De draden beginnen zich te ontwarren.
Reading edition
In een oogwenk had Raffles Charly en den portier in de loge van dezen laatste getrokken en de deur op slot gedaan.
—Is hier nog een tweede vertrek achter? vroeg hij op gedempten toon.
—Ja, zeker, die deur! antwoordde de portier, zeer verbaasd over het optreden van den gewaanden detective.
Raffles rukte de deur open en duwde den hond naar binnen.
Nu was het dier door twee deuren gescheiden van den man, die zooeven was binnengetreden en nu de trap opging, zonder links of rechts te zien!
—Gij zult later wel begrijpen, waarom ik dit deed! kwam Raffles op zachten toon tot den portier. En let wel op, geen woord tegen mijnheer Grammont over dit voorval, of gij zoudt betrokken worden bij een zaak, die voor u zeer onaangename gevolgen zou kunnen hebben!
Raffles had dit op zulk een ernstigen toon gezegd, dat de portier hem verschrikt aanzag en toen de verzekering gaf, dat hij over de komst van den detective niet zou reppen.
Raffles duwde den man nogmaals een halven kroon in de hand, ging den hond weer halen, die onrustig rondsnuffelde, alsof hij toch de lucht had gekregen van den man, die zoo juist de trap was opgegaan en daarna verlieten de twee mannen het clubgebouw weder.
Op straat gekomen zeide Raffles:
—Het doet mij genoegen, dat hij den hond niet herkend heeft, wie weet, of hij zijn mond dan wel had gehouden! Nu wordt die waarschijnlijk gesloten door de vrees, voor den arm der Justitie, ofschoon de man moet weten, dat hij zich zelf in deze zaak minder te verwijten heeft dan een pasgeboren kind!
—Waar gaan wij nu heen?
—Luister! Jij neemt den hond mede naar huis en wacht op nadere instructies. Ik begeef mij naar het huis in Harrow Road, en zal Dayton verzoeken, mij zijn plaats te laten innemen!
—Een uitstekend idee! Op die wijze zul je misschien het gemakkelijkst achter zekere geheimen van den tweeden Grammont komen!
Charly nam den hond over en daarop drukten de twee vrienden elkander de hand en gingen ieder huns weegs.
Raffles had spoedig opnieuw een huurauto gevonden en gaf den chauffeur last hem naar het bankgebouw in Harrow Road te rijden.
Onderweg maakte hij zijn plan op.
Hij zou zooveel aan Dayton openbaren als noodzakelijk was, om den butler te bewegen, hem zijn plaats in te ruimen.
Dit zou des te gemakkelijker gaan, daar de man, die Grammont’s plaats had ingenomen, nog slechts weinige dagen met den butler in aanraking was gekomen, en het dus wel niet zou opmerken, wanneer deze niet juist deed, als hij het gewend was.
Eenmaal in huis, zou het Raffles niet al te moeilijk vallen, de noodige nasporingen te doen.
De auto stond stil en Raffles stapte uit en zond den chauffeur weg.
Hij belde aan, en de deur werd geopend door Henry Dayton.
Hij nam den bezoeker een weinig verbaasd op en zeide toen:
—Als gij voor zaken komt, dan moet gij aan de kantoordeur zijn, mijnheer!
—Ik kom wel voor zaken, maar niet degene die gij denkt! antwoordde Raffles. Ik zou trouwens mijnheer Grammont niet thuis treffen! Een half uur geleden zag ik hem elders!
—Mag ik dan weten, waarvoor gij komt, mijnheer? vroeg de butler verwonderd.
—Ik kom voor u! antwoordde Raffles. Hebt gij tien minuten voor mij? Ik ben particulier detective.
—Nog altijd om de inbraak! riep Dayton een weinig ongeduldig uit. Maar het moest u toch bekend zijn, dat mijnheer Grammont geen gevolg aan de zaak wenscht te geven!
—Hij misschien niet, maar de Justitie wel! kwam Raffles bedaard.
Weer kwam er een goudstuk uit zijn zak te voorschijn, dat naar de hand van den butler verhuisde.
Deze opende de deur wat verder en liet den bezoeker binnen.
Hij ging hem voor naar een klein vertrekje aan het einde van de vestibule en zeide, nadat hij de deur gesloten had:
—Vraag dan, wat gij te vragen hebt, mijnheer, maar ik verzeker u, dat ik u niet veel zal kunnen zeggen!
—Ik zal u eerst wat voorstellen, en later nog iets vragen! zeide Raffles.
—Mij voorstellen? herhaalde de butler langzaam. Wat zou dat wel kunnen zijn?
—Dat zal ik u zeggen, ik wilde voor een dag of een paar dagen uw plaats innemen.
—Hier? In dit huis? Mijn plaats als butler? riep Dayton met een ongeloovigen blik uit. Met welk doel?
—Met het doel, mijnheer Grammont te bespieden!
—Wat? En daar durft gij zoo brutaalweg voor uitkomen? riep de butler verontwaardigd. Dan zijt gij aan het verkeerde adres, mijnheer! Ik verraad mijn meester niet!
—Dat doet gij ook niet, als gij mij uw plaats afstaat! hernam Raffles rustig. Mijnheer Grammont is uw meester niet!
De butler keek Raffles een oogenblik aan, alsof hij vreesde met een gek te doen te hebben.
Maar toen hij den ernstigen blik in de grijze oogen zag, riep hij uit:
—Gij houdt mij toch niet voor den gek, mijnheer? Mijnheer Grammont zou mijn meester niet zijn?
—Op die vraag kunt gij u zelf het beste antwoord geven, als gij eens bij u zelf te rade gaat, of gij sedert eergisteren niets bijzonders bij uw meester hebt opgemerkt.
Raffles had dit op zulk een overredenden toon gezegd, dat de butler verschrikt achteruit week en verbleekte.
Toen kwam het toonloos over zijn lippen:
—Als ik alles goed naga, dan, ja dan moet ik erkennen, dat mijnheer Grammont niet is als gewoonlijk! Hij heeft sommige zijner gewoonten afgeschaft en andere aangenomen, welke ik in het geheel niet kende! Zoo vroeg hij gisterenmorgen driftig waar zijn scheerwater bleef, en mijnheer Grammont heeft zich nooit zelf geschoren, zoolang mij heugt! Ik wist zelfs niet dat hij een scheermes had!
—Wat deedt gij toen?
—Wat zou ik gedaan hebben? Ik antwoordde natuurlijk, dat ik voor scheerwater zou zorgen! Het ligt niet in mijn aard, aanmerkingen te maken op het doen en laten van mijn meester!
—Maar waar haalde hij het scheermes dan vandaan?
—Er was er geen! Ik vond het bakje met scheerwater juist zoo als ik het op de waschkast had neergezet, maar steenkoud.
—En verder? Hebt gij verder niets vreemds opgemerkt? Bedenk u goed, want ik verzeker u, dat het van het grootste gewicht is!
De butler dacht ingespannen na en riep eensklaps uit:
—Juist, het was gisteren de eerste van de maand, en mijnheer Grammont wilde de bedienden zelf betalen. Dit nu is altijd mijn werk geweest, zooals in alle gegoede huizen. Ik zeide hem bescheiden, dat ik het wel doen zou, en toen gaf hij mij geld, vijf pond te weinig! Natuurlijk dacht ik, dat hij zich eenvoudig verteld had, en ik zeide het hem.
—Nog iets?
—Toen ik gisterenmiddag langs het kantoor liep, hoorde ik toevallig den boekhouder tot den procuratiehouder zeggen, dat hij volstrekt niets begreep van een order, die mijnheer Grammont hem had gegeven. De procuratiehouder haalde toen de schouders op en gaf te kennen, dat hij zelf reeds den geheelen morgen met mijnheer Grammont overhoop lag. Hij meende dat er iets niet geheel met hem in orde was.
—Daaraan heb ik voorloopig genoeg, mijn vriend! Het blijft mogelijk, dat mijnheer Grammont door den een of anderen zielschok veranderd is, maar ik moet zekerheid hebben. Gij loopt in geen geval gevaar, daar zal ik zorg voor dragen. Gij hebt niets anders te doen, dan mij toe te staan, uw uiterlijk aan te nemen, en een dag, hoogstens twee dagen in uw plaats mijnheer Grammont te bedienen.
Nog scheen Dayton te aarzelen.
—Maar als gij u eens vergiste, mijnheer! Ik zou mijn betrekking kunnen kwijtraken!
—Ik vrees, dat gij dat in ieder geval zult doen, mijn vriend! Maar ik heb zeer vele en goede connecties, ik zal wel zorg dragen, dat gij geen schade lijdt! Bedenk, dat gij de justitie een zeer grooten dienst bewijst, als gij toestemt.
Nog even scheen Dayton in beraad te staan, en toen hief hij snel het hoofd op en zeide:
—Het zij dan zoo, mijnheer! Uw woorden hebben vasteren vorm gegeven aan mijn vage vermoedens! Ik ben tot uw dienst! Alleen wilde ik dit nog weten, als die man, die hier in huis de meester speelt, niet mijnheer Grammont is, wat is er dan van dezen geworden?
Een oogenblik overwoog Raffles, of hij den butler de waarheid zou zeggen, maar hij bedacht zich nog bijtijds en antwoordde:
—In ieder geval iets zeer ernstigs! Juist om te ontdekken wat het is, wil ik dezen vreemden man op de vingers zien!
—Zou het niet noodzakelijk zijn, Miss Hotspur, de huishoudster, in het geheim te nemen?
—Dat kunnen wij doen, maar het is niet volstrekt noodig. Want ik verzeker u, dat ik zoodanig uw voorkomen zal nabootsen, dat zelfs deze eerwaarde dame mij niet zal herkennen! Kunt gij niet een boodschap bedenken, die u een uur buitenshuis houdt?
—Mijnheer Grammont heeft gezegd, dat hij pas laat zou terugkeeren. Ik kan het er dus wel op wagen.
—Dan ga ik nu heen, en verwacht u binnen vijf minuten op den hoek van de volgende straat. Ik zal voor een auto zorgen.
Hij knikte den butler vriendelijk toe, en verliet het huis, om op straat een auto aan te roepen.
Hij behoefde slechts een paar minuten te wachten, totdat Dayton verscheen.
Hij had een korte overjas aan en droeg een bolhoed, zooals de meeste Engelsche bedienden van goeden huize die plegen te dragen, als zij buitenshuis komen.
Daar Raffles dit alles had voorzien, droeg hij alles bij zich, om snel en zonder al te veel opzien van uiterlijk te veranderen.
De oogen van den butler waren lichter dan de zijne, en ook niet volkomen grijs maar Grammont kende den butler te kort, om dit aanstonds op te merken.
Raffles gaf den chauffeur last, hen naar een klein hotel te rijden, op een half uur loopens afstand.
Daar bestelde hij een kamer, betaalde vooruit, en begaf zich erheen, door Dayton vergezeld.
Aanstonds pakte hij de kleine tasch uit, welke hij bij zich droeg, nam er een pruik en een aantal kleine fleschjes uit, met verschillende vloeistoffen gevuld, ontdeed zich van zijn bovenkleeren en begon zich met groote zorgvuldigheid te grimeeren.
Telkens wierp hij een blik op het gelaat van den butler, haalde hier een fijne streep, trok daar een rimpel, maakte de huidskleur lichter, door haar te bevochtigen met een kleurloos watertje en verfde zijn wenkbrauwen met een andere kleurstof, zoodat zij donkergrijs werden.
Met behulp van een zeer dunne, vleeschkleurige pleister trok hij de oogen in de buitenhoeken een weinig op, want de oogen van Dayton waren een weinig schuin geplaatst, en nadat hij een paar korte bakkebaarden op zijn wangen had geplakt, was de gelijkenis waarlijk verbluffend.
Dayton zat verstomd naar den gewaanden detective te kijken en zeide nu vol bewondering:
—Ik moet zeggen, dat gij uw vak verstaat, mijnheer! Ik heb vaak gemeend, dat het met die vermommingen maar lak was, en dat men het dadelijk moest kunnen zien, maar ik moet nu wel van die meening terugkomen!
—Gewoonte, vriend Dayton, niets dan gewoonte! gaf Raffles glimlachend te kennen. Nu nog uw overjas en uw hoed, en dan ben ik gereed! Hebt gij hier in de stad familie, naar wie gij u zoolang begeven kunt?
—Ik kan naar mijn zuster gaan, mijnheer!
—Mooi zoo, dan vertrek ik nu eerst, gij wacht nog een half uurtje, en gaat dan op uw beurt heen. Op die wijze loopen wij het minst gevaar, dat men de verkleedpartij opmerkt. Hier hebt gij mijn overjas en hoed!
—Ik moet daar nu zeker zoolang blijven, tot ik bericht van u ontvang? vroeg Dayton, terwijl hij de jas aantrok, welke Raffles hem overhandigd had.
—Ja, en het zal wel minstens een vollen dag duren! Maar alles kan mij meeloopen en dan zult gij zeker met lof vermeld worden in de bladen, want dan zult gij de behulpzame hand hebben geboden bij de onthulling van.… een zeer ernstig misdrijf, meer kan ik er voor het oogenblik niet van zeggen!
De beide mannen waren nu geheel gereed, en er stonden twee Daytons in het vertrek, zoo volkomen aan elkander gelijk, wat het gelaat betreft, dat niemand het onderscheid had kunnen ontdekken, of had kunnen zeggen, wie de echte, wie de nagemaakte butler was.
Wel was Raffles, als hij zich oprichtte, bijna een decimeter langer dan Dayton, maar dit verschil in lengte wist hij meesterlijk te verbergen, door gebogen te loopen, met kromme knieën.
Hij bekeek zich nogmaals in den grooten spiegel, die in de eenvoudige hotelkamer hing, en daarop stak hij Dayton de hand toe en zeide:
—Nu ga ik! En ik hoop, u spoedig bericht te kunnen zenden. Geef mij uw adres, of liever het adres van uw zuster!
Dayton schreef het adres op een klein stukje papier en stak het Raffles toe, die het in zijn zak liet glijden.
En daarop verliet hij de kamer, overtuigde zich, dat er geen kellners in de nabijheid waren en liep haastig de trap af.
In de groote hall stonden wel eenige kellners en reizigers, maar niemand sloeg acht op hem.
Als aanstonds de echte Dayton nogmaals voorbij zou komen, dan zou men eenvoudig denken, dat hij in dien tusschentijd terug was geweest.
Raffles riep dadelijk een huurauto aan, en liet zich tot op een vijftig meter van het huis van Grammont brengen.
Daar stapte hij uit, betaalde den chauffeur en ging te voet verder.
Hij belde aan, en de deur werd geopend door een eerwaardige oude dame van ruim zestig jaar, met een grooten bril op den scherpen neus.
—Ik wist niet, dat je uit geweest waart, Dayton! zeide de dame, Miss Hotspur.
—Ik ben wat langer opgehouden, dan ik dacht, Miss! kwam Raffles, verheugd, dat hij blijkbaar aanstonds als Dayton werd aangemerkt. Neem het mij alsjeblieft niet kwalijk!
—Ik zal je zeker niet kwalijk nemen, Dayton, maar als mijnheer Grammont het merkte.…! Je weet wel, dat hij de laatste dagen van een heel onaangenaam humeur is!
—Is hij in dien tusschentijd thuisgekomen? riep Raffles met voorgewenden schrik uit.
—Dat niet, maar het zal zoo lang niet meer duren! Mijnheer eet thuis, zooals je weet!
Raffles wist er natuurlijk niets van, maar hij knikte, alsof hij er alles van begreep, en begaf zich snel naar het bediendenvertrek, om zich daar van zijn jas en hoed te ontdoen.
Het was hem nu van groot voordeel, dat hij het huis zoo goed kende, want nu zou hij zich zeker niet zoo spoedig vergissen.
Niemand van de bedienden scheen ook maar een oogenblik aan zijn identiteit te twijfelen, noch de kamerbediende, noch de kok, noch de huisknecht.
En Raffles zelf maakte geen fouten!
Als het noodig was, zou hij maanden achtereen in de deftigste huizen als butler kunnen dienen, zonder dat men reden tot klagen over zijn kundigheden zou hebben gehad!
Alles wat hij deed, was volkomen correct, en een butler met jaren praktijk zou hem niet hebben kunnen verbeteren.
Hij vergewiste zich, dat alles in de keuken in orde was, proefde van de spijzen, gaf een paar orders, en klom toen haastig naar de tweede verdieping, waar hij wist, dat zich de slaapkamer van Grammont bevond.
Snel opende hij de deur en ging binnen.
Hij trad op de kleerenkast toe en onderzocht ze haastig.
Daar hingen, keurig gerangschikt, dat was blijkbaar het werk van Dayton, alle costuums van den bankier, zijn sportjakken, zijn flanellen strandcostuums, zijn motorjekker, zijn smokings en zijn rokcostuums.
Naar een dezer laatste kleedingstukken zocht Raffles, de overige konden hem voor het oogenblik minder schelen.
Hij nam een rok van den haak en begon snel maar grondig alle zakken te doorzoeken.
Hij vond echter niets, evenmin als in vest en pantalon van het costuum.
Daarop greep hij een tweeden rok en begon opnieuw zijn nasporingen.
Hij stak de hand beurtelings in de beide binnenzakken, en vervolgens in de zakken der panden.
De tweede zak bleek een weinig uitgescheurd te zijn, misschien door een zwaren tooneelkijker, want Grammont bleek nogal nonchalant met zijn kleederen om te springen.
En toen Raffles de hand door dat gat heenstak, voelde hij iets knisteren, hij haalde een opgevouwen briefje te voorschijn.…
Het was van zacht ivoorkleurigen tint, en rook sterk naar viooltjes.
De korte inhoud, met potlood geschreven, luidde als volgt:
—Lieve Austin! Ik wil je alles vergeven, ik wil alles vergeten, en geld wil ik ook niet hebben! Ik wacht je vanavond, na afloop van de voorstelling op den hoek van het spoorwegdepôt in Paddington. Twaalf uur! Ik heb je lief! Je Nelly.
Raffles liet het briefje haastig in zijn zak glijden en hing den rok weder weg.
Terwijl hij dit deed, ging de deur open en Grammont verscheen op den drempel.
Hij bleef even staan waar hij stond en vroeg toen:
—Wat voer je daar uit, Dayton?
Raffles meende wantrouwen in de stem te hooren.
Hij had zich spoedig van zijn schrik hersteld en antwoordde onderdanig:
—Ik wilde mij even overtuigen, dat de rokcostuums van mijnheer in orde zijn, ik meende mij te herinneren, dat er een gat was in een der achterzakken van uw besten rok.….
Grammont keek den gewaanden butler strak aan, en Raffles meende op te merken, dat zijn oogen snel achter elkander eenige malen knipten, als van iemand, die eensklaps van de duisternis in het licht komt.
Toen zeide de bankier:
—Laat dat maar! Je behoeft niet zoo bijzonder ijverig te zijn! Doe dergelijke dingen als ik het je beveel, en anders niet! Begrepen?
Raffles maakte een zwijgende buiging en sloot de kast.
—Mijnheer eet thuis?
—Waarvoor dacht je, dat ik anders hier kwam? zeide Grammont norsch. Haast je maar wat! Ik heb een afspraak voor hedenavond.
—Ik zal zeggen, dat de kok zich moet reppen, mijnheer! hernam Raffles en hij verliet in gebogen houding het vertrek.
Maar op de mat voor de deur stond hij even stil en bromde voor zich heen:
—Dat verloren briefje, dat vodje papier, dat je over het hoofd hebt gezien, kon je wel eens aan de galg brengen, mijnheer de Onbekende!
Hij ging weder de trap af, en nam in de vestibule de telefoon van de haak.
Hij liet zich in verbinding stellen met het kleine hotel, waar hij Dayton had achtergelaten en verzocht den portier den butler aan het toestel te roepen.
En daarop ontspon zich het volgende, korte gesprek.
—Ik ben het, Dayton, je vriend van zooeven! Zeg mij eens spoedig, of mijnheer Grammont kennis heeft aan een of andere dame, waarschijnlijk een artiste, die Nelly heet!
—Ja zeker, mijnheer! Maar dat is al een paar maanden uit, als ik mij niet vergis, die jonge dame maakte heel wat geld stuk en met haar trouw was het niet bijzonder gesteld!
—Maar mijnheer Grammont hield zeker zeer veel van haar?
—Hij was gek met haar! Wel drie keeren heeft hij haar gesmeekt, het toch weer goed te maken! Dan bleef zij hem ook weer een tijd trouw, maar lang duurde het nooit!
—Kun je mij zeggen, of mijnheer Grammont op den dag van de inbraak een brief van haar heeft gekregen?
—Laat eens even zien, ja, dat is wel mogelijk! Omstreeks vijf uur in den middag kwam een man, die er wel wat als een tooneelknecht of iets dergelijks uitzag, een briefje brengen.
—Hoe zag het er uit?
—Langwerpig, ivoorkleurig … en het rook sterk naar viooltjes, naar ik mij meen te herinneren.
—Ik dank je, Dayton, dat is voorloopig voldoende! Blijf maar trouw op je post, ik kan je zeggen, dat alles goed gaat, in dien zin, dat ik aan den vooravond sta, een zeer zwaar misdrijf aan het licht te brengen!
Raffles hing het toestel weder aan den haak, en bemoeide zich nu uitsluitend met het middagmaal.
En zoo voortreffelijk vervulde hij zijn rol, dat de overige bedienden, noch de heer des huizes, noch de huishoudster, ook maar een seconde aan zijn waren aard twijfelden.
Grammont at vlug, en scheen in gedachten verdiept, ofschoon Miss Hotspur nu en dan een poging waagde, een gesprek aan te knoopen.
Maar tegen het dessert zeide Grammont eensklaps:
—Luister eens, Miss Hotspur! Ik moet morgen op reis, het zal wel een verre reis worden, ik denk Indië of Australië, ik weet het nog niet zeker. In ieder geval blijf ik minstens een half jaar weg!
—Lieve hemel, mijnheer, hoe komt u daar zoo ineens op, riep Miss Hotspur uit, terwijl zij de handen van verbazing in elkaar sloeg.
—Het is een inval van mij! antwoordde Grammont ongeduldig. Ik had het al lang moeten doen, ik wil daarginds een paar zakenvrienden gaan bezoeken. Wat u betreft, gij kunt natuurlijk hier blijven, maar als gij liever naar uw ouders gaat.…
—Mijn ouders? herhaalde de huishoudster en haar oogen werden vochtig. Is u dan nu reeds vergeten, dat de goede oudjes op denzelfden dag om het leven zijn gekomen, een half jaar geleden?
Grammont bromde iets, dat op een verontschuldiging moest lijken, en wierp zijn servet naast zich neer.
Hij stond op, haalde zijn sigarettenkoker te voorschijn, en vervolgde, als terloops:
—Wat de bedienden aangaat, zij kunnen wel zoolang verlof nemen, en als hun dat niet schikt, dan houd ik hen niet tegen, wanneer zij elders een andere betrekking kunnen krijgen!
—Het klopt! het klopt alles als een bus! mompelde Raffles zachtjes voor zich heen. De schurk wil zich maar het liefst ontdoen van allen, die Grammont goed gekend hebben! En die reis is ook goed bedacht! Op die manier vergeet men de inbraak en de rest! Maar John Raffles is er ook nog, mijnheer Grammont, of wie je dan zijn mag!
De bankier had het vertrek reeds verlaten en een oogenblik later hoorde Raffles hem bezig in zijn slaapkamer.
Hij stond even te luisteren, en daalde toen naar het bediendenvertrek af.
En onderweg maakte hij bij zichzelf de opmerking:
—Als de kerel werkelijk morgen op reis wil gaan, dan is het tijdstip om handelend op te treden, aangebroken.