DE VERZEGELDE FLESCH.
Reading edition
Met vreeselijk geweld woedde de noordooster storm in het kanaal. Huizenhoog zweepte hij de golven en stuwde het wilde water naar den Oceaan. Tegen zulk een orkaan vechten konden slechts groote, overzeesche booten, de kleinere waren allang in veilige havens gevlucht.
Iedere kapitein haalt verruimd adem, als hij het nauwe kanaal gelukkig achter den rug heeft, want als het stormt of als er eenige mist hangt, dan zal hij het niet wagen, een oog dicht te doen, uit vrees voor de noodlottige gevolgen.
De stoomboot „Tasmania”, op reis van Australië naar Plymouth, was ter hoogte van de Golf van Biskaye door storm overvallen.
Deze Golf is berucht wegens haar groote gevaarlijkheid. De stoomboot echter trotseerde alle moeilijkheden
en kwam, ondanks den zwaren noordooster storm, toch nog moeizaam voorwaarts.
Bij den ingang van het kanaal, toen de orkaan de boot tegenwoei, veranderde echter het tooneel. De positie werd gevaarlijk. De Scilly-eilanden waren al gepasseerd, het doel der reis, Plymouth, niet meer verre, maar het schip kwam niet van zijn plaats.
Zwaar werkten de schroeven. Als zij bij het stampen van het schip uit het water geraakten, dan draaiden zij zich met fluitend geluid in razende snelheid en deden het gansche schip beven. De stoomboot kraakte in alle voegen, boog zich her- en derwaarts als een wild dier, hief dan eens den boegspriet hoog ten wolkenbedekten hemel, schoot dan weer in de diepte, zoodat zij Van tijd tot tijd geheel overspoeld was door het zeewater.
Steeds echter kwam het uitstekend gebouwde schip weer onbeschadigd van onder de stortzeeën te voorschijn en vocht het verder tegen den woedenden storm.
De „Tasmania” borg in haar schoot een kostbare lading. Op geregelde tijden zond de Australische Regeering de op de goudvelden van Australië gevonden schatten naar de Bank van Engeland. De gouden staven werden dan in de Munt tot geld gemaakt en door de Bank in omloop gebracht. Zulk een zending bevatte ook thans de boot.
Goed bewaard in ijzeren kisten en geborgen in een aparte ruimte lag een schat van verscheiden millioenen opgestapeld. Deze schat was niet op de gewone, officieele wijze, met buitengewone voorzorgsmaatregelen toevertrouwd aan de „Tasmania”, maar als een geheime zending was zij ditmaal, schijnbaar als passagiersgoed, in Melbourne ingeladen.
De Bank van Engeland had door buitengewoon groote navraag, tengevolge van de Amerikaansche crisis, bijna al haar aanwezige gelden afgedragen en naar aanleiding hiervan had ze zoo spoedig mogelijk de zending uit Australië verlangd.
De „Tasmania”, een uitstekend schip, werd uitgekozen en onder het toezicht van een drietal ambtenaren werd de schat naar Engeland afgezonden.
Deze drie heeren zaten in een groote hut, die ter beschikking was gesteld van den eersten boekhouder der Bank, mr. Wright. In deze hut had men vrij weinig last van het rollen en stampen van het schip, omdat zij in het midden van het schip zich bevond.
De heeren waren in zeer ernstige stemming:
„Mijne heeren”, sprak mr. Wright, „de kapitein heeft mij meegedeeld, dat onze toestand uiterst gevaarlijk is en dat, als de wind niet draait, wij gevaar loopen, tegen de klippen van de Scilly-eilanden te worden verpletterd.
„Het is onze plicht om, in het geval dat wij inderdaad schipbreuk mochten lijden, de Bank van Engeland te bewijzen, dat wij tot het laatste oogenblik op onzen post zijn gebleven.
„Wij zullen daarom een flesch in orde maken en daarin onze papieren doen, die wij hebben af te leveren.
„Degene van ons, die de anderen overleeft, moet, zoodra hij gevoelt, dat hij verloren is, de flesch in zee gooien.
„Zijt ge het daarmede eens?”
De heeren waren het eens en mr. Wright nam eenige papieren uit zijn portefeuille, die hij in een enveloppe deed, waarop het adres van de Bank van Engeland was afgedrukt.
„Hebt ge familieleden, wien ge misschien nog eenig bericht zoudt willen zenden?” vroeg mr. Wright zijn medereizigers.
„Ik wel,” antwoordde een der andere ambtenaren, een heer van middelbaren leeftijd.
„Schrijf dan een paar woorden; ik zal ze bij de enveloppe insluiten.”
De ambtenaar schreef een paar regels op een blad uit zijn aanteekenboekje, scheurde dit toen uit en gaf het zijn chef, die het in de enveloppe deed.
Deze enveloppe werd nu door den engen hals van een champagneflesch gedrukt, de flesch werd goed verzegeld en met een caoutchoucring waterdicht gesloten.
Na eenig schudden rolde de enveloppe in het midden der flesch, waar zij zich ontrolde, zoodat het adres duidelijk door het glas zichtbaar werd.
„Mijne heeren”, sprak Wright, „wij hebben nu alles gedaan, wat nog mogelijk was; laat ons nu het verdere maar kalm afwachten.”
Hij haalde een sigarenkoker te voorschijn, nam er een sigaar uit en bood den koker zijn collega’s aan.
Deze bedienden zich, dankten op hoffelijke wijze en al spoedig rookten de drie Engelschen met een gemoedsrust, alsof zij in een mooien salon zaten en niet in een schommelend schip, dat ombruist wordt door dood en verderf.
Plotseling liep de storm om. Hij sprong over naar het zuiden, een verschijnsel, dat niet zelden voorkomt en dat dan een snelle afvloeiing der onderste luchtlagen tengevolge heeft.
De boot kon nu pal naar het oosten koersen en dezen weg vervolgen totdat de vuurtoren van Eddystone in zicht kwam om dan scherp naar het noorden te varen en zoodoende de haven van Plymouth te bereiken.
De passagiers haalden verruimd adem, toen het vreeselijke rollen en stampen van het schip inderdaad verminderde en daarmede den armen zeezieken verademing bracht. Al werd het schip ook nog heftig heen en weer geworpen, toch was de toestand thans kalm, vergeleken bij die van vorige oogenblikken.
De kapitein liet nu de totnogtoe gesloten kajuitdeuren weer openen.
Een paar zeevaste passagiers waagden zich aan dek en de drie Engelschen behoorden tot hen, die met groote vreugde den frisschen zeewind in volle teugen gingen inademen.
Zwijgend, hun havanna rookend, keken zij haar de woestrollende baren.
Mr. Fox, de heer, die nog een paar regels op het blad uit zijn notitieboekje had opgeschreven, die door mr. Wright in de verzegelde flesch waren gedaan, rookte met lange trekken aan zijn sigaar en na een poos begon hij:
„Mr. Wright, wij hebben, den hemel zij dank, de verzegelde flesch nu niet meer noodig! Over een paar uur zijn we in de haven van Plymouth!”
„Dat wil ik met u hopen, mr. Fox, maar vergeet toch vooral niet, dat wij nog altijd geen vasten bodem onder onze voeten hebben!”
Fox lachte.
„O, wat kan er nu nog gebeuren? Niets! Heelemaal niets!”
„Zoo, denkt ge?”
„Zeker, mr. Wright!”
„Maar hoe komt ge zoo optimistisch?”
„Kijk eens, daar, aan den horizon schittert door de avondschemering een licht. Dat is de vuurtoren van Eddystone. Heel spoedig zullen we dien beroemden vuurtoren bereikt hebben. Ik ben er van overtuigd, dat ik dezen nacht nog, al zal het ook vrij laat worden, mijn vermoeide leden zal kunnen uitstrekken in een lekker zacht hotelbed. Van Eddystone is Plymouth maar heel kort meer verwijderd!”
„Wel!” antwoordde mr. Wright op korten toon, „wij zullen onze verzegelde flesch hopenlijk niet noodig hebben, maar toch tot onze landing onaangeroerd laten!”
De drie ambtenaren keken eens naar den vuurtoren, die zoo allervriendelijkst knipoogde, alsof hij met zijn groote, schelle lichten wilde zeggen:
„Spoedig zal uw lange, vervelende zeereis een eind hebben genomen!”
Maar daar gebeurde plotseling iets heel merkwaardigs.
De wind werd hoe langer hoe flauwer en nam meer en meer af. Na vrij korten tijd waaide niets meer dan een frissche bries. Tegelijkertijd echter was het alsof de wolken steeds dieper en dieper zakten; alsof een onzichtbare macht neerstreek over den zeespiegel.
Reeds omhulden eenige zware wolkensluiers de hooge masten. Steeds dikker en dikker stapelden zij zich op. In de sombere luchten ontstond een gewirwar van vaalgrauwe nevelgordijnen, die steeds dieper en dieper zonken, het geheele schip omhulden en den horizon deden verdwijnen.
Al spoedig was het wolkgordijn zóó dicht, dat de vuurtoren nog slechts vaag zichtbaar bleef.
Intusschen was het onder de bemanning van het schip levendig geworden. Reeds bij het eerste teeken van de weersverandering wist de kapitein uit ervaring, wat gedaan moest worden. De gang van het schip werd vertraagd, de roode en groene lichten aan bakboord en stuurboord werden versterkt en vermeerderd.
Hoofdschuddend keek mr. Wright naar deze voorzorgsmaatregelen en met groote bezorgdheid zei hij tot zijn collega’s:
„Eén vijand hebben wij al overwonnen, maar de ergste nadert nu, het meest geduchte gevaar voor den zeeman, de verschrikkelijke mist. Ik vrees, mr. Fox, dat ge dezen nacht afstand zult moeten doen van het lekkere, zachte hotelbed. Laat ons in den salon gaan, heeren, het wordt hier al te onbehagelijk!”
De heeren knikten bevestigend en gingen met hun chef de kajuittrap af. Steeds dichter en dichter viel de nevel, hoe langer hoe meer werd het uitzicht belemmerd. Spoedig stiet de stoompijp der „Tasmania” allerlei geluiden uit, de sirene weergalmde en stuwde waarschuwingstonen door den stikdonkeren nacht naar de voorbijtrekkende schepen.
Het werd avond.
De stoomboot passeerde den vuurtoren Eddystone, waarvan het licht, dat anders zichtbaar is op mijlen afstand, thans als een flauw kaarslichtje af en toe schemerde door de dichte nevelsluiers. Het was nu zaak, den koers te veranderen en noordwaarts te sturen.
Dit geschiedde.
Mat schemerde de vuurtoren thans van de voorzijde, terwijl het licht eerst van links kwam. De vaart naar het noorden was ingeslagen. Van den oostkant weergalmden nu van verschillende zijden eveneens de dreunende, eentonige geluiden van vreemde stoombooten, die evenals de „Tasmania” op weg waren naar de veilige haven van Plymouth en den steeds dikker wordenden nevel ontvluchtten.
Thans was het zaak, met de uiterste voorzichtigheid, alsof het voetje voor voetje ging, vooruit te komen en daarbij voortdurend den misthoorn te laten hooren, opdat elke aanvaring vermeden werd.
Slechts op hun gehoor konden kapitein en stuurman zich nog verlaten. Met het bloote oog kon men thans niet eens meer het geheele dek van het schip overzien.
Ontzettend dik lag de afschuwelijke, ondoordringbare mist als een zware last, als een ondoordringbaar gordijn over de watervlakte en op de stoomboot.
Daar weerklonk plotseling van de rechterzijde in de onmiddellijke nabijheid de sirene van een vreemde stoomboot.
De „Tasmania” antwoordde met korte tusschenpoozen. Een onbestemde, vormlooze massa doemde zijwaarts uit de nevelen op, omgeven door rood en groen licht.
Een uitroep van schrik weerklonk uit de monden der zeelieden.
Zij zagen, dat een groote overzeesche boot naderde, die den weg van de „Tasmania” kruiste.
De kapiteins van beide stoombooten waren zich volkomen bewust van het dreigende gevaar. In allerijl werden de sturen omgegooid, opdat uitwijken nog mogelijk gemaakt kon worden.
Te laat!
In het volgende oogenblik trof de hooge boegspriet van het vreemde schip de „Tasmania” in volle bakboordzijde.
Een hevige stoot, een kraken en bersten van scheepsplanken en rompen werd gehoord; toen siste witte stoom naar boven uit de ketels van het ongelukkige, aangevaren schip.
De passagiers, die in doodsangst verkeerden, gilden op hartverscheurenden toon. Overal heerschte vreeselijke ontroering en in het volgende oogenblik liepen de passagiers als zinneloos rond aan het dek van de „Tasmania”.
De botsing was vreeselijk geweest, ondanks de vertraagde vaart.
De boegspriet van het vreemde schip had zich diep geboord in den romp van de „Tasmania”. Het scheen alsof het onmogelijk was, de schepen weer van elkander te verwijderen. De schroeven begonnen achteruit te slaan; overal aan boord werden lichten ontstoken; Bengaalsche vuren werden ontbrand om door den vervaarlijken mist te kunnen heenzien.
Al spoedig bleek, dat de boeg van het onheilbrengende schip zwaar geleden had, maar dat de schade slechts was toegekend aan het gedeelte, dat boven water uitstak, zoodat voor dezen bodem noch voor de bemanning iets te vreezen was.
Maar het aangevaren schip, hoe stond het daarmee?
De bakboordzijde van de „Tasmania” was volkomen ingedrukt. Door den gespleten scheepswand stortten stroomen zeewater naar binnen. Het schip was op zij gevallen en werd door de nog steeds onrustige zee geweldig heen en weer geslingerd. Rookwolken stegen op uit het inwendige van het vaartuig, die werden veroorzaakt door het binnenstroomende water dat het vuur onder de ketels bluschte, en bovendien was een der stoomketels gesprongen.
Het personeel uit de machinekamer was reddeloos verloren; het binnenstroomende water bracht allen een snellen dood.
In de kajuiten heerschte de grootste paniek. Het binnendringende water sloot de deuren van de kajuiten, zoodat de ongelukkigen waren ingesloten en een vreeselijke verstikkingsdood onvermijdelijk moest volgen.
Hier zag men een weeklagende moeder met haar kind, dat zij angstig tegen zich aanklemde; daar was een man, die vol vertwijfeling de deur van een kajuit trachtte te openen, die door het aanstroomende water werd dichtgekneld.
Anderen weer trachtten de lichtschacht te bereiken om het dek te bereiken, door hier langs naar boven te klauteren.
Overal vielen wanhoopsscènes voor, overal werden gillende, schelklinkende hulpkreten vernomen, terwijl de ongelukkigen als wanhopigen door elkander liepen.
Ieder, zonder acht te slaan op zijn medemenschen, was er slechts op bedacht om het veege lijf te redden, om zichzelven in veiligheid te brengen.
De toestand was vreeselijk.
De drie Engelschen zaten in den rooksalon, toen het onheil geschiedde.
Mr. Fox vloog naar zijn kajuit en haalde daaruit een ijzeren cassette te voorschijn, waarmede hij trachtte te vluchten.
Helaas!
Door deze minuten oponthoud had hij de kostbaarste oogenblikken verloren. Door een watervloed werd hij omgeworpen, nog een korte wanhopige worsteling en de man had, geheel in tegenstelling met zijn gedachten, een rustplaats gevonden in dit koude, natte doodsbed.
Mr. Wright had terstond het geweldige gevaar overzien. In het volgende oogenblik had hij de verzegelde flesch gegrepen, deze in den zak van zijn overjas gestoken en was toen met één sprong de kajuittrap opgesneld, gevolgd door zijn collega.
Aan dek zag hij dadelijk, dat het schip verloren was. Het moest reeds over een paar minuten in de diepte verdwijnen.
Redding was slechts te verwachten van het schip, dat dit vreeselijke ongeluk had veroorzaakt.
Met energiek gebaar haalde mr. Wright nu de verzegelde flesch uit den zak en slingerde haar met geweldige kracht in zee.
De „Tasmania” begon nu snel te zinken.
Plotseling klonk een geweldige slag. De stoomketels waren ontploft. Overal vlogen stukken hout heen en weer, menschelijke lichaamsdeelen werden door de lucht geslingerd.
De „Tasmania” was vergaan.
Zij zonk met haar goudschatten en met alles, wat leven had, in de diepte.
Woest brulden de golven over het graf van het schoone, statige schip.
Aan het strand van Oostende heerschte groote drukte.
De vloed was sinds een uur ingetreden en het badstrand was vol bezoekers.
Dames en heeren, soms in kostbare badkostuums gekleed, sprongen en plasten in het koele water en allen gevoelden zich wonderwel thans in hun ongegeneerde kleeding.
De zon scheen heerlijk warm en alles wees er op, dat het een heete dag zou worden.
Een slank gebouwd heer nam zijn Panama af en zei:
„Wel, Charly, wat zou je ervan denken, als wij ook eens een bad gingen nemen. Wij zullen miss Walton en haar moeder wel terug zien aan het diner”.
„Heel graag, Edward, de golfslag is prachtig, kom maar mee!”
Lord Lister en Charly gingen naar de badkoetsjes en al heel gauw plasten de vrienden in de golven.
Daar kwam een groote golf aanrollen en … maar wat was dat? Charly voelde een hevigen stoot in den rug en stiet een luiden kreet uit.
„Wat is er, Charly?” vroeg lord Lister.
„Hier, dit … dáár!”
Charly griste en haalde toen een door zeewier omwonden champagneflesch voor den dag.
„Dat dingetje vloog tegen mijn rug op!”
Lord Lister bekeek de flesch opmerkzaam en toen hij het zeewier verwijderd had, zag hij aldra, dat de flesch een papier bevatte, dat door zeelieden in tijd van nood was geschreven en weggeworpen.
„Kom, Charly!” riep hij uit, „hier is het niet de plaats om te zien, wat er in zit. Het glas is dof geworden, het adres van den inliggenden brief is niet te zien. Wij kleeden ons vlug en zoeken een veilig plaatsje om den inhoud te onderzoeken.”
De vrienden gingen uit het water.
Een half uurtje later zat het tweetal tegen een duinhelling, die alle nieuwsgierigen ter zijde hield en toen brak lord Lister de flesch open en vond papieren, die geadresseerd waren aan de Engelsche Bank.
„Donnerwetter!” riep hij verbaasd uit, „dat is een verhaal over de goudkisten van de „Tasmania”, die bij Eddystone is vergaan. Eenige maanden geleden hebben de kranten daarover uitvoerige verslagen gehad, herinner je je niet, Charly?
„Zeker! Men beweerde toen, dat de schatten door duikers zouden worden opgehaald. Maar omdat het wrak ook is gezonken, werden geen pogingen aangewend. Men denkt nu, in den zomer, nu de zee kalm is, met de duikingen te beginnen!”
„Juist! Dat stond allemaal in de Times. Zie je Charly, op dit papier staat precies aangegeven, in welk deel van het schip de schatten liggen, want je begrijpt, dat de goudstaven niet als gewoon passagiersgoed werden verscheept. En nu zal die boel worden opgehaald—hm,—ja, zie je, Charly—hm,—dat is juist een kolfje naar mijn hand, Charly—hm!”
Charly keek hem eens van terzijde aan en glimlachte.
„Ik geloof waarachtig, Edward, dat je de schatten wilt ophalen!”
„Maar natuurlijk heb ik lust—natuurlijk! Als ik de Engelsche Bank die millioentjes kan afhandig maken, zou mij dit lang niet ongevallig zijn”.
„Wat staat er in dien brief, Edward?”
Lord Lister vouwde den brief open en las de volgende woorden:
„Aan miss Lucie Watkins, Londen, Shooters Hill road 12.
Als de „Tasmania” vergaat, tracht dan mijn waterdichte cassette, die mijn geld en testament bevat, op te sporen.
RICHARD FOX, Bankbeambte.
Charly Brand keek zijn vriend aan met groote, vragende oogen.
„Miss Lucie Watkins moet gewaarschuwd worden, Charly, maar de Bank moet zich zelve maar helpen. Voor het meisje is het natuurlijk van het grootste belang, het testament en het geld in haar bezit te krijgen. Hm, wij zullen miss Watkins in Londen opzoeken!”
„Toch nu niet?”
Lister lachte.
„Neen, maar toch gauw! De tijd dringt. De „Tasmania” is in April vergaan. Sinds dien tijd is de verzegelde flesch onderweg. Dat is niet vreemd, want er gaan soms maanden voorbij, voordat zoo’n in zee geworpen flesch gevonden wordt.
„’t Is nu begin Juli en sindsdien kan er dus heel wat gebeurd zijn, dat het noodig maakt, dat miss Watkins dit briefje ontvangt. Mijn bruid en haar moeder blijven nog wat in Oostende en wij kunnen dus in dien tijd uitstekend een uitstapje naar Londen maken.
„Ik verlang bovendien alweer naar mijn vriend Baxter.”
„Maar Edward, laat Scotland Yard en al zijn lieden toch met rust!”
„Ik zal ze met rust laten! Voorloopig stel ik er nog maar alleen belang in om miss Watkins te leeren kennen. Het komt mij voor, dat deze dame onze hulp noodig heeft!”
Met deze woorden stonden de beide vrienden op en begaven zich naar het drukke strandgewoel.