Het lijk in het spoorwegdepôt.
Reading edition
Charly bleef Raffles geruimen tijd met een wezenloos gezicht aanstaren.
Eindelijk kon hij stamelen:
—Neem mij niet kwalijk, het kan natuurlijk wel aan mij liggen, maar waar de zaak mij tot dusverre alleen nog maar raadselachtig is geweest, daar wordt ze mij nu totaal onbegrijpelijk. De meester verwisseld? Met wien? Waarom? Wanneer? Is Grammont dan niet langer Grammont?
—Ik denk, dat Grammont dood is, antwoordde Raffles rustig.
Charly vloog van zijn stoel op en riep uit:
—Wat zeg je daar? Hoe kun je dat weten? Wij hebben hem nog geen uur geleden zien wegvluchten van de Lambeth Bridge.
—Ik denk niet, dat die man Grammont was! ging Raffles kalm voort.
—Maar mijn hemel, hoe kom je daar zoo eensklaps op. Wat brengt je er toe, om dat te denken?
—De hond, en niets anders dan de hond! Een mensch kan zich vergissen, het instinct van een dier bedriegt nooit! Zoolang de wereld draait, heeft een hond zijn meester op de honderdduizenden andere personen dadelijk kunnen herkennen. Ik weet op dien regel geen enkele uitzondering. De butler vertelt ons, en het is ons trouwens zelf bekend, dat Grammont altijd zeer veel van zijn paarden en honden hield en goed voor de dieren was. Hij komt herhaaldelijk met Sherif in de Windsor-Club, laat het dier zijn kunstjes doen en vertelt vol trots van zijn schranderheid en zijn trouw! Hoe verklaar je het nu, dat de hond in een enkelen nacht omdraait als een blad op een boom? Je hadt het dier van morgen woedend tegen hem te keer moeten zien gaan, het scheelde maar weinig of hij had hem aangevlogen, als de butler hem niet had tegengehouden.
—Dat kan ik niet verklaren, Edward.
—Pardon, dingen die niet verklaard kunnen worden, zijn mij bijzonder antipathiek, vervolgde Raffles. Er bestaat niets onverklaarbaars! De hond is, daarop wil ik nu wel een eed doen, zoo fel tegen Grammont ingenomen, omdat het Grammont niet is! Ik voel zelf wel, dat hetgeen ik daar beweer, zeer vreemd moet klinken, en toch moet het de waarheid zijn, omdat een andere verklaring niet denkbaar is. Men kan desnoods nog aannemen, dat iemand’s karakter in den loop der jaren een verandering ondergaat en dat hij zijn honden gaat mishandelen, maar het zal lang, zeer lang duren, eer de liefde voor zijn meester uit het hart van een hond zal worden verdreven.
—Als je niet meer gegevens hebt, dan deze.….! riep Charly uit.
—Natuurlijk heb ik er meer, want dit zou me zeker niet voldoende zijn! Waarom denk je wel, dat Grammont des nachts om één uur tersluiks zijn huis verlaat, als iedereen slaapt, om zijn hond te gaan verdrinken? Ik zal zeggen, waarom hij dat wilde doen, hij is bang voor het dier!
—Bang, waarom?
—Hij vreest, dat de hond hem kan verraden, vroeg of laat!
—Maar wat zou de hond dan toch wel kunnen verraden!
—Wel, bijvoorbeeld den diefstal van de identiteit van den echten Austin Grammont!
—En die zou, volgens jou, dood zijn?
—Ja, ik denk, dat het de man onder den wagon op het spoorwegdepôt is.….
Geruimen tijd werd er niets gesproken.
Charly, die weder plaats had genomen, had zich achterover in zijn stoel laten vallen, en scheen met gesloten oogen na te denken, over hetgeen Raffles hem daar zeide.
Het warrelde hem in het hoofd, want hij kon nog steeds niet inzien, wat er dan gebeurd was.
Eindelijk hernam hij langzaam:
—Als men je er naar vroeg dan zou je natuurlijk geen enkel bewijs kunnen bijbrengen voor je bewering?
—Geen enkel! Je ziet, dat ik eerlijk ben.
—Maar wel een vermoeden?
—Vermoedens heb ik, Charly, en wel zeer ernstige! Ik heb vanmorgen Austin Grammont gezien. Het was het gelaat van den bankier, het was zijn houding, zijn gang, zijn oogopslag, en toch was hij het weer niet! Zooiets is moeilijk onder woorden te brengen, maar er lag op zijn gelaat een uitdrukking, die ik er nimmer tevoren op had gezien. Wreedheid en boosaardigheid.
—Maar dat is toch niet voldoende. Hij kan wel in een bijzondere stemming zijn geweest.
—Op zichzelf zou dat zeker niet voldoende zijn, maar nu het geval met den hond. Gisteren een paar uren na de ontdekking van de inbraak, ging hij met den hond uit, die zich zeer onwillig betoonde, om met hem mede te gaan, en een uur later komt hij terug, met de mededeeling, dat hij het beest in de drukte is kwijt geraakt. Na wat wij aan de Theemskade gezien hebben, kunnen wij natuurlijk als een zekerheid verklaren, dat hij dit gelogen heeft. Hij heeft toen reeds getracht zich van het dier te ontdoen, het misschien naar een hondenkoopman gebracht, het dier is losgebroken, heeft een geheelen dag en nacht rondgezworven en tenslotte toch het huis van zijn meester teruggevonden. Maar als Austin Grammont dit met hem gedaan had, dan zou het dier toch nooit zoo tegen hem zijn opgetreden. Het zou bedroefd zijn geweest maar nooit zou het hem hebben willen aanvliegen.
—Is er nog meer?
—Ja, Grammont was niet thuis in den nacht van de inbraak. Waarom verklaarde hij aan de politie het tegendeel? Omdat hij een alibi wilde hebben! Hij moest dien nacht zijn thuisgeweest! En om aan alle lastige ondervragingen een einde te maken, gaf hij te kennen, dat hij geen werk van de inbraak wilde maken. Wij echter weten heel zeker, dat de man in ieder geval vóór drie uur in den nacht niet thuis was. Maar waar is hij dan geweest? Tot half twaalf ongeveer was hij in de Windsor Club. Dáár was stellig de ware Grammont! Maar wat er daarna met hem gebeurd is, en waarom hij niet naar zijn huis is gegaan, dat kunnen wij slechts gissen! Maar het staat nu wel bijna onaanvechtbaar bij mij vast, dat hij gedood is, en wel door denzelfden man, die nu zijn plaats heeft ingenomen.
—Maar, dan zou die man een dubbelganger van Grammont moeten zijn! riep Charly opgewonden uit.
—Welnu? is dat zoo ongehoord? Het is wetenschappelijk vastgesteld, dat er twee menschen zoo sterk op elkaar kunnen gelijken, dat zelfs de wederzijdsche familieleden zich vergissen! Grammont was schatrijk, dat kan een motief zijn geweest, om hem van het leven te berooven. Ik zie echter aan je gelaat, dat je nog niet overtuigd bent, en ik moet eerlijk erkennen, dat mijn stelling op het eerste gehoor zeer vreemd klinkt. Op een andere wijze kan ik mij echter het gedrag van Grammont, zoowel als van den hond, niet verklaren. Maar wij zullen ons morgen dadelijk zekerheid verschaffen, en op onderzoek uitgaan. Daarbij kan de hond ons van grooten dienst zijn! En nu zullen wij maar gaan slapen, en trachten, niet al te zeer over de zaak na te denken!
Raffles wierp nog een blik op den rustig slapenden hond, die zoo na aan den dood was geweest, overtuigde zich, dat zijn schotel met melk gevuld was, legde een groot stuk hondenbrood naast het dier op de sofa en toen verlieten de beide mannen het vertrek en begaven zich ter ruste.
Den volgenden morgen waren zij beiden weer vroeg uit de veeren.
In de kleine eetkamer, die op den tuin uitzicht gaf, lazen zij de ochtendbladen.
Zij bevatten volstrekt niets over de inbraak in Harrow Road, en slechts weinige regels over de lugubere vondst op het spoorweg-emplacement.
Naar alle windstreken waren foto’s van het lijk verzonden, maar zonder dat dit tot eenig resultaat leidde.
Er waren zich, zooals Raffles wel verwacht had, een twintigtal personen op het hoofdbureau van politie komen aanmelden, die sedert langen of korten tijd een familielid vermisten, maar geen hunner herkende in het lijk den verdwenen bloedverwant.
Het was omstreeks elf uur in den morgen, toen een huurauto voor het sombere gebouw van Scotland Yard stilstond.
Daaruit stapten Raffles en Charly, vergezeld door Sherif, den foxterriër.
Beiden hadden zich goed vermomd, en zagen er uit als lieden uit de provincie.
Zij stapten op een agent van politie toe, die voor de breede deur op en neder wandelde, en Raffles vroeg beleefd:
—Neem mij niet kwalijk vriend, maar ik heb in de krant iets gelezen van de vondst van een geheel ontkleed lijk. Ik kom vanwege een neef, die in Orpington woont en wiens broeder sedert een paar dagen spoorloos verdwenen is, van het oogenblik af, dat hij hier in Londen moet zijn aangekomen. Ik zou zeer gaarne het stoffelijk overschot eens willen zien, en ik heb het hondje van mijn vermisten neef meegebracht, misschien kan dat hem wel herkennen, als hij het werkelijk is!
—Ga dan maar naar binnen en vraag naar den dienstdoenden brigadier, zeide de agent, waarop hij met de handen op den rug zijn wandeling voortzette.
Raffles en Charly traden het groote, sombere gebouw binnen en even later herhaalde de eerste zijn verzoek aan een barsch uitziend man van een statuur, die niet veel achterbleef bij dien van Henderson, die toch waarlijk een reus was!
Hij luisterde een weinig ongeduldig naar het verhaal van den gewaanden provinciaal en zeide toen:
—Ik zal u een agent meegeven, u kunt dan zelf zien. Maar schrijf eerst uw naam in dit register!
Raffles schreef den eersten den besten naam in een groot boek, dat de brigadier hem toeschoof en daarop volgden hij en Charly een agent, die hen voorging naar het lijkenhuisje.
Met een zwaren sleutel opende hij de deur en de drie mannen traden een zaal binnen, waar een zeer lage temperatuur heerschte.
In het midden stond een lage, groote tafel van stoepsteen, een weinig schuins geplaatst, en daarop lag het geheel naakte lijk van een man uitgestrekt, het hoofd een weinig terzijde geneigd.
Een sterke electrische lamp, juist boven de tafel opgehangen, verlichtte het lichaam daghelder.
En nauwelijks had Sherif het lijk gezien, of hij worstelde om los te komen uit de armen van Raffles en liep, toen hij op den grond was gesprongen, erbarmelijk jankend, met den staart tusschen de beenen, en de ooren in den nek naar de steenen tafel.
Hij ging er met de voorpootjes tegen leunen, besnuffelde even het lijk en hief eensklaps een gehuil aan, dat in het geheele gebouw te hooren moet zijn geweest.
Raffles had Charly een snellen blik toegeworpen, twijfel aan zijn opvatting was bijna niet meer mogelijk!
Het hondeninstinct had gesproken en dat loog nimmer!
De agent had verbaasd naar het doen van den hond gekeken en riep nu uit:
—Het is zeker, dat het dier dien man kent! Is hij familie van u?
—Dat moet wel zoo zijn, nu de hond hem herkent! gaf Raffles ten antwoord. Dan zou die ongelukkige een neef van mij moeten zijn! Ik ga dadelijk naar Orpington terug en haal er zijn broeder bij. Wij kunnen nog vandaag gemakkelijk terug zijn. Misschien herkent Jack zijn broer wel aan eenige bijzonderheden, die mij onbekend zijn.
Met groote moeite kon Raffles den terrier van het stoffelijk overschot wegtrekken.
De hond kermde wanhopig en zijn gehuil was akelig om aan te hooren.
Maar eindelijk kon Raffles Sherif toch weer onder den arm nemen, en daarop verlieten allen het lijkenhuis weder.
De twee zoogenaamde provincialen werden weder naar den brigadier geleid, die vroeg:
—Welnu, meent gij het lijk te herkennen?
—Ik geloof, dat het mijn neef is, mijnheer! antwoordde Raffles. Zijn hond, dien ik van Orpington had meegenomen, huilde tenminste erbarmelijk. Ik wilde nu terug gaan en mijn neef halen, die zal zijn broeder natuurlijk eerder herkennen dan ik. Het gezicht is zoo vreeselijk toegetakeld, dat ik het niet durf verzekeren, of hij het al of niet is.
—Haast u dan wat! hernam de brigadier. De zaak kan dan haar beloop hebben. Uw neef is vermoord, daaraan kan niet worden getwijfeld, en wij zullen den moordenaar gemakkelijker kunnen vatten, als wij zeker weten, wie de vermoorde is!
En zoo verlieten Raffles en Charly het hoofdbureau van politie weder, echter niet om naar Orpington te gaan, maar om hun onderzoekingen te Londen zelf voort te zetten.
Zoodra zij weder in de huurauto hadden plaats genomen, die op hen was blijven wachten, begon Raffles:
—Twijfel is nu dunkt mij niet meer mogelijk, het lijk op de steenen tafel is dat van Grammont! De hond sprak een taal, die niet is mis te verstaan. Hij herkende zijn meester dadelijk. Je hebt zelf gezien, hoeveel moeite ik had, hem weer mee te krijgen.
—Ja, ik geef nu toe, dat alles wijst in de richting, welke je mij hebt aangeduid.
—Maar dit is niet voldoende. Wij moeten meer bewijzen hebben. Ik zou dien man, die nu in het huis van Grammont woont, en die toch Grammont niet is, gaarne eens van nabij bespieden. Ik zou het mijzelf nimmer kunnen vergeven, als het naderhand toch zou blijken, dat ik een domme vergissing had begaan.
Inderdaad moest Raffles bij zichzelf erkennen, dat die mogelijkheid niet volkomen was buitengesloten.
Het leek wel zeer ongewoon, dat een man den moed zou hebben, een dubbelganger te vermoorden, om dan zijn plaats in te nemen.
Grammont was bankier, en voor alles was het dus volstrekt noodzakelijk, dat zijn moordenaar verstand had van bankzaken.
In het tegenovergestelde geval zou het bedrog immers aanstonds ontdekt worden.
Voorts moest de man er op rekenen, dat hij te doen kreeg met bedienden, die reeds lange jaren in dienst van zijn slachtoffer stonden, al zijn gewoonten kenden, en een afwijking daarvan dadelijk zouden opmerken.
In ieder geval stond het dus vast, dat de moordenaar zijn slachtoffer geruimen tijd had moeten bestudeeren, en dat wel in het geheim, anders zou de wonderbaarlijke gelijkenis tusschen de twee mannen spoedig aan het licht zijn gekomen, en zijn toestand na het plegen van den moord zou daardoor zeer gevaarlijk zijn geworden.
Waarschijnlijk had de misdadiger Grammont bij toeval in een schouwburg of op de renbaan gezien en toen was het denkbeeld bij hem opgekomen, zijn plaats in te nemen, wat niet kon geschieden of Grammont zou uit den weg moeten worden geruimd.
Het was nu voor alles zaak, na te gaan, waar Grammont na half twaalf in den nacht van den moord was geweest, en waarom hij niet rechtstreeks van de Windsor-Club naar zijn huis in Harrow Road was gegaan.
Op den hoek van de Oxford Street, toen de chauffeur den weg naar Charing Cross Station wilde inslaan, tikte Raffles tegen de voorruit en gaf den man bevel, hem naar het clubgebouw te rijden, dat in de Oxford Street was gelegen.
Tien minuten later stapten de twee mannen uit, dankten den chauffeur af, en gingen binnen.
Raffles was vice-president van de club en Charly Brand kwam er dikwijls, maar eerder zou de portier aan zijn eigen bestaan hebben getwijfeld, dan aan te nemen dat die boersch gekleede menschen, die als het ware de stallucht met zich medebrachten, Zijne Lordschap William Aberdeen en zijn secretaris konden zijn!
De man bekeek hen wantrouwend en uit de hoogte en zeide toen medelijdend:
—U is hier zeker verkeerd! Wat wenscht u?
—Ik wensch je voor alles een halve guinje te geven, mijn vriend, antwoordde Raffles glimlachend.
Dat was zeker iets bijzonders voor een provinciaal, maar de portier was blijkbaar van oordeel, dat een goudstuk een goudstuk blijft, onverschillig of het afkomstig is van een Londenschen edelman of van een boer uit de provincie.
Maar verbaasd was hij wel!
Hij stak het geldstuk op, en hernam, maar op een geheel anderen toon:
—Misschien willen de heeren een der leden van de club spreken?
—Neen, dat niet! Wij wilden u ondervragen! antwoordde Raffles bedaard. Wij zijn niet voor wie gij ons houdt, geen boertjes namelijk! Wij zijn particuliere detectives en wij hebben ons een weinig moeten verkleeden, dat is alles.
—Zoo, dat is wat anders, kwam de portier. Dan moet ik zeggen, dat de heeren het meesterlijk verstaan, zich als boertjes voor te doen! En als u nu iets te vragen heeft, ga uw gang! Ik zal er op antwoorden, voor zoover het mij mogelijk is, alleen begrijp ik niet best, wat er wel aan de hand kan zijn!
—Wij komen hier in verband met de inbraak bij mijnheer Austin Grammont! antwoordde Raffles.
—En denkt gij, dat ik u van nut zou kunnen zijn om die zaak tot klaarheid te brengen? vroeg de portier op verbaasden toon.
—Dat zou ons althans volstrekt niet verwonderen, hernam Raffles. Er is iets geheimzinnigs in die zaak, ziet gij, en daarom komen wij hier, in de hoop, dat wij hier nieuwe aanknoopingspunten kunnen vinden. Zeg ons eens, hoe laat kwam mijnheer Austin Grammont hier? Ik bedoel op den avond van de inbraak.
—Het zal zoowat tien uur geweest zijn!
—Was er iets bijzonders aan hem te zien? Ik meen, was hij zooals altijd?
—Ik heb in het geheel niets vreemds bij hem kunnen opmerken! antwoordde de man. Hij knikte mij toe, zooals hij gewoonlijk doet, en daarop gaf hij zijn overjas in de vestiaire af en ging de trap op naar boven.
—Hoe laat vertrok hij weer?
—Ik denk om bij twaalven!
—Was er in dien tusschentijd misschien een boodschap voor hem bezorgd?
De portier dacht even na en antwoordde toen:
—Neen, tenminste niet voor zoover ik weet.
—Wij kunnen zeker de kellners wel even ondervragen? Misschien heeft een hunner mijnheer Grammont wel een briefje gebracht!
—Ga gerust uw gang, mijnheer! Maar waarom geeft gij u al die moeite, en vraagt het niet aan mijnheer Grammont zelf?
Raffles kneep de lippen op elkander en een lichte huivering liep hem over den rug, de vraag had hem geschokt, want hij zag weder het vreeselijk verminkte lijk op de steenen tafel in het sombere lijkenhuisje van het politiebureau liggen.…..
Hij herstelde zich evenwel dadelijk en antwoordde:
—Er zijn bijzondere redenen, waarom wij dit juist niet aan mijnheer Grammont kunnen vragen, hij maakt een reis, een zeer verre reis!
—Nu, daarin moet gij u vergissen, mijnheer! riep de portier lachend uit. Want daar komt mijnheer Grammont juist aan!