HISTORIE VAN MEJUFFROUW SARA BURGERHART, DOOR E. WOLFF-BEKKER EN A. DEKEN
Reading edition
II
Van de bedaagde personen, die in onzen roman voorkomen, vind ik het uitstekendst getypeerd Jan Edeling, den grimmige maar goedhartigen vader van Hendrik Edeling, met wien Saartje trouwt. Jan is het type van den patriarchalen huistyran. Zijn zoon zou 't in den kop krijgen een huwelijk te doen naar eigen zin?! Het meisje trouwen op wie hij verliefd is? Geen denken aan! Aan den vader hoort de beslissing. Wat weerga, ze zijn niet van een geloof. Hij, Jan Edeling, de afstammeling van den vriend van Martin Luther, hij, die nog den inktkoker in z'n bezit heeft, dien Luther "bij zekere gelegenheid den duivel naar den kop smeet, toen die 't al te grof maakte," zou een "arke Noachs" van zijn huis maken. Het mocht wat! Neen, daar komt niks van in! Toch wordt de man getemd door—Abraham Blankaart. Deze is door de schrijfsters met alle mogelijke deugden toegerust: een klaar verstand, een gevoelig hart, en een soort van weldadigheid, die, snoevend en blufferig als ze mag zijn, niettemin weldadigheid, ik zal niet zeggen: in den besten zin des woords, maar dan toch in heel goeden zin is. De verliefdheid der schrijfsters op deze figuur heeft hen, als ware 't op het beslissende oogenblik, verhinderd haar van even groote uitbeeldingsvoortreffelijkheid als die van den ouden Jan Edeling te doen zijn. En dit niet zoozeer, als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel van den roman. Dit laatste ziet er eenigszins raar en moeilijk uit. En ik weet op het oogenblik geen beter middel, 't heel gewoon en klaar voor u te maken, dan u mijn eigen gedachtengang daaromtrent bloot te leggen. Wij moeten, om te beginnen, wel onderscheiden, wàt eigenlijk in de Blankaart-figuur onzen wrevel opwekt en waarom wij na de keuring harer groote waarde een vleugje onvoldaanheid in ons merken. Is het niet in de allereerste plaats, vroeg ik mijzelf af, 's mans voortdurend uitweiden over eigen voortreffelijkheid, gulheid en verstandelijk inzicht, gemengd met quasi-bescheidenheidsvertoon? Maar neen, dat kan ons kunstgenot toch niet bederven. Integendeel: hoe meer ons al die hebbelijkheden naast zijn groote deugden duidelijk worden, hoe inniger we toch van die voortreffelijke uitbeelding, die ons dat alles zoo hel-duidelijk voor oogen stelt, zouden moeten genieten, want juist immers het wegdoezelen der ondeugden in een roman-figuur en het partijdig uitsluitend-uitbeelden harer goede eigenschappen doet haar levenswaarheid te loor gaan. Het moet dus iets anders zijn. En ziehier: ik geloof, dat ik er ben. Wij merken duidelijk, dat de schrijfsters geen oog hebben voor 's mans quasi-bescheidenheid en snoeverij. Of anders gezegd: wij merken, dat zij voortdurend een eenigszins anderen Blankaart innerlijk zien, dan dien zij uitgebeeld hebben. En daaruit volgt, dat het hun niet geheel gelukt is, de in hen levende voorstelling der figuur zoo te verwoorden, dat zij, precies zooals zij is, ook in den lezersgeest te leven komt. Zoodra we dit merken, krijgen we 't gevoel, dat er iets niet-geslaagds is. En dàt is het alsemdeeltje in het zoet van ons kunstgenot! Maar nu: hoe merken wij, dat zij een andere voorstelling van de Blankaart-figuur hadden, dan die ze ons gegeven hebben? Wij zien dat aan het feit, dat al de andere, in den roman optredende menschen, ook die, welke klaarblijkelijk der schrijfsters achting hebben, die door hen voor verstandig, deugdzaam en gevoelvol worden gehouden, niets van Blankaart's valsche bescheidenheid, z'n parvenuachtig gepoch, z'n eeuwigdurend rammelen-met-de-centen merken. Want hadden de schrijfsters deze hebbelijkheid niet over het hoofd gezien, hadden zij den in hun geest aanwezigen Blankaart niet daarzonder gezien, zij zouden toch wel de een of andere hunner daarvoor geschikte romanfiguren, eene afkeuring daarvan, eene opmerking, ja zij 't slechts eene onschuldige scherts erover in den mond gelegd hebben. Het is waar, dat soms in het boek gesproken wordt van 's mans "wonderlijkheden." Maar hiermede schijnen meer zijn ondeftige en origineele uitvallen, dan wel die bepaald stuitende eigenschappen zijner overigens in-goeiïge persoonlijkheid te worden bedoeld. En het is dan ook op die al te hooge plaats, die Blankaart in de waardeering zijner mede-romanmenschen inneemt, dat ik doelde, toen ik zooeven zei, dat hij niet zoozeer als figuur op zichzelf beschouwd, maar als deel van het organisch geheel van den roman niet volkomen gaaf gebeeld is. Want als men Blankaart afzonderlijk bekijkt, als men hem neemt, zooals hij nu eenmaal ten voeten uit in eigen brieven staat en men dus niet ziet naar den Blankaart, zooals die in de verbeelding der overige verstandige en menschkundige romanmenschen leeft en door de schrijfsters geconcipieerd werd; indien men dus niet het hinderlijk verschil tusschen conceptie en uitvoering gewaar wordt, dàn is de figuur uitstekend geslaagd, uitstekend volgehouden. Men ziet dan: een goedhartigen kerel, maar ook een snoever en een ijdeltuit, die weldoet, zeer zeker deels om 't weldoen zelf, maar ook in zeer groote mate, om den dank ervoor te oogsten, zich te koesteren in de bewondering en de genegenheid der menschen en, in één woord, overal op de handen gedragen te worden. In stilte wel te doen is hem vrijwel onmogelijk. Hij mòet ermee te koop loopen. Is de door hem beweldadigde persoon in zijn oogen te gering en ligt hem aan háár dank en háár erkenning, dat hij zoo'n buitengewoon goed man is, niet veel gelegen, dan moet hij gauw de weldaad overbrieven—hier in letterlijken zin—aan een ander, terwijl hij dan sluwtjes-bijdehand een voorwendsel in zijn verhaal laat sluipen, dat de ware reden, waarom hij 't eruit flapt, verbergen moet. Een min of meer kluchtig, hem prachtig karakteriseerend voorbeeld daarvan is het volgende: Als de "fijnen" met tante Hofland's geld er van door zijn—waarover later meer—en zij haar nood heeft geklaagd aan de door haar zoo slecht behandelde nicht Saartje, verzoekt deze haar voogd Blankaart, tante eens te gaan bezoeken, om te zien of hij 'r helpen kan. Blankaart doet dit natuurlijk, is verrukt over de vergevingsgezindheid zijner pupil en schrijft aan de Wed. Willis o.m. het volgende over tante Hofland:
't Is een malle kwezel, en zoo gierig als het graf; maar zij kan zich nog bekeeren, en ik zal haar ook al maar helpen; zij zal in haar ouden dag geen gebrek hebben, noch in fatsoen verminderen. Haar lekkere tand zal nog niet eens uit moeten; want Abraham Blankaart lust ook wel iets, dat goed smaakt. Zoodat ik maar zeggen wil, dat ik niet kan begrijpen hoe of 't Christelijk of mogelijk is, dat mijn kleuter zoo pront haar geloof verstaat. Zij vergeeft hare tante alles van harte, wil haar helpen, haar bezoeken.
In den eersten door mij gecursiveerden zin, wil Blankaart laten voelen: "Och ik help er toch al zooveel, diè kan er ook nog wel bij; zeg nou 's, dat ik niet royaal ben!" In den tweeden wil hij 't laten voorkomen, alsof hij 't alleen maar vertelt, om Saartjes braafheid te doen bewonderen.
Kan men echter nog van het vorige aangehaalde stukje, met heel veel goeden wil, zeggen, dat hij zich laat verleiden, daarin van zijn weldaden te spreken, omdat hij der geadresseerde een huwelijksaanzoek doet en zich dus vooral van zijn gunstigste zijde wil doen kennen, het volgende is een àllerzuiverst voorbeeld van z'n quasi bescheiden op eigen goedheid pochen:
Zie, men moet de jongelui, als zij wel doen, ook wel doen; en ik ben Goddank, geen vrekkige jakhals van een kerel. Ik zeg altijd: "Abraham Blankaart, God heeft U zoo gezegend, je hebt kind noch kraai; hoewel ik weet niet of dat zoo blijven zal; een mensch heeft graag een eigen weerspraak. Kind noch kraai, wel deel mee, mijn vriend; maak dat niemand op u ziet, als een hond op een zieke koe; dat niemand wel eens wou zien, of jij ook een mooie doode zijn zoudt. 't Moet hier toch allemaal blijven, en als jij brave lui op de proppen helpt, dan doe je als een hupsch Christenmensch betaamt." Nu dat overgeslagen.
Het eerste zinnetje is door mij gecursiveerd, om er uwe aandacht op te vestigen, dat dit een van die kernachtige echt-Hollandsche uitdrukkingen is, waarvan het werk van Wolff en Deken wemelt en die zij, uitstekende romancières als ze zijn, altijd den juisten persoon bij de meest geschikte gelegenheid in den mond weten te leggen. Met den tweeden zin komen wij echter weer op ons eigenlijk chapitre terug, 't Is werkelijk valsche bescheidenheid van de naarste soort, nadat men eerst de voortreffelijkheid van eigen denk- en handelwijze in het licht heeft gesteld, daaraan toe te voegen: "Nu dat overgeslagen." Jawel denken we, maar je hebt 't tenminste maar gezegd!
Ik sprak u zooeven van zijn gezond verstand. Ik had er moeten bijvoegen, dat hij het type van een gewiksten kerel is en zich in een benijdenswaardige mate van gevatheid en diplomatisch beleid mag verheugen. Ziehier een sterk staaltje ervan (de oude Jan Edeling heeft hem geschreven, dat hij niet van zins is, tot het huwelijk tusschen zijn zoon en Saartje zijn toestemming te geven. Hij hoopt dat Blankaart het met hem eens zal zijn, dat twee menschen van verschillende kerkelijke gezindte niet met elkander moeten trouwen. Maar Blankaart's antwoord valt hem koel op de maag. Let op: het is een stukje vol schitterend beleid):
Ziedaar, ik heb het altoos zoo druk en volhandig gehad, dat het trouwen er is ingetrokken; maar, selderdemostert, was ik vader over een half dozijn jongens en meisjes, dan zou ik mijn geluk niet kunnen overzien, als ik daar zoo al die kabouters hoorde snappen en rabbelen. Of Abraham Blankaart ook meê zou doen. En als zij dan zooverre heen waren, dat zij op 't geen ik zeide aanmerkingen konden maken, en het hunne voor hunne kleine zaakjes wisten in te brengen, wel, dan zou ik God hartelijk danken, omdat ik zulke snelle kinderen had, zooals billijk is. Begrepen zij in 't vervolg eens iets beter dan ik, bestig, zou ik zeggen, en doen het zoo.
Daar heb je nu mijn Saartje, wil ik spreken. Wel de kleuter weet wel meer van de wereld en van de Schrift dan ik, en ik ben dertig jaar ouder. Vóór ik naar Frankrijk ging, zei ik: kind, lees je jou gebed 's avonds stipt uit Mell?[25] "Mijnheer," zei ze, "ik bid uit mijn eigen hart; ik weet immers beter, wat ik nu noodig heb, dan Mell voor vijftig jaar dat raden kon?" Wat denkt gij dat ik toen zei? je zult, bij dit en dat, jouw gebed uit Mell lezen, omdat ik het doe? Mis mannetje! ik zei, dat 's waar, je hebt groot gelijk; en anders zou zij denken dat ik haar vijand en niet haar welmeenendste vriend was. Hoor, Jan Edeling, gij hebt nu veel meer verstand dan ik, doch daar heb je mis in. 't Is op mijn woord, jij hebt mis.
God de Heer geeft ons, zijne kinderen, wel reden van zijne bevelen: "doe dat, opdat het u welga," staat er dat niet in den Bijbel? En zullen wij nu zoo misselijk en zoo boos zijn, dat wij onze kinderen, in plaats van brood, slangen en schorpioenen in den mond proppen? Had, bij gelijkenis, Luthers vader eens gaan zeggen: "Luther, ik versta niet, dat je Luthersch wordt, jij zult paapsch blijven, want wij zijn van 't begin van de wereld af allemaal paapsch geweest; en zoo jij 't in den kop krijgt om van ons oud geloof af te gaan, zullen wij eens wat anders bij de hand vatten." En was Luthers vader evenwel zoowel de vader van Luther niet, als Jan Edeling vader is van zijnen zoon Hendrik; en waar was dan je heele geloof gebleven?
Enzoovoort, enzoovoort. Het is van a tot z, één behendig den tegenstander in z'n zwakste zij aanpakken. Hij begint, door er een tafreeltje van op te hangen, hoe gelukkig hij zou zijn geweest, indien hij "vader over een half dozijn jongens en meisjes ware," met in Edeling de gedachte wakker te roepen: "Ja, zoo'n troep kaboutertjes om je heen, dat is inderdaad heerlijk, daar heeft die Blankaart wel gelijk mee, hoe 'n geluk zou 't zijn, als nu op m'n ouden dag, zoo'n troep lieve kleinkinderen aan m'n knieën kwam spelen.... Handel ik eigenlijk niet heel dwaas en zelfs slecht met mij langer tegen Hendrik's huwelijk te verzetten?..."—Na dit gedaan te hebben, verwijt hij Edeling bedektelijk, dat deze nimmer zijn kinderen "voor hun eigen kleine zaakjes" iets in 't midden liet brengen, noch, klaarblijkelijk, ooit God voor zijn "snelle kinderen" had gedankt en evenmin, ook al wist hij dat zijn kinderen iets beter inzagen dan hij, ooit naar hun inzicht heeft gehandeld. Door aldus in Edeling's geest eerst de voorstelling wakker te roepen van een gelukkige toekomst en daarna de herinnering aan een verleden, waarin zijn onbuigzaamheid en hardheid z'n vrouw en kinderen hebben verhinderd zoo gelukkig te zijn en man en vader zoo lief te hebben als bij toegevendheid en zachtheid van diens kant het geval ware geweest, geeft Blankaart hem de waarschuwing: zie toe Edeling, hoe je ten deele het verleden bedorven hebt en pas op, dat je door je dwaze trots en eigengerechtigdheid ook de toekomst niet bederft.—En wel wetend, dat een bitter drankje makkelijker te slikken is, als het met suiker wordt vermengd, vlecht hij er dat vleiende zinnetje tusschen, waarin hij zegt, dat Edeling meer verstand heeft dan hij. 't Spreekt van zelf, dat Blankaart daar niets van meent. Niet alleen, dat hij werkelijk véél meer verstand dan de ander heeft, maar had hij 't niet, dan ware juist hij de man, om er vast van overtuigd te zijn, dat hij 't wel heeft.—Het door mij gecursiveerde gedeelte van het citaat echter spant de kroon. Behendig pakt hij onmiddellijk het zekerste middel aan, waarmee een eerlijk-godsdienstig mensch—en dat is Jan Edeling—klein te krijgen is: een bijbel-tekst, die met gevoelen, gedachte of handeling van dien mensch in strijd is. En ten slotte toont hij, door de prachtig gevonden vergelijking met Luther en Luther's vader, den ouden Edeling—langs den eenigen weg waarop een gedachte dien harden kop kan binnengaan —hoe nadeelig het kan zijn, indien een vader zich maar altijd tegen den wensch van zijn zoon verzetten zou. Ongetwijfeld hebben hier en daar Blankaart's argumenten iets kinderlijks en naïefs en meesmuilen we bij de gedachte, hoe een beter onderlegd tegenstander dan Jan Edeling ze tusschen zijn vingers zou fijnwrijven. Maar, ziet ge—en hieraan merkt ge duidelijk, waarin de voortreffelijkheid van een menschbeelding eigenlijk bestaat!—juist omdat zijn argumenten zóó zijn als ze zijn, is dat stukje zoo uitstekend. Het moeten argumenten zijn van, om 't eens aldus zeggen: een amateurdenken, van een rijkgeworden koopman, die genoeg natuurlijken aanleg heeft, om aardige greepjes in dit of dat vak van het hoogere geestesleven te doen. Gaf hij argumenten van een veel hoogere soort, dan juist zou die passage zóó slecht zijn, dat ze niet leesbaar ware, omdat: een man als Blankaart dergelijke argumenten niet geven kan.—
Maar op z'n best, in zijn "bulderbastige" geestigheid en als de wielen van een locomotief donder-rollende rondheid, is hij in zijn antwoord op een brief van tante Hofland, waarin deze op háár manier hem Saartje's vlucht uit 'r huis vertelt; onder veel vroom gewauwel en zalverig gescheld ten slotte op de centenquaestie uitdraait en, op grond van het feit, dat Saartje uit eigen beweging haar huis verlaten heeft, het volle geld eischt, wat zij tot dan als kostgeld heeft genoten, tot Saartje trouwt of vijfentwintig jaar wordt. Uit dat antwoord van Blankaart laat ik hier nu eenige gedeelten volgen:
Mejuffrouw!
Wel zeit het Hollandsche spreekwoord: "hoe later op den dag, hoe schooner volk."[26] Maar wat heb ik met uw gelol en uw heiligen Sukkelaar[27] te doen? Wat geef ik om uw broer Benjamin? Weet gij wat, juffrouw Hofland, uw heele oude voddenwinkel van kwezelarij raakt mij niets, geen oogvol. Houdt uw brieven maar thuis, ik weet alles in 't lang en in 't breed. Het kind heeft deugdelijk gedaan. Zij moet meer gedulds hebben dan ik, anders had zij zoo lang niet eens bij u gebleven, dat 's maar uit. Ware ik in Amsterdam geweest, ik zou haar zelf uit uwe klauwen gehaald hebben en in mijn huis gebracht; al hadt gij en uw volk mij braaf gelasterd, dat scheelt mij weinig. Hoe, wat hamer! denkt gij, dat ik niet weet, hoe jij haar gedaan hebt, en dat jij haar als eene zottin door de godgansche stad hebt laten loopen in ouwe konkelige kleeren, en dat voor een meisje, die geld heeft en altoos proper gekleed plach te zijn, iets dat ik ook bijster graag zien mag. Wat wil je nu daarvan hebben, he? Je meugt waarachtig nog wel spreken van omslag! Wat heeft Saartje bij je gehad? overgeschoten klieken, en niet half haar bekomst. Weet je wat? Jij hebt het geld van eene wees met uwe smulbroers en fekelkousen verteerd, en het meisje nog gebruikt om dat gespuis op te passen, dat heb je. Je meid is een dronken todde, hoor! Zij komt er genadig af. Laat zij nooit onder mijne oogen komen, want ik ben wat poestig,[28] ik mag geen onrecht zien, dat om de hagel niet; er zullen konkels[29] zwaaien.
Wel leg je ook te wauwelen over afgodisch Frankrijk; en van menschen, die het teeken des beestes aan hunne voorhoofden dragen? Ik weet niet veel van die nieuwe snofjes en modes, noch hoe die duivelderage hiet, die de dames nu alweer opzetten; doch jij weet er ook niet veel van. Maar zoo zijt gij allemaal: dat gonst en dat bromt over zottigheden, en wezenlijke zaken laat men zooals zij zijn. Jij slacht de dominees, die, als zij hunnen studeertijd verkwanseld[30] hebben, zulk tuig op den preekstoel brengen, daar het te pas komt als een oliekoek in een treurspel. En wat bruit het mij, al droegen de Franschjes het zeven-gesternte op hun hoofd? Ik ben een oud Hollander, die hier niet kom om zulke grillen, maar om mijne affaire te doen, en bemoei mij niet met het teeken des beestes, of waar zij dat opplakken; doe ook zoo, en je zult wèl doen.[31]
Wel, ik denk, dat ik zoowel in den Bijbel lees als jij, maar wie duivel heeft daar ooit van heilige sukkelaars gelezen? Broer Benjamin is een zotte vent, hoor! En ik zou mij doodschamen, dat zou ik op mijne eer, indien ik zoo met Gods woord omsprong, en het zoo Satans gek toepaste, zooals jij fijnen doet. Weetje wat? David was een held, die de oorlogen des Heeren voerde, en een kerel als een boom aandorst: den reus Goliad van Gad, meen ik. Paf, daar lag hij, en David ook niet lui, als de blis er op, flink maar, zijn dikken kop afgeslagen: dat was zeker geen sukkelaarswerk, meen ik. Hij was een Groot Generaal; dat klinkt je wat anders voor den snoet. Paulus, van Paulus[32] moet je afblijven. Paulus was de beste, de raisonnabelste man van de wereld; want hij zegt met ronde Zeeuwsche woorden: "gierigheid is afgoderij."[33] O hel kwam de vrome Apostel eens hier, ik verzeker je voor een kwart percent[34] dat hij uw huis een afgodisch huis zou noemen.[35]
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Wat weet zoo een luie zuipzak[36]van Gods woord? Had hij liever voor 't lieve vaderland (en alle zoete meisjes) ossen en schapen geslacht, hij zou veel nuttiger werk gedaan hebben.
Ik heb veel gereisd en getrokken, en heb veel in Roomsche landen verkeerd, maar de papen zijn nog beter dan jijlui; en er valt evel ook niet veel op te roemen. Jij Saartje aan den Duivel overgeven! Weet jij wel dat hij een kwaaie gek is, en dat, als gij haar niet kunt leveren, het er wel eens heel benauwd voor u zou kunnen uitzien? mogelijk neemt hij tante, omdat hij nichtje toch niet bekomen kan.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Ik kan 't niet knoopen, dat uwe lieve zuster besloot, u haar eenig kind toe te betrouwen. Mogelijk hebt gij zoo lang aan haar zwak hoofd liggen gonzen en huilebalken, dat zij 't moest opgeven. Alles is jelui gading. En 't was nog eene zoetigheid, honderd halve rijers voor haar kostgeld. En durf jij nog van geld kikken! Hoe, wat hamer! denk je dat ik een schurk, of denk je dat ik razende dol ben? Ik ben haar voogd; zij is met mijne goedkeuring heengegaan: Jij hebt het haar moede gemaakt. Trekken, zul je,—ja! al aan een aschkar. Wel, je bent eene overheerlijke tante! Je bent nu immers veel te oud om nog eens te trouwen; wat zal je met jouw geld doen? Meenemen? Loop voor Joost, ontmaak[37] het kind uw goed, zij heeft genoeg. Procedeeren? Ei, spreek eerst den advocaat naast den Gouden Ketting eens. Zoo die 't u aanraadt, hier is je man.
Heb ik te veel gezegd van zijn gevatheid en z'n nimmer 'n blaadje voor den mond nemende, bijtende ironie? Let eens vooral op die door mij gecursiveerde zinnen.—Intusschen zou ik het gevoel hebben, den braven kerel te kort te hebben gedaan en dus de gegrondheid mijner aanklacht tegen de schrijfsters —dat, hoe mooi een mensch Blankaart ook werkelijk is, zij hem tè mooi hebben gezien—op oneerlijke wijze te hebben bewezen, indien ik hier niet die uitstekende passage over den lichtmis gaf, welke, ik zeg het niet zonder nadruk ("Ei, nòg meer na-druk?" vraagt hier allicht de uitgever!) vooral in 'n blad voor jongelui op z'n plaats is.
Ik heb wel gehoord, dat vele dames, bij de Twaalf geloofsartikelen, —die gij immers wel pront kent, hoop ik?—dit tot het dertiende maken: "Ik geloof, dat de bekeerde lichtmis de beste man maakt." Geloof het niet; 't is allemaal leugen; er is geen stip van waar aan, geen kriezel.
Hoe zou het mij bedroeven, als ik merkte, dat gij deze ketterij toestemde? Gij, meisjes, praat (de wijste niet te na gesproken) somwijlen alsof gij in uwe hersens gepikt waart. Wat weet gij toch van lichtmissen? Een losse malle jongen, die zijn goed verbruid, en om peper moet,[38] omdat hij zijn korentje groen at,[39] is geen lichtmis; hij is een gek, die men te Delft moest gaan opsluiten.
Een lichtmis is een geraffineerde deugniet, die zijn roem en vermaak stelt in eerlijke jonge meisjes en brave vrouwen te bederven, die Gods geboden veracht, de wetten der vriendschap schendt; met zijne eeden speelt; met één woord, een allerverfoeilijkst man, die te gevaarlijker is, naarmate hij een minnelijk figuur en een aardig vernuft heeft; die de welvoeglijkheid in acht neemt, tot hij de onnoozele in slaap heeft gewiegd, en die in staat is om schatten aan zijne huurlingen uit te deelen. Gelooft gij, mijn kind, dat zoo een schepsel ooit de beste echtgenoot worden kan? Alle fouten, door overijling en in het gestorm der driften begaan, maken geen deugniet uit, indien hij de fouten, zoo ras hij die ziet, verfoeit en schuwt: maar een lichtmis is zoo bedorven van smaak, zijne neigingen zijn tot hebbelijkheden dermate opgegroeid, dat hij nimmer eene betere vrouw verdient, dan de allerslechtste uit de bende, die hij bedorven heeft.
Ongetwijfeld heeft den schrijfsters, toen zij Blankaart dit stukje in den mond legden, de figuur van R. over wien ik het reeds in mijn inleiding had, voor den geest gestaan en diens prototype uit Betje Wolff's leven, die gepoogd heeft haar te "bederven." Zij althans spreekt hier dus niet, door Blankaart's mond, als 'n vrouw, die maar een preekje houdt over iets wat ze zelf slechts van hooren-zeggen heeft. Neen, het is een in veel smart verworven ondervinding geweest, die zij hier ter waarschuwing aan anderen mededeelde.—En nu stappen wij van Blankaart's brieven af, maar niet dan nadat ik u nog eens gewezen heb op wat het toch eigenlijk zeggen wil, dat twee vrouwen, waarvan de eene—Betje Wolff—een dame, en de andere—Aagje Deken—een dienstbode was, zich zoo hebben kunnen inleven in de vóór alles krachtig-mannelijke persoonlijkheid van een Blankaart en heel z'n ruw-goedige èn toch zoo zachte ziel uit de hunne hebben te voorschijn gebracht. Overweegt eens wat voor kunstenaarsgenie daartoe noodig was. Genie, zeg ik. Denk niet aan vaardigheid, aan "menschenkennis," aan "levenservaring" bij zoo iets prachtigs. Zijzelf—ik wees u erop—hebben hun schepping niet eens goed gekend! Hier was dat kostbaarste aan het werk, dat grootendeels buiten het verstand van den kunstenaar-zelf om, zijn scheppenden arbeid verricht. Ja, 't is iets wonderlijks wat ik hier vertel en ge kunt dat nog zoo dadelijk niet begrijpen. Maar op een goeien dag, na veel overdenken en onderzoeken, gaan u de oogen open en bemerkt ge, dat wat ik hier zooeven zei, heel langzaam aan in u heeft doorgewerkt en in verband met veel andere levenservaringen u iets heeft doen begrijpen en inzien, waaraan ge vroeger zelfs niet dacht. Want met onbegrijpelijkheden is het precies als met zaadjes gesteld. Beiden zijn het dichtgevouwen dingen, die niets van hunne innerlijkheid laten zien. Maar waar bleven de bloemen en de vruchten, als de aarde eens niet de gesloten korreltjes in zich liet begraven en langzaam in zich rijpen liet, tot ze in kleuren en geuren en gestalten openluiken. En hoe zoudt gij ooit, als mannen en vrouwen, mijn jongelui, de vrucht van het helder inzicht kunnen dragen, als het zaad van het onbegrepene niet gedurende uw jeugd in uw geest geworpen was! Laat het u niet deren, dat ge nu iets niet dadelijk begrijpt. Wat ge te doen hebt is: het onbegrepene te onthouden. Draag het in u om. Want beproefde ik, het gewelddadig en vóór den tijd voor u te openen, ik zou het bederven! Doe er mee als de aarde met haar zaden. En als het dan zomer voor je wordt, dan is die zomer het aanzien waard want hij is niet zonder bloemen en vruchten. En jelui herinnert je dan wellicht even weinig, dat iets van dat mooie uit dichtgevouwen ondoorzichtbaarheidjes, die eens een hoopvol zaaier in je wierp, werd geboren, als—de aarde het doet.—