HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
Reading edition
I.
Is het voor den lezer en bespreker van de Historie van Mej. Sara Burgerhart ongetwijfeld immer een voorrecht dezen roman-in-brieven in de uitgave van de W.B. voor zich te hebben, in deze warmte vooral voelt men 't als een onschatbaar genot, dank zij den heer Prof. Knappert, die het werk van eene inleiding en verklarende aanteekeningen heeft voorzien, niet genoodzaakt te zijn, om, bibliotheek in, bibliotheek uit, naar de beteekenis van verouderde uitdrukkingen te speuren, of te beproeven zich zelfstandig in 't historisch milieu te orienteeren. Bedoelde inleiding en aanteekeningen maken al een zeer sympathieken indruk, niet alleen door den zoo duidelijk blijkenden ernst en de nauwgezetheid, waarmede zij zijn samengesteld, maar óók door het feit, dat de heer Knappert in een zeer gewichtige aangelegenheid zijn eigen weg is gegaan en zich niet door den beroemden Busken Huet een dwaalweg heeft laten inloodsen. Anders dan deze, die eene der boezemvriendinnen, en wel Agatha Deken, het mede-auteurschap der, naar beider ondubbelzinnige verklaring, gezamenlijk geschreven romans ontzegt, verklaart onze geleerde en scherpzinnige commentator: "Maar haren roem danken Betje en Aagje terecht aan haar wezenlijk gezamenlijk geschreven romans." Om met den gullen Abraham Blankaart, Saartje's voogd te spreken: "Dat klinkt je wat anders voor den snoet" dan de quàsie-vernuftige critische bewering van Huet. 't Is waarlijk geen gering vergrijp op zoo wankele gronden[1] als door deze voor zijn meening kunnen worden aangevoerd, het niet alleen aan te durven, deze vrouw, die zich niet verdedigen kan, van haar roem bij het nageslacht te berooven, maar ook de moreele smet aan te wrijven, dat zij zich eer en lof heeft laten aanleunen, die haar niet toekwamen en letterlijk op de talenten van haar weldoenster en hartsvriendin zou hebben geparasiteerd. Want Huet moge daar luchtigjes overheen redeneeren en, de kool en de geit pogend te sparen, het als iets loffelijks in Aagje voorstellen, dat zij niet weigeren wilde, Betje's roem te deelen, in waarheid zou zulk een handelwijze niet anders gequalificeerd kunnen worden, dan ik heb gedaan. En het schenkt mij dan ook niet geringe voldoening en vreugde, dat de heer Knappert anders oordeelt. Intusschen, hoe gaarne ik langer over diens bijzonder waardevollen arbeid zou uitweiden, we zullen nu maar eens aan den roman-zelf onze aandacht geven. Al lezend zullen wij gelegenheid te over hebben, door van de inlichtingen van onzen gids gebruik te maken, hem de beste hulde te brengen, die iemand gebracht worden kan.—
Ziehier de zeer kort saamgevatte "inhoud": Sara Burgerhart, eene wees, 'n zeer begaafd, zeer geestig en bevallig kind van 'n jaar of twintig, is bij een oude, kwezelachtige tante in huis, Juffrouw Hofland, die zich te goeder trouw bij de zoogenaamde "fijnen" aangesloten hebbend, hun dupe wordt. (Bij dat woord "fijnen" hièr moet ge niet denken aan een zeker soort van vrome menschen, die, ofschoon lastig en onverdraagzaam voor hunne omgeving, toch deugdzaam zijn en hunne godsdienstigheid oprecht meenen, neen, déze "fijnen" zijn integendeel doortrapte huichelaars, die, onder den schijn van streng godsdienstig te zijn, de meest schurkachtige daden bedrijven!) Het arme kind wordt echter zoo door die tante en haar verfoeilijk gezelschap, "Broeder" Benjamin en "Zuster" Slimpslamp, benevens 'n dronken tobbe van 'n dienstmeid, Brecht, genegerd en geplaagd, dat ze met toestemming van haar uitmuntenden voogd, Abraham Blankaart, die haar vaders boezemvriend was, ontvlucht en haar intrek neemt bij een waarlijk verstandige en deugdzame vrouw, de Wed. Buigzaam. Daar wint zij niet alleen de vriendschap van haar hospita en, op één enkele uitzondering na, die van de bij deze inwonende jonge dames, maar zij leert er ook den man kennen, die haar echtgenoot wordt: Hendrik Edeling. Voor zij echter trouwt, is zij door haar sterken zin voor uithuizige vermaken en het argeloos vertrouwen van haar jong, rein hart, bijna het slachtoffer geworden van een adellijken losbol en gewetenloozen meisjesverleider, den heer R.[2]
Ook deze roman is een realistisch werk. En ik geloof het daarom niet te onpas eens even vluchtigjes te onderzoeken in welke verhouding de innerlijkheid van dit werk en de fundamenteele geaardheid zijner auteurs staan tot die van de beide andere, in deze serie[3] reeds behandelde boeken en schrijvers: Hildebrand met zijn De Familie Kegge, Multatuli en zijn Woutertje Pieterse. Zou men aanvankelijk geneigd zijn te beweren, dat Wolff en Deken in hun Hollandsche degelijkheid en de geschiktheid van hun roman "voor den Meridiaan des Huiselijken levens," meer overeenkomst vertoonen met den kalmen aspirant-burger- huisvader Hildebrand, dan met den geweldigen Multatuli, den afbreker, den spotter en de schrik van alle brave huisvaders en afgebakende- levensweggetjes-bewandelenden—men komt al heel spoedig van die meening terug. Zooals Hildebrand wel schijnbaar, en ten deele met Multatuli overeenkomt in het gering achten van eigen kunst en artistieke vermogens—de eerste, zooals wij indertijd gezien hebben, vindt zijn schetsen-schrijven een jeugdspel, dat den rijperen leeftijd niet meer voegt, terwijl de laatste voor niets grooter angst schijnt te hebben, dan om zijn schrijfkunst bewonderd te worden—maar inderdaad in de oorzaken dier geringschatting hemelsbreed van hem verschilt—want ten eerste mag men met grond beweren, dat Multatuli meestentijds niets van dit geringschatten meende, maar ten tweede: dat, ten tijde dat hij 't wèl meende, die meening in hem geboren werd uit zijn ontzaglijk revolutionnair sentiment, terwijl zij bij Hildebrand voortkwam juist uit het tegenovergestelde: het begrip van eigen waardigheid en fatsoen als dienaar van den godsdienst, d.i. van het overgeleverde, het, in zijn oogen, vaststaande en blijvende: een fundamenteel onderscheid dus!—zoo komen, oppervlakkig beschouwd, Betje en Aagje wel met Hildebrand overeen in den eerbied voor een werkelijk godsdienstig leven; in de voorkeur voor het beelden van echt vaderlandsche tooneelen, en zelfs in het verliefd zijn op enkele der door hen geschapen figuren, maar dat alles spruit bij hen uit geheel andere motieven voort dan bij hem. De eerbied voor den werkelijk godsdienstigen en braven mensen maakt zich bij Hildebrand zelden los van de wetenschap, dat ook hij zulk een mensch is, in één woord: hij blijkt soms saamgeweven met eene ergerlijke zelfverheerlijking en zelfverheffing, bij onze Wolff en Deken is daar geen sprake van. Beeldt Hildebrand zich in De Familie Kegge—herinnert ge 't u?—als den onfeilbaar-wijze en den reddenden engel, Betje daarentegen stelt zich-zelf ten toon—ongetwijfeld zich bewust, dat men dit zal begrijpen—als de zeer zeker begaafde, zeer zeker brave en sympathieke, maar niet minder lichtzinnige Saartje Burgerhart, die niet alleen geen anderen redt, maar er rond voor uit komt, dat ze 't alleen God heeft te danken, dat ze niet door een schurk voor haar geheele leven ongelukkig is gemaakt, terwijl Aagje er niets op tegen schijnt te hebben, zich-zelf als de bedilzieke en overijld naar den schijn oordeelende Anna Willis—vriendin van Saartje—te teekenen! En ongetwijfeld: de liefde voor het schetsen van het vaderlandsche milieu is zoowel bij Hildebrand als bij onze schrijfsters zeer sterk, maar welk verschil in omvang en rijkdom hunner menschenwereld! Waardeert men bij Hildebrand een sterk novellistisch talent, in het werk van Wolff en Deken voelt men den adem der groote, heele menschengroepen omvattende epica. En welk een onderscheid ook in de weergave dier wereld! In hoeveel grootere mate dan bij Hildebrand spreken hier de struische Hollanders de stoere Hollandsche taal. Neen, men ziet het: dit is onovertrefbaar: deze menschen kunnen niet anders spreken, dit is het woord, waarin zij-zelf léven, het woord soms hoekig als hun vierkantig gezicht, hun zware lijf, soms rond als hun kaaskop, maar altijd helder-gewasschen als hun grijze en blauwe kijkers....
Ook de verliefdheid op de eigen kunstfiguren is bij Hildebrand iets geheel anders dan bij Betje en Aagje. Bij den eerste wordt zij niet zelden door kleine en uiterlijk-maatschappelijke motie ven beheerscht, bij de laatsten is dit vrijwel nooit het geval: zij zijn op sommige hunner figuren verliefd, omdat die hun de personificaties zijn van zekere kenmerkende en uitstekende eigenschappen van hun eigen ras en volk, of van het edele in 't algemeen. Maar die soort van kruiperigheid jegens de "hoogere" standen, zooals die zich bij Hildebrand uit in de Baron van Nagel- en Freule Constance-beflikflooiïng, is in de Sara Burgerhart al evenmin te vinden als zijn beschermheerachtige neerbuigendheid jegens de "lagere" klassen. Meer wezenlijke overeenkomst vertoonen zij met Multatuli. Betje vooral is een allergeestigste spotvogel en wat 't glazeningooierig-kwajongensachtige en 't geestig-moedwillig op den hak nemen betreft, gaat—intrinsiek—de geest van Bekker dien van Dekker niet zooveel uit den weg. 't Verschil in dit opzicht lijkt grooter dan het is, omdat de eerste tot alles wat zij doet geïnspireerd wordt door haar onuitdoofbaren levenslust en blijmoedige guitigheid, de laatste daarentegen door zijn bitterheid, gekwetst rechtsgevoel, haat en teleurstelling. En is er al een onverevenbaar verschil tusschen Multatuli en de beide vriendinnen op 't stuk van bijbel-geloof en godsdienstigheid, zij geven hem niets in heftigheid toe, als het geldt de huichelaars en valsche vromen te lijf te gaan, en—overtreffen hem daarbij in menschscheppend talent. Want kan men den dronken huisdominee in Woutertje Pieterse, trots al het vernuft—en wellicht juist òm dat vernuft—aan zijn uitbeelding ten koste gelegd, niet anders dan een charge[4] noemen, Broeder Benjamin en Cornelia Slimpslamp, de twee huichelachtige "fijnen" en doortrapte schurken in onzen roman, léven, vòlmáákt, en daarmee is het allerbeste gezegd wat men van een literatuurbeeld zeggen kan. Dit leven, deze menschelijkheid-van-vleesch- en-bloed, zij zijn des te meer opmerkelijk, omdat hier niet maar bloot 'n paar huichelachtige menschen zijn geheeld, máár: personificaties van het allerinnigste wezen der huichelarij en valsche vroomheid. Men denkt geen oogenblik als bij Multatuli's huisdominee: "hoe geestig geschreven" en: "hemeltje lief wat moet ik daarom lachen," maar alleen: "hoe ontzagwekkend gebeeld, wat 'n brok innig doorschouwd leven, hoe waar en hoe echt is dit."
Mijn lezers zullen waarschijnlijk nu al gemerkt hebben, dat ik onze Wolff en Deken grooter artisten acht dan èn Hildebrand èn Multatuli. En zeer zeker: dat is mijn meening. Ik aarzel ook niet te zeggen dat zij een veel juister bewust begrip hadden van het wezen van literaire kunst dan dezen hebben bezeten. De wetten der kunst zijn al evenzeer onwrikbaar en onveranderlijk als die der natuur, en dit spreekt ook van zelf, want al is natuur geen kunst, kunst is m.i. wel degelijk natuur.[5] Het kind dat niets van de wetten der laatste kent, verbrandt zich of valt, of iets dergelijks, en het groote kind, de niet voldoende inzichtsvolle mensen, die de wetten der kunst niet kent, schrijft een slecht boek, of vindt, lezend, een slecht boek mooi en een mooi boek leelijk. Nu meen ik te mogen zeggen, dat voor den scheppenden kunstenaar de intuïtieve kennis dier wetten het ééne noodige is, want als kunstenaar schrijft hij niet zonder "geïnspireerd" te zijn, en zoodra hij dit is, is ook die intuïtieve kennis in hem. Maar indien zulk een scheppend kunstenaar nu meent, dat hij op grond van dat intuïtief vermogen, ook spreken kan over kunst, als hij niet geïnspireerd is, dan vergist hij zich leelijk en dat blijkt zoowel bij Multatuli als bij Hildebrand. Daarvoor moet men voor altijd in zich bewust geworden kennis hebben, kennis dus, waarover men beschikken kan wanneer men wil, welks omvang, en hoofdzakelijken inhoud men-zelf volkomen beheerscht. En het is deze kennis, die Wolff en Deken bóven Hildebrand en Multatuli bezaten, en het gevolg daarvan is, dat als zij een eenvoudig stukje schrijven buiten hun scheppenden arbeid om, waarin zij sommige principes uiteenzetten, door welke zij zich bij het wrochten hunner romans lieten leiden, zij duidelijk blijken wáárheden omtrent kunst te kennen, die niet van hun tijd, en niet van dezen tijd alleen, maar 't spreekt van zelf, van alle tijden zijn! Een paar citaten uit de voorredenen van den eersten en tweeden druk zullen ongetwijfeld voldoende zijn, om dit mijn beweren te bewijzen. Ziehier:
Men heeft in bedenking gegeven, of de twee allerslegtse karakters niet te sterk, te overdreven geschildert zijn; men heeft gevraagt: zijn[6] er zulke menschen; ja, en dat gaat verder, kunnen[6b] er zulke menschen zijn! Wij vonden het niet noodzaaklijk, de eerste vraag duidelijk te beantwoorden, dewijl wij zeker gerechtvaardigt zijn, zoo rasch men begrijpt, dat zij er zijn kunnen[6c]; méér hebben wij in dit opzicht niet te bewijzen....
Wij bekennen ook gaarn, dat alles zeer natuurlijk[6d] afloopt, maar begrijpen met een, dat dit, ten minsten de door ons hoogst-geschatte Lezers, niet kan mishagen. 't Waar ons zeker geen moeite geweest een Roman te verzinnen, zo samengestelt, zo ingewikkelt, zo vol episoden, als de door een verwartste Comedie van eenen Spaanschen Lopes de Vega. Doch wie, in staat om over het stuk in verschil te oordelen zal ontkennen, dat een karakter, eens gegeven zijnde, moet uitgewerkt worden naar vaste en onveranderlijke regels[7a]. Men wil, en dat met reden, dat men het ware waarschijnlijk[7b] make, of men leest zeker niet met zeer veel deelname....
Daar wordt in dit gehele werk geen Duël gevochten. Eens echter wordt er een oorvijg uitgedeelt. Er wordt noch geschaakt, noch vergif gedronken. Ons vernuft heeft niets wonderbaarlijks uitgedagt. Alles blijft in het natuurlijke; de uitvoering zal alles moeten goed maken[7c].
Het zijn geen andere waarheden, zooals de trouwe lezer mijner artikelen wel bemerken zal, dan die ook door de moderne literatoren verkondigd worden. En ofschoon het begrijpen van het ware in alle tijden geschieden kan en we dus dwaas en kinderachtig zouden doen met ons erover te verwonderen, dat "reeds" Wolff en Deken dit alles zoo duidelijk voor den geest stond—hunne beteekenis en de eerbied, die wij hebben voor hunne persoonlijkheid en wijsheid, winnen er ontzaglijk door.—
Ook het genre: de roman-in-brieven is een geheel ander, dan wij tot nu toe in deze kolommen hebben behandeld en dus wel een oogenblik bekijkens en besprekens waard. En als we dat zoo doen, dan blijkt ons toch wel, dat het gevleugeld woord: "alle genres, behalve het vervelende zijn goed" meer geestig dan waar is. Hoe uitmuntende en bewondering afdwingende resultaten onze schrijfsters, en waarlijk niet zij alleen, er ook mee bereikt hebben, er is en er blijft een zekere onnatuur aan verbonden èn het levert moeilijkheden op—althans in een werk van langen adem, waar allerlei soorten van situaties kunnen voorkomen—die het grootste epische en dramatische talent niet dan door kunstgreepjes overwinnen kan. Ten eerste schijnen alle in zulk 'n roman optredende personages min of meer aan schrijfwoede te lijden, en dit maakt al 'n vrij onnatuurlijken indruk, zij 't dan ook dat de roman, als in dit geval, "speelt" en dus de correspondentie plaats vindt in 'n tijd, dat brieven-schrijven als 'n prettige en "fashionable" bezigheid werd beschouwd en de welopgevoede heeren en dames er een eer in stelden, het goed te doen. Toch, dit feit kan als niet meer dan een "verzachtende omstandigheid" worden aangemerkt, en zelfs die verzachtende omstandigheid valt weg in een geval als dat van Hendrik Edeling, die, wanneer Saartje, die hij zoo zielslief heeft, door den verleider R. is meegetroond, en hij verteerd wordt van wanhoop, jalousie en ontzetting, een brief gaat zitten schrijven aan zijn broer over het geval! Waarlijk, men moet zonderling in elkaar zitten, om in zulke oogenblikken, zóó vol van afgrijzen en wanhoop, het vreeselijke te gaan zitten uitpluizen in een brief, terwijl het schrijven daarvan toch geenerlei gunstige wending in de zaak zal kunnen brengen en dus niet uit een energisch willen ingrijpen kan worden verklaard.
Onnatuur is 't ook, dat al die lieden, op 'n enkele uitzondering na, zulk een welversneden pen hebben. Ja zeker, wij merken, al lezend, op, dat hoe minder ontwikkeld zij zijn, hoe meer zij schrijven precies zooals zij spreken. Maar juist dit is onnatuur, want de ervaring leert, dat hoe onontwikkelder een mensch, hoe eerder hij geneigd is, wanneer hij schrijft, zich in "boekentaal" en "hoogdravend" uit te drukken! Te schrijven, zooals men spreekt, is inderdaad voor iemand, die geen bijzonderen aanleg heeft, zéér moeilijk. En dit moet men in het oog houden: het is onnatuur, die onafscheidelijk aan het genre is verbonden: de romancier, die in dat genre werkt, kan er niet buiten. Want liet hij de menschen niet schrijven zooals ze spreken, dan zouden we zelden of nooit de gebeelde figuur als echt kunnen voelen en dóórvoelen, tenzij zij in een brief aan een andere figuur sprekend wordt opgevoerd, 't geen natuurlijk niet altijd kan en wanneer het kan, ons meestal, weer op 'n andere wijs, op 't onnatuurlijke van het genre opmerkzaam maakt. Want, om een ander, waarlijk levend, in 'n brief te beelden, om diens dialoog waarlijk levend te doen zijn, moet noodzakelijkerwijs de briefschrijver kunstenaar zijn! Is de briefschrijver ons echter niet als zoodanig voorgesteld en bereikt hij dat alles toch in zijn brief, dan vinden we zijn figuur onecht, dan is deze niet meer dan een marionet, die door den romanschrijver in beweging wordt gezet. Bereikt de briefschrijver dat alles echter niet, dan vinden wij zijn figuur wèl echt, maar welke schade lijden we niet doordat we den levenden dialoog van de in zijn brieven ten tooneele gevoerde personen en dier levensechte, plastisch-goede uitbeelding moeten missen!—En ook z'n onafscheidelijke en onvermijdbare moeilijkheden heeft het genre: wanneer er een of ander gewichtig voorval plaats vindt, waarbij het door de compositie van den roman noodzakelijk wordt alle met elkaar in correspondentie zijnde hoofdpersonen aanwezig te doen zijn, dan blijft er niemand over, aan wien een brief geschreven kan worden, die over dat voorval handelt! En die brief moet toch geschreven, anders komt de lezer van den roman het voorval niet aan de weet! Zulk een moeilijkheid moet dus overwonnen worden en zij wordt het dan ook, maar—door een kunstgreep. Als Hendrik Edeling ten slotte met zijn aangebeden Saartje trouwt, dan laten onze schrijfsters de aanstaande schoonmoeder van Cornelis Edeling ziek worden, opdat haar dochter niet op de bruiloft zal kunnen zijn en dus die 'r aanstaande de gelegenheid zal hebben, haar een brief te schrijven, waarin hij over de bruiloft verslag uitbrengt!
Maar nu basta! We hebben genoeg getheoretiseerd. Mijn aangebrande soep, mijn belegen grutterswaar, mijn blauwige aardappels zijn op; nu komen de sappige vruchten van het werk zelf!—
In den nu hier volgenden brief door Sara Burgerhart geschreven aan Aletta Brunier, een schoolvriendin, die zij weer eens toevallig ontmoet heeft en op wier raad zij weldra bij de Wed. Buigzaam in huis zal gaan, vertelt zij iets van haar leven bij haar lief tantetje Hofland. Het is een buitengewoon geestig en guitig stukje. En ge leert er niet alleen de drie fijnen en het schattige Brechtje—je weet wel die dronken tobbe—in kennen, maar ook de schrijfster-zelve: onze Saartje. En als ge nu na het lezen den indruk krijgt: ja maar die Saartje moet dan toch iets van een kunstenaar in zich hebben, om zóó te kunnen schrijven, dan zult ge in dit geval niet bedrogen uitkomen. Saartje's figuur is allervoortreffelijkst gecomponeerd en alles wat zij doet, schrijft of zegt, vloeit volmaakt-zuiver uit haar eens gegeven persoonlijkheid voort. Men kan zonder bezwaar haar als een zeer begaafde beschouwen.
Ziehier den brief:
Douce et tendre Amie![8]
Je suis enragé[9] op het oud wijf,—op mijne tante; ik wil geen week langer blijven; 't is of ik in de hel woon. Mijn tante heeft zeer veel van zijn Satansche Majesteits karakter; en Brecht verdient wel een schoonen dienst in zijn onderaardsch rijk.... Ja! bons wat aan; ik zal niet antwoorden, ik zal ook niet open doen. Sus! daar hompelt zij, al grommende, den trap weer af. Goeie reis naar beneden! Ik moet, ma chère,[10] u eens een scène teekenen, die u niet zal uit de hand vallen.
Woensdagvoormiddag raasde zij als een bezetene, omdat ik eenige nieuwe aria's speelde (Dat's een wijf ook?). Zij werd geholpen door haar hottentot van een meid, die mij dorst zeggen, dat zij ook danig ontsticht was.
Dit trekje is goud waard! Men ziet het gemeene vrouwmensch, die, zoolang haar meesteres rijk is, haar naar den mond praat en haar later, als ze arm is geworden, brutaliseert en in den steek laat, hier met schijnheilig gezicht meepraten van dat ze "ontsticht" is. Zij, die natuurlijk te dom, te ongevoelig en te beestachtig is, om hetzij gesticht of ontsticht door muziek of door wat ook, te kunnen worden. 't Is van een buitengemeen komische kracht!—Heb jelui ook wel opgelet wat een uitstekend beeldend woord dat "hompelen" is?
Mét wordt er gebeld. Brecht, die volmaakt een zog van een bollebuisjeswijf[11] gelijkt, waggelde naar voor, en tante gaf mij een verbruide[12] oorveeg, omdat ik bleef spelen. "Juffrouw, daar is Sinjeur Benjamin." "Wel hede, laat broeder maar achter komen." Daar kwam broeder, een luie zuipzak van een kerel, in een paarschen japon;[13] (men zou wel zeggen, wie of zoo een verloopen slagersknecht, toch een japon heeft leeren dragen.) "Welkom, broertje, wel hoe is het nu nog al met je?"
—"'t Gaat nog al; maar men hoofd, men hoofd!"
—"Wel dat is droevig, maar je vergt je ook wat veel."—"Ja, 't is mijn ambtsbezigheid; en hoe vaart zuster? Je schijnt wel wat onthutst."—"Ja, dat ben ik ook, 't is niet altijd het effen wegje, broertje." (Tegen Brecht): "Ei meid, is er niet wat? dan zou broeder hier maar familiaar blijven." (Tegen mij): "Toe lieve Saartje" (was dat uit te staan, lieve Saartje, en mijn wang gloeide nog van den slag) "bak jij nou eris schielijkjes wat dunne pannekoekjes, broeder lust ze zoo graag."
Dit stuk dialoog is alleruitmuntendst! Het is zóó voortreffelijk, dat men de woorden lezend, ook onmiddellijk de gebaren der sprekers, hun lichaamshouding, hun gelaatsuitdrukking erbij ziet en men dus de hier ontbrekende plastische uitbeelding van dit alles door de auteurs, heelemaal niet mist. Voelt ge het quasi-zachtmoedige, wee-zoetsappige van al die verkleinwoordjes: "broertje," "wegje," "schielijkjes." Je ziet daardoor de "peulemondjes," de zalvend-vromig half neergeslagen oogleden, het dierbaar-goedige glimlachje!
Ik sloot mijn clavier en zei: 't is wel, tante. Ik ging naar de keuken en bakte helder[14] door; maar-ik-at-die-al-bakkende-zelve-op.
Die in den bouw van dit zinsdeel wel wat vreemd uitziende verbindingsstreepjes, hebben, naar ik vermoed, ten doel nadrukkelijk aan te geven, dat de beide handelingen van bakken en opeten, zoo haastig, en als 't ware ongescheiden, verricht werden, dat ze tot één handeling werden. Deze streepjes beoogen en bewerken dus een zuiver artistiek effect: 't duidelijker aan den lezer voor oogen stellen van wat er gebeurt, 't geen hier inderdaad het guitige en lachwekkende zeer verhoogt. En in zooverre is deze plaats dus als een voorloopster te beschouwen van het gebruik van verbindingsstreepjes in de moderne literatuur, waar het ook vaak dient ter versterking of fijne nuanceering van gevoelsverwoording, plastische uitbeelding, enz.—
Dat is de eerste trek, dien ik haar speelde, hoe zelden ik mijn genoegen krijg.
Ik moet hier alles doen, want Brecht is een lomp schepsel en snuift sterk. Toen ging ik, terwijl Brecht in huis klungelde, de tafel dekken. Brecht eet met ons, want het is zuster[15] Brechtje, moet je weten, Letje. Tartuffe[16] zou een goed woord spreken, maar de vent bad (zoo noemen zij dat gehuilebalk) wel een kwartier lang. Hetgeen hij jankte, geleek veel meer naar het morrend gegnor van ondankbaar vee, dan naar de zuchten van een bewogen hart, 'tgeen zijnen God looft.
Ik kreeg, à l'ordinaire[17] eten op mijn bord. Twee schepjes groente met een flenter vleesch van daags te voren. Ik spelde mijn servet voor: "als ik gelijk een kind eten krijg, moet ik ook zien, dat ik mij niet bemors." "Och, of gij een kind waart!" zei de smulpaap, die onderwijl met zijn duim en vinger de boter van de robe de chambre eener cotelette aflikte. "Dat zou heuchelijk zijn!" zei tante. "Ja wel heuchelijk!" zei zuster Bregitta.[18] Toen kreeg ik nog wat bijeengeschraapte spinasi en een stuk cotelet. Zuster Santje[19] en broeder namen onderwijl eens in. Ik krijg nooit wijn; tante zegt, dat het niet goed is voor mij, en dat kan wel zijn, want ik ben jong en gezond. "Kom, Saartje, neem nou maar af; Brechtje is wat vermoeid; de sloof wordt oud." Ik deed zoo; zette het dessertje op. "Waar bennen de flensjes, Saartje?"—"Die bennen in mijn maag, tante." Snap, mijn servet neergegooid (bij ongeluk tegen broeders palmhouten[20] pruik) en het onweer op mijn kamer ontweken. Gij weet ik ben tamelijk vlug, dat mij toen te pas kwam. Knap de deur op slot. 's Avonds kwam de hottentot met een stuk brood en een glas zuur bier, er bij voegende: "dat ik het nooit kon verantwoorden, zooals ik een vroom mensch evel plaagde." —"Scheer je van mijn kamer," zei ik, en duwde haar de deur uit. Het brood (het was goed op de flensjes) at ik op. Het bier gooide ik weg, en dronk eens uit mijne caraffe: ging vroeg naar bed en sliep als een roos. Daar aanstonds kreeg ik een boterham, met een kom tee, dat wel omspoelsel lijkt. Tante gaat uit, en wil mij voor hare oogen niet zien. Zoo zitten nu de zaken. Mogelijk geef ik u dezen wel in eigen handen, mogelijk niet: 'k weet niet, hoe 't zal uitkomen. Vast kom ik; de brief van de goede weduwe heeft mij in mijn voornemen gesterkt. Ik zou al bij u geweest zijn[21], maar ik wacht op een brief; die brief komt niet[22]. Ik zal, voor ik dit huis verlaat, aan haar, die ik bedoel, nog eens schrijven ... doch dat kan ik bij u even goed doen.
Ja, lieve meid, gij hebt wel kostelijk gelijk! Men moet maar wèl doen en vroolijk leven. He wat? op die fijnen is toch geen staat te maken; echter zijn er (of jij 't niet geloofde) zulke vrome zielen onder, die, waren de hoofden dezer brave menschen zoo goed georganiseerd als hunne harten, wel zuiver en godsdienstig zijn ... enfin, kort gezeid, Letje, Salomon, de wijze koning, is mijn man: men moet het goede genieten van zijn leven ende van zijn arbeid;—maar daarmede is dat maar uit, en afgedaan....
Heeft men in het eerste deel van dezen brief Saartje leeren kennen als een guit en 'n katje, dat niet zonder handschoenen is aan te pakken, dit laatste deel toont haar ons niet alleen als het gezond-levenslustige, maar ook het brave en gewetensvolle kind, dat de menschen, van wie zij niet houdt, toch niet ongunstiger wil voorstellen dan zij hen werkelijk gelooft te zijn. Voor dezen keer nu nog even 'n stukje uit den brief van Saartje aan haar voogd, Abraham Blankaart, waarin zij hem-heel openhartig meldt, dat zij ontvlucht is:
Gistermiddag ging tante uit eten. Ik kleedde mij aan, stak wat linnen bij mij, ook mijne juweelen, die ik van u gekregen heb vóór gij naar Frankrijk ging, doch die ik nooit heb aan gehad, met een weinig gelds (want zij geeft mij niets,—geen duit). Brecht had de stoutheid mij te vragen: "waar ga jij heen?"—"Dat raakt jou niet."—"Dan zal je ook thuis blijven."—"Heb jij 't hart en belet mij dat eens." Ik kan wel boos worden, maar niet kijven; en ziende dat Brecht haar talent te werk stelde, bedacht ik mij: "Brecht," zei ik, "heeft tante je die orders gegeven, dan moet ik haar de reden vragen als zij thuis komt; wat zullen wij eten!"—"Kliekjes," zei zij.—"Goed ik heb honger, maar wij zullen tantes gezondheid eens drinken; toe meid, haal eens een flesch wijn, jij hebt zeker den sleutel."—Ik doe niet, juffrouw Saartje (nu 'k van putten[23] sprak, kreeg ik aanstonds dezen titel!") "Jij jokt, Brecht; als tante er van spreekt, zal ik haar den wijn betalen."—"Je tante heeft altoos den sleutel; maar als de juffrouw mij niet beklappen zou, ik kan er toch wel bij."—"Ik je beklappen! wel, dan moest ik wel gek zijn; krijg maar, toe, schielijk." Zij ging. Ik had al lang gemerkt, dat zuster Brechtje aan de fep was;[24] ik tastte haar dus van de zwakke zijde aan. Doch pasjes was zij in den kelder, of ik, flink de deur in slot, en de grendels erop. Toen ging ik het huis uit, en haalde de huisdeur achter mij toe. Hoe het verder met de zuster gegaan is, weet ik niet....
Allerbest en toch zoo eenvoudig verteld, hé; in dien laatsten zet van: "met de zuster", nog even een echtSaraBurgerhartsche guitige spotternij! Voor dezen keer stop ik en al geloof ik wel, dat na wat ik jelui nu van het werk heb laten zien, je al heel verlangend zult zijn het te lezen, ik ben mij bewust, je toch nog maar een tè klein deeltje van zijn groote schoonheid in karakter-uitbeelding, taalrijkdom, wijsheid en naïeve bekoorlijkheid te hebben getoond, dan dat ik mij daarop met volslagen zekerheid—ik ken immers mijn Pappenheimers—zou mogen verlaten. In het volgende hoofdstuk dus zullen wij enkele der figuren; met wie jelui nu reeds kennis hebt gemaakt, wat nader bekijken en eenige nieuwe aan jelui voorstellen, daarna.... Maar waarom zou ik zoo dwaas zijn om alles bij voorbaat uit de school te klappen!