EEN AFVALLIGE.
Cath. A. Visser translation
Gedurende den maaltijd en bij de over het algemeen zenuwachtige stemming, was het niemand opgevallen, dat Frommherz verdween. Toen de tafel was afgeloopen, wat eerst gebeurde toen het alweer begon te dagen, en de aardbewoners opstonden met het plan Eran’s huis, dat hen twee jaar lang had geherbergd, voor goed te verlaten, miste men den vriend. Men zocht hem overal maar vond hem niet. Eindelijk ontdekte men een brief, die in zijn kamer op de tafel lag en geadresseerd was: „Aan mijne vrienden en reisgenooten.”
Stiller opende het schrijven en las den inhoud snel door. „Wij hebben helaas met een afvallige te doen,” zeide hij tot zijne vrienden. „Hoor maar wat Frommherz schrijft. Maar laten wij eerst gaan zitten, en daarna beraadslagen wat ons te doen staat.”
De heeren voldeden aan dit verzoek en Stiller verzocht Eran en de overige Marsieten met het oog op de afwezigheid van den zevenden reisgenoot een oogenblik geduld te hebben, waarop Eran en zijne vrienden zich terugtrokken en de heeren alleen lieten.
„Voor den drommel, ik dacht het wel zoo half en half, dat Frommherz uit het vendel loopen zou,” begon Piller boos. „Toe, Stiller, lees ons dien brief eens voor!”
„Vergeef mij, waarde vrienden en tochtgenooten, dat ik u een smartelijke teleurstelling bereid. Ik kan het niet over mij verkrijgen, met u naar de aarde, naar ons vaderland terug te keeren. Ik heb een zwaren strijd gestreden, ik kan Mars niet verlaten, het zou mijn dood zijn, en dien wenscht gij toch niet. Ik heb hierboven alles verwezenlijkt gevonden, waarvan ik daar beneden had gedroomd, en waarnaar ik had gesmacht. En nu zou ik dat Eden verlaten en weer terugkeeren tot die bekrompen levensopvattingen, tot al die onoprechtheid en leugen, terwijl ik zoo langen tijd in het licht der ware reinheid heb geleefd? Neen, ik kan het niet! En heeft niet de eerwaardige Eran het ten slotte aan onze vrije keus gelaten, of wij al dan niet hierboven wilden blijven? Welnu, dan zal ik van zijn vergunning gebruik maken, en u alleen laten vertrekken.
„Ik weet, dat ik u krenk met dit besluit, maar werkelijk, ik kan niet anders handelen. Oordeel niet te streng over mij, vergeef mij, en gedenk mijner in liefde. Ik blijf vrijwillig hier boven. U treft dus geen verantwoordelijkheid, dat gij alleen, zonder mij, naar het vaderland terugkeert. Moogt gij het gelukkig weer bereiken! Dat is mijn innige en oprechte wensch. Breng mijn groet over aan Tübingen, aan Zwaben en aan mijne bloedverwanten! Zeg hun, dat ik mij hier boven overgelukkig voel, als ware ik in het Paradijs, en dat ik daarom niet terugkeer naar de aarde met al haar lijden en strijd. Doe geen moeite om mij te zoeken, gij zoudt mij toch niet vinden in mijne veilige schuilplaats, waar ik blijven zal tot gij zult zijn vertrokken. Vaartwel! Ik zal uwer steeds in vriendschap blijven gedenken!”
Fridolin Frommherz.
Nadat Stiller dezen brief had voorgelezen, heerschte er gedurende eenige oogenblikken een somber stilzwijgen.
„Wat een ellendige spelbreker,” begon Dubelmeier te mopperen, „nu begrijp ik in eens, waarom hij zich de laatste weken zoo zonderling heeft gedragen.”
„Wij zijn geblameerd, voor altijd geblameerd!” riep Piller, „wat moet men wel van ons denken!”
„Laten wij Eran opdragen om Frommherz te zoeken, die vindt den deserteur zeker,” raadde Hämmerle.
„Daar zou ik sterk voor zijn,” voegde Thudium er aan toe.
„Het gaat toch niet aan, dat wij Frommherz hier achter laten. Of wij blijven allen hier, òf wij keeren gezamenlijk terug. Dat is duidelijk,” liet Brummhuber er op volgen.
„Mijn waarde vrienden, luister eens even naar mij,” begon Stiller, en trachtte zijne opgewonden reisgenooten te kalmeeren. „Ik begrijp en billijk volkomen uwe ontsteltenis over het gedrag van Frommherz, en ik ben het daar volkomen mede eens, maar wij hebben niet het minste recht, om hem onzen wil op te dringen. Hij is destijds vrijwillig meegegaan, en kan nu ook vrijwillig achterblijven. Hij had echter open en eerlijk kunnen handelen, dat is echter iets, wat hij met zijn eigen geweten moet uitmaken. Laten wij de zaak nemen, zooals zij nu eenmaal is. Op den indruk en de herinnering, die wij persoonlijk gemaakt hebben, heeft het blijven van Frommherz niet den minsten invloed. Integendeel wij zijn gebleven waarvoor men ons hield. Frommherz zal het in deze omstandigheden en bij de strenge moraalbegrippen der Marsieten niet gemakkelijk hebben te verantwoorden. Laten wij dus zonder hem vertrekken, ik raad u dit, ook met het oog op hem. Gaan wij soms met een verlicht hart huiswaarts?”
„Neen, zeker niet!” klonk het uit vijf monden.
„Welnu, dan zullen wij de positie, waarin onze Frommherz zich vrijwillig heeft gebracht, ten minste zoo goed mogelijk trachten te maken; wij zullen den achterblijver aanbevelen in de vriendschap en welwillendheid van onzen goeden eerwaardigen Eran.”
„Dat ontbreekt er nog maar aan,” stoof Piller op.
„Waarom niet?”
„Ik begrijp u eenvoudig niet, Stiller!”
„Nu, laat mij dan rustig uitspreken. Onder het lezen van Frommherz’ brief, kwam het mij zoo in de gedachte, dat het best mogelijk kon zijn, dat onze vriend na ons vertrek, tot straf voor zijn eigenmachtig achterblijven, en daardoor gebleken gemis aan solidariteitsgevoel, naar het land der Uitgeworpenen zou worden verbannen.”
„Dan had hij niet meer dan hem toekwam,” bracht Brummhuber in het midden.
„Maar juist dat wilde ik hem besparen. Ik zou wenschen dat hij hier onder dezelfde omstandigheden zou kunnen voortleven. Dit bewustzijn doet ons later, met reine gevoelens aan onzen achtergebleven vriend terugdenken, en werpt dan geen schaduw op de herinnering aan ons heerlijk verblijf hierboven. Ik verzoek u daarom vriendelijk, laat mij mijn gang gaan; ik zal straks met Eran spreken, en trachten deze onaangename zaak zoo goed mogelijk met hem in orde te brengen.”
„Stiller, gij maakt ons beschaamd, gij zijt een brave kerel, de beste van ons!” Piller snoot bij deze woorden met kracht zijn neus.
„Volstrekt niet, maar ik ben niet te vergeefs hier geweest onder deze menschen, die zoo hoog staan in hun handel en wandel. Gij ziet dat ik van hen wat heb geleerd.”
„Als een van ons het blijven hier waard was, dan zijt gij het, Stiller!” riep Hämmerle vol geestdrift uit.
„Och, houd toch op!” sprak Stiller afwerend. „En nu ga ik naar Eran.”
Zonder het minste teeken van verbazing of zonder een woord van verwondering, hoorde de eerbiedwaardige oude, Stiller aan.
„Ook ik vind, dat gij er wel aan doet, uwen broeder niet te dwingen, de terugreis mede te maken. Ieder mensch heeft tot zekere hoogte het recht om over zichzelf te beschikken. Maar dat recht neemt niet weg, dat ik de manier, waarop uw voortvluchtige broeder zijn hierblijven wil doorzetten, niet kan billijken. Laat hem echter gerust hier, en keer met uwe andere tochtgenooten naar de aarde terug. Wij zullen met Fridolin niet al te scherp in het gericht treden.”
„Daaromtrent wilde ik gaarne eerst gerustgesteld worden, eerwaarde Eran.”
„Heb daarover geen zorg! Wanneer hij na uw vertrek te voorschijn komt, dan zal ik zelf hem naar Angola brengen en bij Anan een goed woord voor hem doen. Maar een kleine straf moet hij hebben. Ik heb reeds over den aard daarvan nagedacht.”
„En waarin zal die bestaan?” vroeg Stiller die nieuwsgierig geworden was.
„Fridolin moet voor ons een woordenboek van uw taal samenstellen. Gij hebt ons tot aandenken eenige werken van uwe grootste vaderlandsche dichters geschonken. Welnu, wij wenschen deze werken in het oorspronkelijke te lezen, om ons eene heldere voorstelling van uwe meesters te kunnen maken. Daarvoor hebben wij een woordenboek noodig.”
„Nu, tegen deze straf heb ik niets in te brengen, en ik ben overtuigd, dat Fridolin zich van die opdracht tot uwe tevredenheid zal kwijten.”
Daarmede was de zaak Frommherz afgeloopen. Stiller deelde het resultaat zijner bespreking aan zijne vrienden mee, en de heeren prezen opnieuw de goedheid en zachtmoedigheid van Eran, den waardigen patriarch.
Volgens de gewone tijdrekening, die Stiller ook op Mars had bijgehouden en waarbij hij rekening hield met het verschil in omloopstijd om de zon van Mars en van de aarde, was het nu den 7en Maart geworden, en daarmede de dag van vertrek aangebroken.
Eran had er op gestaan, de zes zonen der Aarde tot aan den Argonaut te vergezellen. Ook de geheele volwassen bevolking van Lumata ging mee. Een ernstig stilzwijgen der geheele menigte, gaf uitdrukking aan de oprecht gemeende smart over de op handen zijnde scheiding. Zonder een woord te spreken gingen zij naar de weide, waar de Argonaut wiegelde in het heldere, reine licht van den aanbrekenden dag.
„Laten wij kort en spoedig afscheid nemen, en dit niet met vele woorden nog moeilijker maken,” zeide Eran, terwijl hij van de Zwaben een voor een afscheid nam. „Moge uw terugreis gelukkig zijn, en gij behouden weer in uw vaderland aankomen!”
Nog een handdruk, een vriendelijk gewuif naar alle kanten, en de moedige luchtreizigers klommen in de gondel. De touwen werden gekapt en langzaam en statig, begroet door de eerste stralen der opgaande zon, begon de ballon te stijgen.
Daar kwam Fridolin Frommherz hard aangeloopen; de menigte maakte hem ruimbaan.
„Vaartwel, vrienden!” riep hij met luider stemme. „Nogmaals: vergeef mij, dat ik blijf, en niet met u terugkeer. Gelukkige reis en mijne hartelijke groeten aan mijn dierbaar vaderland.”
Maar de heeren in de gondel, hoorden slechts nog zwak, wat Frommherz hun nariep. Antwoorden konden zij niet meer. In steeds sneller vaart verwijderde de Argonaut zich van de wonderschoone planeet, en zweefde weldra weder in het donkere koude luchtruim.