← Table of contents
Over literatuur

JOHAN DE MEESTER'S GEERTJE.

Reading edition

II.

Geertjes ouders zijn dood. Ze wordt door haar grootouders—grootvader is hoofd van de dorpsschool en koster—opgevoed. En in het eerste hoofdstuk reeds, waarin we Geertje uit 't dorpje zien vertrekken, om een dienst in Rotterdam te zoeken, laat de auteur ons op opmerkelijk-sobere, want van alle taaldrukte warse en aan elk psychologisch-ontledingsvertoon vreemde wijze, het innerlijk dier drie zeer uiteenloopende menschen gevoelen. Grootmoéder, één zachtheid, één innigheid, één opgaan-in-'t-kleinkind; grootvàder: een steil-orthodox Christen, die geen oogenblik weifelens omtrent zijn levensplichten en rechten kent, want beide staan duidelijk en zeker voor hem en zijn natuur neigt al evenmin ter verzaking van de eerste als ter opgave van de laatste. Zijn dogmatisch-kerksch geloof zegt hem in alles het hoe, laat hèm maar zelden onzeker omtrent het waarom, en heeft den heelen geestelijken inventaris, die bij een gewoon huis-, tuin- en keuken-mensch nog al een beetje door elkaar pleegt te slingeren, netjes voor hem opgeborgen in een "kast met laadjes," zooals Maandag, een nobele figuur in ons boek, den bijbel noemt in dit verband; een juist en gelukkig beeld, geloof ik, want zoo het ons fel het misbruik voelen laat, dat, bewust en onbewust, van bijbelteksten wordt gemaakt, het doet ons allicht ook bepeinzen, hoe wonderschoon beeldhouwwerk die "kast" versiert en hoe de beduimelend-liefkoozende vingers der geslachten, de glanzingen van dat edele hout nog hebben verdiept in stede van het te verslijten....

Geertjes grootvader is een streng, naar lichaam en geest rechtlijnig man, hij is beslist, kort aangebonden en duldt geen tegenspraak, wat dan ook precies de eigenschappen van dat soort oprechte, maar bekrompen en ten deele verdorde vromen in het werkelijke leven zijn, eigenschappen die, het zij terloops gezegd, psychologisch uiterst makkelijk zijn te verklaren: het dogmatisch-godsdienstige, en dit vooral, maar niet alleen, doch ook àl het dogmatische, ziet de fijne nuances van het leven niet, het maakt, als 't ware, van den kronkelenden levensgang iets kinderlijk-rechtlijnigs, en de geest van zijn belijders ontkomt natuurlijk aan dien invloed wel het allerminst: ook hij wordt steil en hoekig, zijn levenskijk wordt vergroofd. Maar dit is niet alles: het dogmatisch-godsdienstige maakt den middelslag-mensch vaak streng en hard, want daar het in 't leven een betrekkelijk eenvoudig iets ziet, als slechts aan zekere voorschriften en leiddraden wordt vastgehouden, is het ook van oordeel, dat degeen die leeft, de mensch, een relatief gemakkelijke taak heeft en kàn het dus niet zóó medelijdend, zóó vergevingsgezind tegenover dien mensch en zijn fouten staan, als die andere denkrichtingen, welke integendeel het leven beschouwen als iets zeer moeilijks en onreglementeerbaars, en de levenstaak als een ontzettend-ingewikkelde, welks zwaarste gedeelten ieder gerijpt mensch slechts volgens zelfgevonden wetten kan volvoeren. In één woord: de dogmaticus heeft het twijfelen en zoeken verleerd, een ontzettend nadeel! Hoe zal hij het twijfelen en zoeken van anderen nu kunnen meevoelen? De dogmaticus struikelt zelden: hij bewandelt de onbeschutte en slecht-onderhouden wegen niet. Maar àls hij struikelt, is dat naar zijn meening zijn schuld, dien hij moet delgen. Hoe zal hij dan hen begrijpen, bemeelijden en helpen, die, in sommige gevallen, niet alleen van schuld noch delgen willen weten, doch te recht of ten onrechte hun struikelen aan den weg wijten, ja wel eens—als Geertje!—hun trots en hun geluk in dat struikelen beweren te hebben gevonden! Aan de figuur van dezen grootvader, die het wèl meent en eerlijk volgens zijn dogmatische kerkschheid handelt, zult ge dit alles, in verband natuurlijk met zijn menschelijke zwakheidjes—en niemand, maar allerminst een dogmaticus is daar zonder—zien waar worden! Wenden we ons nu van hem af en zien we naar Geertje. En ik durf een mooi ding te verwedden, dat gij dat liever doet! Wat mij betreft ... o, 't is waar, ik heb een voorrecht boven jelui allen, jongelui: ik verander, als ik naar haar zie, ik word jonger: de rimpels van mijn voorhoofd en mijn geest verdwijnen—jelui hadt er geen! Ik krijg een glimlach op mijn verstroefd gezicht—bij jelui was hij er, geloof ik, nog bijna nimmer af, en ìk heb ook die eigenaardige vreugde, die ontstaat uit het even zien samensmelten van toekomst en verleden in één punt. Maar jelui Verleden ... och vrienden, je Heden draagt het nog op zijn rug, als Aeneas zijn vader: moge het reeds verzwakt zijn, het lééft toch nog, het is een wèrkelijkheid, het heeft in eenzaamheid de duistere reis nog niet begonnen en slechts een bleeke heugenis nagelaten. Herinner jelui je, wat ik eens schreef op deze plaats over dat plots weer oplichten van onze eigen jeugd in later jaren, door het genieten van een kunstwerk?... O, ook in Geertje, bij dit haar eerste verschijnen lacht een lente open, alles is luchtig en onschuldig en bevallig en naar-het-komende- ziende in haar. Wij voelen haar een met 't om haar zijnde, eenvoudige en als van 't natuur-idyllische overbloemd dorpsleven. En wij voelen dit juist, wij leeren haar èn dat leven kennen, op hetzelfde oogenblik, dat zij 't gaat verlaten, om naar de groote stad, naar Rotterdam te trekken, en daar 'n dienst te zoeken! Dat stempelt ons den indruk van dat leven des te dieper in het geheugen. Want wij voelen ons met haar nu op een kentering van haar leven staan. En als we straks met haar in Rotterdam zullen zijn, dan zal het contrast tusschen dit proper-eenvoudige, rustig-eerzame leven harer in het dorpsmilieu geachte grootouders, en het smerige armoe-bestaan der rommelige havenstad, waar de bittere strijd om een stuk brood, alle zachtheid, alle onderling willen-waardeeren heeft verdrongen, ons des te dieper treffen. Wanneer we haar straks door dat groote-stadsleven zullen zien besluipen; als we dat, stukje voor stukje en beetje voor beetje, haar de beschermende uiterlijkheden van den geest zullen zien ontrooven, waarmede de kerksche opvoeding door de grootouders dien hebben bekleed, dan merken wij dat alles zóó goed op, dan voelen we dat alles zóó diep, omdat wij, vooral door dat eerste hoofdstuk, Geertje—om 't zoo eens uit te drukken:—in haar ongerepte en tegelijkertijd nog niet ontwikkelde gaafheid hebben gekend. Want we zien in dat eerste hoofdstuk reeds al de verhoudingen en menschen, die, in verband met haar natuurlijken aanleg, Geertje hebben gemaakt tot wat zij op dat oogenblik is. We zien ook—heel eventjes slechts aangegeven—zekere psychologische eigenaardigheid, die later van groote beteekenis voor haar uiterlijk en innerlijk lot zal blijken te zijn. Ik zal nu dit alles met eenige citaten trachten aan te toonen. Eerst de gezindheid van den grootvader: (Geertje is bezig zich op 'r kamertje klaar te maken voor de reis. Beneden wachten de grootouders op haar, om aan den maaltijd te beginnen).

Ze hoorde Groo'va stommelen in de kamer, zeker werd hij ongeduldig ... daar was hij al in het gangetje! Nu kwamen de woorden, kort, met gezag:[4]

—Geertje, het is meer dan tijd, kom naar beneden....

Dan moest het maar.... Ze had nu alles? Mantel, hoed, handschoenen, parapluie, 'er taschje, o, de zeep nog, de heerlijke zeep—zóó maar: in de schoone zakdoek. Ja, ze had alles.... Even rondkijken.... Nou, dag kamer, tot plezier van je weer te zien....

En het slecht gelegde kronkeltrapje in de kleine meesterswoning kraakte op elke tree, onder de vlugge stap van het lichte meisje.

In de eerste door mij gecursiveerde woorden, die Grootvaders manier van spreken aangeven, zóó dat wij hem hóóren, leeren wij hem reeds kennen, zooals hij intrinsiek is: hij is de man van de kortheid en vooral van het Gezag, met een bijzonder groote hoofdletter! Maar ook Geertje staat er al aardig in: Dat kinderlijk beredderingsdruktetje, dat schalk-vroolijk afscheid van de kamer ... zou het aan mij liggen, dat ik 't ook aandoenlijk vind?... Ik geloof het niet: de jeugd, de onschuld en de blijmoedigheid, zij zijn aandoenlijk, omdat zij, vaak zwijgend en zonder het te weten, om bescherming vragen. Als kinderen tegen ouders, vlijen zij zich tegen de ziel van den mensch aan, die hen met liefde beschouwt.

De beide laatste, door mij in den tekst gecursiveerde woorden vormen daarneven van die beeldende trekjes, zooals er meerdere in dit hoofdstuk voorkomen, die ons onmiddellijk Geertje in heel haar luchtige en vroolijke jonkheid voor oogen brengen.

Groo'vas voorhoofd was gefronst, dat zag ze zoo als ze binnenkwam.

—Waar blijf je nou toch? zei Groo'moe. Op haar gezicht was enkel droefheid.

Men weet hier onmiddellijk, dat Groo'moe altijd de "bufferstaat" tusschen de beide anderen is! Zij tempert grootvaders strengheid en vergoelijkt Geertje's dartele jeugd.

Het eten stond er al.

—Aan tafel, zei Groo'va, met dat vreemd-gedempte, dat zijn stem kreeg, wanneer hij een woord van boosheid weerde.

Toen alle drie zaten, bad hij:

—O Heer, onze God! wij danken u voor de spijze, die Gij ons weder mildelijk schenkt, zooals wij ootmoedig u loven en prijzen voor al uwe weldadigheden. Maar ach Heer! Gij die zijt nabij de gebrokenen van hart, wij komen tot u in onze nooddruft, want ons hart is bezwaard, wij staan in de ure der benauwdheid. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid, o God! Dies de menschenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nemen. Uw oog is over degenen die u vreezen, om hunne ziel te redden van den dood, en om hen bij het leven te houden in den honger. Wees gij dan, o Heer, met haar die ons verlaten gaat. Wees gij haar tot een Rotssteen, tot een zeer vast huis, om haar te behouden. Leer haar hare wegen bewaren, haren mond met eenen breidel bewaren, wanneer de goddeloozen tegenover haar staan. Leer haar uw gebod bewaren. Als zij wandelt zal dat haar geleiden, als zij nederligt, zal het over haar de wacht houden, als zij wakker wordt, zal het zelve met haar spreken. Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de wet des levens. Onze Vader, die in de Hemelen zijt, Uw naam worde geheiligd; uw Koninkrijk kome: Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzoo ook op de aarde; ons dagelijksch brood geef ons heden, en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze. Want Uw is het koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in de eeuwigheid, Amen!

Geertje was gewoon aan Groo'va's lange gebeden, met teksten erin.

Laat ons even stilstaan bij die gewoonte van Groo'va om gebeden te bidden "met teksten erin." Het kan zijn nut hebben, niet alleen voor het goed begrip van die figuur, maar van al de geestelijk aan haar verwanten. Want ten eerste moeten we ons wel hoeden, in onze "moderniteit" een vrijbrief te zien, om maar over alles en nog wat, waarvan wij niets weten, te mogen meespreken, en ten tweede zoudt gij allicht uit den aanhef van dit artikel meenen te mogen afleiden, dat ik ook dit bidden met teksten iets minderwaardigs of gerings acht. Dit is echter niet zoo, ik vindt het integendeel iets zeer schoons. Kijk eens aan. Als men iemand bijv. "een gevoelsmensch" noemt, dan wil men daarmee niet zeggen, dat die man uit louter gevoel bestaat en verstand zou missen. Men wil daarmee dan alleen aanduiden, dat het gevoel, het bij hem sterk overheerschende is. En als ik dezen grootvader een dogmatisch-geloovige noem, dan wil ik daarmee ook alleen beweren, dat het dogmatisch-geloovige in hem overheerscht. Want niemand is één ding geheel-en-al. Ieder mensch is een mengsel van vele eigenschappen. En in dezen man zijn er al vast drie wijzen-van-zijn te herkennen: ten eerste: de man—de "belichaamde vermaning," zooals Geertje-zelf hem ziet—die door zijn dogmatisch denken, door zijn meenen de waarheid in pacht te hebben, van een ergerlijke eigengerechtigheid is; die zich als een "Verkondiger van Gods Woord" opwerpt en met zijn teksten niet alleen een grimmig hekwerk tusschen eigen braafheid en de snoodheid van den zondaar schijnt te willen oprichten, maar er zelfs een soort van kooi om de "gevallene" van wil smeden, waarin die in schuldbewustzijn tot "berouw" moge komen; maar, ten tweede: leeft ook in hem de eenvoudige vrome, de warm- en innig-geloovige, die ten tijde van zijn hevigste bewogenheid, naar den Bijbel grijpt, om in diens taal te bidden, te danken, in één woord zijn gevoel in woorden uittestorten. Het behoorde tot de leege bluf-gebaren der "moderniteit" te beweren, dat degeen, die bad, dat in eigen woorden moest doen, en dat hij, die het in "andermans" bewoordingen deed, maar wat prevelde. Maar die moderne knaapjes vergaten iets: dat deze "andere man" vaak de Bijbel was, en dat als we alleen maar de Psalmen daaruit nader beschouwen, we weldra ontdekken, dat de Psalmist een dier ontzaglijke en allergrootste dichters is geweest, wien "niets menschelijks vreemd is gebleven." Wat wonder dan dat de geloovige, die toch al, dóór zijn geloof, meent, dat die geheiligde woorden Gode aangenamer dan zijne eigene zullen zijn, in uren van diepst doorleven naar den Bijbel grijpt, en, als in een gelukkige ontslaking, daar de zóó volledig zijn gevoel uitzeggende woorden vindt, gelijk hij ze nimmer had kunnen vormen. Zóó gebruikt ook Grootvader dan de teksten als hij bidt. Als hij vermaant en bestraft—let goed op het verschil!—liggen hoogmoed en bewustzijn van eigen bravigheid aan zijn tekstgebruik ten grondslag; als hij bidt: nederigheid, liefdevolle overgave, ja zelfs onbewust bewonderen van het schoone. Gij zult mij deze uitweiding wel willen vergeven, want ik zou graag willen, moet ge weten, dat wanneer ge straks, als flinke kerels in den trein van den Vooruitgang zit en uw vroolijk lied van de Internationale uit de ramen dondert, dat ge dan vooral niet uw manhaftigheid uit door als Yankees links en rechts over de waardevolle bagage uwer medereizigers heen te spuwen. Revolutionnair gevoel èn eerbiediging van het echte en mooie, waar 't zich ook uit, zijn in diepsten oorsprong hetzelfde en vertoonen zich alleen als iets tegenstrijdigs, bij den kinderlijken en onontwikkelden mensch.... Begrepen?... Ten derde leeft in Grootvader ook een man, die.... Maar dezen zin breek ik hier af, om hem later te vervolgen. Nu eerst ònzen tekst verder:

's Zondags, en altoos bij iets bijzonders, deed Grootvader een lang gebed. Dus had ze dit nu wel kunnen verwachten. Zij deed haar best om mee te bidden, maar ze was er niet in. Al toen Groo'va bad van "gebrokenen van hart" hoorde ze een snik van Groo'moe. En toen Grootvader bad, dat God háár tot een Rotssteen mocht zijn, snoof en snikte Groo'moe zoo, dat Geertje even door de ooghaartjes trachtte te kijken....

Een aardig trekje dit laatste, beeldend, zoowel Geertje's schalke kinderlijkheid, als haar op dat oogenblik buiten de gevoelssfeer der grootouders staan, haar innerlijk-alleen-naar-het-komende-kijken!

Maar toen Grootvader daarna opeens met het Onze Vader begon—hij kon dat zoo mooi; Dominee Wevers zelf had eens gezegd, dat niemand het Onze Vader zoo plechtig kon uitspreken als Groo'va; zijn diepe stem werd dan zoo zacht, de woorden klonken niet meer kortaf—toen, bij die bijna gemeenzame woorden, die ze als heel klein meisje van Groo'moe geleerd had als Jezus' gebed, voelde ze dadelijk zich anders worden, zoo warm van een zachtheid die schreien doet; diep gebogen nu, vast toe de oogen, voelde ze tranen pikkelen om haar neus; en na het amen stond ze op, en liep naar Grootvader om hem een kus op de slaap te geven, en knielde toen neer naast Groo'moe's stoel.

—Och kind, hikte Groo'moe.

—Heusch Groo'moe, Geer zal goed oppassen.

Zelve als in tranen vervloeiend, drukte ze het hoofd in Grootmoeders schoot, vlijde er mee op tegen Grootmoeders breede, alzachte borst, de oogen toe, als om niet te weten.

—Ga nu weer zitten, de tijd is kort, hoorde ze Grootvader zeggen.

Even bleef ze nog zoo liggen, schuin het hoofd, als sliep ze aan Grootmoeders borst; de kleine vleezige hand van Groo'moe streek langs haar wang; toen kreeg ze kleurlicht in de oogen, en, kijkend, zag ze de zon, die plotseling was gekomen, door de Aprilregens heen, en de kamer vroolijk maakte. Och, het was toch een lieve kamer, met al die mooie planten voor de ramen, en het bijna witte behangsel en het eikenhouten harmonium....

Nu aten zij: grauwe erwten met ham, door Groo'moe gekozen als Geertje's lievelingskost. Maar Groo'va had de ham niet zoo mooi dun gesneden als anders.

Ik heb daar straks de opmerking niet willen maken, om de stemming van dit overigens fraaie stuk niet te bederven, maar nu moet ik toch even zeggen, dat het mij spijt hier het woord "hikte" ter beelding van Groo'moe's manier van spreken gebruikt te zien. Het werkt ontegenzeggelijk storend. Hikken, in de beteekenis van hakkelend spreken heeft te vaststaand en eigenaardig gebruik in den volksmond, dan dat het ook hier niet onmiddellijk de daaraan verbonden onsmakelijke gedachten-associaties zou doen opkomen.

Maar nu geloof ik dat het toch tijd wordt mijn daar straks afgebroken zin te voltooien. Dus: Ten derde leeft in Grootvader ook een mensch, die, zij 't schaarsch, zij 't droog, zij 't kleintjes, zich toch ook op een andere dan Bijbelsch-gereglementeerde wijze uit. Want—en Grootvader moge mij het oneerbiedig vergelijk vergeven:—geen papegaai is er zoo aan verslaafd op het voorbeeld van anderen te vloeken en te zegenen, of hij krast er wel eens op zijn eigen manier, z'n toorn, verdriet of vreugde doorheen. Grootmoéder moge schreien, Geertje langs de wang aaien, haar laten uitweenen aan haar borst, de stugge, terughoudende, half-bevroren grootvader brengt het niet verder dan: de ham niet zoo mooi dun te snijden als anders. Maar met dat al is het laatste toch evenzeer een zuivere gevoelsuiting als de eerste. Wenschen we er den oude geluk mee!

Ik sla nu een stukje tekst over en haal het eigenlijk afscheidnemen van Grootmoeder en Geertje aan:

Grootvaders lange gestalte stond in de deuropening.

—... Nou Groo'moe....

—Nou kind...!

't Was of Groo'moe haar niet loslaten kon. Ook zij was aangedaan. Maar ze hoorde Groo'va zeggen:

—'t Is tijd! en toen kreeg ze opeens een schrik, een vrees dat ze den trein niet zou halen.

—Goeie Groo'moe, zei ze troostend, en wrong voorzichtig zich los.

—De Heer ... zij ... met je, beefde Groo'moe's stem.

—Ja Groo'moe, zei Geertje, en zocht haar taschje.

Toen ze het had, tasch, handschoenen, parapluie, nog gauw, bij een vroolijker—"Dag Groo'moe, het beste Groo'moe," een lichte kus op het grijze haar; en vlug voor Groo'va, die de voordeur had geopend, heen, was ze in eenen kamer en huis uit.

In den eersten zin van dit citaat heb ik het woord "lange" gecursiveerd, om te doen uitkomen hoe voortreffelijk zulke kleine beschrijvingswoordjes het niettegenstaande hun eenvoud en alle afwezigheid van omhaal doen. Ik wees er u reeds aanstonds op bij de beschrijving van Geertje's naar beneden loopen. Met die kleine, voortreffelijk te pas gebruikte beeldende woordjes, bereikt deze schrijver evenveel, zoo niet meer als sommige anderen met uitgebreide en ingewikkelde beschrijvingen. Als met lichte, onmerkbare drukjes wordt ons eene ook-het-innerlijk-bevattende voorstelling van den uiterlijken persoon in den geest gedreven. De drie andere cursieven geven Geertjes gepréoccupeerdheid weer, haar er-niet-bij-zijn bij het afscheid, haar denken aan het komende. Haar "Ja Groo'moe" is zelfs min of meer comisch als antwoord op grootmoeders zegenwensch. En we glimlachen goedig, als we daaraan denken, en hebben het onschuldige, levendige, naar het nieuwe willende meiske er des te liever om.

—We komme d'er toch nog wel? vroeg ze, toen het tuinhekje dichtklapte.

—Ja, wij zijn bijtijds, zei Groo'va. Zeg Groo'moe nog eens goeden dag.

Tusschen de groote begoniabladen zag ze, stilstaand, Groo'moe's gezicht. Ze wuifde met hand en handschoenen; een van de handschoenen viel; toen ze hem had opgeraapt, wuifde ze nog eens. Toen hupte ze (beeldende uitdrukking, als boven. v.C.) Groo'va na, die was doorgeloopen.

Bij den draai van den weg bleef ze even staan, en wuifde weer.

—'k Zie Groo'moe nie' meer, zei ze.

Stil dook, omhuifd door grauw-bruine takken, 't lage witte huisje, met het zware, vooruitspringende puntdak, achter de lariksen en conifeeren, en onder de drukkende nabuurschap der kerk, met de school weg. Somber schonkte de oude kerk op, eenzaam was 't donkere pleintje er voor....

— Kom nu! riep Groo'va.

En Groo'moe, die in Geertje's kamertje door het zolder-raampje keek, zag haar zwenken, lenig en vlug.

Hoe mooi is hier de stemming van dat oude dorpje getroffen, die kerk, die school, het eenzame pleintje. Stil blijven ze achter in hun onverstoorden, zuiveren eenvoud.... Het bij hen behoorende kind trekt naar de groote stad....—Is ze even droevig, dat ze grootmoe niet meer ziet? Of is ze eigenlijk niet integendeel blij, en voelt ze zich niet opgelucht, dat het afscheid nu eindelijk is afgeloopen, dat ze nu onverdeeld aan het nieuwe, het komende behooren gaat, waarheen haar gulzig hartje hunkert? Maar de grootmoeder denkt aan niets anders dan aan haar. Het was haar strammen ouderdom niet te veel, de trappen naar het zolderkamertje op te klauteren, om haar kleinkind zoo lang mogelijk te kunnen naoogen....

Maar bij dit laatste wil ik toch nog even stilstaan: Tot hiertoe, ook in de door mij niet geciteerde gedeelten van dit hoofdstuk, zien wij de personen, onmiddellijk door de ziening van den auteur. Tot hiertoe beweegt zich ook het verhaal in òndoorbroken-voorwaartsche richting. Met dit laatste zinnetje wordt dit alles plotseling anders: De schrijver laat ons niet door zijn oogen Geertje zien—om 't zoo slordig-weg uit te drukken—maar door die van de grootmoeder, en om dit te kunnen doen plaats hebben, worden we plotseling met een ruk achteruitgetrokken—een ruk, dien ik, bij de eerste lezing werkelijk gevoelde!—: we bevinden ons met grootvader en Geertje reeds op weg naar het station, we hebben het meestershuisje en grootmoe achter ons gelaten en nu worden we plotseling daarheen weer verplaatst. Wat beteekent dit?... Het beteekent, dat hier eene van die onbewuste, zéér schoone stijgingen van gevoel in den kunstenaarsgeest heeft plaats gegrepen, die wellicht tot de innigste en teerste bestanddeelen van kunst behooren. Onbewust zeg ik: het zou zelfs kunnen zijn, dat de auteur het tot op den huidigen dag zelf niet weet en—toch is het zoo, ja, het is niet onmogelijk, dat hij, nu ik het zeg, het niet juist zal vinden en—desalniettemin blijft het de waarheid! Voor die door hem gestadig in zóó liefdevolle beschouwing omkoesterde Geertje-figuur is, op dit oogenblik van afscheid van haar veilig dorpje, dat zij verlaat om zoo groote beproevingen in de angstig-groote en vreemde stad tegemoet te gaan, zóó groote teerheid in hem gerezen, dat hijzelf als in onbewuste kieschheid terugwijkt, om die laatste visie van hoe zij als onbezorgd kind in het grootouderlijk huis was, in de verbeelding der menschen te laten ontstaan en beklijven, gelijk zij gezien werd door de grootmoeder, die Geertje het best en het diepst heeft liefgehad....—

Ik oversla nu een stukje tekst: Geertje op weg naar het station, hoe zij van allerlei dorpsgenooten lieve attenties en hartelijke vaarwel-groeten krijgt. Een meisje staat haar op te wachten met 'n mand "bellevleurs": "Geertjen, hier heij 'n mand mit appels, lekkere bellevleurs nog. Die zeu je in Rotterdam wel zoo voak niet kriege."

Het teekent uitstekend het geëerd- en geliefd-zijn van haar grootouders en haar-zelf in het dorp. En dat alles zal later, zooals ik reeds zei, een wreed contrast met haar omgeving en positie in Rotterdam vormen. Maar het volgende haal ik nog even aan:

En aan het perron kwam opeens Jan Heukelman.

—Ik kom je even ge'dag zeggen, Geertje, zei hij.

—Dag Jan, zei Geertje verlegen ontwijkend.

—Geertje, vervolgde Jan zacht en haastig, Willem is mit je vertrek bekend, en hij he't mien opgedroage je z'en groete te brengen. En dat ie hoopte da'j altoos de Heere voor ooge zoudt houden.

Geertje zei niets. Wat moest ze nu zeggen? Ze had geen boodschap aan Willem te geven.

Willem is de rijke boerenzoon, die op Geertje verliefd is, maar omdat ze 'm niet hebben wou, naar Amerika is vertrokken. Later als Geertje "gevallen" en hij in het vaderland is teruggekeerd, blijkt hij nog altijd dezelfde trouwe en liefhebbende minnaar te zijn. Hij verlangt niets liever dan haar als zijn geëerde vrouw in zijn huis te voeren. Maar Geertje weigert, zooals ik reeds in het eerste hoofdstuk zei, omdat zij den man, die haar gedupeerd heeft, blijft liefhebben! Overigens: Willem Heukelman is dezelfde soort Christen als Grootvader, m'n Hemel! 'n minnaar, die het meisje zijner liefde geen andere boodschap weet te sturen, dan dat ze altoos de Heere voor oogen moet houden! 't Is om tureluursch te worden.—En nu nog even dit: (Geertje staat aan een tusschen-station op den trein te wachten. Ze is ongerust over haar koffer. Een aardige meneer stelt haar gerust, en het voorvalletje verloopt dan aldus verder:)

Hij ging enkel naar Utrecht, maar tot zoover konden ze samen reizen.

Geertje dacht aan wat Groo'va gezegd had, dat ze vrouwencoupé moest nemen. Ze zou dit ook zeker doen, maar vond het pijnlijk dat aan den heer te zeggen. Hij was zoo vriendelijk tegen haar!...

Toen de trein eindelijk voorstond, zei ze nochtans:

—Ja, nu moet ik een dames-coupe hebben.

Doch er was maar een, en die zat vol. Er was nog net één plaatsje in, dat een dikke boerin innam, die voor Geertje heen-drong.

—Ziet u wel! Nu is er geen plaats, nu moet u toch bij mij komen zitten, lachte de heer.

En zij lachte ook. Maar ze vond het niet goed van zich-zelf. Misschien was er nog een coupé geweest; ze had daar niet verder naar gezocht. Nu zat ze in een grooten wagen, met veel menschen overal. De vriendelijke heer tegenover haar.

—Hebt u het hier niet goed bij me?

—Heel goed, lachte ze terug—toch een beetje pruilend.

Het is deze naïeve vriendelijkheid in Geertje, dat niet kunnen hard zijn, het is dat zachte gemoed in haar, zoo diep ontvankelijk ook voor medelijden, zoo bang voor te kwetsen, die wel de hoofdoorzaken van haar ongeluk, of wilt ge, van haar geluk zullen zijn. En het is over het algemeen het medelijden, het zachtmoedig niet-kunnen-weigeren, en niet de sensualiteit, waardoor het leven van zoovele vrouwen verdorven is....

In het volgend hoofdstuk hoop ik u nu in hoofdlijnen te laten zien, hoe uit Geertje's goedgeloovige, naïeve, luchthartige en medelijdende innerlijkheid, in verband met invloeden en personen uit haar vroeger en later leven, zich de roman harer liefde en overgave ontwikkelt.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings