aanwezigheid in Lumata, hun afkomst en hunne reis naar Mars.

In den beginne werd al de tijd van de Tübinger heeren in beslag genomen door het opschrijven hunner dagelijksche waarnemingen en der ontvangen nieuwe indrukken en het aanleeren der taal. Langzamerhand echter begonnen zij toch te verlangen naar hun vroeger beroep, dat hun tot eene tweede natuur was geworden, en dat zij met zoo gunstig gevolg in hun vaderland hadden uitgeoefend. Aan ernstige en voortdurende bezigheid gewend, scheen hun het aangename, ideale, heerlijke leven op Mars meer en meer als een verblijf in een soort luilekkerland toe. Hoe langer zij op Mars waren, hoe meer de moeilijkheden, waarmede zij op de heenreis hadden te kampen gehad, op den achtergrond werden gedrongen.

Er was reeds een vol jaar verloopen, sedert zij van de Cannstatterweide hun tocht waren begonnen. Terwijl daar beneden de winter met sneeuw en koude voor de deur stond, heerschte hierboven in Lumata eene eeuwige lente, ofschoon de Marsieten het jaargetijde waarin zij zich bevonden, eveneens vergevorderd noemden.

Was het slechts toeval, dat de zeven Zwaben ook op Mars bij gewichtige aangelegenheden het heilig zevental terugvonden? Ook Stiller kon daarvoor geen verklaring vinden, en stelde zich tevreden, het feit te hebben vastgesteld.

Op Mars werd het jaar in zeven deelen verdeeld, die allen betrekking hadden op de werkzaamheid en de rust in de natuur. Volgens de berekening der aarde stond zulk een tijdsverloop gelijk met ongeveer twee en vijftig dagen. Deze perioden heetten:

1 de tijd van het ontwaken,

2 de tijd van het zaaien,

3 de tijd der knoppen en bloesems,

4 de tijd der vruchten,

5 de tijd der schoven,

6 de tijd van het oogsten of der vreugde,

7 de tijd der ruste.

Langzamerhand hadden de zonen der aarde groote vorderingen in de Marstaal gemaakt, zoodat zij nu ook eenig inzicht kregen in de staatsorganisatie van het Marsvolk. Zij kwamen hoe langer hoe meer tot de overtuiging dat zij hier te doen hadden met een hoogstaande reusachtig groote demokratische gemeenschap, die niet berustte op geweld, maar in stand werd gehouden door den vrijen wil des volks, en den band van gemeenschappelijke belangen. Ieder individu maakte zijn eigen welzijn aan dat der gemeenschap ondergeschikt, en diende deze met al de kracht die in hem was. De geheele Staat vormde een weliswaar groote, maar nauw verbonden familie, waar volkomen vrede en eendracht heerschte. Aan het hoofd van den Staat stond de stam der Wijzen of de handhavers van het gezag.

De bevolking van Mars werd in de volgende zeven stammen onderscheiden:

1e de stam der Wijzen of de handhavers van het gezag.

2e de stam der Vroolijken (beeldende kunsten: schilders, beeldhouwers en componisten).

3e de stam der Ernstigen (geleerden op elk gebied).

4e de stam der Opgewekten (uitbeeldende kunsten: musici en tooneelspelers).

5e de stam der Zorgenden (akker- en tuinbouwers en bedienden).

6e de stam der Ondernemenden (handels- en verkeersmenschen).

7e de stam der Vindingrijken (industrieelen).

De laatste zes stammen waren volkomen gelijk in aanzien. De eerste stam bestond uit de meest ervarene, de oudste, maar vooral de meest geachte mannelijke en vrouwelijke individuën der overige zes stammen.

De grootste stam, die in aantal de andere verre overtrof, was die der Zorgenden.

Omtrent de toelating tot een der stammen, die der Wijzen uitgezonderd, besliste alleen neiging en bekwaamheid. Overgang van den eenen stam naar den ander was op bepaalde tijden, na afgelegd examen mogelijk. Niemand was gebonden, en juist dit volslagen gemis aan dwang scheen hierboven de hoofdoorzaak te zijn van den hoogeren trap van ontwikkeling, waarop de verschillende beroepen stonden.

Eene natuurlijke, verstandige eerzucht, om alles zoo goed te doen als maar mogelijk was, bezielde alle Marsbewoners, en deed niet alleen ieder op zich zelf alle krachten inspannen, maar was tevens oorzaak, dat zij daarin maat hielden en voor overdrijving bewaard bleven.

Daar er op Mars geen geld in omloop was, heerschte er ook niet, dat afschuwelijke gehaast en gejaag, dat lichaam en geest beide afmat, om dat te verdienen; zooals dit beneden op de aarde het geval was. Geldzorgen waren op Mars onbekend. Wat de een voortbracht werd omgezet in dagelijksche behoeften voor de zijnen.

Tot het levensonderhoud werd ook gerekend eene zekere mate van levensvreugde, die zoowel de beeldende als uitbeeldende kunsten te genieten geven.

De hoogste roem en de grootste eer bestond in de algemeene erkenning en waardeering, en deze kon ieder zich verwerven door trouwe plichtsbetrachting. Voor alles wat gepresteerd werd boven den gewonen verplichten arbeid, dus daar waar de eigenlijke verdienste tegenover de gemeenschap begint, ontvingen de Marsieten eene tevredenheidsbetuiging van den stam der Wijzen, en werd hun openlijk hulde gebracht, terwijl zij hierdoor op hoogeren ouderdom het recht hadden deel uit te maken van dezen stam, die zoo hoog in aanzien stond.

Het gemeenschapsleven op Mars was in zijn eigenaardigen vorm slechts daardoor mogelijk, dat allen zich solidair voelden. De algemeene stelregel, dat ieder individu op zich zelf alles moet doen wat der gemeenschap van nut kan zijn en alles moet nalaten, wat den medemensch kan schaden of verdriet doen, werd hier reeds sinds onheugelijke tijden in praktijk gebracht. Daardoor werd de eigenliefde, een gezond en geoorloofd egoïsme, niet vernietigd. De natuurlijke drang tot zelfbehoud van ieder mensch op zich zelf, werd krachtig in stand gehouden door de erkenning der eenvoudige stelling: dat van het wel en het wee van den naaste, ook eigen wel en wee afhangt, dat het bloeien en gedijen van anderen onafscheidelijk is verbonden met eigen bloeien en gedijen, en dat anderer ellende ook vast en zeker eigen lijden met zich brengt.

Deze eenvoudige en natuurlijke moraal, die de grondslag is der reinste naastenliefde (altruïsme), en die ieder geestelijk normaal mensch er toe brengt, om als bij instinct het goede te doen en het kwade na te laten, werd op Mars in haar vollen omgang toegepast. De oorzaak van alle kwaad op aarde, de lage zelfzucht, die daar beneden allerlei wetten en verordeningen noodzakelijk maakte, werd op Mars niet gevonden. Naastenliefde, waarheid en eene groote mate van opgewektheid, sloten zelfs de gedachte aan laag egoïsme uit.

Het volk hierboven scheen een bond van broeders en zusters die, ontwikkeld, waar, vrij en goed, het ideaal van den reinen mensch verwezenlijkten.

Hoe klein kwamen zich de zonen der aarde hier voor, toen zij langzamerhand de grondbeginselen leerden kennen, waarop het staatswezen zoowel als het openbare en privaatleven der Marsieten berustten; en deze grondbeginselen waren voortgekomen en voortgeplant door een uitstekend geregelde algemeene en vrije opleiding der Marsjeugd. De ideale school der toekomst, zooals professor Hämmerle zich die in Tübingen had gedroomd,—bleek hier op Mars reeds eene oude inrichting te zijn, waarvan de goede resultaten reeds lang waren gebleken.

De stelregel der Marsieten was, de jeugd zoowel lichamelijk als geestelijk, goed te ontwikkelen, want hoe beschaafder en tevens lichamelijk krachtiger een individu is, des te beter is hij in staat de plichten te vervullen, die als mensch en als burger van den Staat op hem rusten.

Het onderwijs bepaalde zich daarom niet tot eenvoudige elementaire onderwerpen, maar strekte zich uit tot de geschiedenis en de kennis der staatsinrichting, tot de wetenschap van de wetten der natuur, en de kennis van de meesterwerken der Marsliteratuur zoowel in proza als in poëzie. Hand in hand daarmede ging het onderricht in de algemeene lichaamsbouw- en gezondheidsleer, die in overeenstemming was gebracht met den leeftijd der leerlingen.

De namiddagen, waarop geen onderwijs werd gegeven, waren gewijd aan allerlei gymnastische spelen. Na verloop van een bepaalden schooltijd, werden wedstrijden gehouden, en die daarin de overwinning behaalden, werden tot eene hoogere klasse bevorderd. Op deze eenvoudige wijze kwam eene duidelijke scheiding tot stand tusschen de scholieren die werkelijk talent hadden en hen die minder begaafd waren. Voor de eersten stond dan de weg open tot de kunstscholen of andere inrichtingen van hooger wetenschappelijk onderwijs. Die hoogere ontwikkeling was gemeengoed van het geheele volk, en geen aanmatigende middelmatigheid kon op Mars tot aanzien komen.

„Wij, aardbewoners, zijn toch ongelukkige stumpers, vergeleken bij die prachtkerels hierboven; wat is het leven daar beneden op aarde vergeleken bij het leven hier! Hier, reine heldere zonneschijn, daar beneden donkere sombere nevel. Wat staat die zoo hoog geprezen beschaving der meest ontwikkelde natiën ontzettend ver achter bij die van het volk op Mars!”—zeide op zekeren dag Brummhuber, terwijl de heeren aan tafel zaten.

„Reeds daar beneden op onze planeet vermoedde ik dat wij hier menschen zouden vinden, die de volmaaktheid nabij kwamen, maar ik moet erkennen, dat mijne verwachtingen in elk opzicht zijn overtroffen,” antwoordde Stiller.

„Wij kunnen de menschen hier niets, totaal niets aanbieden, en dat drukt mij persoonlijk zeer,” merkte Thudium op.

„Wat hebben wij hun aan te bieden? Misschien ons pessimisme, onze afschuwelijke zelfzucht, of de onwaarheid, die ons leven vergiftigt; alle kenmerken van onze hooge beschaving!” riep professor Piller uit.

„Gij hebt helaas maar al te zeer gelijk, Piller,” bevestigde professor Stiller. „Op Mars vindt men reeds datgene wat waarschijnlijk eerst na verloop van eeuwen den menschen op aarde zal ten deel vallen.”

„Zouden zij het wel ooit zoover brengen,” zuchtte Frommherz.

„Daaraan valt niet te twijfelen,” hernam Hämmerle. „Mars heeft zonder twijfel eens dezelfde, althans dergelijke phasen van ontwikkeling moeten doorloopen als de volkeren op aarde, maar de beschaving hier, dateert van veel vroeger.”

„Ja zeker! Van duizenden en duizenden jaren. De vraag is maar, of wij in verband met de ontaarding van ons ras—ik leg bijzonderen nadruk op die ontaarding—of wij wel ooit in staat zullen zijn, een zelfden trap van ontwikkeling en beschaving te bereiken als de Marsbewoners. Ik voor mij twijfel er aan!” riep Piller uit en trachtte zijne opgewondenheid te bedaren met een slok wijn.

„Piller, gij zijt pessimist, en onrechtvaardig als altijd!” merkte Dubelmeier op.

„Ik, pessimist en onrechtvaardig! Wat bedoelt gij daarmede?”

„Daarover wensch ik niet met u te redetwisten.”

„Zoo, zoo, gij wilt mij dus beleedigen?”

„Ik denk er niet aan, daarvoor houd ik veel te veel van u, en acht ik u veel te hoog, mijn oude alcoholist! Maar mijns inziens is het pessimistisch en onrechtvaardig, wanneer gij maar zoo botweg verklaart, dat de volken der aarde ongeschikt zijn voor verdere ontwikkeling en beschaving.”

„Ik ben het met vriend Dubelmeier eens,” bracht professor Stiller in het midden. „Daar hebt ge nu bijvoorbeeld ons, Piller!”

„Neen maar, prachtige voorbeelden!” bromde Piller, die door een flinken slok wijn zachter gestemd scheen.

„Zeker, voorbeelden van menschenkinderen, zooals ik, zonder al te groote zelfverheffing, durf beweren,—wij vertegenwoordigen tot op zekere hoogte de toekomst. De algemeene beschaving en de ontwikkeling van het zedelijk bewustzijn, waarvan wij op het oogenblik de dragers zijn, zal later meer en meer het eigendom worden van alle beschaafde volken der aarde.”

„Geloove dat, wie wil!”

„Ik geloof het niet alleen, ik ben er vast van overtuigd, en wel op grond van de ontwikkelings-geschiedenis der menschheid.”

„Stiller, ik zal u niet tegenspreken, want ik wil mij niet nog meer boos maken, maar mij er integendeel in verheugen, dat ik hierboven in dit heerlijke Lumata mag zitten.”

„Dat is een verstandig woord, waarvoor u alle eer toekomt. En nu vrede, waarde vrienden!” riep Frommherz.

„Akkoord,” riep Brummhuber uit.

Eenige dagen waren na dit gesprek verloopen. Toen verscheen Eran, de patriarch uit den stam der Ouderen, weder eens in de woning zijner gasten, en noodigde de heeren uit, langs den kortsten weg met hem naar Angola te reizen. Allen juichten dit plan toe. Ditmaal zouden de Zwaben officieel te Angola door den stam der Wijzen worden ontvangen.

Deze was geheel voltallig, daar men buitendien nog verschillende vragen wenschte te behandelen. Ook de stam der Ernstigen kwam opdagen, om in een vergadering, zooals af en toe gehouden werd, over eenige wetenschappelijke onderwerpen van gedachten te wisselen.

De ontvangst van de kinderen der aarde te Angola liet niets te wenschen over. Hun wondervolle en snelle tocht van de aarde door het onmetelijke wereldruim naar „het kind des lichts”—zooals de Marsieten hunne schoone planeet noemden,—was begrijpelijkerwijs het voornaamste onderwerp der gesprekken, en van aller levendige belangstelling. Bij de eerste zitting van den stam der Ernstigen, die in een rijk versierde zaal van een marmeren paleis plaats had, zette professor Stiller de verschillende omstandigheden uiteen, die hem hadden doen besluiten, tot de samenstelling van den Argonaut en het ondernemen van de moeilijke reis, die zoo uitstekend was geslaagd. Hij vertelde hun verder, van zijn vaderland, van de volken van Europa en van de aarde in het algemeen.

Deze laatste was den Ernstigen welbekend. De voorstelling die zij zich daarvan, dank zij hunne buitengewoon scherpe instrumenten en hun verbeeldingskracht, hadden gemaakt, kwam vrijwel met de werkelijkheid overeen. Zoo wisten de geleerden van Mars, dat het derde „kind des lichts” (met dien naam bestempelden de Marsieten alle planeten) de Aarde, aan de polen groote ijsmassa’s vertoonde, waardoor een aanzienlijk gedeelte van het zeewater in boeien geslagen was, en dat de oppervlakte der aarde voor meer dan 70 % uit water bestond. Dat de dampkring, die de aarde omringde, rijk aan waterdamp moest zijn, leidden zij af, uit de verhouding van het vaste land tot het water. Zij waren volkomen op de hoogte van de dichtheid der aarde, kenden de verdeeling in een oostelijk en westelijk en een noordelijk en zuidelijk halfrond, de snelheid waarmede zij draaide om haar eigen as en die waarmede zij zich bewoog om het „eeuwige licht,” de zon, en dergelijke meer.

Ook van ieder werelddeel afzonderlijk hadden zij een juist begrip en dit ging zelfs zoover, dat zij verschillende groote landen konden onderscheiden. Het was daarom voor de geleerde vreemdelingen niet zoo bijzonder moeilijk om met de Marsieten als het ware eene wandeling te maken over de aarde, waarvan deze reeds zooveel kennis hadden opgedaan. Ze gaven eene nauwkeurige beschrijving van hun vaderland, en vertelden van de plaats aan den Neckar, vanwaar zij naar Mars waren getrokken.

Zoowel de Wijzen als de Ernstigen luisterden met levendige belangstelling naar deze verhalen, die nog vermeerderde, toen zij bemerkten, dat de zeven Zwaben op aarde eveneens tot een zekeren stam der Wijzen behoorden.

Illustration from Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

De heeren werden daarom uitgenoodigd, om de verzamelde élite der Marsieten nader in te lichten omtrent de verschillende beroepen door hen uitgeoefend, d. w. z. de omstandigheden te schilderen, waaronder zij op aarde onder hunne medemenschen verkeerden. Tevens werd de wensch geuit, dat de vreemdelingen een nauwkeurig beeld zouden ontwerpen van het leven en streven van de bewoners der aarde, waarmede men dan de bestaande toestanden op Mars zou vergelijken.

Er werd bepaald, dat ieder der professoren op bepaalde dagen, twee voordrachten houden zou, de eene zakelijk en de andere over het onderwerp dat de algemeene belangstelling had gaande gemaakt: de bewoners der aarde en de trap van beschaving waarop zij stonden.

De professoren kweten zich inderdaad meesterlijk van die taak. Zij vertelden van den bestaanden toestand der verschillende takken van wetenschap in de verschillende beschaafde landen van Europa, meer in het bijzonder die van Duitschland, en lieten open en eerlijk het volle licht schijnen op de politieke en sociale aangelegenheden en den strijd die tusschen de verschillende, om den voorrang twistende, natiën gevoerd werd. Zij schilderden daarbij al de middelen van list, geweld en geslepenheid, die daarbij werden in praktijk gebracht en verklaarden den Marsieten dat men dit alles op de aarde met den naam van diplomatie bestempelde. Zij verzwegen daarbij niet de treurige verschijnselen, die zich voordeden bij den steeds feller wordenden strijd om het bestaan, en de moeilijkheid voor het meerendeel der menschen om zelfs in hunne allereerste levensbenoodigdheden te voorzien; niet alleen in de lagere standen, maar zelfs bij de meer ontwikkelden.

Zij bekenden onomwonden, dat bij helaas alle beschaafde volken der aarde aan den drang tot vooruitgang allerlei moeilijkheden werden in den weg gelegd door verschillende belemmerende instellingen en kleingeestige bepalingen, en dat het meerendeel der zoogenaamde beschaafde volken, in weerwil van den ontzettenden vooruitgang der techniek en der natuurwetenschappen, nog altijd ver verwijderd was van het ideaal eener reine levensbeschouwing. Hieraan beantwoordde slechts een klein aantal der inderdaad hoogst beschaafden, en ook deze kleine schaar van uitverkorenen was eenigermate aangestoken door de ergste en gevaarlijkste kwaal dezer eeuw: de lafheid. Men zou het onder de beschaafde natiën op aarde—om van de minder beschaafde geheel te zwijgen—niet wagen om open en eerlijk datgene te zeggen wat men dacht, uit vrees daarmede invloedrijke personen te kwetsen, en zijn eigen bestaan in gevaar te brengen. Daarom waren overtuiging en handelingen ook zelden met elkaar in overeenstemming. Tengevolge daarvan heerschte overal, in meerdere of mindere mate, gebrek aan moed en eerlijkheid der overtuiging, en stond de leugen—het kind der huichelarij—de zegepraal der waarheid in den weg, en was oorzaak, dat nog zeer vele instellingen bleven bestaan, die hadden bewezen op den duur onhoudbaar te zijn; ongezonde en onverstandige toestanden die geenszins in overeenstemming waren met eene reine wereldbeschouwing en het werkelijke welzijn des volks.

Met groote vreugde hadden zij daarom op Mars toestanden aangetroffen, die zoo geheel in overeenstemming waren met het ideaal des levens en het reine mensch-zijn, zooals zij zich dat hadden gedacht, en naar welker verwezenlijking door de beste der natiën daar beneden op de aarde zoo vol ijver werd gestreefd.

Alle heeren uitten zich min of meer op deze wijze.

Frommherz voegde daaraan nog eenige beschouwingen toe over de godsdienstige en kerkelijke instellingen in Duitschland.

De Wijzen en Ernstigen hadden met alle aandacht naar deze vertoogen van de zonen der aarde geluisterd. Hunne wetenschappelijke uiteenzettingen bevatten voor de Marsieten niets nieuws. Zooveel te meer belangstelling toonden zij voor de sociale en andere toestanden, die hunne gasten hun met zulke levendige kleuren hadden geschilderd. Geen geluid werd gedurende de lange voordrachten vernomen.

Toen Stiller had aangekondigd, dat de voordrachten waren afgeloopen, belegden de Wijzen en Ernstigen eene vergadering, waarvan de zeven Zwaben waren uitgesloten. Het resultaat dezer bespreking zou hun later worden medegedeeld.

„Wat zouden die van plan zijn?” vroeg Frommherz bezorgd.

„Wel, ik denk, dat zij eene scherpe critiek zullen uitoefenen op onze voordrachten, waartoe zij alleszins gerechtigd zijn!” antwoordde Stiller.

„En ons dan in den gezwinden pas laten vertrekken, let eens op!” voegde Brummhuber daaraan toe.

„Daartoe zijn onze gastheeren veel te fatsoenlijk,” hernam Piller, „ofschoon de Marsieten volkomen in hun recht zouden zijn, wanneer zij ons in overweging gaven, eindelijk eens aan onzen terugkeer te gaan denken.”

„Laten wij maar rustig afwachten wat komen zal,” besloot Dubelmeier.

„Daar zal wel niet veel anders op zitten,” zuchtte Frommherz, wiens geweten hem een weinig plaagde met betrekking tot zijne godsdienstige en kerkelijke beschouwingen.

Toch waren de zonen der aarde eenigszins onrustig, terwijl zij met elkander wandelden door de heerlijke parken van het wonderschoone Angola, gedurende de vergadering der Marsieten.

Den volgenden dag, den tiende dien zij in Angola doorbrachten, werden de Zwaben weder op plechtige wijze binnengeleid in de groote zaal, waar zij hunne voordrachten hadden gehouden.

De oudste onder de Ouden, eene echte Hunnengestalte, Anan geheeten, stond op en begroette hen hartelijk.

„Mijn waarde vrienden,” aldus sprak hij hen aan, „wij allen hebben met groote aandacht en levendige belangstelling geluisterd naar hetgeen gij ons omtrent de algemeene en bijzondere toestanden op uw wereldbol hebt medegedeeld. Deze mededeelingen hebben eigenaardige gevoelens en gewaarwordingen in ons wakker geroepen, die wij eerst in alle bedaardheid voor ons zelf wilden verwerken, alvorens u onzen dank te betuigen, en tegelijkertijd antwoord te geven op hetgeen wij hebben gehoord. Dit is dan ook de reden, waarom wij eene bijzondere vergadering hebben belegd. In de eerste plaats danken wij u voor de oprechtheid, waarmede gij ons het leven der volken op uw planeet hebt geschilderd. In het eerste oogenblik schenen uwe verhalen ons sprookjes, en wij zouden ze ook als zoodanig hebben beschouwd, wanneer wij niet overtuigd waren, van den ernst uwer levensopvatting, van uwe rechtschapenheid en eerlijkheid. Wij hebben niet tevergeefs uw leven te Lumata gadegeslagen. Het resultaat dier waarnemingen was de uitnoodiging om hierheen te komen, waarmede wij u een blijk hebben gegeven van onze achting en ons vertrouwen. En nu kom ik tot uwe mededeelingen terug. Te vergeefs hebben wij gebladerd in de geschiedenis van ons verleden, om daarin zulke barbaarsche en door bedrog en onwaardigheid beheerschte toestanden te vinden, als zij bij u, zoowel in het private als in het openbare leven nog schijnen te bestaan; die hebben wij gelukkig niet gekend. Zeer zeker heeft het ook ons niet ontbroken aan innerlijken strijd, aan bittere teleurstellingen van allerlei aard, totdat wij eindelijk zijn geraakt tot die levensomstandigheden en levensopvattingen, die gij nu in ons bewondert. Onze ontwikkeling is echter minder moeilijk, minder pijnlijk geweest dan de uwe. Reeds van oudsher had bij ons,—bij de groote massa des volks,—de gedachte wortel geschoten, dat het niet onze bestemming was om te blijven staan op den lagen trap van beschaving, maar dat wij onze krachten moesten inspannen om hooger te stijgen. Deze hoogere ontwikkeling tot de ideale vrijheid kon alleen worden bereikt door eene geleidelijke verstandelijke ontwikkeling, die ons vatbaar maakte voor het hoogere licht der waarheid.

„Gij, waarde vrienden, hebt gedurende uw verblijf te onzent langzamerhand de wegen leeren kennen, die wij hebben ingeslagen om dit hoogere doel te bereiken, wegen, die wij ook nu nog bewandelen en ook in de toekomst zullen blijven bewandelen, omdat zij bewezen hebben de rechte te zijn. Daarover zal ik dus niet meer spreken. Ik wil gaarne toegeven, dat wij het bij onze ontwikkeling gemakkelijker hebben gehad dan dit bij u op aarde het geval geweest is en nog is. Wij hebben hier een volk, dat vrijwel één is, in taal, denken en voelen, wat op uwe planeet niet het geval is. Wij konden ons daarom met veel minder moeite en zonder dien door u geschilderden moord-in-het-groot,—door u oorlog genoemd,—opwerken tot dien hoogen trap van beschaving, die uw ideaal zoo nabij komt. Wij hadden dus die vreeselijke verwarringen niet te overwinnen, die uw geluk en vooruitgang zoo hinderlijk in den weg staan, en voortdurend bedreigen.

„Bij ons heerscht reeds sedert onheuglijke tijden een zeker gemeenschapsgevoel, eene broederlijke verhouding, die den grondslag van ons bewustzijn vormt, en de drijfkracht is onzer handelingen.

„Bij u ontbreekt, helaas, dat machtige gevoel van solidariteit, of is althans niet in die mate aanwezig, als het voor algemeen welzijn noodig mag worden geacht. De oorzaak van den lageren trap waarop gij staat, ligt mijns inziens in gebrek aan die eenvoudige natuurlijke moraal die op ons leven zulk een gunstigen invloed uitoefent.

„Het deed ons pijnlijk aan, te hooren hoe bij u iedere schrede op den weg van vooruitgang wordt gekocht met bloed en tranen, en hoe daarvoor velen moeten worden opgeofferd; en toch—gij hebt het zelf gezegd—het moet en zal ook bij u op aarde eenmaal anders en beter worden. Gijzelf zijt daarvoor de levende getuigen, want gij toont reeds heden datgene, wat naar uwe getuigenis, in later tijd de groote massa wezen zal.

„Wakkere brave mannen van uw geestelijke ontwikkeling, moeten daarom daarbeneden op de aarde arbeiden aan de geestelijke ontwikkeling hunner medemenschen en broeders. Wanneer ieder voor zich, bij dat moeilijke werk, ook al geene volle bevrediging vindt, bedenk dan dat de gevolgen van het arbeiden aan het werk der volmaking uwer medemenschen niet u, maar uwe nakomelingschap ten goede komen zal. Wij raden u daarom: „Keert naar uwe aarde terug.”

„O Hemel, had ik het niet gedacht,” zuchtte bij deze woorden professor Frommherz.

„Houd toch uw mond, gij klager”,—voegde professor Piller hem allesbehalve vriendelijk toe.

„Keert terug naar uwe Zwaben, naar het brave volk uit welks midden gij zijt voortgekomen en wijdt u aan het verheven werk zijner volmaking. Het zij verre van ons u te willen wegjagen, gij zijt en blijft onze lieve gasten.”

„Goddank,” mompelde Frommherz.

„Maar ik moet eerlijk bekennen, en ik spreek hiermede uit naam mijner broeders en zusters,—gij zijt de eerste, maar ook de laatste vreemdelingen,—die van een der andere kinderen des Lichts, tot ons komen mogen; want dit is de hoofdzaak, het eigenlijk resultaat onzer bespreking.

„In het belang van ons volk, wenschen wij geen verder verkeer met anderen. Dit doelt niet op u, want,—ik herhaal het hier nogmaals nadrukkelijk—gij zijt onze lieve gasten en vrienden. Maar wij nebben geen enkelen waarborg, dat er niet eenmaal menschen tot ons zouden kunnen komen, die niet even hoog staan als gij, wier gedrag, bij een langer verblijf, waarschijnlijk tot allerlei onaangenaamheden aanleiding geven zou, en eindelijk hunne verwijdering van hier zou tengevolge moeten hebben. Dat willen wij ons besparen.

„Uwe stoutmoedige reis zal u weliswaar niet zoo spoedig worden nagedaan. Men kan echter niet weten, en daarom hebben wij reeds nu strikte orders gegeven geen luchtschip meer te laten landen, waar het ook vandaan moge komen, al was het zelfs uit uw geliefd Zwaben. Blijf bij ons, wanneer gij wilt, of keer na korter of langer tijd weder met uw luchtschip huiswaarts, wij laten dit aan uw eigen goedvinden over en blijven steeds uwe oprechte vrienden! En nu, lieve broeders en zusters”—wendde Anan zich tot de Marsieten,—„roept het met mij uit: Heil, geluk en voorspoed, zij den zeven Zwaben, onzen lieven eersten en eenigen gasten.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings