JOHAN DE MEESTER'S "GEERTJE"
Reading edition
IV.
Heins zou de volkomen gewetenlooze erotomaan niet moeten zijn, die hij is, indien hij zich Geertje niet van den hals wilde schuiven zoodra hij merkte, dat zij zwanger was en hem dus lastig kon worden. Voorwerp van pleizier voor hem, en geen mensch die leeft óók om eigen volmaking te benaderen, werpt hij haar weg, zooals men een oude jas wegwerpt. In dit gedeelte van het werk breekt wel de laagheid van dezen man ten volle open, als een etterende kanker, welks stank de lucht verpest, en welke ieder, die het woekergezwel onbeschermd zou willen aanraken, met infectie bedreigt. Maar evenals de wetenschap—meestentijds niet door menschenliefde, maar door liefde tot het weten gedreven,—het bereikt heeft, gevaarlijke smetstoffen te kunnen omvormen tot voorbehoedende en genezende substanties, zoo is het der kunst gegeven—haar, die evenmin door menschenliefde, maar liefde en drang tot scheppen wordt bewogen—uit ziektestoffen voorbehoed- en geneesmiddelen te puren.
Máár, m'n lieve vrienden en vriendinnen, vóór ik verder ga, even dit: begrijpt gij mij wel, weet gij het wel goed, dat ik geen "zedeprediker" ben, gij die dit weten kunt, die immers nu reeds sedert eenige jaren mijne uiteenzettingen volgend, hebt kunnen verstaan, dat ik niet tot die soort van menschen behoor, wier eerzucht of eenig ander verlangen hen in de richting van het "zedepreeken" drijven kàn, maar tot die soort, wier verlangen hen slechts er naar doet streven, zoo zuiver en schoon mogelijk de dingen te zeggen, die zij denken en zien, en wier begeerte alleen kan zijn, juiste en zelfgevonden of hèrvonden inzichten over kunst te verbreiden, opdat de menschen de waarde van zulke inzichten voelen en de macht tot juist-inzien en -genieten in zich-zelf aankweeken zullen? O, mocht ik in de overbodigheid dier vraag kunnen geloovenl Want ik zou het héél verdrietig vinden, zoo ge mij voor iemand hieldt, die zoo dwaas is, zich op een buitenmenschelijke standplaats te willen stellen en mal-hoogmoedig van sexueele driften als iets minderwaardigs te spreken. Evenals alles wat natuurlijk is, is ook sexueele hartstocht in zich-zelf iets moois, maar evenals al het schoone, dat buiten alle goede proportie staat tot het geheel, waartoe het behoort, iets of alles van de macht tot het uiten zijner schoonheid inboet, ja, iets hinderlijks en schadelijks wordt, zóó verliest ook de sexueele hartstocht de schoonheid harer verschijning en schaadt en hindert, indien zij buiten alle goede proportie in eens menschen ziel aanwezig is. Wat nu is het voornaamste kenmerk van iets, dat buiten goede verhouding tot zijn geheel staat? Dit: dat het niet schijnbaar een ander deel verdringt en verdrukt, door het te veredelen[9], maar het werkelijk verdringt en verdrukt door het te verlagen en te verkleinen. En dat zien we dan ook hier gebeuren. De sexueele hartstocht bij Heins verlaagt het verantwoordelijkheidsgevoel, het medelijden en de meest primitieve menschelijkheid in hem. Maar hierbij blijft het niet. Want elkeen, in wiens ziel het eene deel het andere verlaagt, die wordt zelf een verlager. Zijn leven-in-de-menschelijke-samenleving wordt een beeld van het leven-in-zijn-ziel. Zooals een deel van zijn wezen de andere verdrukt en schaadt, zoo verdrukt en schaadt hij—een deel der menschelijke samenleving—de andere deelen. Zóó als het sexueele in Heins àl het andere in hem schaadt, zóó schaadt Heins Geertje en zooveel andere vrouwen. Gij ziet dus nu, dat ik niet uit zedeprekerigheid dit sexueele in Heins bij een kanker vergeleek, maar alleen, omdat ik, droog en nuchter redeneerend, tot de logische slotsom kwam, dat de sexualiteit in die verhouding, in een mensch, tot al het andere staande, bij een kanker, die immers den organischen weefsels hun levenssappen onttrekt, nu eenmaal te vergelijken ìs.
Maar waarom beweerde ik ook, dat het der kunst evenals der geneeskunde gegeven is, uit ziektestoffen voorbehoedende geneesmiddelen te bereiden? Wel, dit kondt gij reeds begrepen hebben uit hetgeen ik in mijn eerste Geertje-artikel zeide: "dat kunst uitspreekt wat geen andere mond kan uitspreken," maar toch, laat mij 't hier nog maar even verduidelijkend uiteenzetten: Als gij het ongeluk hadt met een man als Heins om te gaan, dan zoudt ge voornamelijk opmerken—omdat ge jong zijt—hoe hij "geniet." Maar veel vluchtiger zou het uw aandacht treffen, op hoe ontzettende wijze hij anderen ongelukkig maakt. Ten eerste omdat de eigen begeerten van uw jonge, krachtige lichaam, u onbewust ertoe zouden brengen, voor het laatste de oogen te sluiten en u-zelf op allerhande manieren te bepraten, dat 't "zoo erg niet is," ten tweede, omdat ge er prijs op zoudt stellen, den "succesvollen" Heins binnen uw gezichtskring te houden, maar zijn slachtoffers niet alleen door den aard van hun leed, dat zich wil verbergen, uit uw gezichtskring verdwijnen zouden, doch ook zoo spoedig mogelijk door u eruit verwijderd zouden worden, omdat gij zelfs minachting voor hen hebben zoudt!!
Dáárom is een mensch als Heins in het leven de smetstof.
Maar nu komt de kunst en puurt daar het geneesmiddel uit: ge wordt gedwongen Heins te zien in zijn weerzinwekkendheid, het helpt u niet dat ge de oogen sluit. Want ge ziet hem nu niet met de oogen, ge ziet hem met uw ziel. Het leven wordt door de meesten slechts door de oogen gezien, kunst als zoodanig nooit anders dan door de ziel. En deze heeft geen leden die ge sluiten kunt, met handen kunt ge haar niet bedekken, en luiken noch duisternis sluiten iets voor haar af.
Dáárom is een man als Heins in kunst het voorbehoedend geneesmiddel,
Want wat voor wezens zoudt gij moeten zijn, indien ge, ontroerd bij het lezen van dit boek, u-zelf niet eerlijk en vast de belofte deedt: zulk een misdaad zal ik nooit plegen, opdat, als ik zelf een huis zal hebben gesticht en kinderen zal hebben op te voeden en te waarschuwen voor het doen van zùlke daden, mijn toon niet onvast als die van een leugenaar zal zijn, bij het herinneren: maar ik deed het zelf.... Dit mijn flinke, gezonde jongens en meisjes uit het werkend volk zult gij ongetwijfeld bedenken bij het lezen van dit werk. Gij in de allereerste plaats, wier klasse opgaat uit het verleden als een ververschende waterstraal uit den grond, gij zijt gekomen om te laven àl de bloemengeslachten van het heerlijk-menschlijke, die dorgebrand en vertreden zijn. Zie goed toe wat ge doet: gij zijt geboren om iets schooners dan het verleden te helpen stichten. En wat het verleden nu is en eens zal zijn, daartoe behooren: de middeleeuwsche Heer met zijn recht-van-den-eersten-nacht; de fabrieksheeren, die de meisjes in hun werkplaatsen dwingen tot hun wil; de bourgeoisie-heertjes, die vóór ze rijke huwelijken doen en "geachte burgers" worden, de kinderen der arme volkslagen tot publieke vrouwen maken. Hoon u-zelf niet, door niet beter te zijn dan zij en als zij te meenen dat armen de lustprooi der rijkeren zijn. Hun ondeugd is verachtelijk, omdat zij ondeugd is, de uwe zou het niet alleen zijn omdat zij ondeugd, maar ook belachelijk-van-dwaasheid ware. Gescheiden door verren maatschappelijken afstand en vaak enorme weelde, als zij waren van hun ondergeschikten, lijkt het te verklaren, hoe er iets als een nevelige voorstelling in hun gedemoraliseerde hoofden was, dat zij een hooger soort menschen dan die ondergeschikten waren en in hun recht, zoo ze die offerden aan hun lust; maar zoo gij proletariërs-zelf zoudt meenen, dat uw dienstmeisje een geringer soort mensch dan uw zuster is—wat bleef er ons dan over dan het hoofd in onze handen te bergen om uw clownige bespottelijkheid, verdwazing en slechtheid niet te zien. Neen, dan zoudt ge niet iets schooners dan het verleden kunnen stichten, om de eenvoudige reden, dat gij-zelf helaas nog iets leelijkers dan het verleden zoudt zijn. Als eens de ontwikkeling van het economische leven een betere maatschappij zal hebben doen groeien, dan zal tevens een hoogere moraal verrijzen, wier idée zal zichtbaar worden voor de oogen der besten, die dan leven, en die, ten slotte, vertastbaard zal staan, als een open hof waar rechters zitten, midden den geweldigen ringbouw van geheel het maatschappelijk zijn, en met zijn torenspitsen rijzend dat te boven—want de ethische leer eener maatschappij rijst altijd hooger dan haar ethische werkelijkheid—; als een open hof, verstaat ge: waarheen iedereen zal kunnen gaan die wil, om geestesadeldom en goedheid te leeren. Of zij willen zùllen, dat hangt óók van u af, lieve vrienden. Van de economische omstandigheden, van den maatschappelijken ringbouw, hangt slechts af of zij zullen kunnen: of die ringbouw hun den weg naar den hof niet verspert. Troost u niet met de gedachte: er zal dan minder verlokking tot slechtheid zijn. Zeker, deze gedachte is waar, maar er zal genoeg verlokking overblijven, er zullen mogelijkheden ten goede en ten kwade ontstaan, waarvan wij nu geen begrip hebben, en het zal van de harten en de zielen zelf afhangen, dan als in alle tijden, in hoe verre de ethische leer werkelijkheid zal zijn. Alles moet geleidelijk zich ontwikkelen, en gij moet nu met vasten wil, met jonge kracht, die ontwikkeling aanvangen en volhouden. Neemt u in acht! Er was nooit heerlijker gelegenheid voor de menschheid, iets opperst-schoons te bereiken—nooit zullen de smaad en de rampen grooter zijn, als die gelegenheid wordt verzuimd. Uw klasse is het zaad, dat nog midden slijk en wormen in den grond verborgen ligt, waarop de voeten stampen en de monden spuwen. Neemt u in acht, opdat het niet verrot in den bodem, en of nimmer ontspruit, òf opkomt met dorrende knoppen en verwelkend blad, daar de hemel en de zon en al de schepselen met verheerlijkte gelaten, naar de ontluiking van een nieuw levenswonder van schoonheid en van kracht uitzagen.... Opdat het dan niet in de wereld worde als in een huis waar een kind wordt verwacht, en de lucht trillende hangt van naderende vreugde, en de oogen der wachtenden zacht en gedempt glanzen van een blijdschap, die zich nog niet geven kan, maar straks, o, straks, uitstrálen zal en ... het kind wordt dood of misvormd geboren en vervult de harten en het huis met rouw en schrijnend leed, om de voor langen, langen tijd teleurgestelde verwachting....
Alles groeit geleidelijk. En, lieve vrienden, wat ik nu ga zeggen, dat doe ik alweer niet uit zedeprekerigheid, maar omdat ik u beloofde in mijn allereerst artikel, dat wij "dat leven samen zouden zien."[10] Begrijpt het goed; het is niet voldoende, weerzin tegen een man als Heins te voelen, om niet zooals hij te worden. Zelfbedwang, menschenliefde, eerbied voor lot en levensgeluk van een medemensch, die alle komen niet, om zoo te zeggen, kant en klaar uit den hemel gevallen. Wie niet langzamerhand bij vele kleine gelegen-heidjes gestreefd heeft naar het bezit dier deugden, maar integendeel bij die kleine gelegenheden het zelfbedwang, de menschenliefde en den eerbied voor het levensgeluk van anderen onder den voet geloopen heeft, hij moet niet denken, dat als de groote gelegenheid komt, hij de verlokking daarvan zal kunnen weerstaan. Niemand kan zeggen: nu, dit is zoo erg niet, dàt doe ik, maar dáár is ook de grens, diè overschrijdt* ik nièt; hij moet zorgen, zoover van daan te blijven van die grens, dat het niet bij hem kan opkomen, haar te overschrijden. En iets dergelijks bedoelde ongetwijfeld ook Wells, met zijne indertijd bij mijne behandeling van Het Voedsel der Goden geciteerde woorden: "zooals gezonde gewoonten van geest en leven de troon zijn." Zonder zulke gewoonten geen vaste en eervolle zetel in het leven, waarop men, veilig zittend, schouwen en werken kan. Want zooals degeen, die zich altijd voorneemt morgen iets te doen, nooit iets doet, zóó laat degeen, die zich bij het plegen van vele lichte vergrijpen voorneemt, de zwaardere na te laten, ten slotte ook die zwaardere niet na. En ge herinnert u wel uit mijn behandeling destijds: Wells is een geniaal, een geestig en fantasievol schrijver, maar toch geen—"zedepreeker"?
Heins wil zich dus Geertje van den hals schuiven. De kentering in z'n manier van doen jegens haar wordt al wel voldoende door dit stukje aangegeven:
Kijk Jan zitten kieskauwen. Zelf had ze maar effe naar de bakker moeten loopen, omdat juffrouw Sefie het verdijde.... Got, stond-ie nou al op!...
—Wil je eerst nog niet een kòpje?... Toe ... blijf nog effetjes....
En zij drong zich tegen hem aan, de hand aan zijn stoel, dat hij weer zou gaan zitten.
—Wou je zoo graag dat ze-n-'t wiste? Nou m'ar ik niet, hoor!
Hij beet het haar toe, nauw hoorbaar, heesch.
Geertje had zijn stoel gegrepen, beide haar handen omklemden de leuning; zoo blééf z' overeind, schoon de grond om haar zonk.
Nu was hij al niet meer bij haar; de kamer was leeg en de deur stond open—zij hoorde Sefie met het keukengoed kletsen.
God, wat was dit!... Had zij Hem verlóren?! Eens had zij gedroomd, dat hij plots haar begaf, 't Kon toch niet in werklijkheid!?
Toch zou hij daar niet zoo spoedig in geslaagd zijn, als niet het naïef-trotsche in Geertje de onbewuste bondgenoot zijner laagheid ware geworden. Het geëxalteerd-zijn kan zoowel iemand volkomen blind maken voor de werkelijkheid, als zijn inzicht daarin tot een buitengewone hoogte en wijdte opvoeren. Bij Geertje hebben telkens beide plaats. In 't onderhavige geval gebeurt het eerste: haar geëxalteerde toestand maakt haar niet alleen blind voor het feit, dat haar liefdevoelen wel edel in het complex van haar zielsvermogens is, maar uiterlijk als iets onedels verschijnt, doch ook voor de voor haar nadeelige gevolgen, die een bruusk openbaarmaken van haar liefdeleven hebben zal. En zoo werpt ze 't de "Juffrouw" in 't gezicht, dat Jan haar, Geertje, lief heeft, dat ze "zijn vrouw" is, en wordt zij het huis uitgezet. De lezer moet er zich wel voor hoeden, in dit optreden van Geertje de onbeschaamdheid van het gemeene te zien. Verre van daar: het is de trots der onschuld, die zich, intuïtief, rein voelt. Verstandelijk, als zij te rade gaat met wat haar van jongs af geleerd is, twijfelt Geertje zelf vaak aan haar onschuld, ja, gelooft zij aan haar schuld, maar in haar hoogste oogenblikken, voelt haar ziel, dwars door de telkens weer aanklagende tegenwerpingen van haar verstand, dat zij het geluk en het heil der schuldeloosheid niet heeft verbeurd. Dit beweer ik niet slechts, ik zal het u bewijzen:
Zij een zoon, een zoon van Jan....
Zij was uitgekleed, en als iederen avond, knielde zij neer voor haar bed.
En opeens doorstroomde haar moed, moed om het aan God te vragen, haar liefde, schoon zondig, te willen zegenen, daar ze Jan zoo innig liefhad; haar te vergeven, zoo ze kwaad deed; en het haar kind niet aan te rekenen—om Jezus' wil.
Wat zegt ge wel hiervan?! Wat mij betreft: ik herinnerde mij plotseling Vondel's Jozef in Dothan: als de broeders Jozef in den put gesloten hebben, zingen de engelen voor hem en hen onhoorbaar:
Het lust ons om dees duisternissen Des puts, al 't hemelsch licht te missen: Want zulke duisternissen zijn Ons schoener dan de zonneschijn. Wij willen hier een hemel stichten, Verzien met aengenamer lichten Dan aen het blaeuw gewelfsel staen....
Want, ook hier heb ik weer in de donkere diepte van Geertjes leven de engelen hooren zingen, en uw gehoor, vrienden, zou al zeer vergroofd moeten zijn, zoo ge hun stem en ruischenden vleugelslag niet hoordet althans in dit: (Het is in Oom's huis. Nacht. Geertje ligt te bed).
Zij voelde de tinteling van een verlangen om met haar hand te strijken over haar buik, om te tasten of zij iets leven gewaar werd, om hèm maar heel zacht te streelen. Maar zij bleef bewegingloos, wijd de oogleden open, wetende dat haar oogen straalden van warm verlangen in 't zwart van den nacht.[11]
Toen trok zij zich uiterst voorzichtig iets dieper onder het dek en met dankbaarheid werd zij zich bewust, dat de slaap weder over haar kwam. Als kind en als jong-meisje had zij immers ook zoo dikwijls wakker gelegen, 's nachts, angstig dat Groo'va het zou bemerken door het kraken van 't ledikant of dat zij den volgenden morgen niet tijdig zou beneden zijn, maar toch zalig zich voelende in dat lekker vrij liggen staren en denken, vol plannetjes en illusies. Je merkte niet, hoe prettig de slaap was, wanneer je niet een poos met open oog in 't zwart zat te staren.... En nu lag zij hier saâm met haar kind! In haar sliep het als in een wieg, 't groeide, 't leefde daar met haar mee. Nooit meer zou ze nu alleen zijn—altijd met het liefste dat ze bezat.... Erg voorzichtig zou ze gaan doen. Zij was immers kindjes' wieg. Daar had ze nooit nog aan gedacht. Ze had er maar op los gesjouwd, gedraafd en gebukt en getild en gewreven, zonder één enkele maal te bedenken, dat die beweging hem misschien pijn dee. Nu, voortaan zou ze anders leven! Tante moest het werk maar doen....
En ziet ge wel, hoe nu de een, na de ander, de poorten van Geertjes innerlijk worden ontsloten en hoe hier overal natuurlijk-schoons en -kostbaars ontluikt. Is het wonder, dat zij in dien geestlijken toestand levend nog altijd in haar afgod een god blijft zien. Bij haar ellendige oom en tante in huis zwerft zij telkens de straat op, om Jan te zoeken, eindelijk treft zij hem. En het volgend gesprek ontspint zich:
—Zoo, zei ze zacht en stak haar hand toe.
—Waar ga jij heen? vroeg hij, als enkel verbaasd. Maar ze hoorde schrik in zijn stem: hij begreep, dat ze hem was nageloopen.
Ze vertelde; zei dat z'er zoo uitzag, dat ze hem opgewacht had, zich verscholen. De woorden floten uit schorre keel; ze drong de linker vuist in de zij, tot een steun omdat alles daar bonsde; en toch, telkens wanneer ze even had opgehouden met spreken, vond ze nieuwe dingen te zeggen—want hij zweeg, keek haar aan en zweeg, keek met oogen die ook niets zeiden.
—Wat ben je vreemd, dorst ze eind'lijk, wanhopig.
—Ik?... Hoedat?... vroeg hij traag, bijna stuursch.
In de door mij gecursiveerde woorden komt uit dat Heins afwacht, wàt Geertje hem doén, zèggen kan. Ook weet hij, dat hij haar hiermee uitput en ten derde wil hij haar, als in 'n vergetelheid van heel het verleden, laten voelen, dat het is afgedaan, dat hij feitelijk niets meer met haar te maken heeft.
Nu barstte ze uit. Nu kon ze niet langer.
—Toe Jan, doe toch zoo nie' mit me! Dat he'k niet verdiend! Je martel me zoo! Spréék nou te minste. Zeg hoe of wat...!
—Wa' mot ik je zegge? 'k Begrijp je niet. Omda' we mekaar nou zijn tegegekomme....
Zij wist al. Toch zei ze:
—Je zou me schrijven.
—Ik jou schrijve?... aarzelde hij. Toen opeens rad:—Ja! A'k gekund had. Maar na wat je Oom me gebakke heit.
Bij de eerste door mij gecursiveerde woorden, weet Heins er nog geen verontschuldiging voor te vinden, dat hij zijn belofte haar te schrijven, niet gehouden heeft. Dus zal hij maar net doen, of hij zich van die belofte niets meer herinnert. Maar daarna valt hem een uitstekend voorwendsel in, waarvan hij gauw gebruik gaat maken. De dialoog is hier prachtig!
—Oóm?... Wàt he't die?
Zij wou wel gelooven. Maar de vraag klonk als uit twijfel.
Nu keek hij haar meer aan: oogen die durfden. Op een toon van: maak me niets wijs.
Hij voelt dat hij nu gewonnen spel heeft, dat hij met dat voorwendsel een prachtige vondst heeft gedaan!
—Hé't ie jou daar niks van verteld?
—'k Zwéér je ... angstigde ze hem tegemoet.
Doch ze bedacht: och meent ie dàt? denkend aan de ruzie, die oom gemaakt had, toen ie haar koffer was wezen halen. En deze gedachte verdofte haar blik tot een van aarzeling. Heins zag het:
—Zie je! Je weet t'er wél van....
—Meen je, toen Oom me koffer gehaald he't?
—Je koffer? Wat? Och meid, je klèst.
—Anders weet ik van niks, verzekerde ze vurig.
Hij hield het ongeloof van den verongelijkte vol.
—Bei je d'er onkundig van, dat ik bij de kommesaris heb motte komme?
—Jij bij de kommesaris! Waarvoor?
Maar haar toon was gedaald in het laatste woord en weer was haar blik vervaagd, want ze herinnerde zich wat Tante verteld had en die haar gezegde van "de'n eenigsten weg."
—Jok d'r toch niet om! zei Jan fier.
Hoe voortreffelijk is dit alles: in de eerste door mij gecursiveerde woorden komt uit, hoe een reine persoonlijkheid als die van Geertje, zich-zelf niet betrappen kan op een zelfs onbewust-geuite onwaarheid of zij wordt er verlegen om en verliest haar zekerheid; in de laatste door mij gecursiveerde woorden: hoe een doortrapt-sluwe misdadiger als Heins van dit aandoenlijke schuldbewustzijn gebruik maakt, om, zichzelf met het mom der schuldelooze deugd bekleedend, de schuld-gevoelende, reine persoonlijkheid dieper in verwarring te brengen, te vernederen en te intimideeren.
—'k Jòk niet. Tante he't me verteld, de dag dat Oom me koffer gehaald he't, dat ie gedreigd had mit de peliessie....
—Nou dan!
—Ja maar da's ook al!
—Maar je wist 'er dan toch van! Nou, hij hep z'en bedreiging volvoerd. D'er is 'en inspekteur in me winkel gekomme, en, daar me bediende bij sting, vroeg-t-ie of ik us in de Pauwesteeg wou verschijne; de kommesaris wou me spreke. Prettig, asje j'eige zaak heb! 'k Schrok me n'en aap. Wist ik waar voor 't was!" In me schrik he'k et bove verteld.... (Haar in de oogen ziend:)—Ja, da' was stom. Ik weet et wel. Maar me bediende had toch niet gezwegen. En dan ... 'k dàcht niet an ie's mit jou. 't Kon wat weze bij me vrouws moeder, in de herberg, of mit een van me personeel.... Dat dacht ik eig'luk ... dat t'er een wat gekle'st had.... Mit volk in je dienst, sta je daaraan bloot.... Affijn, wist ik veel! Ik ben gegaan.... Jawel, of ik Geertje Hendriks kende.
—Wist ie me naam?
—De vent wist alles!... Ja, dat dank je nou aan j' Oom! Van je femielje mo' je 't hebbe.... Wat kon ik d'ar nou op zegge!... 'k Doch dadelek an de mogelekheid da'k je nog us zou kunne trouwe. M'ar de wet verbiedt 'en huwelijk tusse mensche die e ... overspel hebbe gepleegd. Bekende-n-ik, nou, 't was voor eeuwig nie' moog'lek. Offisjeele bekentenis!... 'k Heb alles geloochend, wat j' Oom gezeid had....
—En?....
— En niks. Toe kon ik gaan.
Er was even een stilte die zwaar lag. 't Warde, duizelde in Geertje's brein. Heins voelde dat hij ijlings moest voortgaan:
—M'ar nou begrijp je wel, da'we voorlóópig niks motte beginne. Kan 'k je mit ie's helpe ... mit geld of zoo ...graag netuurlek. Da' weet je wel. Maar we motte uit mekaars buurt blijve. Juist voor later. Om niks te bederve. Want je begrijp, ze loere nou op me.
Geertje wist niet meer wàt ze had begrepen.
De eerste door mij gecursiveerde woorden: van Heins z'n standpunt was dat juist een slimme zet. Geertje heeft voor hem afgedaan. En het beste wat hij nu doen kon, was bij z'n vrouw en schoonmoeder zoete broodjes te bakken, door ze "openhartig" alles te vertellen, enz. enz. Maar Geertje moet hij 't doen voorkomen, alsof hij aan haar zijde en tegenover zijn vrouw staat. Vandaar dat hij zegt 't 'n stommiteit van zich-zelf te vinden.—In de door mij gecursiveerde woorden van Geertje, ziet ge 't arme schepsel in haar volle naïveteit en schaamtevolle bedeesdheid: hoe vreeselijk, dat die commissaris haar naam weet!! En de ander grijpt nu onmiddellijk—in het daarop volgende kursieve—slim de gelegenheid aan, om op Geertjes oom de schuld van hun elkaar niet kunnen zien te schuiven en tusschen dien en haar te stoken. Maar pas daarna in de door mij gespatiëerd gedrukte zinnen verschijnt hij in z'n volle gewetenlooze sluwheid. De gehééle door mij geciteerde dialoog is schitterend, maar hièrin is hij allerprachtigst getypeerd. Van het daaropvolgende, door mij gecursiveerde, meent hij natuurlijk niets; ten eerste rekent hij er op, dat Geertje nu te verlegen is iets van hem te vragen en als ze 't later mocht doen per brief, welnu, dan antwoordt hij niet! Even later trouwens, als ze hem vraagt of hij haar niet wil schrijven, zegt hij, dat hij dat niet kan doen: "Oom kent ommers m'n handschrift!!" In de laatste door mij gespatiëerd gedrukte woorden buit hij verder zijn vondst van het "gevaar" eener "offisjeele bekentenis" uit!
Als Geertje nu, troosteloos, van hem heen gaat, komt wel twijfel in haar op, maar ze slaagt er toch altijd weer in, dien weg te redeneeren en als haar edele oom, na eerst Heins voor den "commesaris" te hebben gedaagd en 'n spiegelruit in z'n winkel te hebben stukgeslagen, ten slotte bij hem in dienst treedt en zelfs—hij de oom van de gedupeerde!—er op staat dat Geertje Heins "met rust zal late," dan denkt Geertje, over die laagheid van oom maar heenglijdend, dat Heins hem werk geeft, om zoodoende voor haar en hun nog ongeboren kind, "zijn Ismael" te zorgen!... Een ziel als die van Geertje doet, om zoo te zeggen, alles in 't groot, haar is het vermogen en de geaardheid der innige geloovigen: alles wat God doet is ten goede, en zóó: alles wat de man doet, in wien zij gelooft, dien zij liefheeft, is: om goed te doen, is ten goede.—Nadat Geertje doodziek is geweest en helle-angsten heeft uitgestaan, omdat ze meende, dat de vrucht in haar lichaam is gestorven en God dit als vreeselijkste straf, die een aanstaande moeder kan treffen, over haar had beschikt, gebeurt er iets, dat haar onvermijdelijk Oom's huis uitdrijft. Zooals ik in mijn eerste artikel zei: indien wij Geertje in het leven ontmoet hadden, wij zouden niet alleen het flauwste begrip van haar adeldom missen, maar haar zelfs voor een heel gewone "gemeene meid" houden. Maar zeer zeker is het te verklaren, dat de platzinnelijke Gerrit Holkers haar daarvoor houdt. Hij wil haar geweld aandoen en nadat Tante haar broer hoonend en treiterend tegen Geertje heeft verdedigd, loopt deze 't huis uit en vlucht naar Maandag.
Niet onverdeeld is door de critiek deze Maandag als mensch-schepping gunstig beoordeeld. Laat mij daarom onmiddellijk zeggen: ik ben het met de afkeurende meeningen niet eens: Deze figuur is die van een uitzonderingsmensch. Zij is dus: romantisch, maar zij is goed-romantisch, omdat zij op een enkel vlekje na—waarover ik later spreken zal—naturalistisch-zuiver gebeeld is. Maandag is een uitzonderingsfiguur, omdat hij daden doet van zóó edele natuur, dat een gewoon mensch ze zekerlijk niet zou doen, en hij is naturalistisch zuiver geheeld, omdat niet alleen het geheel zijner psyche van dien aard is, dat dergelijke daden er noodzakelijkerwijze uit moeten voortvloeien, maar ook zijn levensomstandigheden daartoe het hunne bijdragen. Maandag is een kind uit een erfelijk belast gezin: 'n paar van z'n broers zijn jong gestorven; hij is 'n bultenaar; zijn zuster, met wie hij samenwoont, een publieke vrouw, die telkens met 'n ander er van door gaat en hem dan de verpleging harer twee jonge bloedjes van kinderen overlaat. Zulke omstandigheden kunnen iemand in alle opzichten tijdelijk ten gronde richten. Woede tegen het door hem onbegrepen Noodlot kan hem tot een ontkenner van alle bestaan in rein geluk, van het nut en de schoonheid der deugd, van alle menschelijke onbaatzuchtigheid en goedheid maken. Dat kan, zeer zeker, maar slechts in het geval, dat zulk een persoonlijkheid nog niet die ontwikkeling heeft bereikt, welke voor goed een zedelijk en geestelijk te gronde richten door levensomstandigheden buitensluit. Heeft hij die wel bereikt, dan werken juist ook zulke omstandigheden veredelend op hem. En dit zal ook wel de zin zijn van het woord: "Hij die heeft, dien zal gegeven worden, maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden zelfs hetgeen hij heeft." Men herinnere zich slechts wat ik in mijn vorig artikel bij de ontleding van Jan Niekerk's persoonlijkheid heb gezegd: dat alles hem hindert en niets hem tot nut is, en merke dan op, dat dit in tegengestelden zin voor Maandag waar is. Doordat Maandag zoo ongelukkig is, krijgt hij des te spoediger en dieper medelijden met andere ongelukkigen, maar geen haat tegen het "Noodlot" of het "leven." Hij weet nu eenmaal, dat het feestelijk luchterlicht der gelukkigen niet voor hem is, maar welaan, als de toch ook guldene schijn van de knetterende olielamp der nederigen zijn bleeke hoofd en zachte oogen komt bestreelen, zou hij dan niet dankbaar opzien en zijn oogen laten drinken van dien glans? Er zijn veel menschen, die groote plichten misvormen tot kleine, om ze des te gemakkelijker te kunnen—verwaarloozen. Hij is een van de weinigen, die kleine plichten tot groote maakt, om maar van zijner liefde overvloed te kunnen geven! Zoo gij u over de edele daden van zulk een man verwondert, verwonder u ook erover, dat een zwangere baart, dat koren in halmen opschiet en kunstenaars kunstwerken scheppen. Maar beter is het, dat gij dit alles niet doet en uw leven besteedt aan het opvoeden van u-zelf. Misschien komt er dan een tijd, dat gij u over zulk een man niet meer verbaast, omdat gij hem terugvindt in—u-zelf!