VIJF MILLIOEN GULDEN.
Reading edition
Des Maandagsmiddags was heel Plymouth in rep en roer.
Als een loopend vuurtje had het zich door de stad verbreid, dat duikers den schat van de „Tasmania” hadden gevonden. Deze zou bij eb naar boven worden gehaald.
De wonderlijkste verhalen deden de rondte van millioenen, die in de hut van een Australiër waren gevonden.
Een heele vloot van booten en bootjes verliet Plymouth om het zeldzame schouwspel te gaan bijwonen, dat een schat uit de diepte werd geheschen.
Wat was er waar van deze verhalen?
Het volgende:
Casati zou in den middag probeeren om den schat naar boven te brengen, dien hij des morgens ontdekt had; onder Baxter’s leiding zou de politie toezicht komen houden op het kostbare werk.
Mr. Fergusson was aan boord van het duikerschip, waar zich ook twee directeuren van de Engelsche Bank bevonden, voorts Baxter en rechercheur Marholm.
De heeren spraken natuurlijk druk over de gezonken millioenen en den duikersarbeid.
Edmonds zou met de drie duikers tegelijk naar beneden gaan, opdat Casati hun duidelijk de schatkamer zou kunnen toonen.
Met z’n vieren zouden zij gemakkelijker den schat kunnen naar boven brengen.
De duikers waren in de beste stemming door het vooruitzicht op de premie.
De spanning werd algemeen, toen het viertal ging duiken.
Eindelijk, na twintig minuten, kwam het viertal weer boven en Edmonds deelde mede, dat het ’t beste zou zijn, als het schip vlak boven het wrak ging liggen.
Zoo gezegd zoo gedaan.
Kapitein Brown manoeuvreerde aldus met het vaartuig en liet den kraan plaatsen, waarmee aan lange kettingen de ijzeren kistjes konden worden opgetakeld.
’t Werd doodstil in het rond.
De nieuwsgierigen in hun booten hadden een grooten kring gevormd en keken toen in ademlooze spanning.
Millioenen, vele millioenen zouden straks worden opgeheschen.
Ieder der omstanders wenschte op dit oogenblik duiker te zijn om vele duizenden van de premie te kunnen opstrijken.
En allen keken—en zwegen.
De arbeid had een geregeld verloop.
Twee uur later kon het signaal gegeven worden: de eerste kist ophalen!—
Dat gebeurde!
Knersend sloegen de ketenen, de stoommachine proestte en pruttelde.
Toen—een plassen—een ijzeren kistje werd opgeheven—de kraan draaide—en nu lagen de eerste 250,000 pond—drie millioen gulden—op dek.
De Engelsche Bank had een dubbel stel sleutels van de goudcassettes;—een der directeuren had ze meegenomen, het kistje werd geopend en daar schitterde het gele, glanzende metaal in duizendvoudigen gloed.
In zijn groote vreugde ging de eerste Bankdirecteur naar Casati toe:
„U, signor”, sprak hij, „danken wij deze vondst. Wilt ge hier maar de premie van duizend pond voor den ontdekker in ontvangst nemen? De Bank zal u steeds groote dankbaarheid blijven toekennen!”
Met deze woorden overhandigde hij Casati een enveloppe.
Deze was opgestaan.
Hij sprak eenige woorden van dank en stak de enveloppe in den zak.
Toen strekte hij zich weer uit op den ruststoel, alsof er niets bijzonders gebeurd was.—
Tot den avond werd doorgewerkt.
De zevende kist lag reeds op dek, toen door de duikers gemeld werd, dat dit de laatste was.
De Bankdirecteuren keken elkaar verstomd aan.
Zij hadden hier geen cijfer genoemd, maar het stond vast, dat in Sydney acht kistjes aan boord waren geheschen.
Edmonds werd nu ontboden.
„Hebt gij het aantal kistjes ook geteld?” vroeg hij een der Bankdirecteuren.
„Zeker. Toen ik het laatst beneden lag, waren er nog vier kistjes. Drie waren toen al opgeheschen. Er moeten dus zeven kistjes geweest zijn.”
„Juist—zeven kistjes zijn aan boord. Maar acht werden indertijd verscheept. Dat is wel heel merkwaardig! Waar kan dat achtste kistje zijn?”—
Edmonds keek den spreker verbluft aan.
„Hoe zou ik dat weten, sir! Mijn duikers en ik kunnen u verklaren, dat er maar zeven kistjes in de schatkamer waren.”
„Dan is het achtste kistje waarschijnlijk in een ander deel van het schip, of— —”
Hij voltooide niet.
Zijn collega keek hem vragend aan, maar de ander zei slechts:
„Merkwaardig—heel merkwaardig!”
De andere Bankdirecteur zei thans:
„Waarde heer Edmonds, zeg niets van alles wat ik u meedeelde, maar laat het wrak nog eens nauwkeurig onderzoeken. Het achtste kistje moet er toch ook zijn, want geen uwer duikers kan zoo’n centenaarslast verdonkeremanen en 250,000 pond is geen bagatel.”
Edmonds antwoordde:
„Ik ga dadelijk met Casati, mijn besten duiker, weer naar beneden. Dadelijk!”
Edmonds ging naar Lord Lister.
Zij bereidden zich terstond voor op een nieuwen tocht.
Een oogenblik later doken zij opnieuw.
Na een uur was de tocht afgeloopen. Er was geen achtste kistje gevonden en Edmonds geloofde, dat dit kistje bij het vergaan van het schip was verloren gegaan.
Bovendien was achter in de schatkamer een groot gat, waardoor de kist heel makkelijk kon zijn heengegleden.
Deze verklaring was heel aannemelijk.
Baxter alleen schudde ongeloovig het hoofd.
Toen Edmonds hem voorstelde om zich dan eens persoonlijk te gaan overtuigen, wees hij dit aanbod met groote beslistheid van de hand.
De directeuren moesten zuchtend constateeren, dat 250,000 pond sterling voor de Bank waren verloren gegaan.
Hun taak was hier echter thans afgeloopen en het schip van kapitein Brown kon naar Plymouth terugkeeren.
Onderweg kon rechercheur Marholm niet nalaten om tegen Baxter te beweren:
„Als de geschiedenis zich niet op den bodem der zee had afgespeeld, zou ik er op zweren, dat Raffles die 250,000 pond had gestolen.”
„Herinner mij niet aan dien man, die de vloek is van mijn leven”, zei Baxter op giftigen toon.
„Maar Raffles heeft ons toch een dienst bewezen, door ons opmerkzaam te maken op het helershol van dien Fox.”
„Dat is waar!”
„Hij is zoo kwaad nog niet!”
„Wie niet?”
„Wel, Raffles!”
„Maar Marholm, je bent gek, stapelgek. Zou je dien Raffles niet een premie willen toekennen?”
„Hij zal zich wel een en ander zelf hebben genomen, chef!”
„Zoo, denk je?”
„Natuurlijk!”
„En je vindt hem zoo kwaad nog niet!”
„Hij zal nooit menschen benadeelen, die eerlijk en braaf zijn. Alleen schurken besteelt hij.”
„Hou op, Marholm, hou op over Raffles!”
— — — — — — — — — — — — — —
Toen de stoomboot in Plymouth was binnengeloopen, bracht een postbode een spoedbrief voor Baxter.
Deze opende haastig het epistel, maar nauw had hij het gelezen, of hij stiet een kreet van woede uit.
„Wat is er?” vroeg een der directeuren.
Bleek van opwinding overhandigde Baxter hem het schrijven.
En de directeur las met groote oogen luid-op:
„Ik deel den politie-inspecteur Baxter door dezen mede, dat het achtste vermiste kistje met goudstaven van de Engelsche Bank zich bevindt in den bekenden driehoek bij de molenrotsen. Als het ebbe is, kan het kistje heel gemakkelijk van daar worden weggehaald. De plaats is dan droog.
Hoogachtend, JOHN C. RAFFLES.”
Marholm deed alle moeite, om een opkomenden lach te verbergen.
Maar hij bedwong zich en zei met onschuldig gelaat tot Baxter:
„Dat is een gladde vogel, die Raffles, nietwaar, chef?”
Baxter antwoordde niet en draaide zich om.
De zonderlinge brief ging van hand tot hand en Edmonds zei:
„Ik denk, dat iemand hier een heel flauwe grap heeft willen uithalen, maar in elk geval moet de aangeduide plaats nader onderzocht worden!”
Nu las Brown den brief.
Hij lachte en maakte de opmerking, dat op de aangeduide plek inderdaad een driehoek door rotsen was gevormd. Met een boot kan men heel makkelijk deze plek bereiken.
Besloten werd om denzelfden nacht bij ebbe naar de plaats te varen. Kapitein Brown zou voor dien tocht een boot beschikbaar houden.
Terwijl de heeren het schip verlieten, had lord Lister zich omgekleed en nu deelde hij kapitein Edmonds mee, dat hij zich wat in Plymouth wilde gaan vermaken na al dien inspannenden arbeid.
De duikerchef gaf daartoe gaarne verlof en Lister verliet het schip om er nooit op terug te keeren.
Toen de boot zich gereed maakte om naar den rots-driehoek te varen, zaten Lister en Charly Brand al in een coupé eerste klasse, op weg naar Ramsgate, om vandaar Oostende te bereiken.
De heeren in de boot zaten allen met mistroostige gezichten te kijken. Zij hadden een gevoel, alsof zij een vreemde gebeurtenis tegemoet voeren.
Kapitein Brown had het bevel op de boot.
Hij wist uitstekend den weg in deze plekken, vol verborgen klippen. De eb had thans alle rotsen blootgelegd en bij het schijnsel van lantaarns en fakkels manoeuvreerde de boot handig overal tusschen door.
Daar werd reeds de driehoek zichtbaar.
Groote onrust greep de inzittenden aan.
Toen het schip stil lag, was Baxter de eerste, die uitsprong, spoedig gevolgd door de anderen.
Waarlijk!
Daar lag, op den rotsbodem, het vermiste kistje en de bankdirecteur haastte zich, het zware deksel op te lichten.
Een kreet van verrassing en schrik steeg op uit alle kelen.
Het kistje was leeg!
Maar aan het deksel was aan de binnenzijde een stuk perkament bevestigd, waarop in groote letters stond geschreven:
„Ik geef de Engelsche Bank het achtste kistje gaarne terug. Met haar inhoud hoop ik nog heel wat ellende in de wereld te lenigen. Mijn aandeel in de winst sta ik graag af aan mijn drie collega’s. Ik heb dat geld niet noodig. Met een vriendelijken groet aan den heer Baxter.
JOHN C. RAFFLES, de gewezen duiker Casati.”
De uitwerking van dezen brief was inderdaad hevig.
Baxter was razend. Want het was heel wat voor iemand, die zoozeer met zichzelven is ingenomen als deze inspecteur der recherche, om voor den zooveelsten keer te moeten erkennen, dat hij bij den neus genomen is door een inbreker van beroep. En Baxter bekende het niet graag, als hij een nederlaag had geleden. Hij smoorde een zwaren vloek tusschen de lippen, bedwong zich met de meest mogelijke moeite en bracht er eindelijk uit, daar aller oogen op hem gericht waren:
„Die Raffles—die Raffles! Ik zal niet veel meer zeggen, maar tòch moet mij van het harte, dat ik hoop, dat dit nu de laatste maal zal zijn, de allerlaatste maal!”
Toen zweeg hij, inwendig diep gegriefd.
En detective Marholm?
Die kon zijn lachen niet bedwingen, maar proestte het uit toen men wat bekomen was van den algemeenen schrik.
Toen hij was uitgelachen riep hij vroolijk, zonder te letten op Baxter’s boosheid:
„Ik heb het wel gedacht—ik heb het zeker gedacht!”
[Illustration]
Het volgend deel (nummer 13) zal bevatten:
DE INBRAAK IN DEN SLAAPWAGGON.
Belooning: 1000 pond sterling.
Wie kent hem? Wie heeft hem gezien?

Dat vraagt men in Scotland Yard! Dat vraagt heel Londen!
Lord Lister genaamd John C. Raffles, de geniaalste aller dieven
brengt alle gemoederen in beweging, is de schrik van woekeraars en geldschieters; ontrooft hun door zijn listen hunne bezittingen, waarmede hij belaagde onschuld beschermt en behoeftigen ondersteunt.
Man van eer in alle opzichten
spant hij wet en gerecht menigen strik en heeft steeds de voorvechters van edele levensbeschouwing op zijn hand, nl. allen, die ervan overtuigd zijn, dat:
Ongestraft veel misstanden, door de wet beschermd, blijven voortwoekeren.
Men leze, hoe alles in het werk wordt gesteld, Lord Lister, genaamd John C. Raffles, den geniaalsten aller dieven, te vatten!
WARRANT OF ARREST. Vertaling: Bevel tot aanhouding.
Be it known unto all men by these presents that we hereby charge and warrant the apprehension of the man described as under: Wij verzoeken de aanhouding van den man, wiens beschrijving hier volgt:
DESCRIPTION: Name: Lord Edward Lister, alias John C. Raffles. Age: 32 to 35 years. Height: 5 feet nine inches. Weight: 176 pounds. Figure: Tall. Complexion: Dark. Hair: Black. Beard: A slight moustache. Eyes: Black. Language: English, French, German, Russian, etc. Beschrijving: Naam: Lord Edward Lister, genaamd John C. Raffles. Leeftijd: 32–35 jaar. Lengte: ongeveer 1,76 meter. Gewicht: 80 kilo. Gestalte: slank. Gelaatskleur: donker. Haar: zwart. Baardgroei: kleine snor. Oogen: zwart. Spreekt Engelsch, Fransch, Duitsch, Russisch enz. enz.
Special notes: The man poses as a gentleman of great distinction. Adopts a new role every other day. Wears an eyeglass. Always accompanied by a young man—name unknown. Bijzondere kenteekenen: Het optreden van den man kenmerkt zich door bijzonder goede manieren. Telkens een ander uiterlijk. Draagt een monocle. Is in gezelschap van een jongeman, wiens naam onbekend.
Charged with robbery. A reward of 1000 pounds sterling will be paid for the arrest of this man. Moet worden aangehouden als dief. Voor zijn aanhouding betalen wij een prijs van 1000 pond sterling.
Headquarters—Scotland Yard. London, 1st October 1908. Police Inspector, Horny. Het Hoofdbureau van Politie Scotland-Yard. Londen, 1. Oktober 1908. Inspecteur van Politie (get.) Horny.
Roman-Boekhandel voorheen A. Eichler
Singel 236—Amsterdam.