← Table of contents
Over literatuur

JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"

Reading edition

V.

Terwijl ik mij nu gereed maak, dit laatste Geertje-artikel te schrijven, weet ik mij weer vol van weifelend dralen. Want er zijn boeken, die ons zijn als een huis vol van herinneringen, vol van ons zelf. En zoo voel ook ik mij nu als iemand, die een hem lang vertrouwd en lief geworden huis verlaten gaat. Dat, wat het zijne is, maar toch ook—en hoe diep voelt hij dit!—van het huis, waarin het zóó lang zijn mijmerend leven leefde, waarmee het één was geworden, is nu bijeen gehaald uit alle kamers en hoeken, en tot den uittocht bereid. Hij-zelf staat vol weemoed stil: zóó als het licht door die ramen viel en tot iets eigens in zijn tintenschakeeringen en schaduwverdonkeringen, van het oude huis èn van hem werd, zal hij 't nooit meer zien; het leven, wat hij hier heeft doorleefd, is voor goed voorbij.... Schimmen van menschen en verre herluidingen als echo's van lang verklonken geween en gelach verbergen zich nu in dit huis voor eeuwig en voor goed in vergetelheid, vóór de vréémde komt.... Ze herklonken en leefden nog in een heel teer leven en onwezenlijk schemerbestaan, zoolang hij hier was, om ze te zien en te hooren. Zij herleefden op zijn zwijgend en nauw-bewust-willend gebod.... De vreemde, die na hem komt, zal hen niet hooren en zien.... Het mooie huis, het zal ook om dien staan, en diens leven zal erin lachen en weenen.... Van het verstorven gelach en geween zal hij niets voelen.... En de heengaande man voelt zich onrustig en gejaagd: zou hij niets van het zijne hebben vergeten? Maar plots glimlacht hij weemoedig en knikt, in begrijpen, tot zich-zelf: ach, niet de twijfel, of hij iets van het zijne heeft vergeten, maakt hem zoo onrustig, maar de zekerheid, dat hij moet achterlaten, wat hij nooit vergeten zal, die maakt hem onrustig!... Want er zijn dingen, die men niet meenemen kàn....

"Maar welaan, laat mij sterk zijn," denkt de heengaande man, "is het niet schoon, dat menschenwèrk langer duurt dan menschenléven, en een ander ervan zal genieten...."

En welaan, mijn werk moèt nu toch spoedig gedaan zijn, denk ik ... is het niet schoon, dat zoovele anderen nog zullen leven en voelen mèt, ìn dit boek, ieder op eigen wijs; dat het wéér-klinken zal hun gelach en hun weenen, dat zij het bezit van hun ziel en de have van hun geest er in zullen bergen, ja vermeerderen en wijzigen, al naar de schoonheid van dit monumentale bouwwerk, van hun gevoel voor harmonie, van hun smaak en fijn gevoel zal vorderen?... Al weet ook ik, dat wat ik nu achterlaat van mij, gedoemd is, in vergetelheid te gaan.... Wat van mij saamgeweven is met de stemming van het boek, wat er niet van los te maken is, en in woorden geborgen, naar buiten te brengen; wat ik te subtiel-individueel heb doorvoeld; wat ik niet heb kunnen zeggen en wat ik niet goed heb kunnen zeggen, dat alles blijft achter in vergetelheid.... Laat mij nu nog beproeven, het zoo weinig mogelijk te doen zijn.

Ik zal nu ik spreken ga van het leven van Geertje in Maandag's huis, natuurlijk veel ònbesproken moeten laten. Daartoe behoort o.a. de voortreffelijke uitbeelding van Buurvrouw Tabbe, die altijd, bij afwezigheid van zijn zuster, Maandag's huishouden bereddert. Die uitstekende instantanée'tjes van het kinderlijk-goedhartige, van het naïef stuursche en heel dat klein-burgerlijk gedoente, mogen voor jelui bewaard blijven tot de lezing van het boek-zelf. Ik zal mij hier bepalen tot het essentiëelst-karakteristieke der hoofdfiguren. Geertje heeft haar grootvader geschreven en nu, tengevolge van dien brief, komt hij bij haar, in Maandag's huis:

—Groo'va!...

Hij stond, met Oom ter zijde achter zich, juist op de plek, waar buurvrouw den vorigen dag met een—"Nou, ejuus dan," hoonend op haar had neergekeken. Hij stond en niets bewoog aan hem. Geertje zag de lange, smalle lippen pijnlijk vast opeengeklemd en onder zijn doorborenden strafblik sloeg zij de oogen neer, de lach kroop weg van haar gezicht en zij bedacht dat ze, op haar rouwjapon, tegen de stoffigheid van het huiswerk, een bonte schort met gaten had aangedaan, die er nog hing van Maandag's zuster. Schielijk de linkerhand naar achteren stekend om de strik te openen, wilde zij met de rechter de schort al wegtrekken, maar de strik trok vast en de ijle beweging der rechterhand scheen een strijken over de zwangere buik, als om weg te strijken.

Dit laatste door mij gecursiveerde is een zeer fijne opmerking van den schrijver. Wij moeten namelijk begrijpen, dat dit den grootvader zelf niet alleen een beweging van schaamte toeschijnt, maar Geertje-zelf hier voelt, dat die handbeweging haar grootvader en oom zal doen denken, dat zij zich schaamt voor haar zwangerschap; en dit kwetst haar fierheid. Zij immers, zooals we weten, schaamt zich daarvoor niet, omdat ze zich, in het diepst van haar wezen, schuldeloos voelt.

—Ben je alleen? bitste de vermaanstem.

—Ja Groo'va.

—Het tocht hier.

Dit kurk-droge en als versteend-ordelijke aan-kleinigheden-denken, op dit oogenblik, karakteriseert weer den grootvader uitstekend!

Oom sloot de woningdeur, Geertje de ramen. Ook de tusschendeur ging zij sluiten.

—Gaat u niet zitten? vroeg ze zacht en schraapte naar meer geluid. In een wanhopige zelfteleurstelling voelde ze zich tòch onthutst-doen.

—Is dat wat je me te zeggen hebt, Geertje?

Hier komt weer het hoogst ergerlijke in zulk een dogmatisch-verstrakte, door eigen bravigheids-bewustzijn hoogmoedige en gevoellooze voor den dag: Hij mag zóó weinig ontroerd zijn door den aanblik van z'n mishandelde en vertrapte kleindochter; hij mag zoo weinig fijn gevoel bezitten, zoo weinig onbewusten eerbied hebben voor het leed en voor dat hooge oogenblik van elkander weerzien, dat zijn eerste woord een bevelhebberige verklaring kan zijn, dat "het tocht!"—Zij daarentegen moet zóó eerbied-geslagen door zijn tegenwoordigheid zijn, dat ze zelfs het benul niet behoort te hebben hem een stoel aan te bieden!! Hoogmoed en Trots, wel te onderscheiden van Ziele-hoogheid en Gevoel-van- eigenwaarde, worden altijd door Dwaasheid begeleid, opdat naar den wil der zachtmoedige en onophoudelijk-onderwijzende Natuur, deze beide plechtig- voortstappende, geharnaste ridders, meenend een helm te torsen, een zotskap dragen, gelijk Sancho Panza zijn scheerbekken, en aldus een schouwspel van weerzinwekkende en waarschuwende belachelijkheid zullen zijn....

Het was de oude toon van vijandig klinkende berisping, die hardheid, die haar altijd had gekwetst, waarover Groo'moe met zachtheid placht te troosten. Nu was niet Groo'moe er, maar Oom.

—Ik heb u ommers alles geschreven, zei ze, met zekerder stem, koel, strak.

— Heb je Groo'va vergeving gevraagd?

Oom! Die braaf dee, voor 'en wit voetje!...

Nu had ze haar stem weer geheel, en blozend:

—Heb ù al om vergeving gevraagd?

—Ik? Ik heb me niet laten onteere!

—Nee, ù heb goed opgepast! En voor mijn heb u ook zoo gezorgd! Daarom liep ik laast uw huis uit, toen uw zwager m'en as hoer wou gebruike....

Groo'va, die zich juist omgewend en de hand op een stoelleuning gelegd had, strekte die uit met gebiedend gebaar:

—Stilte!

Juist als vroeger op school.

—Laat me met haar alleen, Jan; ik zal de weg naar je huis wel vinden.

Toen Oom was heengegaan, zei Groo'va:

—Ga daar zitten.

Het wás háár stoel, waarop zij altijd zat, deze dagen; zij ontving Groo'va in Maandag z'en woning. Hij deed net als thuis tegen stoute jongens, die hij in zijn kamer liet komen na schooltijd. De meester, de berispende meester—anders was hij niet voor haar.

Men zal de uitbeeldingskunst van dit geheele stuk moeilijk te zeer kunnen prijzen. Het schoolmeesterlijke gedoe van Groo'va, Oom's vleiërige kruiperigheid,het staat er alles voortreffelijkin. Maar vooral opmerkelijk is Geer's koel, strak, snibbig en hard worden. Het lijkt mij gewenscht hier even van de eigenlijke oorzaak daarvan te spreken: omdat zachtmoedigheid en vergevingsgezindheid goddelijk, d.i. schoon en goed zijn, wordt een mensch bij hun aanblik ontroerd en heeft hen onmiddellijk lief. Beproevend hen na te volgen om zelf schoon en goed te zijn, wendt hij zich tot hen en hoort, met een gelukkig gevoel in het hart en heerlijke overgave, aan, wat zij hem te zeggen hebben. Maar omdat hardheid en barschheid en wrok leelijk en gering-menschelijk zijn, wordt een mensch bij hun aanblik onmiddellijk afkeerig van hen en zegt meer of minder bewust in zichzelf: wat kunnen dezen, die zelf klaarblijkelijk nog niets geleerd hebben, mij leeren? En welk recht hebben zij, mij te leeren? Dan keert hij zich van hen af en sluit in zich-zelf zich op. In den grond is het dus dezelfde oorzaak, die de menschen een eerlijk man, als hij over eerlijkheid spreekt, aandachtig doet aanhooren, maar hen een dief, als hij 't zelfde beproeft, doet hoonen en nog dieper verachten.

Onverschillig schokte ze neer op den stoel en bleef, den rug naar het raam, den linkerarm zwaar over den hoek van de tafel, den rechter slap op den schoot, voorover gebogen zitten staroogen met botte dofheid.

Een beweging van ongeduld schaduwde over het tafelvlak langs haar. Geduld had Groo'va niet kunnen leeren in al die jaren van jongens bebrommen.

—Ik wácht, op wat je te zéggen hebt, Geertje!

Driftig met sprongetjes, kwam de bedreiging. En nu smakten de lippen.—Dat was toch zoo'n malle gewoonte van Groo'va, net iemand, die de soep te zout vindt.

Dit door mij gecursiveerde zinnetje is uitstekend. In een loome onverschilligheid, voor alles wat die dorre, niet-gevoelende, niet begrijpende oude haar verder zeggen zal, is Geertje nu tot een toestand van koel-nuchter, minachtend-scherp observeeren gekomen. Een gewoon en algemeen verschijnsel: terwijl overgroote eerbied het waarnemingsververmogen van den eerbiedige ten opzichte van den geëerbiedigde verzwakt of krachteloos maakt—men ziet dit bijvoorbeeld aan hen, die zóó eerbiedig tegenover de tradities onzer maatschappij staan, dat zij zelfs haar ten hemel schreiende misdaden niet zien—wordt bij afwezigheid van eerbied het waarnemingsvermogen zeer actief. In het bijzijn van een als-meerdere-erkende, verdoft het waarnemingsvermogen vaak—en men ziet de weerspiegeling hiervan ook meestal onmiddellijk in het doffer, gevoileerd-worden van den blik!—in het bijzijn daarentegen van den als-mindere-geschatte, verscherpt het waarnemingsvermogen niet alleen, maar wordt de geheele geest als in een vrij-wording en ontslaking verlevendigd. (Vandaar dan spot, scherts, enz.). Het omgaan met geestelijk-voornameren heeft zeer zeker veel nut, omdat 't het streven naar het goede, wat men niet bezit, wakker maakt, maar het omgaan met geestelijk-geringeren en -gelijken heeft niet minder nut, omdat men in dien vrijeren omgang zelf zich ontwikkelt, en ontplooit wat men wèl bezit.

—Zul je nu spreken!? Hoog was hij vóór haar.

Loom het hoofd heffend, zag zij even hem aan; toen zonk haar blik, als te moe, langs hem neer. En toonloos-koel liet ze vallen:

—Ik heb et u ommers al geschreven.

—Geschreven!?... Je brief was één weefsel van leugens. Bedrogen heb je me, en al zoo lang! Mij en oom, zelfs Groo'moe nog! Als die dit had moeten beleven! Niets dan de schand'lijkste zonde en leugen. En dat een kind van zóóveel gebed. Ongelukkige! hebben wij dat aan je verdiend!? Het loon voor zóóveel zorg en liefde. Ons kind onteerd op de schandelijkste wijs, in een zonde die God het zwaarste straft. Hij wil dat ik oude man zwaar beproefd word. Maar jij bent behalve aan Hem, mij rekenschap schuldig van je ondankbaar, snood gedrag. Je bent verleid, máár je was geen kind meer! Die man heeft zich op de laagste, de gruwelijkste wijze aan je vergrepen, maar....

—Die man heb ik lief, en altijd, verstaat u, na me dood nog, ten eeuwigen dage, zal ik fan 'em houe, diè màn!...

Het zou van een ontzaglijk gebrek aan inzicht getuigen, het subjectieve recht van den grootvader te ontkennen, om te spreken als hij doet, van zijn standpunt, met zijn gebrek aan doorvoelingsvermogen, in zijn onwetendheid, maar van een minstens even groot gebrek aan inzicht zouden wij blijk geven, indien we èn dat standpunt, èn dat gemis van doorvoelingsvermogen èn die onwetendheid niet scherp zouden laken, in iemand, die zoo hoogmoedig als rechter optreedt. Ware hij niet geheel verkerkelijkt, verdogmatiseerd, de door mij gecursiveerde zin van Geertje, die uitbarsting van haar innigste en hoogste voelen zou hem tot inkeer gebracht en hem de oogen geopend hebben. Hij zou ingezien hebben, dat tegenover zóóveel zielssterkte en zóóveel zielsadeldom, wel het beste wat hem paste, ware: te zwijgen, liefdevol te helpen, en aan den Hoogsten Rechter, in Wien hij immers gelooft, het oordeel en vonnis over te laten. Hadde hij al zijn teksten op dat oogenblik vergeten en zich slechts deze uit Job herinnerd: "Leg uw hand op den mond, want God is in den hemel en gij op aarde, laten daarom uw woorden weinige zijn," het ware hem beter geweest! Zie ik hier Geertje en haar grootvader tegenover elkaar staan, hoe herinner ik mij het woord der Joodsche Wijzen—ja ik ben zeer hebreeuwsch van avond!—"Er zijn nieuwe kruiken, waarin oude wijn is, en oude kruiken, waarin zelfs geen nieuwe wijn is."—In die uiting van Geertje—ik kan er niet vaak genoeg uw aandacht op vestigen—vindt ge opnieuw de bevestiging van wat ik zei, den sleutel tot het begrijpen van dit boek: Geertje is geen "verleid dienstmeisje," máár: een heldin der liefde, een van die zeldzame menschen, die de zeer groote liefde kunnen voelen, en die door alle wisselingen van lot en jaren, die liefde trouw blijven, Wie die eigenschap bezit, al bezit hij geen enkele andere van even hooge ontwikkeling, behoort reeds daardoor tot de psychisch-heel-grooten.—Laten we het verder verloop van het onderhoud overslaan, hoe uitstekend, hoe vol van dramatische spanning dit ook moge zijn. Het mooiste laat ik onaangehaald, dat moet voor u bewaard blijven in het boek. Zoo verhaal ik u ook niet, waarom Geertje niet met haar grootvader meegaat, die immers gekomen is, om haar te halen, en waarom zij, zich in afgrijzen van hem afwendend, bij Maandag achterblijft. Slechts wil ik even het zinnetje aanhalen, waarin de schrijver vertelt, hoé de grootvader heengaat van Geertje, en Maandag, den bultenaar, die hem den uitgang verspert en hem smeekt Geertje niet zóó te verlaten, op zij duwt:

Des langen ouden groote hand beroerde den schouder des bultenaars, en zij opende met vastheid de deur.

De ongewone harkerige deftigheid en statigheid van deze constructie met zijn "dessen" valt op, nietwaar? Wilt gij weten waarom zij hier zoo uitmuntend is? Herinner u dan wat ik schreef bij mijne behandeling van De Familie Kegge.[12] Ik noemde daar het stukje, waarin Kegge's smartvoelen, zoo uitmuntend, omdat: "de eigenschappen van Kegge's smartvoelen de afbeeldende woorden en zinsbouw (hebben) doordrongen, gedrenkt, en daarmee een zijn geworden." Welnu, iets dergelijks is ook hier het geval: het harkerig-stijve, het onvermurwbaar-harde der manier van doen van den grootvader heeft ook hier de afbeeldende woorden doordrongen en verhard. Ge voelt en hoort en ziet daardoor alles onmiddellijk, terwijl, indien er een andere zin stond, die u nochtans hetzelfde zou mededeelen, ge er slechts een verstandelijk begrip van zoudt krijgen!—Maandag, bij wien zij dus achterblijft, dien naar het lichaam zoo wanstaltige en naar de ziel zoo rechtgeschapene—hoe aandoenlijk is zijn hulpvaardigheid, hoe aandoenlijk zijn verzwegen liefde voor haar. Een oogenblik, één oogenblik denkt hij, dat zij wellicht in de toekomst een troost en een licht in z'n arme leven zal kunnen zijn. Maar eens vraagt hij haar:

—Keu-je-n-um m'ar nie' fergaite?!

—Vergete!?!

Een verwijt dat een triumf is. In hem zinkt iets nog dieper weg, maar er stijgt een ontroering van geestdrift, die hoog boven het and're gevoel gaat.

Dat wat dieper in hem wegzinkt, ge begrijpt het, is zijn liefde. Hij voelt, dat zij nooit iets voor hem kan zijn. Maar hij heeft dien trek van alle hoogere, edele naturen, dat al veroorzaakt hun het goede en schoone zelf teleurstelling, hun bewonderingsvermogen voor dat schoone en goede daardoor niet wordt geschaad. Vandaar, ìn zijn leed, zijn geestdrift voor de prachtige liefde en persoonlijkheid van Geertje!—

Bij het verhaal van Maandag's bezorgdheid over haar; zijn niet-kunnen-begrijpen, dat Geertje zoo opgeruimd is, en hem met zoo'n weldoende gezelligheid kan omringen; zijn angst dat zij dit alles maar voorwendt, om er een noodlottig plan achter te verbergen, geeft de auteur van die opgeruimdheid deze prachtige psychologische verklaring—te mooi, om er niet nadrukkelijk uw aandacht op te vestigen: (De woorden waar het op aankomt, cursiveer ik.)

Nu Geer er was, hoefde hij den sleutel niet bij buurvrouw te brengen, wanneer hij 's avonds uitging. Maar nooit had z'n woning deze gezelligheid gekend en zooveel mogelijk bleef hij thuis. Geregeld kreeg hij zijn koffie en thee, den kinderen ontbrak het niet meer aan iets en precies op tijd lagen die in bed. Dan week welhaast het nagevoel van het stage leed over zijn zuster, dat leed als een rouw, die men niet overleeft. Dan trilde zijn wezen onder de gewaarwording van zooveel knusse gezelligheid rondom hem, zat hij met snel-knippende straaloogen meer te soezen dan te werken aan zijn schrijftafeltje, bij de kaars, die Geer er "verzonnen" had. En op haar vraag:—"Wil u daar uw thee?" zei hij telkens gretig:—"Ik kom."

Doch later alleen, wanneer zij naar bed was, werd hij weer aangegrepen door een vrees. Het kwam niet in hem op, dat voor haar dit zijn hier was als een slaapwandelen, dat haar wezenlijk leven elders verliep—en haar doen van den ganschen avond bleef hem een raadsel, zoet ... máár angstig....

Ge begrijpt dat dit "elders" is: bij Heins, bij den man, dien zij voor altijd liefheeft!—En nu datgene, wat ik, in het vorig hoofdstuk, een fout noemde in de beelding der Maandag-figuur: het is onverklaarbaar, althans mij is het niet gegeven geweest er een aannemelijke verklaring voor te vinden, dat een man van zulk een noblesse, Geertje niet bij tijds voor Heins waarschuwt, waarvoor hij ampel gelegenheid had. Onbekendheid met de "moreele principes" van dat heer kan het niet geweest zijn, schuchterheid evenmin; z'n verhaal o.a. dien avond, ten huize van Heins, van die voorname mevrouw, die haar man heeft laten zitten en met een ander er van door is, bewijst het tegendeel. En dus blijft mij niet anders over dan het een fout te achten, een barstje in de gaafheid van het' overigens zuivere beeld.

Hiermede is voltooid mijn behandeling van dit boek dat, als van zelf ontstaan symbool van vertroosting, met de verheerlijking van het socialisme en zijn strijders eindigt—een waardig einde....

NOTEN:

INHOUD

I. CRITISCH. BRIEVEN OVER LITERATUUR. I. Frans Coenen, Dickens en de Romantiek—pag. 7 G.K. Chesterton, Charles Dickens—pag. 18 G.K. Chesterton, Appreciations and criticisms of the Works of Charles Dickens—pag. 18 Dickens in de Hollandsche en Engelsche Maandschriften van Februari 1912—pag. 22 II. Adriaan van Oordt, Nagelaten Werk—pag. 23 C. en M. Scharten-Antink, De Vreemde Heerschers—pag. 29 L. Couperus, Antiek Toerisme—pag. 37 Couperus in Groot-Nederland van Maart 1912—pag. 39 III. Jeanne Reyneke van Stuwe, Naar het levend Model, De kinderen van Huize ter Aar—pag. 40 Anna van Gogh-Kaulbach, Voor twee Levens—pag. 49 Æ.W. Timmerman, Leo en Gerda—pag. 50 IV. Dr. Nahum Slousch, La Poësie lyrique Hébraïque contemporaine—pag. 54 Dr. Gustave Karpeles, Heine-Reliquien—pag. 64 Josef Cohen—pag. 67 Van Collem—pag. 67 J.I. de Haan—pag. 67 S. Bonn, Een Bonte vlucht van verzen—pag. 67 Is. Querido, De Jordaan—pag. 69 Else Jerusalem, Het Roode Huis, vertaald door Mevr. S.J. Barentz-Schönberg—pag. 89 L. Simons, Studies en Lezingen—pag. 90 Vertalingen, behoorend bij "Brieven over Literatuur"—pag. 93 HET HISTORISCH-MATERIALISME IN DE LITERAIRE CRITIEK I. Mevr. Henriette Roland Holst, Studies over Socialistische Aesthetica; H. Gorter, Critiek op de Literaire Beweging van '80 in Holland—pag. 99 II. Mevr. Holst's Rousseau (Literair-critisch beschouwd)—pag. 131 III. Mevr. Holst's Rousseau. (Beschouwing der critische en psychologisch-biographische opvattingen)—pag. 146 IV. Conclusies—pag. 190 Vertalingen, behoorend bij "Het Historisch-Materialisme in de Lit. Critiek"—pag. 195 II. DIDACTISCH. I. Voorwoord—pag. 203 II. Hoe Literaire kunst gelezen en genoten moet worden—pag. 206 III. Over Multatuli en zijn Geschiedenis van Woutertje Pieterse—pag. 217 IV. De Historie van Mejuffrouw Sara Burgerhart van Wolff en Deken—pag. 251 V. Johan de Meester's Geertje—pag. 296

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings