← Table of contents
Lord Lister No. 0344

Sherif.

Reading edition

Den volgenden dag, omstreeks tien uur in den morgen, hield een huurauto stil voor het huis in Harrow Road, waar de inbraak had plaats gehad.

Den vorigen dag had er een politieagent voor het huis gestaan, maar men had dezen wachtpost weder ingetrokken, als zijnde volkomen overbodig en Raffles die in de auto had gezeten en nu op het huis toestapte, behoefde dus volstrekt niet te duchten, dat hij met een agent van politie moeilijkheden zou krijgen.

Hij belde aan en wachtte, totdat hem de deur zou worden opengedaan.

Toen voelde hij eensklaps iets tegen zijn beenen strijken.

Hij richtte den blik omlaag en ontwaarde Sherif, den kleinen foxterriër, drijfnat en bibberend van de koude, die hem met smeekende oogen aankeek.

—Mijn hemel, wat zie je er uit, kleine baas! riep Raffles vol medelijden uit. Het lijkt wel of je uren en uren in een plasregen hebt rondgeloopen! Zeker van den baas weggeloopen, nietwaar?

Op dit oogenblik werd de deur geopend en Sherif stoof naar binnen, luid blaffend en er zich niet om bekommerend, dat hij met zijn modderige pooten en zijn sliknat haar het kostbare kleed in de vestibule en den marmeren vloer danig bevuilde.

De bediende, het was Henry Dayton, de butler, keek verbaasd van den hond naar den vreemden bezoeker en vroeg toen:

—Neem mij niet kwalijk mijnheer, brengt u den hond mede? Is hij met u medegeloopen?

—Volstrekt niet. Ik vond hem hier op de stoep voor de deur.

—Ik kan mij niet begrijpen, waar het beest gezeten heeft! Het is gisterenmorgen de deur uitgeloopen en sindsdien is het niet terug geweest!

—Misschien is het dier wel in een verliefde bui! meende Raffles. In zulk een toestand zwerven zij vaak dagenlang over de straat!

Maar Dayton boog zich vertrouwelijk naar den bezoeker en zeide:

—Sherif moest eigenlijk geen jongensnaam dragen, mijnheer, zij is een teefje! En ik wil u wel zeggen, dat zij nog nooit te voren geheel alleen zoo lang op straat heeft rondgezworven. Mijnheer Grammont zal aardig boos zijn! En wilt gij mij nu zeggen, wien ik moet aandienen?

—Ik ben William Blackburn, van het particulier detectivebureau en ik wenschte mijnheer Grammont mijne diensten aan te bieden, in verband met de inbraak. Onze voorwaarden zijn zeer billijk en ik weet zeker, dat mijnheer Grammont van onze diensten wel gebruik zal maken!

De butler haalde de schouders op en zeide:

—Gij kunt het probeeren, maar ik geloof, dat gij uw tijd nutteloos verspilt, mijnheer wil geen werk van de zaak maken.

—Geen werk? riep Raffles verwonderd uit. Maar wat drommel, elfhonderd pond aan contanten en zeshonderd pond aan goud, is toch geen bagatel!

—Dat is ook mijn meening, maar mijnheer schijnt er anders over te denken. Hij heeft de detectives van Scotland Yard ook al weggezonden, die hier naar sporen kwamen zoeken en hij verklaart, dat het de moeite niet waard is en dat men de inbrekers toch niet vindt!

—Nu, dat is een wijsbegeerte, welke men zelfs bij de rijkste menschen niet veel aantreft, mompelde Raffles voor zich heen, te meer, daar het hem, wat Scotland Yard betreft, immers geen cent behoefde te kosten!

Hij stond even in gedachten en eensklaps scheen hem iets in te vallen.

Hij wendde zich tot den butler met de vraag:

—Hoor eens hier mijn vriend, naar je deftig uiterlijk te oordeelen, ben je zeker de butler, nietwaar?

—Die ben ik, mijnheer, antwoordde de man gevleid.

—Wil je me dan antwoorden op eenige vragen?

—Als het niet te lang duurt .…., antwoordde de man met een schuwen blik naar de groote trap.

—Ik zal het zeer kort maken, dat beloof ik je. Is het zeker, dat op den nacht van de inbraak, eergisteren dus, niemand van de bedienden iets gehoord heeft?

—Volstrekt niets, mijnheer! Ik slaap zelf in het sousterrain en de twee andere bedienden op de bovenste verdieping, terwijl de huishoudster een verdieping lager slaapt. Maar het is een groot huis, en als de inbrekers hun vak verstaan hebben, dan is het zeer begrijpelijk, dat wij hen niet gehoord hebben.

—Gij zijt om één uur naar bed gegaan, naar ik in het verslag in de bladen lees.

—Het kan er geen 5 minuten over zijn geweest!

—Hadt gij verlof, om naar bed te gaan, ingeval uw meester wat laat thuiskwam?

—Ik behoefde nooit later dan tot half een te wachten. Het werd eergisteren één uur, omdat ik toevallig in een boeienden roman had zitten lezen!

—Het is natuurlijk ondenkbaar, dat mijnheer Grammont kan zijn thuisgekomen, zonder dat gij het bemerkt hebt?

—Dat is onmogelijk, mijnheer! Ik ben den geheelen avond in of bij de vestibule geweest, en van twaalf tot één heb ik op de groote bank, daar bij die electrische lamp, zitten lezen.

—Mijnheer Grammont had natuurlijk een huissleutel?

—Dat spreekt van zelf. Maar ik zeg u nog eens, dat hij onmogelijk had kunnen binnenkomen, of ik had hem moeten zien en hooren.

—Waren alle andere bedienden toen al naar bed?

—Al een uur.

—En de huishoudster?

—Die had zich om tien uur al naar haar kamer begeven. Miss Hotspur had een weinig hoofdpijn.

—Kunt gij u herinneren, wanneer uw meester het huis verlaten heeft, om zich naar de Windsor Club te begeven?

—Dat was ongeveer om half tien, antwoordde de butler na eenig nadenken.

—Hoe laat stond mijnheer Grammont gisteren op?

—Wel, vroeger dan hem misschien lief was, want ik ontdekte natuurlijk dadelijk de inbraak, toen ik langs de werkkamer liep. Dat was omstreeks acht uur en ik ben toen dadelijk mijnheer Grammont gaan waarschuwen, die nog in zijn slaapkamer was.

—Sliep hij?

—Neen, hij was al wakker!

—Wat deed hij op dat oogenblik?

—Dat weet ik niet, de slaapkamerdeur was dicht.

—Was uw meester gewoon, die deur gesloten te houden?

—Neen, dat heb ik nog nooit opgemerkt!

Raffles haalde een goudstuk uit zijn vestzakje en stopte het den butler in de hand.

—Ik dank u voor Uwe mededeelingen, ik zal er later nog wel gebruik van kunnen maken.

De butler wilde iets zeggen, maar boven aan de trap klonken schreden en Austin Grammont kwam naar beneden, terwijl hij bezig was zijn handschoenen dicht te knoopen.

En toen gebeurde er iets zeer zonderlings.

Sherif, die al dien tijd had rondgesnuffeld, nu en dan het water van zich afschuddend, had zijn meester nauwelijks in het oog gekregen, of hij vloog de trap op en begon woedend tegen Grammont te blaffen.

Deze schopte toornig naar den hond en riep naar beneden:

—Ik heb je gezegd, Dayton, dat ik het mormel niet meer wilde zien! Hoe komt het, dat ik het beest hier nu nog aantref?

—Aan mij! Maar mijnheer heeft mij niets gezegd! riep de butler verwonderd uit.

—Nu, dan is het aan een van de anderen geweest, hernam Grammont.

Zijn gelaat stond bleek en strak en hij hield den steeds woedender blaffenden hond van zich af met den voet.

Raffles had dit kleine tooneeltje met de grootste verbazing gadegeslagen en hij vroeg zich tevergeefs af, waaraan het gedrag van den hond was toe te schrijven, wiens genegenheid voor zijn meester hem bekend was.

Austin Grammont was lid van de Windsor Club en Raffles had hem daar in zijn kwaliteit van vice-president herhaaldelijk in gezelschap van den kleinen terrier gezien.

Het schrandere dier gedroeg zich dan zeer welopgevoed, ging liggen, waar het hem bevolen werd en bewoog zich niet, alvorens zijn meester hem weder riep om te vertrekken.

Hij bestudeerde aandachtig, maar tersluiks, het gelaat van den bankier, en hij las er een uitdrukking op, welke hij er tevoren nog nooit op gezien had, een uitdrukking van wreedheid en boosaardigheid.

—Mijn God, wat is er met den man gebeurd? zeide hij zachtjes voor zich heen. Zou hij op weg zijn, waanzinnig te worden? Is het mogelijk, dat hij daarom volstrekt niet meer weet, wat hij eergisterennacht gedaan heeft? Ik moet en zal zekerheid hebben.

Op dit oogenblik kreeg Grammont den bezoeker in het oog en vroeg op tamelijk onvriendelijken toon:

—Wat is dat? Wat wenscht gij mijnheer?

Dadelijk was Raffles in zijn rol.

Hij nam beleefd zijn hoed af en zeide:

—Ik vraag verschooning, mijnheer, als ik u soms kom lastig vallen, maar ik kom u mijn diensten aanbieden als particulier detective. Ik ben William Blackburn.

—Zoo, meneer, het is mij aangenaam het te hooren, maar ik zal geen gebruik maken van uw aanbieding, zeide Grammont kortaf. Ik heb reeds aan de officieele politie laten weten, dat het mij de moeite niet waard is, om zooveel drukte over de zaak te maken. Vindt men het gestolene en ontdekt men den dief of de dieven, zooveel te beter. Maar in het tegenovergestelde geval kan het mij volstrekt niet schelen. Ik ben gelukkig rijk genoeg!

—Alweder een nieuwe karaktertrek, mompelde Raffles voor zich heen. Dat heb ik ook nog nooit bij hem ontdekt! Je bent mij nooit sympathiek geweest, vriend Grammont, maar je hebt toch nog nooit over je rijkdommen gebluft!

En daarop vervolgde hij op luiden toon:

—Het spijt mij werkelijk meneer! Onze condities zijn zeer laag en ik ben zeker, dat ik binnen korten tijd de daders zou hebben gevonden! Misschien komt u nog wel op uw besluit terug en dan ben ik gaarne tot uw dienst!

—Dat denk ik haast niet, mijnheer, zeide Grammont droogjes. Ik heb weinig tijd, met dergelijke futiliteiten kan ik mij onmogelijk lang ophouden.

Intusschen had de butler niet zonder moeite den kleinen terrier opgevangen en hem in een vertrek, dat op de vestibule uitkwam, opgesloten.

Maar ook daar nog ging het dier woedend te keer, huilde, blafte als een razende en sprong tegen de deur op.

Het kwam Raffles voor, dat Grammont een snellen blik vol haat op de dichte deur wierp en daarop kwam hij snel de overige treden van de trap af, schreed door de vestibule en verdween, zonder verder notitie van den gewaanden detective te nemen.

Raffles keek hem een oogenblik na en wendde zich toen weder tot den butler met de vraag:

—Is uw meester altijd zoo vriendelijk gemutst?

—Ik moet bekennen, dat het humeur van mijnheer vandaag al bijzonder slecht is, anders gaat het nogal.

—Wat mankeert die hond toch? ging Raffles nieuwsgierig voort.

Dayton haalde de schouders op.

—Ik begrijp er zelf geen sikkepit van. De hond is altijd dol van blijdschap als hij mijnheer ziet en hij is voor vreemden juist niet bijzonder toegankelijk!

Raffles dacht een oogenblik na en vroeg toen plotseling:

—Het is een onbescheiden vraag, maar mijnheer Grammont drinkt toch niet?

De butler scheen een oogenblik te aarzelen, of hij wel op deze vraag zou antwoorden en toen antwoordde hij met gedempte stem:

—Als gij mij bepaald belooft, dat gij het niet verder zult vertellen, mijnheer drinkt in den laatsten tijd meer, dan wel goed voor hem is! En dan doet hij aan morfine en meer van dat duivelsch goed!

Raffles schudde eenige malen het hoofd en bleef in gedachten voor zich uitstaren.

Toen hernam hij:

—Dan heb ik hier verder niets meer te doen! Mijnheer Grammont schijnt niet meer van mijn hulp gediend te zijn, het spijt mij, ik stelde veel belang in de zaak. Apropos, hoelang heeft Mijnheer Grammont dien terrier al?

—Minstens een jaar of drie! Hij heeft hem als pukkie van 3 maanden gekocht.

—Is de hond wel eens meer zoo woedend tegen hem tekeer gegaan?

—Bij mijn weten nog nooit!

—Hoe komt het dier zoo kletsnat, en blijkbaar uitgehongerd thuis?

—Dat mag Joost weten! Mijnheer is gisterenmorgen met hem uitgegaan, en hij moest hem toen aan de lijn meenemen. Het verwonderde mij toen reeds, dat de hond volstrekt niet mee wilde, en ook zeide mijnheer tegen mij, dat het dier te lastig begon te worden, en dat ik het maar moest wegschenken. Toen hij terugkeerde, een uur later, verklaarde hij, dat de hond van hem was weggeloopen in de drukte op het Strand.

—Merkwaardig! mompelde Raffles. Ik kan mij niet anders herinneren of Grammont heeft altijd met groote liefde van zijn hond gesproken! Wat is er toch met den man gebeurd, dat hij zoo eensklaps veranderd is.

Hij knikte den butler toe en verliet het huis.

Op straat riep hij een huurauto aan en liet zich tot dicht bij zijn huis in de Regentstreet brengen.

Charly wachtte hem in de bibliotheekzaal.

Hij was juist teruggekeerd van een tochtje met zijn motorrijwiel en vroeg dadelijk op nieuwsgierigen toon:

—Heb je met Grammont gesproken? Neemt hij je diensten aan?

—Ik heb met hem gesproken, maar hij wil mijn diensten niet aanvaarden.

—Dus je hebt niets bijzonders kunnen ontdekken, het geval is nog altijd even raadselachtig?

—Mijn waarde, het is nog veel raadselachtiger geworden! kwam Raffles. Ik moet je echter erkennen, dat ik er maar heel weinig meer van begrijp. De man legt tegenover de politie een verklaring af, waaruit moet blijken, dat hij thuis was in den nacht van de inbraak. Waarom? Ik kan het niet zeggen! Hedenmorgen was ik bij hem en wien denk je dat ik aan de deur ontmoette? Geef het maar dadelijk op, je zoudt het toch niet raden. Sherif, zijn kleine trouwe foxterriër. Het beest was drijfnat en waarschijnlijk letterlijk uitgehongerd, want het arme dier had den geheelen dag van gisteren en hoogstwaarschijnlijk ook den geheelen nacht op straat doorgebracht in dien plasregen.

—Dat is sterk! riep Charly verontwaardigd uit. Ik heb nooit bijzonder veel met Grammont opgehad, maar in ieder geval had hij een goede karaktertrek en dat was juist de liefde voor zijn dieren en speciaal voor Sherif. Wat is er dan toch met den man gebeurd?

—Diezelfde vraag heb ik mij zelf ook gesteld, Charly, toen ik dit uit den mond van den butler vernam. En ik kan er maar één antwoord op vinden, er moet hem iets overkomen zijn, waardoor zijn hersens zijn aangedaan! Maar wat dat is, dat weet ik nog niet, maar ik zal het weten! Van dit oogenblik af, zullen wij met z’n drieën, jij, mijn trouwe Henderson en ik, het huis in het oog houden. Er is iets niet in orde daar in de Harrow Road, dat is zeker!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings