Het donkere water van de Theems.
Reading edition
Het was omstreeks één uur in den nacht van denzelfden dag.
In een portiek van een huis tegenover de bankzaak van Austin Grammont stonden twee mannen.
Het waren John Raffles en Charly Brand.
Het was eigenlijk de wachttijd van Raffles, maar Charly had er op gestaan, hem gezelschap te houden, en het nader verloop van de zaak zou aantoonen, dat hij daar goed aan gedaan had.
Met eindeloos geduld hadden zij de wacht gehouden, na Henderson, den chauffeur van Raffles, te hebben afgelost.
Dat was omstreeks 8 uur in den avond geweest en Henderson had hun medegedeeld, dat hij volstrekt niets bijzonders had kunnen ontdekken.
Grammont had den geheelen dag thuis doorgebracht, en hij had hem vele uren achtereen in zijn werkkamer voor zijn bureau zien zitten.
Nu en dan had hij iemand anders zien binnenkomen met een papier of een register in de hand, waarschijnlijk iemand van het personeel, die den bankier om inlichtingen kwam vragen.
Bezoekers waren er in het geheel niet geweest, maar wel eenige winkeliersbedienden. En na achten had de bankier zijn huis al evenmin verlaten. Hij had zeker veel te werken, want door de reet van een gordijn voor een raam van zijn werkkamer scheen licht. Voor het overige was het huis reeds om 11 uur in volkomen duisternis geweest.
Op dat tijdstip hadden de beide vrienden even een schaduw gezien achter het lancaster rolgordijn van een kamer op de 3de verdieping, die van de huishoudster Miss Hotspur.
Zij deed de overgordijnen dicht, en toen was al het licht uit het huis verdwenen, behalve nog steeds de dunne reet van de gordijnen van het raam der werkkamer.
Geruimen tijd hadden de beide vrienden zwijgend bij elkander gestaan, toen Charly opmerkte:
—Ik sta nog voortdurend te denken aan het vreemde optreden van Grammont. Wat denk je van mijn stelling, dat de man misschien zoo ontzet is door de inbraak, dat dit zijn verstandelijke vermogens heeft aangetast.
—Ik geloof niet, dat Grammont daar de man voor is, Charly, zeide Raffles, hoofdschuddend. Dat er iets met zijn hersens gebeurd moet zijn, dat staat volgens mij vast, maar als ik dat aanneem, dan kan ik daarmee nog altijd niet het vreemde gedrag van den hond verklaren! Een hond die zijn meester werkelijk lief heeft, verandert niet zoo van den eenen dag op den anderen, als die meester hem eens wat ruw behandelt.
—Hij kan hem in blinde drift wel half dood geranseld hebben! meende Charly.
—Dat zou het wel minstens moeten zijn, om het gedrag van den hond te verklaren!
Een naburige kerkklok liet juist een enkelen sonoren klank hooren, toen eensklaps de lichtkier verdween.
—Nu zal hij zich wel naar bed begeven, en wij kunnen, dunkt mij, wel hetzelfde doen! kwam Charly.
—Een oogenblikje, mijn jongen, het is nu toch laat, en wij kunnen nog wel een kwartiertje wachten!
—Wat verwacht je dan eigenlijk?
—Misschien gaat hij wel uit.
—Om één uur in den nacht? vroeg Charly verwonderd. Waar zou hij in ’s hemelsnaam naar toe moeten gaan?
Raffles haalde de schouders op en antwoordde:
—Dat weet ik natuurlijk niet. Maar van iemand, die zoo vreemd doet, zou het mij volstrekt niet verwonderen, als hij nog uitging.
Raffles had deze woorden nauwelijks uitgesproken, of boven de straatdeur van het groote bankgebouw werd een flauw schijnsel zichtbaar, dat spoedig weder verdween.
—Je motorrijwiel, Charly, haast je! zeide Raffles.
Charly had het zware, Amerikaansche motorrijwiel, waarmede hij en Raffles hier waren gekomen in een garage gestald, die dag en nacht open bleef en die op slechts eenige tientallen meters afstand in een zijstraat was gelegen.
De jonge man ijlde weg, haalde het motorrijwiel, maar bleef voor de garage staan, vanwaar hij de voordeur van het bankgebouw kon zien.
Juist ging de deur open en Austin Grammont verscheen.
Hij had zijn vilten hoed diep in de oogen getrokken en hield een klein valies in de hand.
In een straat als deze rijden er op ieder uur van den nacht nog vrij wat auto’s voorbij en de bankier had er dan ook spoedig een gevonden.
Hij gaf den chauffeur blijkbaar een of ander adres op en stapte in.
En nauwelijks was de auto weggereden, of Raffles ijlde op zijn beurt op het motorrijwiel toe en wipte achter Charly op het tweede zadel.
—Houdt hem goed in het oog, maar kom niet te dicht bij, riep hij den jongen man toe.
De tocht zou niet lang duren, want reeds veertig minuten later stopte de huurauto in een straat, die op de Theemskade uitkwam.
Het was niet ver van de Lambeth Bridge.
Nog juist bijtijds had Charly het motorrijwiel tot staan kunnen brengen, na het vlug een zijstraat te hebben ingestuurd.
Terwijl hij het op den standaard zette, keek Raffles voorzichtig om den hoek en zag hoe Grammont met den chauffeur afrekende, terwijl hij het valies naast zich op het asphalt had gezet.
De auto stond niet zoover af, of Raffles kon duidelijk het nummerbord onderscheiden: N. L. 3717.
Niet ver daar vandaan was een auto-verhuurinrichting, en Raffles beval:
—Breng spoedig het rijwiel daar onderdak, Charly, maar haast je! Hij schijnt te voet verder te gaan, en wij kunnen het motorrijwiel niet gebruiken.
Terwijl de jongeman de motorfiets ging wegbrengen, hield Raffles den bankier in het oog.
De auto had dicht bij een lantaarnpaal stilgestaan, en Raffles zag dat het gelaat van den bankier bleek en vertrokken was.
Het valies trok eveneens zijn aandacht, het was zwaar en waarschijnlijk zeer kostbaar, want het was van echt zwijnsleder vervaardigd.
Nu nam Grammont het op, knikte den chauffeur toe, en liep haastig de straat af, die naar de Theemskade voerde.
Juist kwam Charly weder aansnellen, en de twee mannen volgden nu den nachtelijken wandelaar op veiligen afstand.
Dat was wel noodig, want op dit uur van den nacht waren er in deze straat zoo goed als geen voorbijgangers.
Ook de Theemskade was op deze plek stil en verlaten.
Op eenigen afstand teekende het Parlementsgebouw zijn krachtig silhouet tegen den donkerblauwen nachthemel af.
Nog verder welfde zich de Tower Bridge machtig over de Theems.
—Ik gaf een lief ding, als ik wist, wat Grammont met dat valies van plan is! Hij gaat dus op reis? fluisterde Charly.
—Als hij dat van plan is, waarom gebruikt hij dan niet zijn eigen auto en waarom rijdt hij dan niet regelrecht naar een of ander station, naar Victoria Station of Charing Cross?
Daarop wist Charly geen antwoord en daarom deed hij er het zwijgen toe.
Intusschen had Grammont de Theemskade over eenigen afstand gevolgd, en nu liep hij de Lambeth Bridge op.
Ongeveer halverwege de brug scheen hij stil te staan.
Raffles en Charly, die zich haastig achter de borstwering van de kade verscholen hadden, konden zijn gestalte vaag onderscheiden, zooals hij daar over de ijzeren leuning boog en aandachtig scheen rond te kijken.
Het was reeds bij half drie, en heinde en ver was in deze eenzame buurt niemand te bespeuren.
Aan de overzijde verhieven zich de hooge populieren van het Aartsbisschoppelijke park, en aan deze zijde van de breede rivier strekte zich de kade uit, geheel verlaten.
—Nu wil ik toch gevild worden, als ik iets van die geheele vertooning begrijp, fluisterde Charly, wiens spanning iedere seconde toenam. De man moet werkelijk niet goed bij het hoofd zijn. Lieve hemel, zie nu toch eens wat hij doet.
Dat was werkelijk zonderling genoeg .……
Want er kwam een donker voorwerp van de brugleuning naar beneden zakken, dat moest het valies zijn, hetwelk Grammont aan een touw neerliet, waarschijnlijk, omdat hij bevreesd was, dat de plons van het zware voorwerp in het water, de aandacht van een patrouilleerenden agent zou trekken.
Gestadig daalde het valies naar de donkere, geheimzinnig glanzende oppervlakte van de Theems. Binnen een halve minuut zou het valies onder de golven verdwenen zijn.
Raffles verloor geen tijd.
Hij greep Charly bij den arm en trok hem mee, terwijl hij fluisterde:
—Ga spoedig mee, op twintig passen hier vandaan moet een sloep liggen van de rivierpolitie, met een dreg er in.
—Maar dan moeten wij er de politie bij betrekken.
—Als het niet anders gaat, in ’s hemelsnaam dan maar.
De beide mannen snelden in gebukte houding langs de borstwering voort, daalden een trap af, en ijlden op een kleine roeiboot toe, vastgemeerd aan een paal, die een bord droeg, waarop met witte letters geschilderd stond: „Politiedreg”.
Er was echter niemand in de nabijheid en de beide vrienden konden in het bootje springen en het losmaken zonder dat iemand het zag.
Ook de man op de brug, die daar zulk een zonderlinge bezigheid verrichtte, scheen voor niets anders oogen te hebben, dan voor het valies, waarvan de onderzijde het water reeds aanraakte.
Toen liet Grammont het touw schieten, en geruischloos zonk het valies in de golven.
Alsof de duivel hem op de hielen zat, zoo holde Grammont weg, zonder zelfs een blik achter zich te werpen.
De beide vrienden hadden de riemen reeds gegrepen en roeiden nu zoo snel zij konden, naar de plek, waar het valies was gezonken.
Omtrent de plek konden zij zich niet vergissen, het was juist tusschen de middelste pijlers.
En het was nu voor hen van groot voordeel, dat Grammont het valies aan een touw had laten zakken, want nu moest het valies noodzakelijk rechtstandig gezonken zijn, en wel juist bij het begin van de doorvaartopening.
Raffles begon de dreg eerst los te maken en dadelijk plonsde de looden kogel, voorzien van een zestal haken, overboord.
Hij behoefde de dreg slechts even heen en weer te trekken over den bodem, en reeds greep een van de haken in een der lederen handvatsels van het valies.
Zoo palmde Raffles snel het valies in en het volgende oogenblik had hij het aan boord getrokken.
En ternauwernood konden de beide vrienden een kreet terugdringen, die hen onweerstaanbaar naar de lippen drong, er kwam geluid uit het valies! Het was een zacht, erbarmelijk klagend gejank als van een dier in stervensnood.
Vliegensvlug gespte Raffles de leeren riemen los, schoof de knippen terug en daar lag het valies geopend op den bodem van de boot.
—Sherif! schreeuwde Charly ontzet en van verwondering geheel ontdaan.
—Ja, het was de foxterriër van Austin Grammont, juist op het nippertje gered van den verdrinkingsdood, met half gesloten oogen en moeilijk ademhalend.
Het arme dier zag Charly aan met een blik, waarin een zoo duidelijke vraag om medelijden te lezen was, dat hem bijna de tranen in de oogen deed komen.
Alsof hij met een menschelijk wezen te doen had, zoo behandelde Raffles aanstonds den kleinen drenkeling.
Hij wreef hem voorzichtig over het ijskoude lijfje, zoodat het ingezwolgen water weer werd overgegeven en drukte en perste zoolang, tot de bloedsomloop weder was hersteld.
Met hun beide zakdoeken en met een halsdoek van Charly werd het dier drooggewreven, en daarop kreeg het een plaatsje onder de korte overjas van Raffles.
Nog rillend, de kleine oortjes in den nek, vlijde het dier zich tegen zijn borst en sloot met een diepen zucht de oogen, alsof het wist, dat het in veiligheid was.
Charly was intusschen behoedzaam teruggeroeid, zorgdragend met zijn riemen zoo weinig mogelijk leven te maken.
Het geluk was hen gunstig, want nog altijd was er niemand bij de aanlegplaats te zien.
Zij meerden de kleine jol weder, legden haar vast, schoten de dreg op en aanvaardden toen haastig den terugweg, Raffles met den hond onder zijn jas, Charly met het valies in de hand.
Zij gingen weder naar de garage, Charly nam zijn plaats aan het stuur in en daarachter troonde Raffles in een wel wat moeilijke houding, want hij moest onder den eenen arm het valies vastklemmen en met den anderen den kleinen Sherif beschutten.
Maar het zadel was breed, hij was een acrobaat en voor de goede zaak moest men wat over hebben.
Geen twintig minuten later hield de motorfiets stil voor de tuindeur van het huis in de Regentstreet.
Charly was reeds van het rijwiel afgesprongen en opende de deur met zijn sleutel, waarop zij beiden haastig binnengingen en de motorfiets stalden in de garage.
Henderson, die voortreffelijke ooren had, en die boven de garage zijn kamer had, was aanstonds wakker geworden en kwam nu zijn hoofd uit het raam steken, maar werd met een paar woorden gerustgesteld.
Raffles en Charly gingen den tuin door en traden het huis aan de achterzijde binnen.
Nu werd allereerst voor den kleinen terrier gezorgd.
Charly ging in de keuken eerst wat melk warmen en de hond likte het schoteltje gretig op, kreeg vervolgens een heel blikje ossentong te verorberen en tenslotte werd het dier in een wollen deken gerold, en kreeg een heerlijk plaatsje in den hoek van de sofa in de rookkamer.
Het duurde niet lang of het dier strekte zich behagelijk uit en sluimerde in, maar niet dan nadat het op de beide mannen een blik had geworpen, waarin duidelijker dan in een menschenoog zijn dankbaarheid te lezen viel.
Raffles keek eenigen tijd naar het fraaie dier, dat daar nu zoo rustig lag te slapen, en vestigde toen zijn doordringende grijze oogen op het gelaat van Charly.
—Wel, dat is al een heel vreemde zaak, vindt je niet? vroeg hij langzaam.
—Om je de waarheid te zeggen, ik heb in mijn hoofd een gevoel alsof er watten in zitten, watten en keisteenen. Als Grammont niet volslagen krankzinnig is, waarom deed hij dit dan in ’s hemelsnaam?
—Ik begin nu te gelooven Charly, dat de bankier in het geheel niet gek is, maar integendeel bijzonder goed weet wat hij doet. Die hond is hem lastig! En wel in zeer hooge mate, anders zou hij zeker dien nachtelijken tocht niet naar de Theems hebben gedaan, om het arme dier te verdrinken.
—Als je je verbeeldt, Edward, dat je nu de zaak plotseling voor me hebt opgehelderd, dan heb je het mis! riep Charly uit. Waarom is die hond hem lastig?
—Ik wilde, dat ik je op die vraag een antwoord kon geven, Charly. Als het niet te krankzinnig klonk, dan zou ik zeggen: Er heeft een verwisseling plaats gehad, Sherif is door een anderen hond vervangen!
—Maar dat is tastbare waanzin, Edward! riep Charly ongeduldig uit. Neem mij niet kwalijk, maar dat kan ik niet aannemen. En zelfs, al was dat zoo, waarom zet Grammont dan niet eenvoudig een advertentie in de bladen: „Hond weggeloopen, verkeerde thuisgebracht, de eigenaar wordt beleefd verzocht zijn hond te komen afhalen, en tegen mijn eigendom in te ruilen?”
—De hond kan dus niet verruild zijn, denk je? vroeg Raffles met een zonderling lachje.
—Dat acht ik volkomen onmogelijk.
—Welnu, dan is er maar één andere oplossing mogelijk, als meester en hond elkander niet meer herkennen, hetgeen hier het geval is, namelijk, dat de meester verwisseld is.