← Table of contents
Lord Lister No. 0344

De hand van het noodlot.

Reading edition

Den volgenden morgen, toen het nauwelijks negen uur had geslagen, hield een huurauto stil voor het huis in Harrow Road.

Daaruit stapte een man met een gebruind intelligent gelaat, die een klein reisvalies in de hand hield.

Hij rekende met den chauffeur af en trad op de huisdeur toe.

Raffles bevond zich toevallig in de vestibule, daar hij de gangen van het wild tot iederen prijs wilde nagaan, en daarom opende hij de deur.

Hij keek wat verbaasd naar den heer in het reiscostuum, die op de stoep stond, en vroeg:

—Wat is er van uw dienst, mijnheer?

—Wat is dat nu, Dayton, ken je mij niet meer? riep de bezoeker lachend uit. Kom, kom, zoo ben ik toch niet veranderd! Zeg maar spoedig aan mijnheer, dat ik er ben!

—Maar mijnheer Grammont is nog niet eens opgestaan! gaf Raffles te kennen.

—Dan zal ik hemzelf wel gaan wakker maken! hernam de ander. Voor zijn eigen broeder zal hij toch wel geen bezwaren maken! En vooral niet, als die hem in zes jaren niet gezien heeft!

—Zijn broeder! herhaalde Raffles, een stap terugwijkend.

—Vindt je dat zoo verwonderlijk, hernam de bezoeker, op zijn beurt verbaasd. Je kent me dus inderdaad niet meer?

In plaats van op deze vraag te antwoorden, trok Raffles den broeder van Grammont tot diens groote verwondering in de vestibule, sloot de deur en voerde hem haastig naar een kleine zijkamer.

Toen begon hij met gedempte stem:

—Luister mijnheer Grammont! Ik ben Dayton niet! Ik neem slechts zijn plaats in, ik ben een particuliere detective.

De ander slaakte een kreet van ontsteltenis en verbazing, en riep toen verschrikt uit:

—Wat moet dat beteekenen? Wat is er dan gebeurd? Ik kom zooeven van het station na zes jaren in Bombay te zijn geweest en ik weet van niets. Waarom is u hier als detective in het huis van mijn broeder?

—Uw broeder, mijnheer, moet ik vreezen, behoort niet meer tot de levenden! zeide Raffles op zachten, ernstigen toon.

—Wat zegt gij daar! riep Grammont uit, terwijl hij verbleekte en Raffles bij den arm greep. Wat is er dan met hem geschied?

—Ik vrees, dat hij vermoord is, en dat de man, die het deed, hier thans als Austin Grammont in dit huis vertoeft!

De bezoeker liet zich op een stoel neervallen en staarde ontzet voor zich uit.

Een tijd lang heerschte er stilte in het vertrek.

Toen hief Philip Grammont plotseling het hoofd op, en zeide:

—Hoe is dat mogelijk? Iedereen moet dat bedrog dan toch dadelijk gezien hebben, tenzij.…

—Tenzij de moordenaar trek voor trek op Uwen broeder geleek, vulde Raffles den zin aan.

Eensklaps gaf Philip Grammont een schreeuw en riep, bleeker dan een laken:

—Dan weet ik, wie het geweest moet zijn! Ik zal het u zeggen, ik heb zes jaren in Bombay gewoond en daar ontmoette ik een paar jaar geleden, bij toeval op een groote bijeenkomst een man, die zoo sprekend op mijn broeder geleek, dat ik zelf mij zou hebben vergist en hem bijna zou hebben aangesproken. Zijn naam kwam voor op de lijst van sprekers van dien avond, hij heette Gordon Finn, en toen ik hem op het podium zag staan, was de gelijkenis nog sterker, zoo sterk, dat ik waarlijk een oogenblik meende, dat mijn broeder, de hemel mag weten om welke redenen, onverhoeds uit Londen naar Bombay was gekomen, om daar, onder een aangenomen naam, een redevoering te houden op een politieke vergadering. Ik verloor den man echter uit het gezicht en ik heb daarna nooit meer iets van hem gehoord.

—Dan is er toch iets onbegrijpelijks, hoe is het dan mogelijk, dat die man van het bestaan van een dubbelganger hier te Londen afwist? Het zou wel zeer toevallig zijn geweest, als hij juist daarna naar Londen was vertrokken en in die korte spanne tijd uw broeder had gezien.

Met de vuisten tegen het voorhoofd gedrukt, dacht Philip Grammont een oogenblik na, en riep toen uit:

—Ja, zoo kan het geweest zijn! Ik herinner mij nu zeer goed, dat mijn broeder mij omstreeks een jaar geleden, een zeer bekend Londensch tijdschrift toezond, het welk ook veel in Bombay wordt gelezen, en waarin op de voorste pagina een bijna levensgroot portret van hem voorkwam, ik geloof, naar aanleiding van het feit, dat hij als president van de Economische Vereeniging was benoemd.

—Dat zou veel ophelderen! hernam Raffles. De moordenaar, Gordon Finn, kan dat portret zeer goed hebben gezien achter het raam van een boekwinkel, hij heeft uit het korte onderschrift kunnen nagaan, dat uw broeder zeer rijk was, en toen was zijn plan gemaakt!

—Maar hoe weet gij dit alles, wat is er dan met mijn broeder geschied? Wanneer is hij gedood? Zijt gij de eenige, die het weet of vermoedt?

—Tracht bedaard te blijven, mijnheer Grammont dan zal ik u alles mededeelen, zeide Raffles.

En nu verhaalde hij den man, die door het noodlot naar de plaats scheen te zijn gevoerd, waar zijn broeder door moordenaarshand was gevallen, alles wat den lezer reeds bekend is, natuurlijk zonder zijn waren aard te verraden, en terwijl hij zich uitgaf voor particulier detective.

Hij verzweeg niets, noch de nachtelijke rit van den gewaanden Grammont, met het geheimzinnige valies, noch het vreemde optreden van Sherif, den terrier, noch de vergissing, welke de moordenaar had begaan, en ook niet het briefje van de variété artiste, dat hij in den uitgescheurden zak van het rokcostuum van Austin Grammont had gevonden.

Maar één ding was er, dat hij niet verried, en dat was de eerste aanleiding tot zijn wantrouwen, het feit, dat de gewaande Grammont aan de politie had verklaard dat hij in den nacht van de inbraak thuis was geweest.

Toen Raffles zijn verhaal beëindigd had, bleef Philip Grammont eenigen tijd onbeweeglijk zitten, met het hoofd in de handen gesteund.

Maar toen sprong hij op, en riep op woesten toon:

—Is die ellendeling niet hier?

—Ja, hij is in zijn slaapkamer, hij wilde hedenmiddag op reis gaan, naar Australië of Indië.

—Dan ga ik aanstonds naar hem toe, ik sla hem op de plaats dood.

En reeds ijlde hij naar de deur, maar Raffles trad hem in den weg en greep hem bij den arm.

—Laat die daad aan de justitie over, zeide hij op ernstigen toon. Ondanks alles zouden wij ons wellicht nog kunnen vergissen! Ik verzeker u, dat hij ons niet zal ontkomen, maar eerst moeten wij al de mogelijke bewijzen bijeen zamelen, dat is slechts een kwestie van eenige uren, en de schurk zal geen voet verzetten, zonder dat ik hem naga, of laat nagaan.

—Goed, ik zal nog een paar uren geduld oefenen! gromde Philip Grammont. Zorg gij slechts voor de bewijzen, dat is uw taak.

—Ik zeide u reeds, dat het gelaat van den doode door slaan met een ijzeren staaf, zoodanig was misvormd, dat het volstrekt niet meer te herkennen viel, maar gij zijt de broeder van het slachtoffer. Misschien weet gij wel een herkenningsteeken!

Philip Grammont dacht slechts even na en riep toen uit:

—Ja, er is er één! Austin is als jongen eens door een kameraadje met een pennemes bij ongeluk in het hoofd gestooten. De wonde maakte een groot litteeken, dat echter door het hoofdhaar bedekt werd. Het litteeken moet zich aan de rechterzijde van het oog bevinden, schuin boven het oor!

—Dan zullen wij dat dadelijk gaan onderzoeken, mijnheer Grammont. Ook zullen wij den terrier halen, zoo mogelijk den chauffeur van de huurauto met het nummer N. L. 3717, die dien man gereden heeft, en als hij dan nog ontkend, zouden wij de politie te Bombay in den arm kunnen nemen. Ik zal een mijner helpers hier telefoneeren, en als die hier eenmaal is, dan ontkomt Gordon Finn niet meer, daarvan geef ik u de verzekering. Wacht een oogenblik, dan zal ik telefoneeren.

Even later stond Raffles aan het telefoontoestel en sprak met Charly en Henderson.

Zij moesten beiden met den terrier in een van de kleine auto’s tot dicht bij het huis te Harrow Road rijden, goed acht geven op de voordeur van het huis, en in geen geval toestaan, dat Grammont zich naar een of ander station begaf. Mocht hij dit inderdaad doen, dan moesten zij de politie waarschuwen, die dan aanstonds tot arrestatie kon overgaan. In het tegenovergestelde geval, dus als de moordenaar het huis niet verliet, moesten zij rustig wachten op de komst van Raffles en den broeder van het slachtoffer.

Toen dit alles geregeld was, wendde Raffles zich tot Philip Grammont en zeide:

—Ik moet voorloopig hier blijven, ten eerste om geen argwaan te baren, en vervolgens om den man, die hier nu is, in het oog te houden, totdat mijn helper mijn plaats inneemt. Gij kunt u in dien tijd naar Scotland Yard begeven en daar verzoeken dat men het hoofdhaar van den vermoorde afscheert, zoodat men zich kan overtuigen, of het litteeken werkelijk aanwezig is. In dat geval is iedere twijfel natuurlijk buitengesloten. Maar let nu wel op. Gisteren zijn er twee zoogenaamde provincialen geweest met den terrier om namens een gewaanden neef te Orpington het lijk te identificeeren. Een van die provincialen was ik. De hond jankte bij die gelegenheid erbarmelijk, reeds toen was ik er zeker van, dat hij zijn meester herkende. Gij kunt dat alles daarginds mededeelen, zij zullen wel begrijpen, waarom ik die rol speelde. Als particulier detective stel ik er natuurlijk prijs op de officieele politie een vlieg af te vangen.

—Ik zal doen, zooals gij mij voorschrijft, en ik dank u voor Uwe bemoeiingen! Later zullen wij dat alles wel regelen, naar ik hoop!

—Dat heeft volstrekt geen haast, mijnheer Grammont, zeide Raffles met een zonderlingen glimlach, en ga nu spoedig, hij mag in geen geval vertrekken vanmiddag.

—Welk een terugkomst, zeide Philip Grammont met een smartelijken zucht. Wij hadden niemand dan elkander op de wereld. Met opzet had ik mijn broeder niet gewaarschuwd, om hem te kunnen verrassen!

Hij nam zijn hoed en ging het vertrek uit, na Raffles de hand te hebben toegestoken.

—Neem ook uw valies mee, hij mag niet weten, dat hier iemand geweest is. En wacht totdat ik mij heb overtuigd, dat alles veilig is.

Hij betrad het eerst de vestibule, en wenkte toen den bezoeker, die haastig de vestibule overstak, de voordeur opende en Raffles nog eens toeknikte en haastig verdween.

Door de deur zag Raffles hoe hij een huurauto aanriep, instapte en wegreed.

Aan de somberste gedachten ten prooi, zat Philip Grammont in een hoek van de huurauto gedoken.

Het was hem goed gegaan in Bombay en hij hoopte de rest van zijn leven in Engeland te kunnen doorbrengen, in gezelschap van zijn broeder, voor wien hij altijd een groote genegenheid had gevoeld.

Verheugd en opgewekt had hij zich van het Victoria Station naar het groote huis in Harrow Road laten brengen, en daar werd hij door zulk een vreeselijke tijding ontvangen.

Hij was volstrekt niet op de hoogte van wat er geschied was, want een dag geleden was hij nog op zee.

Hij keek op, toen de auto stilhield voor het sombere gebouw in Downing Street, stapte uit en beval den chauffeur te wachten.

Door den dienstdoenden agent liet hij zijn kaartje naar den hoofdcommissaris brengen, even later stond hij tegenover dezen beambte.

Hem werd een stoel aangewezen, maar Philip Grammont bleef staan en zeide op doffen toon:

—Ik zal u niet al te lang lastig vallen, mijnheer, ik wilde gaarne het lijk zien van den man, die eergisterennacht geheel ontkleed en met vreeselijke hoofdwonden op het spoorweg-emplacement van Paddington is gevonden.

De hoofdcommissaris schudde het hoofd en zeide:

—Het spijt mij mijnheer, maar ik meen als zeker te mogen aannemen, dat gij een vruchteloos bezoek komt brengen. Er zijn reeds een paar lieden uit de provincie geweest met een hond, en er was geen sprake van of het dier herkende het lichaam. Wij verwachten ieder oogenblik den broeder van het slachtoffer.

—Ik ben de broeder van den doode, mijnheer, hernam de man op schorren toon. En de terrier was zijn eigendom. De lieden, die hier gisteren geweest zijn, waren particuliere detectives.

En nu deelde de ongelukkige man aan den hoofdcommissaris mede, wat Raffles hem zooeven had verteld.

Deze had aandachtig geluisterd, maar nu vertoonde zich een trek van ongeduld op zijn gelaat, toen hij zeide:

—Die heeren van den particulieren detectivendienst gaan altijd heel geheimzinnig te werk, naar het schijnt, zij trachten ons altijd een hak te zetten. Ik moet echter erkennen, dat in dit bijzondere geval, uw zegsman het wel eens aan het rechte eind kon hebben! Maar kunt gij mij heelemaal geen herkenningsteeken opgeven?

—Boven het rechteroor, door het haar verborgen, heeft mijn broeder een ruitvormig litteeken! Hij kreeg het als jongen van twaalf jaar en toen hem op dertigjarigen leeftijd zijn hoofdhaar wegens een hersenaandoening totaal moest worden afgeschoren, bevond dat litteeken er zich nog steeds.

—Wij zullen het aanstonds zien, mijnheer, hernam de commissaris kortaf.

Dadelijk nam hij het telefoontoestel ter hand en bestelde den barbier, die steeds voor dergelijke lugubere werkjes disponibel was.

Tien minuten later was de man ter plaatse, en gezamenlijk begaf men zich naar het lijkenhuisje, waar het lichaam van den doode nog altijd op de steenen tafel lag uitgestrekt.

Doodsbleek, met gebalde vuisten, bleef Philip Grammont op den drempel staan, terwijl de barbier vlug het hoofdhaar aan de rechterzijde begon af te knippen.

Vijf minuten verliepen, en toen boog de commissaris zich over het hoofd van den doode heen, en zeide op gedempten toon:

—Daar is het litteeken!

Met een kreet wierp Philip Grammont zich naast het stoffelijk overschot en barstte in hartstochtelijk snikken los.

Een oogenblik liet hij aan zijn smart den vrijen loop, maar toen sprong hij op en riep op woesten toon:

—Ik weet wie de moordenaar is, mijnheer! Ja, het kan niet anders! Ik weet ook waar hij is! Kunt gij mij niet met eenige manschappen vergezellen?

En nu zette hij in kort afgebeten, nu en dan verwarde zinnen uiteen, wat hem een half uur geleden ervaren was.

Met de grootste aandacht had de hoofdcommissaris toegeluisterd, en toen de ongelukkige broeder zweeg riep hij uit:

—Ik zal u dadelijk een inspecteur en twee man meegeven, voorzien van een bevel tot inhechtenisneming.

Als alles zich inderdaad zoo heeft toegedragen, als die particuliere detective zegt, dan valt er niet aan te twijfelen, of de man, die daar nu in het huis is, moet de moordenaar zijn.

Hij gaf snel eenige bevelen, en een oogenblik later reed Philip Grammont weder naar het huis in Harrow Road terug, thans in gezelschap van een inspecteur van politie en twee rechercheurs.

Op vijftig pas afstand van het bankgebouw stond een kleine auto te wachten, achter welk stuurwiel een man van reusachtigen lichaamsbouw gezeten was, het was Henderson, de trouwe helper van John Raffles die daar met het geduld van een kat op zijn post was, in gezelschap van Charly Brand, die voortdurend het huis in het oog hield.

De jonge man glimlachte, toen hij de auto zag voorbijrijden en stilstaan voor de deur van het groote huis.

Hij had den hem welbekenden hoofdinspecteur herkend.

Hij boog zich even voorover in den open wagen en zeide op zachten toon tot Henderson:

—Ik geloof, dat wij wel rechtsomkeert kunnen maken, Henderson, zij zullen het alleen wel afkunnen. Maar wij zullen toch eens wachten of zij met het wild weder te voorschijn komen.

Intusschen waren de politiebeambten en Grammont snel uitgestapt en op de voordeur toegetreden.

Raffles had zeker op den uitkijk gestaan, want de voordeur werd dadelijk geopend en de gewaande butler liet hen binnen.

Hij wendde zich dadelijk tot den inspecteur van politie en zeide op zachten toon:

—Hij is in zijn slaapkamer, ik geloof, dat hij bezig is met zijn haar te verven, voor zoover ik door het sleutelgat heb kunnen zien. Ik zal u den weg wijzen, maar maak geen leven, want een man als hij is tot alles in staat. Ik zal met een voorgewende boodschap naar hem toegaan en als de deur eenmaal open is, volgt de rest vanzelf. Mocht hij evenwel niet opendoen, dan zal ik u langs een anderen weg naar het breede balcon voeren, dat over een groot gedeelte langs den voorgevel loopt, en gij kunt dan de balkondeuren wel indrukken.

Sluipend gingen de vijf mannen de trap op.

Op de eerste verdieping kwamen zij Miss Hotspur tegen, die een kreet van verbazing bijna niet kon onderdrukken, toen zij aangevoerd door den butler, de vijf mannen zag naderen.

Maar Raffles nam haar terzijde en beet haar toe:

—Geen geluid, wat ik u verzoeken mag! Ga maar naar beneden, gij zoudt ons hier maar in den weg loopen.

De huishoudster was zoo verbluft, over deze zonderlinge bejegening, dat zij als Lot’s huisvrouw stokstijf op dezelfde plaats bleef staan en met open mond het groepje nastaarde, totdat het om den hoek van de trap verdwenen was.

Daar gekomen, legde Raffles den vinger op den mond en zeide zoo zacht, dat het bijna niet te hooren was:

—Druk u nu zoo dicht mogelijk tegen den muur, totdat de deur open is.

Vervolgens begaf hij zich, gewoon loopend, en zijn keel schrapend, zooals hij dit ook bij Dayton had opgemerkt, naar de deur van de slaapkamer, klopte aan en zeide:

—Een telegram voor mijnheer.

—Schuif het maar onder de deur door, kwam het norsche bevel.

Dat was lastiger, maar Raffles liet zich niet zoo spoedig vangen.

Hij deed alsof hij poogde iets onder de deurreet door te schuiven en zeide toen:

—Het gaat niet, mijnheer.

—Leg het dan maar op de tafel in mijn werkkamer.

Dat was alweer een streep door de rekening.

Raffles keerde op zijn schreden terug, en bracht de politiebeambten langs een zijgang naar de groote biljartzaal, waar hij het balkonraam opende, en toen zeide:

—Dit is het balcon, het is het derde raam, dit medegerekend. Ik zelf zal teruggaan en bij de gangdeur post vatten, als hij daardoor soms mocht trachten te ontsnappen.

Terwijl Raffles over de breede gang terugsloop, verdwenen de politiebeambten langs het balcon.

Hij kon nog nauwelijks eenige tellen zijn post voor de deur hebben ingenomen, toen het geluid van brekend glas zijn oor trof, gevolgd door een luiden, op heeschen toon geuiten vloek.

Dadelijk daarop kraakte een schot, en daarop volgde het geluid van een worsteling.

Raffles draaide aan de kruk van de deur, zij was gesloten.

Hij haalde zijn bos loopers te voorschijn en had in een oogwenk het slot geopend.

Toen hij binnentrad, zag hij een verwarde kluwen menschenlichamen over den vloer heen en weer rollen.

In een hoek van het vertrek lag een agent, zwaar gewond door een schot in den arm.

De moordenaar was een krachtig en gespierd man, en hij begreep, dat hij voor zijn leven vocht.

Hij wierp de twee mannen, met wie hij worstelde, herhaaldelijk van zich af, maar de inspecteur was zelf een gespierd man en toen hij er in slaagde, den rechterarm van Gordon Finn op zijn rug te wringen, toen was de strijd beslist.

Er klikte iets met metalen geluid en de moordenaar staarde als verwezen op zijn geboeide polsen.

Toen haalde hij met een cynisch gebaar de schouders op en zeide:

—Gij zijt de sterkste geweest, ik geef mij gewonnen! Als die vervloekte gelijkenis er niet geweest was, dan zou het hiertoe niet gekomen zijn. Ik denk.….. dat nu de galg wel het einde zal zijn.

Gordon Finn had goed geraden, drie weken later werd hij door de Jury tot den strop veroordeeld.

De volgende aflevering (No. 345) bevat:

DE BANKROOVERS.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings