← Table of contents
Lord Lister No. 0012

DE SCHAT VAN DE „TASMANIA”

Reading edition

In een Hotel van den derden rang te Plymouth, vlak bij de haven, had Charly Brand een kamer gehuurd, waarvan de vensters uitkeken op den haveningang, zoodat hij alle uitvarende en binnenkomende schepen kon waarnemen. Het was Zondagmiddag, en Charly zat met Lister voor het geopende venster een cigaret te rooken. Zij spraken samen op fluisterenden toon, want vooral in hotels moet men met geheimen zeer voorzichtig zijn.

Lister had zijn vriend juist verhaald van het avontuur op den bodem der zee.

Thans vervolgde hij:

„De cassette, die ik gisteren naar boven heb gebracht, is in tegenwoordigheid van mr. Fergusson geopend. De inhoud was nog in ongeschonden staat. Het kistje bevatte de familiepapieren van mr. Fox, zijn laatste correspondentie, niet minder dan 1000 pond in effecten en ongeveer 100 pond in banknoten, benevens een testament, waarbij mrs. Watkins en haar broer Tommy tot universeele erfgenamen worden benoemd.

„Mr. Fox heeft zijn neef totaal onterfd. Mr. Fergusson heeft de regeling van alles in handen, en zal miss Watkins zoo spoedig mogelijk op de hoogte stellen.”

„We gaan nu toch zeker zoo mogelijk hier vandaan?” vroeg Charly.

„Hoe kom je erbij? Ben je dan vergeten, wat ik aan het strand van Oostende tot je gezegd heb?”

„Ja”.

„Dat ik de verzonken schatten van den zeebodem zou halen.”

„Maar dat kan je toch geen ernst zijn?”

„Dat is het inderdaad. Ik heb van Edmonds tot Maandag verlof gekregen. Dan moet ik terug zijn, om opnieuw te gaan werken.”

„Maar Edward, wees toch niet zoo dwaas.”

„Hou je kalm,” lachte lord Lister, „en maak je niet ongerust. Ik zal wel duiken, zonder dat Edmonds er bij is, en op eigen houtje de schatten te voorschijn halen”.

„Maar al de luchtpompen en de andere apparaten dan?”

„O, die heb ik al uit Parijs laten komen, en ze naar Oostende laten sturen. Alles komt uitstekend in orde, Charly, als jij je maar niet zenuwachtig maakt”.

Charly keek zijn vriend met bezorgden blik aan, en schudde het hoofd. Maar Lord Lister lachte en zei:

„Weet je dat wij onzen vriend Baxter hier ook nog eerstdaags kunnen verwachten.”

Charly sprong op van schrik.

„Wat wil die hier?”

„Hij komt er bij, om te zien, dat de schatten naar boven gebracht en of er niets gestolen wordt.”

Lord Lister lachte ironisch. Wederom schudde Charly bedenkelijk het hoofd.

„Ik waarschuw je nog eens Edward, laat je plan varen.”

Lister drukte zijn vriend met warmte de hand.

„Kom kerel, maak je niet ongerust. Alles komt op zijn pootjes terecht. En laat ons nu in de eetzaal een flesch Sect gaan drinken.”

Het was een wondermooie, heldere nacht, met een schitterenden sterrenhemel. De vuren van de havenstad Plymouth rijden zich in een lange keten langs den oever; aan den horizon schitterde de vuurtoren van Eddystone en wierp zijn lange stralenbundels ver over de zee. Uit de herbergen aan de haven klonk woest gezang van matrozen, vroolijk lachen, en schetterende muziek. Morgen was het Zondag, en die rustdag moest feestelijk worden ingezet, want op Zondag waren de kroegen gesloten, en geen lawaai mocht de heilige rust verstoren.

Lord Lister had het wèl overdacht, om dézen nacht voor zijn avontuur te gebruiken.

Het bootje, waarin hij met zijn vriend Charly had plaats genomen, had de haven reeds langen tijd verlaten, en dobberde nu op de baren der eindelooze zee.

Middernacht was reeds voorbij, toen zij langzaam het doel van den tocht naderden.

De machines stopten, en werkten nu bijna onhoorbaar, en in de verte doemde reeds de ton op, het kenteeken van de plaats, waar het wrak was gezonken.

Lord Lister ging thans nog eenige voorbereidende maatregelen treffen. Hij maakte het bootje stevig vast met ankerkettingen, deed zijn duikerspak aan, voorzag zich van alle mogelijke werktuigen en had het geheel zóó ingericht, dat hij zelf het apparaat met gecomprimeerde lucht op de schouders torste.

Nu ontstak hij de electrische lantaarn langzaam en, als een meteoor, zonk hij langzaam in de diepte.

Charly keek hem bezorgd na en hield de telephoon aan zijn oor.

Eenigen tijd later meldde lord Lister hem, dat hij den zeebodem had bereikt, waardoor Charly, die trilde van zenuwachtigheid, alweer wat kalmer was.

Daar beneden, op den bodem der zee, werd lord Lister door de heerschende duisternis leelijk belemmerd in de uitoefening van zijn werk.

Hij moest het smallere achterschip zien binnen te komen, waarin zich de goudkistjes bevonden.

Zijn electrische lamp verlichtte de omgeving thans voldoende. De duiker wrong zich nu door een opening in het achterschip en verbrijzelde daar met heftige bijlslagen een deur, waardoor hij in eene grootere ruimte kwam.

Hier lagen wederom verscheidene lijken, bij den aanblik waarvan hij wederom hevig ontstelde.

Maar manmoedig overwon hij alle gevoelens en met zijn werktuigen arbeidde hij steeds voorwaarts.

In een ruime kajuit gekomen, stiet hij op een groot aantal koffers en kisten en het kostte hem reusachtig veel moeite om deze allemaal uit den weg te ruimen. Toen hij dat gedaan had, zag hij weer een deur, en opnieuw beukten zijn hamerslagen met geweldige kracht op het vochtige hout. Maar toen ook zag de duiker acht niet al te groote cassettes, met ijzer beslagen, en voorzien van initialen der Engelsche Bank. Dat was dus de groote schat. Acht kistjes. En ieder hield voor ongeveer 3 millioen gulden aan goudstaven in. Dat maakte dus samen het niet onaardig sommetje van 2 millioen pond sterling of 24 millioen gulden.

Lister telephoneerde nu naar zijn vriend, die in ademlooze spanning luisterde, dat hij den schat gevonden had, en toen probeerde hij een der kistjes op te tillen.

Tevergeefs!

Het enorme gewicht der goudstaven en van het ijzeren kistje maakte het onmogelijk deze van hun plaats te brengen.

Toen Lister met zijn lantaarn de ruimte verlichtte, zag hij plotseling achter de kistjes de afschuwelijke gedaante van een inktvisch, die zijn vangarmen naar alle kanten kronkelde, en plotseling een zwarte vloeistof in het water spoot, waardoor elk uitzicht werd belemmerd.

Enkele oogenblikken keek Lister met verbazing en afschuw naar het weerzinwekkende beest, maar toen begreep hij ook, dat hij voor het oogenblik niets meer hier te doen had.

Den schat kon hij immers toch niet meenemen, en hij voelde er bitter weinig voor, om louter voor zijn genoegen nog langer te blijven in deze onderzeesche ruimte met zulk een afschuwelijk zeemonster tot gezelschap.

Spoedig besloten telephoneerde hij nu naar Charly, dat deze het touw langzaam moest opwinden en toen Lister een tijd later weer aan boord van het bootje was aangeland, maakte Charly zoo spoedig mogelijk den zwaren duikershelm los.

„Ben je erg vermoeid, Edward?” vroeg zijn vriend.

„Heelemaal niet. Ik had het best nog langer kunnen uithouden, maar vond het beter, om eerst eens even naar boven te komen.”

„Je gaat toch niet weer duiken?”

„Maar natuurlijk!”

„Neen, Edward, ik wil het niet!”

Charly maakte zich boos.

„Hou je kalm, vriendje”, spotte Lister en hij klopte den jongen man eens vriendelijk op den schouder.

Charly moest wel gehoor geven aan de bevelen van zijn vriend.

Hij bracht spoedig een en ander in orde, en een paar minuten later zakte lord Lister wederom naar den bodem der zee.

Daar aangekomen legde hij een groote hoeveelheid touw, dat hij had meegenomen, ter zijde.

Toen ging hij opnieuw door de opening kruipen en bereikte weer langs denzelfden weg de schatkamer.

Hij had een handig apparaat meegenomen, voorzien van een hefboom. Hij bevestigde nu een der uiteinden van het geweldige zware kabeltouw aan een der millioenenkistjes, hief de cassette van den grond en nu viel het hem niet meer moeilijk om het kistje van den grond te heffen en een oogenblik later zweefde bet langs het wrak. Nu ontvouwde lord Lister een groot stuk linnen, dat hij had meegebracht. Hij maakte daar van dit waterdichte linnen, waaromheen een stevig net zat, een ballon, liet daarin de gecomprimeerde lucht uit het apparaat ontsnappen en ten slotte kon de groote, omvangrijke ballon het gewicht van het kistje mee naar boven nemen door het water.

Nu telephoneerde Lister naar Charly, op welke wijze het hem gelukt was, het kistje naar boven te krijgen.

Charly riep terug, dat de maan juist was opgekomen en dat hij zich moest haasten terug te komen, want dat de vloed kwam. Ook had hij van Eddystone lichten zien naderen.

Eindelijk dan had Lister zijn duikerspak weer uit en stond hij aan boord van het bootje, naast zijn trouwen vriend Charly, die zich zoo ongerust had gemaakt, maar nu den koning te rijk was.

Ook Edward lachte.

En geen wonder!

Hij had er alle reden voor.

„Drie millioen voor ons, Charly, wat zeg je ervan?” De rest moeten we voor de Bank laten, jammer genoeg, maar wij hebben geen tijd meer om die andere zware kisten nog omhoog te halen.

„En nu, Charly, voortgemaakt!

„Gooi het vischtuig uit, opdat iedereen meent, dat we op de vangst zijn geweest en niemand achterdocht gaat koesteren.”

Aldus geschiedde.

Langzaam voer het scheepje naar de kust en de groote ballon, die den goudschat naar boven had gebracht, zweefde aan het achterdek.

Zuidelijk van Plymouth werd het schip gemeerd.

Hier was het eenzaam.

Voordat het scheepje aan de kust kwam, beproefden de beide vrienden de zware cassette, die onder den ballon meevoer, aan boord te hijschen.

Het bleek onmogelijk!

Het kistje was zoo zwaar, dat de boot op levensgevaarlijke wijze ging overhellen naar den kant, waar men het binnen boord wou halen.

Lord Lister zocht nu tusschen de rotsen naar een geschikte plaats om te landen en vond deze ook al spoedig.

Door verscheiden klippen werd een beschutten driehoek gevormd, die een waterbassin insloot en in deze natuurlijke haven bracht Lister het scheepje.

„Als nu de vloed komt”, sprak Lister, „drijft de ballon vanzelf met zijn kostbaren last deze haven binnen. Dan laten wij de lucht eruit en alles zinkt op den bodem, totdat wij bij ebbe den schat kunnen meenemen.

„Morgen is het Zondag. Dan hebben wij tijd in overvloed.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings