← Table of contents
Over literatuur

JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"

Reading edition

I.

Zoo gaat het alles en deint en toeft nog even en verdwijnt.... Maar ook waarvan men zei, dat het niet weer zou keeren, dat keert soms nog vaak terug en altijd met een diepere bedoeling, en immer rijper en immer sterker.... Want de plechtige dans als een ommegang, die de stil-glimlachende en bevallige en zekere, ja vóóral zékere Jaren met ons menschen volvoeren, is een zéér ingewikkelde figuur, zóó ingewikkeld.... Och ik vrees: indien wij ons zelf konden waarnemen, zooals we staan en ons moeizaam bewegen tegenover onze partners, door hen worden meegevoerd en dan weer achtergelaten—zoodat degeen die voor ons stond, dàn terzijde, dan àchter ons henengaat—we zouden onze verlegenheidsglimlach, ons dwaas-behoedzaam en aarzelend bewegen zéér betreuren. Want inderdaad, het kan toch den Beschouwer geen fraai schouwspel lijken, bij zooveel weeldeglans en stralend licht en tegenover en naast zoo schoone en zeker-zich-bewegende gestalten als de Jaren, zóó houterig, zóó bang voor botsing, zóó angstig voor 'n verkeerd gebaar te treuzelen, als wij menschen doen: een glimlach, een buiging van uw partner, ach, ge meendet er een vriendelijkheidsbetuiging jegens u in te zien?... Neen, neen, die hoorden zoo bij het ceremonieel van den dans; bet geheel daarvan, dat we nog altijd niet in onze arme hoofden hebben, ware zeker niet zoo volmaakt-fraai zonder dien glimlach en die buiging geweest, maar—voor u waren zij niet bestemd! Een hand wordt u toegestoken, ge meent haar te moeten grijpen, maar neen, met 'n stillen doch terechtwijzenden glimlach trekt haar de eigenaar terug: die handbeweging behoorde tot het zéér diepzinnig ceremonieel van den dans ... op den handdruk zult ge nog wat moeten wachten ... indien ge hem ooit krijgt! Maar waarom zoudt ge daar treurig om zijn? Is een glimlach van de Jaren dan niets, zelfs al was hij niet voor u bestemd? Maakt hij 't geheel van den dans, waaraan gij deelneemt, niet fraaier? Welnu dan! En nu spreek ik u nog niet eens van de schoonheid, het gratievolle, van 't zekere van hun terugwijken. Want daar ge jong zijt, lieve vrienden, hebt ge meer gelegenheid gehad, de schoonheid van den glimlach der Jaren dan die van hun wijken te zien. Maar waarvan ik u wel en vooral nog spreken wou, is, dat ge vooral niet uit dat zinnetje, wat ik straks schreef: "als ge hem ooit krijgt," moet afleiden, dat dit zoo zeldzaam is. Het is een eigenschap van dezen wonderbaarlijk ingewikkelden dans,—zooals ik reeds meende te zeggen—dat een zelfde figuur zònder maar ook mèt een kleine wijziging terugkeert en 't is dus zeer wel mogelijk, dat ge bij een volgende maal den handdruk krijgt, dien ge de eerste maal u zaagt ontgaan. Want, laat mij u zeggen: het feit, dat ik de Meester's prachtige Geertje hier behandelen mag, dàt is zulk een handdruk van een van de kinderen van den Tijd, ééns gemist, maar nu gekregen. En mag ik u nu vertellen hoé dat gebeuren kon?...

Welnu dan, luister: Het was betrekkelijk korten tijd voor Tak's dood—en ik vraag u meteen: kent gij, jonge vrienden, behalve zijn naam, ook zijn werk? Hoevelen uwer, die toch waarlijk wel wat geld kunt missen, bezitten die keur daaruit: Herdrukken uit de Kroniek?—dat hij mij opdroeg twee werken te recenseeren in De Kroniek. Een daarvan was Geertje.—"... en," zei hij, terwijl ik al bij de deur van zijn kamer was, het was bij hem thuis, "dat boek," op Geertje wijzend, "en de schrijver zijn mij heel lief." Nu weet ik niet, of gij onmiddellijk begrijpt, dat ik toen voelde, dat de Tijd mij toelachte èn dat die glimlach wel degelijk voor mij was bestèmd, misschien vindt ge dat gevoel wel "overdreven" en zeer zeker begrijpt ge niet, waarom ik toen zelfs meende Zijn hand te kunnen grijpen, waarvan de aanraking op wonderbaarlijke wijze voor langen tijd zekerheid in 't gaan: zelfvertrouwen geeft. Toch was dit niet overdreven. Als gij Tak hadt gekend—en daarvoor is het nog niet te laat, want is het werk van zóó'n man ten slotte niet zijn allerbeste kenbaar deel?—èn gij wist als ik dat Geertje een van de allerbeste, innigst gevoelde en soberst gegeven werken der heele hollandsche literatuur is—en dit zult gij weldra inzien—dan zoudt gij begrijpen hoe gelukkig een jong auteur zich moest gevoelen die van dièn man diè opdracht kreeg. Dat was een verfrisschende opfleuring van den geest, een sterke aanmoediging, precies wat die waarlijk-zachtmoedige geboren-Leider van menschen er dan ook mee bedoelde, waar hij altijd en altijd mee bezig was: jonge menschen, die het geluk hadden zijn weg te kruisen en in wie hij, zij 't veel, zij 't weinig, talent vermoedde, te steunen, te sterken en vriendelijk tegen hen te zijn, met héél zijn hart ... ja, dat was nog eens een ménsch.... Maar hij stierf.... Toen had de Tijd zijn hand teruggetrokken.. Ik las Geertje ten einde, maar maakte verder geen aanteekeningen; die welke ik gemaakt had, reikten niet verder dan tot over de helft van het eerste deel.... Ik zette het boek bij het andere werk, dat hij mij toen gegeven had, vooraan in mijn kast, dat het mij, o ja ik wist het wel: een weemoedige, maar vooral toch een heerlijke herinnering zou zijn, mijn heele leven. Erover schrijven en bij een andere redactie om opname vragen ... nee, wel bedankt, dat wilde ik niet.... Bovendien, ik voel heel diep de beteekenis van het stil en als-onaangedaan wachten in het leven.... Ik voelde ook wel, dat ook deze bewegingsfiguur eens zou terugkeeren in dien grooten en plechtigen ommegang van den Tijd, de Lotgevallen en de menschen en dat zij dan, zooals ik reeds zei, beteekenis-voller zou zijn en mìj rijper zou vinden. Het eerste en het tweede zijn nu gebeurd, want zou het inderdaad niet van veel grooter beteekenis zijn, dat ik nu het geluk mag hebben, duizenden en duizenden ouderen en jongeren in dit voortreffelijke werk in te leiden, dan dat ik toen een opstel erover had geschreven in De Kroniek, d.w.z. voor een uitgelezen maar zeer kleine schare lezers, waarvan het meerendeel, vermoedelijk, literair even sterk voelde als ik-zelf?! En wat het derde betreft ... moge daarvan dit opstel getuigenis afleggen! Want doet het dit niet, neen dan zou het toch zijn, alsof de Tijd mij ook ditmaal de hand niet hadde gereikt, want sterkt hij door die aanraking een mensch, deze sterke dan ook hem, opdat hij weer anderen sterken kunne. Geeft hij dan de gelegenheid, de ander geve hem de daardoor mogelijk geworden, juist voltrokken daad.... Doch hoe dàt nu verloope, dat de bespreking van Geertje een innerlijke gebeurtenis voor mij is, hooger dan het bespreken of overdenken van welk ander gelijkwaardig boek ook zou zijn, dàt zult ge nu wel begrepen hebben.

Het zou voor u allen, evenals voor mij, ongetwijfeld makkelijker zijn, indien ik nu even, vóór met mijn eigenlijke ontleding aan te vangen, u een verkort begrip van den "inhoud" van dit werk mocht geven. Maar dit kan niet, omdat het u op een dwaalspoor zou brengen en wel om de volgende redenen: Allereerst, omdat Geertje-zelf is: een psychisch-romantische figuur. Maar laat mij geen vreemde woorden gebruiken, zonder ze even te verklaren: psyche beteekent: ziel, psychisch dus: wat tot de ziel behoort, wat de ziel betreft. Ik bedoel dus te zeggen, dat zij wat haar zielseigenschappen betreft romantisch is. En ge herinnert u ongetwijfeld wat ik u onder "romantisch" heb leeren verstaan[1].

We begrijpen dus nu, dat Geertje wat haar zielsvermogens aangaat een uitzonderingsfiguur is. Echter wat haar lotgevallen betreft, is ze zoo gewoon als 't maar kan. En daarom zei ik dan ook nadrukkelijk, dat zij psychisch-romantisch is. En ge vermoedt nu al, waarom ik u niet dadelijk iets van haar levensloop, dus van den "inhoud" van het boek vertelde. De jongeren onder u, die, wat zeer natuurlijk is, nog denken, dat eens menschen lotgevallen hem belangrijk of onbelangrijk maken en nog niet inzien, dat alleen de wijze, waarop een mensch die lotgevallen ondergaat en erop reageert hem belangrijk of onbelangrijk maakt, hoe zouden zij een huishoudster-dienstmeisje, dat, onervaren en kerksch-opgevoed, uit een klein dorp naar een groote stad komend, daar "verleid" wordt door een ellendeling, iets "belangrijks," als verhaal, kunnen achten. Gebeurt iets dergelijks niet zóó vaak?... Behoort het ook niet tot die dingen, die als we ervan hooren, ons 't hart verscheuren en ons, al naar onderscheiden aard en aanleg, in machtelooze woede de vuist doen ballen, of vruchtelooze heerschers- en apostelsdroomen laten droomen? Ja, wenschen we ten slotte niet, om ons-zelf de smart en den haat te besparen, er maar zoo weinig mogelijk van te weten? En behoort dus een boek, dat deze dingen beschrijft niet tot diegene, welke wij maar liever ongelezen ter zijde leggen, óók omdat het toch, als verdicht verhaal zoo "gewoon," zoo "banaal," zoo "beneden onze aandacht" is? Och ik zeg u eerlijk: niet beneden mijn aandacht. Voor mij is, in kunst, het onderwerp bijna niets en de behandeling van dat onderwerp alles. Maar voor u, weet ik, is dat niet zoo, en dat neem ik u ook volstrekt niet kwalijk: ik begrijp het best. En zoudt gij dan Geertje niet voor zulk een boek gehouden hebben. Maar nu hebt ge natuurlijk al begrepen, dat het daar niet op lijkt. Hoe zoude ik in dat geval van een psychische uitzonderingsfiguur hebben kunnen spreken. Och, hoe ver is 't dan ook inderdaad daarvan verwijderd. Hoezeer is Geertje in evolutionnair-biologischen zin verheven boven een "verleid meisje". Laten wij deze bewering reeds nu even aan de feiten toetsen. Dat, wat men gewoonlijk onder "verleiding" verstaat, is: op zoodanige wijze bij een argelooze op de sexueele driften inwerken, dat zij tenslotte uit eigen opgewekten hartstocht, aan de begeerte van den verleider voldoet. Het meest kenmerkend gevolg van verleiding is dan ook, dat zoodra bij de verleide, de opgewekte driften weer tot rust zijn gekomen en zij de gevolgen te dragen heeft, het berouw intreedt èn haat tegen den verleider. Ten eerste wordt nu echter bij Geertje niet door den man, die haar misbruikt, de lagere sensualiteit opgewekt, jawel, hij beproeft het, en hij meent, de plat-sluwe wellusteling, dat hij slaagt, doch hij vergist zich: wat door hem wordt opgewekt misschien, maar aangewakkerd zéker, is: hare verliefdheid op hem—van wier hoogheid en duurzaamheid dat beest-mensch niet het flauwste begrip heeft!—en dit verliefd-zijn maakt hare zinnelijkheid wakker. Tusschen het een en het ander nu is een enorm verschil—precies hetzelfde verschil, wat men zegt (ik weet het nièt) tusschen mensch en dier te bestaan.—In het eene geval, bij Geertje, brengt de geëxalteerde geestelijkheid beroering en hartstocht in de lichamelijkheid; in het andere geval wordt de eene lichamelijkheid—van de verleide—door de andere lichamelijkheid—van den verleider—doordrift, en met hun beider geestelijk-zijn heeft dat niets of weinig van doen. Het gevolg is dan ook, dat zoodra, in het laatste geval, ook slechts een klein deel van de geestelijkheid: het nuchter verstand, werkelijk ontwaakt, een vreeselijk berouw, zooals ik reeds zei, en een haat tegen den verleider intreden, en daarentegen in Geertje's geval, zoodra haar geest zelfs voor goed is ontwaakt en alles klaar ziet, zij van tevredenheid en geluk vervuld wordt, omdat zij voelt, niet zóó bewust als ik 't daar zeggen ga, maar toch zéér bewust: ik heb gedaan wat mijn hoogste geestelijkheid en de reinste kern van mijn wezen mij geboden, nu heb ik de zaligheid gekend en deze zal mijn heele leven blijven doorlichten; en instede dan ook van haat te voelen tegen den man die haar onverzorgd aan haar lot overlaat, blìjft zij hem, ook nadat zij weet, door hem gedupeerd te zijn, uit de volheid van haar groote ziel liefhebben, blijft zij hem innig dankbaar, voor de heerlijkheid, die haar, ten slotte, toch door hèm geworden is! En zooals de eene goede daad altijd ter een of andere keer, tot een tweede goede daad voert—want het is een goede daad aan het hoogste van zijn wezen te gehoorzamen, maar dan moet men ook noodlottig-zeker voelen dat het 't hoogste van het wezen is!—zoo brengt ook Geertjes daad haar éérst tot het zuivere inzicht, dat te huwen of sexueelen omgang te hebben zonder liefde, minderwaardig is èn brengt haar daarna en daardoor tot de tweede goede daad: van liever haar heele leven ontbering en smaad te dragen, dan haar toevlucht te zoeken in een gemakkelijk huwelijk, met een braven, rijken boer, die haar grenzeloos liefheeft, om aldus voor de hardheid der wereld geborgen te zijn. Hoe zou het dan ook kùnnen dat Geertje zich schame voor haar daad, of iets van haren natuurlijken trots of fierheid inboete gelijk die vele schijnbare-lotgenooten! Na dit alles te hebben ingezien, voelen wij dan ook met zekerheid, dat wij in de persoon van Geertje hebben te erkennen een van die hoog-nobele en in waarheid groote figuren, die tegelijk monumenten voor en incarnaties van de Liefde op aarde zijn.

Maar hoe weinig zouden wij dat vermoed hebben, indien wij Geertje in het leven hadden ontmoet, hoe weinig dus ook, dat wij eigenlijk heel diep en nederig voor haar moesten buigen, en dat "die geheimzinnige Macht, die de wereld regeert" veel sterker in haar leefde dan in vele in heerlijkheid gezeten vorsten en voornamen en geleerden, die roem en eer en geluk in overvloed oogsten! En met deze opmerking kom ik meteen tot de bespreking van een andere superieure eigenschap van dit werk, eene, die het gemeen heeft met alle werkelijk gróóte kunst: dat het uitspreekt, wat geen andere mond dan die der kunst kan uitspreken, dat het stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had. Want ziet eens en denkt het u goed in en doet eens flink uw best, mij ter dege te begrijpen: àls ge in het leven zulk een "verleid dienstmeisje," als ge eens diezelfde Geertje had ontmoet, armelijk, vervallen, gedwongen in uitersten nood een toevlucht te zoeken voor haar zwak, zwanger lijf, bij hondsche, gemeene, vervuilde familie; àls ge eens in het leven zulk een meisje had ontmoet, dat absoluut geen "berouw" over haar "misstap" toonde en nog den man, die haar verleid en gedupeerd heeft, in slaafsche gedweeheid achterna blijft loopen, wàt zoudt gij anders voor haar hebben dan een weinig stuursch medelijden, vermengd met minachting, gij, die de grootheid van haar ziel niet zoudt kennen, gij, die haar drijfveeren: haar liefde, haar vertrouwen, haar hoop, hare grenzelooze toewijding niet bevroeden zoudt. En àls gij daarentegen dien verleider, dien Heins in het werkelijke leven ontmoet hadt, wel, zoudt ge niet hoogstens eenige phrasen mompelen als: alles te weten is alles te vergeven: de man, lichamelijk een prachtkerel, is gehuwd met een ziekelijke vrouw ... de natuur zoekt een uitweg ... en die Geertje, nou die zal, op de keper beschouwd, ook wel niet zoo heel veel fijns zijn ... en hij is toch maar in z'n zaken een oppassende en gewikste kerel.... In een woord: een deel uwer sympathie, waarschijnlijk het grootste deel, zou bij den sterke, den man-van-het-welslagen zijn en niet bij de verongelukte, bij de zwakke, bij de als-bedelend-afhankelijke. Want niet alleen gij, jongeren, maar ook wij ouderen, zijn allen, vooral te dien opzichte, maar al te vaak "un petit être incomplet,"[2] zooals Loti het noemt. En intusschen, hoé verkeerd zouden wij hebben gedacht, want die Heins, wat is hij anders, dan een van die diep-ellendige schurken, die we alleen daarom niet verachten, omdat we begrijpen niets wat leeft te mógen verachten. Maar hoe zouden wij, arme, onvolmaakte wezens, ook beter kùnnen oordeelen over onze medemenschen. Worden wij niet door onzen twijfel verscheurd en heen en weer getrokken? We heffen de hand op om te straffen, maar we aarzelen: heeft die mensch wel straf verdiend? Had hij geen edele of onweerstaanbare drijfveeren, die wij niet kennen?... Wij willen beloonen.... Maar de gedachte komt in ons op: zie ik dien mensch niet te mooi; had hij innerlijk geen leelijk motief voor die mooie daad, bevoorrecht ik hem dus niet boven zijn gelijke? Wat wéten wij van elkanders ziel? Wie zìjn wij-zelf? Daarom kàn de ondeugd niet door ons gestraft, de deugd niet beloond worden. Wij wankelen en wij tasten mis bij elke schrede, bij elk gebaar. Doch nu komt een kunstenaar ... diè wéét, die vóelt weifelloos, diè tast, ten tijde dat hij kunstenaar is, nimmer mis, diè heeft "hart en nieren geproefd."[3]. Nu krijgen de deugd en de ondeugd, het reine en het bezoedelde, het zelfopofferende en het baatzuchtige, allen, niet alleen de kracht tot uiting, maar zij worden gedwongen daartoe. Allen ontvangen nu een stem, waarmee zij in onze ooren hun innigste wezen uitzeggen. Nu is alle leugen en alle schijn verre en de meest doortrapte sluwheid staat machteloos.

Dáárom zei ik—en nu zeker begrijp't ge mijn zeggen—kunst uitspreekt wat geen andere mond kan uitspreken, dat zij stem en uiting geeft aan wat voor onze ooren geen stem en geen uiting had! Hoe dikwijls, gelijk nu weer, heeft het mij dan ook niet toegeschenen, alsof, in hoog medelijden met die wrange machteloosheid der menschen, ter troost aan ons gekrenkt rechtsgevoel, en vooral ter tijdelijke hulp aan ons, bijna-blinden, die het eindpunt niet kunnen zien, waar al dat slechte en misdadige tot goedheid en rechtvaardigheid wordt—de Natuur de kunstenaars voortbracht, opdat die ons reeds nu het ware wezen der dingen zouden doen gevoelen, hun noodwendigheid en het verborgen geluk, en ook het verborgen onheil, dat zij in hun dichte dooreenvlechting dragen. Het uiterlijk-schamel edele, dat wij gering hadden geschat, de kunstenaar toont—en 't is als een ons hart goeddoend eerherstel!—de edele kern ervan. Het opgesierd-vooze, het is alweer de kunstenaar die met vaste hand het innerlijk rotten opendekt—zoodat wij althans het geluk der waarheid hebben! Zóó komt het dan ook, dat Geertje, het zuivere werk van zùlk een kunstenaar, bij al de grauwheid van het armoe-leven, die het ons niet spaart, bij al de ontzettende ellende en onverdienden smaad, die we de hoofdpersoon, het meisje zien treffen, ons nauwelijks bedroeft, en dat het ons evenmin na voltooide lezing achterlaat met dien bitteren haat tegen het "wreede" leven, maar integendeel met het zoete en kalme gevoel van bevredigd- en vertroost-zijn, van nu toch ééns het Noodlot doorvoeld en begrepen te hebben. Want, zoo denken we, waarom zouden we de verstooten en versmade Geertje langer beklagen, haar, die met het volle gevoel en het alles-verzoetend en verheerlijkend bezit harer altijd-durende liefde naar haar dorpje terugkeert, om daar in de schoone richting, die het lot haar gewezen heeft en op haar eigen, eenvoudige wijs, haar prachtige en rein-menschelijke ziel te doen groeien en bloeien. Of waarom zou ons de haat jegens menschen als Heins nog op het hart branden! Is tot onze genoegdoening, in dezen ééne, niet aller afzichtelijkheid in den rechtvaardiglijk-erbarmingloozen dag geheven? Voelen we ook niet onvermijdelijk en ontzettend aandreigen, onzichtbaar voor zijn oogen, de begeleidsters der geestelijke en zedelijke geringheid: de zelfverachting en de verachting der menschen, die vroeg of laat, maar eens zeker, uit zulke misdrijven opschrijnen?... Ja, het is dan ook vóóral de gewaarwording, dat de godsstem van het Noodlot tot ons sprak uit dit boek, klaar en vast en met ware troost vertroostend, die het ons doet liefhebben als een machtig geheel van ont-dekte, doorzichtig-gemaakte menschelijkheid. Aan dit werk is het tijdelijke vreemd: zoolang een deel der menschheid onze taal zal kennen, zoolang zal het in de figuur van het arme meisje Geertje de verwezenlijking van ééne der gestalten der eeuwige en wereld-omvattende liefdesdroom herkennen; zal het opzien vol dankbaarheid en bewondering tot die onbewuste, nederige heldin, die niet alleen te eenvoudig-menschelijk, te rein-natuurlijk was om te zondigen, d.i. tegen haar diepst en hoogst gevoel te leven, toen dit haar genot en uitviering van hartstocht bracht, maar die ook te groot bleek, om tegen dat gevoel te leven, toen het haar niets anders dan verderf, vernedering en ontbering kon brengen!

Laat mij nu nog, voor ik dit eerste hoofdstuk over Geertje beëindig, even recapituleeren wat ik heb gezegd:

Het werk behoort ten deele, voor zoover het zijn hoofdpersoon betreft, tot de goéde romantiek, omdat het een uitzonderingsfiguur beeldt, op naturalistische, d.i. zooveel mogelijk objectieve wijze. Het behoort tot de groote en blijvende kunstwerken: omdat het 't leven voor ons ont-dekt en doorzichtig maakt; omdat het, in de opeenvolging zijner elkaar beïnvloedende hoofdgebeurtenissen, zuiver noodlottig is; omdat 't, wijl het kunstscheppend vermogen er puur in leeft, niet van één tijd maar van alle tijden is; omdat het, tenslotte, èn door zijn noodlottigheid èn door zijn evenwichtigheid én door zijn àf-zijn in begrepen-, doorvoeld- en weergegeven-hebben, zelf de rust en den vrede der klassieke mensch-beeldingen bezit en beide daarom ook aan de lezers schenkt.

En ik voeg er met nadruk bij: het is ook in de hoogste mate zedelijk, en de lezing moet, vooral op jongelui, die nog hun leven kunnen beginnen, veredelend werken—ik zeg dit met zooveel nadruk, omdat 'n paar, overigens geheel onbevoegde, dwazen indertijd het tegendeel beweerd hebben—wijl het ten eerste, zooals ik reeds opmerkte, een stem geeft aan het bedrogene, verdrukte en gesmade, dat anders door de menschen niet wordt gehoord of geloofd; ten tweede, in Geertje-zelf een figuur beeldt, die dwars door alle conventie heenbrekend en boven alle eigenbaat uitrijzend, datgene poogt te doen, wat haar eigen diepste wezen haar als goed aanwijst en, ten derde, in Heins den verleider, een mensch heeft geschapen, wiens verpeste en afzichtelijke geest noodzakelijk even afschrikwekkend op den aanschouwer moet werken, als afbeeldingen van sommige ziekten dat doen.

In de nu volgende hoofdstukken hoop ik u het gezegde door citaten en analysen nader uiteen te zetten en, voor zoover dat mij althans mogelijk is, te bewijzen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings