← Table of contents
Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

IN HET LAND DER UITGEWORPENEN.

Cath. A. Visser translation

Met zeer gemengde gevoelens keerden de heeren van Angola naar Lumata terug. Zouden zij op Mars blijven of heengaan? Dat was de eerste en gewichtige vraag, die hen de eerstvolgende maanden bezighield.

„Al hebben de Marsieten te Angola ons nu niet direct op straat gezet, toch hebben zij ons duidelijk te kennen gegeven, dat het zoo langzamerhand tijd wordt onzen ransel te pakken,” zeide Piller op zekeren dag tot zijn collega Stiller.

„Gij hebt gelijk, en ik moet u ook oprecht bekennen, dat mij dit werkelooze leven en die groote gastvrijheid, die ons wordt bewezen en waarvoor wij op geen enkele wijze onze dankbaarheid toonen kunnen, zwaar begint te vallen. Wij moeten toch eens weer aan vertrekken denken, want wij kunnen hier toch niet tot aan het einde onzer dagen blijven.”

„Hm, hm! Toch verlaat ik Lumata ongaarne, het scheiden zou mij inderdaad moeilijk vallen; wanneer ik denk aan onze reis hierheen en aan al de moeilijkheden, waarmede wij te kampen hebben gehad, dan kan ik er van griezelen, wanneer ik aan terugkeeren denk! Maar toch moet dit gebeuren, daarover kan en mag geen twijfel bestaan, het is dus alleen maar de vraag wanneer. Laten wij het dus maar een poosje afwachten!” antwoordde Piller.

„Op die manier spreken er ook de andere vrienden over, waarde Piller. Alleen Frommherz maakte een uitzondering, die ontwijkt zooveel mogelijk iedere bespreking, die op onzen terugkeer betrekking heeft.”

„Dat wil ik graag gelooven,” merkte Piller lachend op, „onze waarde vriend Fridolin is overgelukkig dat hij hier mag vertoeven en krijgt het benauwd, wanneer wij over eene thuisreis beginnen te spreken. Ik kan het hem trouwens niet kwalijk nemen, dat hij gaarne voor altijd hier zou willen blijven. Maar het is duidelijk, dat aan dit luie leventje een einde komen moet. Daarin ben ik het volkomen met u eens, Stiller!”

„Wij beginnen dus met voorloopig hier te blijven, en maken ons onzen tijd zoo goed mogelijk ten nutte. Inmiddels zorg ik er voor, dat onze Argonaut weer uitstekend in orde wordt gemaakt, en tevens voor eene voldoende hoeveelheid proviand. Ik zal langzamerhand, met de grootste nauwgezetheid, alles voor onze terugreis in orde maken.”

„Vergeet vooral dien heerlijken wijn niet! Neem, als ’t u blieft, daarvan eene voldoende hoeveelheid in de gondel mede.”

„Dat zal gebeuren, gij eeuwige dorstlijder!” antwoordde Stiller lachend.

In vriendschappelijken, aangenamen omgang met het beminnenswaardige volk op Mars, en het maken van kleinere en groote uitstapjes en reizen, ging de tijd maar al te snel voorbij. Op een dier tochten waren zij iets verder buiten de eigenlijk bewoonde streken, in de noordelijke koudere gewesten van den planeet beland. De natuurvorschers werden hier buitengewoon aan hun vaderland herinnerd door het zien van goed onderhouden bosschen en groene weiden, afgewisseld door mooie donkerblauwe meren. Daartusschen verhieven zich hooge gebergten, die door hunne met sneeuw bedekte toppen, levendig aan een Alpenlandschap herinnerden. Hier ontmoetten zij verspreide en ver uit elkander liggende nederzettingen van Marsieten, wier ernstig en stilzwijgend optreden een scherp contrast vormde met de vroolijke en opgewekte levensopvatting van hunne andere broeders.

Op hunne desbetreffende vragen, werd den geleerden meegedeeld, dat dergelijke kleine koloniën, ook in de zuidelijke gematigde luchtstreek van Mars werden gevonden.

De kolonisten heetten „de uitgeworpenen” omdat hunne namen hetzij tijdelijk, hetzij voor altijd, uit de stamboeken op Mars waren geschrapt.

Dat zijn dus de misdadigers die, van alle gemeenschap met anderen uitgesloten, hierboven boete doen voor hunne wandaden?” vroeg Dubelmeier.

„Wij kennen hier alleen overtreders van de wet, geen andere misdrijven,” antwoordde men den vrager.

„Nu dat komt dan toch zoowat op hetzelfde neer,” ging Dubelmeier voort. „Maar waarin bestaat dan bij u de wetsovertreding, die gestraft wordt met verbanning naar deze streken?”

„In het niet nauwkeurig beantwoorden aan alle plichten en verplichtingen.”

„Dan zou bij ons op aarde 9/10 der menschen verbannen worden, en zouden wij op het laatst met de bannelingen geen raad meer weten,” riep Piller verbaasd uit.

„Wij zijn hier ook niet op uwe planeet,” antwoordde glimlachend Baran, die de reizigers tot gids strekte.

„Maar het is toch eigenlijk wreed, om wegens kleinere vergrijpen, een medemensch uit zijn gewone gezellige omgeving te stooten,” bracht Hämmerle in het midden.

„Alleen wij kunnen oordeelen, over den aard van het vergrijp tegen onze voorschriften,” merkte Baran ernstig op.

„Zonder twijfel,” beäamde Stiller.

„Maar de liefde vergeeft alle dingen; schenkt gij geen vergiffenis?” vroeg Frommherz.

„Zeker! Maar er zijn dingen, waarvoor geen vergiffenis mogelijk is. Deze gevallen zijn weliswaar uiterst zeldzaam, maar zij komen toch voor. Na een bepaalden proeftijd krijgen de uitgeworpenen hunne namen weder terug. Zij kunnen dan weder in het vaderland en tot hun stam terugkeeren, maar slechts weinigen maken van deze vergunning gebruik. Gewoonlijk geven de eenmaal uitgestootenen er de voorkeur aan hier te blijven en hun leven in zwaren arbeid, ten behoeve van het welzijn der anderen, door te brengen.”

„En waarin bestaat dat werk?” vroegen de heeren.

„In het zorgvuldig onderhouden der kanalen die hier beginnen; een zeker zeer gewichtige en moeilijke taak, van wier nauwkeurige waarneming het bestaan der gemeenschap afhangt.”

„En wie zorgt dan voor het onderhoud der uitgeworpenen?”

„Zij zelf. Zij doen aan veeteelt, landbouw en dergelijke. Wanneer eenmaal de tijd zal gekomen zijn, dat er bij ons geen uitgeworpenen meer zijn, dan moeten wij dit werk zelf doen. Daarvoor zijn reeds allerlei maatregelen getroffen, want het aantal der uitgeworpenen neemt steeds af,” aldus besloot Baran zijn mededeelingen.

„Wat een gelukkige planeet is die Mars! Zelfs de misdadigers, tenminste zij, die men op onze planeet met dien naam bestempelen zou, worden door hetgeen zij verrichten, weder weldoeners der gemeenschap,” riep Stiller vol geestdrift uit.

„En toch is het mij een zekere, alhoewel kleine voldoening, dat het leven op Mars, dat enkel licht schijnt, toch ook eene kleine schaduwzijde heeft, en dat het hier niet absoluut volmaakt is.”

„Volkomen en onvolkomen zijn begrippen, die wij ons zelf op de aarde hebben gevormd, en die wij in den eigenlijken zin niet mogen gebruiken met betrekking tot de toestanden hierboven,” hernam Dubelmeier.

„Zeer juist,” bevestigde Frommherz, „mij persoonlijk komt alles hierboven volkomen en wonderschoon voor. Ik heb hier een paradijs gevonden, zooals men zich dat daar beneden op aarde droomt.”

„O, gij dweeper!” hernam Piller lachend. „De wereld op Mars is zeer zeker beter dan de onze, en het is puur onzin, om, zooals dat gewoonlijk gebeurt, onze aarde de beste aller werelden te noemen. Maar, mijn beste Frommherz, weldra wordt gij weder uit uw paradijs verdreven en moet gij weder naar Tübingen terug.”

„Dat kan u onmogelijk ernst zijn,” riep Frommherz uit.

„Bittere ernst, waarde vriend! De heerlijke dagen op Mars loopen ten einde, niet alleen voor u, maar voor ons allen. Jammer genoeg!” en na deze woorden moest Piller zich den neus snuiten.

„Maar die verschrikkelijke reis,” jammerde Frommherz, „zijt gij dan al die vreeselijke ellende van de heenreis reeds geheel vergeten?”

„Mijn beste Frommherz, het moet!” hernam Stiller. „Wij vertoeven hier nu reeds bijna twee jaar, en ook de gastvrijheid heeft zijne grenzen. Buitendien weet gij, dat de Marsbewoners er op rekenen, dat wij weder zullen vertrekken. Ik geloof, dat de woorden, die Anan destijds te Angola tot ons gesproken heeft, dat duidelijk genoeg uitdrukten. Ons eergevoel en onze dankbaarheid eischen, dat wij Mars verlaten en wel zoo spoedig mogelijk. Zeker, de terugreis is moeilijk en zal misschien nog meer van onze krachten vorderen dan de heenreis, maar het moet!”

„Maar—maar, zou ik dan ten minste niet kunnen achterblijven?”

„Dat gaat niet, dat is niet mogelijk, wij zijn met elkaar gekomen, en moeten ook gezamenlijk weder vertrekken, dat is duidelijk. Wij allen, behalve gij, zijn het dáárover eens dat wij moeten vertrekken, ofschoon ons het afscheid van deze planeet zwaar genoeg zal vallen, want wij hebben hier zonder twijfel den schoonsten tijd en mogelijk ook den reinsten van ons leven doorgebracht. Maar wij mogen niet tot last zijn,” besloot Stiller.

Beschaamd over dit scherpe antwoord, dat als eene terechtwijzing klonk, liet Frommherz zich niet meer over zijne gevoelens uit, hij hield die geheel voor zich.

In het landschap, dat zich voor alle vrienden uitstrekte, trok een hooge berg, die in trotsche eenzaamheid zijn met sneeuw bedekten kruin ten hemel hief, plotseling Dubelmeier’s aandacht. De pyramidale bouw van den berg wees op zijn vulkanischen oorsprong. Van zijn eenigszins platten top moest men een prachtig uitzicht hebben op de omgeving. Deze gedachte had in professor Dubelmeier de hartstocht voor bergbeklimmen weder wakker geroepen.

„Wat zouden de heeren er van denken, wanneer wij tot besluit van ons bezoek aan Mars, eens een tocht naar dien prachtigen berg ondernamen? De toestand van den dampkring van Mars in aanmerking genomen moeten wij hoogstwaarschijnlijk daarboven een prachtig uitzicht hebben,” zeide Dubelmeier tot zijne reisgenooten.

„Ik ga mee,” zeide Stiller dadelijk.

„En ik ook,” verklaarde Piller. „Zeg Baran, hoe heet die berg?”

„De berg der Zwijgenden.”

„Wat een zonderlinge naam,” merkte Stiller op. „Wie gaat er met ons mee?”

Maar de vier overige Zwaben waren niet te bewegen om aan den tocht deel te nemen. Een zekere moeheid en afgematheid hield hen daarvan terug. Men kwam overeen, dat zij hier den terugkeer van de drie vrienden zouden afwachten.

Baran zorgde voor alles wat het kleine gezelschap noodig had; hij vergat ook enkele geschikte kleedingstukken en andere benoodigdheden niet. Onder geleide van drie Marsieten, vertrokken de heeren. Een motorboot bracht hen langs een breed kanaal, al heel spoedig aan den voet van den berg, die van dichtbij gezien, een ware reus bleek te zijn. Dubelmeier schatte zijne hoogte boven het dal op drieduizend meter.

Aan alle zijden was hij steil, en men kon hem dan ook slechts zigzagsgewijze beklimmen. Het was een moeilijk werk. Bij iedere schrede zonk de voet tot aan de enkels weg in de verweerde lava. Uren lang duurde deze vermoeiende opstijging, tot de heeren ten laatste op de sneeuwgrens kwamen. Hier werd halt gehouden. Eenige uren rust zouden de uitgeputte krachten van de bergbestijgers weder opwekken. Eerst nu konden de heeren bemerken, hoe hoog zij reeds gestegen waren, want door het vermoeiende gaan over dien mullen grond hadden zij geen tijd gehad om rond te kijken.

Terwijl de Marsieten het ontbijt klaar maakten, bewonderden de drie Zwaben het panorama, dat zich aan hunne voeten ontrolde, en dat door de ondergaande zon als met goud overgoten werd. Geen geluid, geen toon werd vernomen die de aanwezigheid van nog andere levende wezens verried, zelfs niet het geruisch van eene nederstortende beek. Alles scheen op dezen berg van absolute stilte te spreken, en de berg droeg zijn naam dan ook terecht.

Ook de zonen der aarde zwegen. Stil, in eigene gedachten verdiept, staarde ieder voor zich uit.

„Ik zoek tevergeefs met welk landschap op aarde ik dit panorama moet vergelijken,” aldus verbrak Stiller de stilte.

„Mij doet het denken aan Villa Rica in Zuid-Chili. Zoowel hier als daar verheft zich zulk een kegel op de vlakte. Het gezicht op de donkergroene bosschen, glinsterende meren en stroomen is hetzelfde. Daarbij komt nog zoowel hier als daar, de doorschijnende lucht, het heldere blauw van den hemel en de geheimzinnige stilte der natuur,” antwoordde de bereisde Dubelmeier.

„Dat kan ik niet beoordeelen. Maar dit is zeker, dat van deze hoogte gezien het land van Mars een toonbeeld is van vrede, bekoorlijkheid en schoonheid. Van waaruit men het ook beziet, overal treft ons dit als eene hoogere openbaring,” riep Stiller vol geestdrift uit.

Bij deze woorden van zijn collega, zuchtte Piller diep. „Gij hebt gelijk, Stiller, maar hier zijn spijs en drank uitstekende middelen tegen dergelijke gevoelsaandoeningen.” Bij deze woorden greep Piller naar eene flesch en schonk zich een glas Marswijn in, dat hij in één teug ledigde.

Illustration from Per luchtschip "De Argonaut" naar Mars

Het was nacht geworden. Phoebus en Deimos bewogen zich stralend en verlichtend langs hun weg, toen het gezelschap opbrak om, over de vast gevroren sneeuw langzaam verder te klimmen naar den top van den berg. Prachtige donkerroode tinten aan den oostelijken hemel kondigden het opgaan der zon aan, toen de Zwaben eindelijk gelukkig den top van den berg hadden bereikt. Als een vuurbal vertoonde zich weldra de zon, en wierp hare stralen over berg en dal. Een overweldigend schoon natuurtooneel was het loon der heeren voor den moeilijken tocht.

De berg der Zwijgenden was aanmerkelijk hooger, dan al de bergketenen in den omtrek. Hij was het hoogste punt van het oostelijk gedeelte van Mars.

Het uitzicht was naar alle kanten vrij en onbelemmerd, zelfs de verst verwijderde voorwerpen waren, dank zij de dunne heldere lucht, duidelijk zichtbaar.

Ver, ver in het Noorden, konden de drie geleerden met behulp van den scherpen Marskijker, dien zij hadden meegenomen, een witte boogvormige lijn onderscheiden. Deze teekende zich scherp en duidelijk tegen den wazig blauwen horizont af. De heeren wisten eerst niet waarvoor zij deze eigenaardige lijn, die een uitgestrekte ijszee insloot, moesten houden.

„Maar dat is de Noordpool van Mars,” riep Stiller plotseling uit.

De andere toeschouwers waren ten zeerste ontroerd. Het was alsof zij hier in aanraking kwamen met het oneindige. Zulk eene uitwerking van het vergezicht hadden zij niet verwacht. Zij konden de oogen bijna niet afwenden van de zoo duidelijk waarneembare afronding.

„Er valt niet aan te twijfelen, het is de Noordpool. Hoe wonderlijk, dat hier op eene andere planeet, onze oogen datgene mogen aanschouwen, wat op aarde in weerwil van alle daartoe gedane pogingen nog aan niemand is gelukt,” zeide Stiller, „wat moet dat bij nacht een schoon gezicht zijn!”

„Hoe meent gij dat?” vroeg Dubelmeier.

„Wel, ik denk aan de vurige electro-magnetische uitstroomingen der polen,” antwoordde Stiller.

„Dan blijven wij zoo lang hier,” besloot Piller. „Maar ziet eens vrienden, wat is dat daar beneden?”

Stiller en Dubelmeier draaiden zich om. Ongeveer tweehonderd meter beneden hen, lag in het heldere zonlicht, in den krater van den vroegeren vulkaan, een meer, helder licht-smaragdgroen gekleurd. Schoone bloemen bloeiden aan zijn oevers.

„Bloemen en water, ijs en sneeuw, wat een wonderlijke contrasten, hoe zijn die met elkander in overeenstemming te brengen?” vroeg Piller. „We schijnen hierboven van het eene wonder in het andere te komen!”

„Op Mars schijnt er aan alle merkwaardigheden geen einde te komen!” hernam Stiller glimlachend, „maar laten wij de zaak onderzoeken, en nederdalen in den krater, die buitendien eene uitstekende rustplaats zou kunnen zijn.”

Weldra waren de heeren bij het meer aangekomen. Daar, waar de sneeuw ophield en de plantengroei begon, was de grond warm, een bewijs, dat de vulkaan nog niet geheel was uitgewerkt. Het water van het meer was eveneens warm en had eene temperatuur van 30° C. Door het wonderlijk heldere bijna doorzichtige water, dat eenigszins zout smaakte, kon men duidelijk den bodem van het meer zien, die met een donkerrood tapijt scheen te zijn belegd.

„Dat ziet er uit alsof er een sterke minerale kleurstof over is uitgestort,” zeide Piller tot zijn collega Stiller.

„Het schijnt een soort ijzeroxide te zijn, dat op den bodem van het meer is neergeslagen. Waarschijnlijk is het water zeer ijzerhoudend,” hernam Stiller.

„Dat is wel mogelijk, en daardoor was dan tevens te verklaren, het totaal gemis aan dieren in dit water.”

De heeren wijdden nu hunne aandacht aan den rijken plantengroei op de oevers. Het was een kleurig, geurig bloementapijt, dat op de aardbewoners een hoogst aangenamen indruk maakte. Alle mogelijke soorten van planten, verwant met die, welke in de Alpenstreken thuis hooren, waren hier vertegenwoordigd. Met genoegen vertoefden de heeren gedurende dien dag in den krater, en betreurden het, dat hunne vrienden niet waren meegegaan. Tegen den avond gingen zij in hunne pelzen gehuld, weder naar den top. Het land was reeds weder in diepe duisternis gehuld, toen de reizigers den rand van den krater bereikten. De Mars-manen waren nog niet opgegaan, maar in de richting van den Noordpool, dien de vrienden dien morgen hadden gezien, begon het te lichten, eerst langzaam, maar hoe langer hoe sterker. Eindelijk zag men vurige stralen, die een halven cirkel vormden aan den poolhorizont, en weder verdwenen. Eene prachtige kleurwisseling van schitterend roodgoud tot het helderst saphier blauw, samengaand met het toe- en afnemen der trillende stralen, bracht de vrienden in verrukking.

„Deze heerlijke natuurverschijning is een waardig besluit van onzen tocht naar dezen berg,” zeide Stiller tot zijne vrienden, toen het poollicht meer en meer werd verdrongen door de schitterende manen van Mars, die inmiddels waren opgegaan.

„Hier boven op Mars, is alles licht en helder, zelfs de nacht. Welk eene prachtige wonderschoone reflectie brengt het licht van de maan daar beneden te weeg!” Met deze woorden wees Piller naar het meer in den krater, waar de trillende stralen der beide manen duizendvoudig gebroken, werden weerkaatst. Het was alsof lichtgevende wezens uit de diepte van den berg waren opgestegen, en aan de oppervlakte van het water hun dartel spel speelden.

De drie flinke Zwaben, namen nu, een heerlijke herinnering rijker, eenige uren later den terugtocht aan, om met hun vier collega’s naar Lumata terug te keeren.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings