OP ZOEK.
Reading edition
Lord Lister was met Charly Brand naar Londen gereisd om miss Lucie Watkins op te zoeken.
Zij hadden hun intrek genomen in een onaanzienlijk hotel, waar zij doorgingen voor kooplieden, die in Londen zaken kwamen doen.
Wij vinden het tweetal terug op weg naar Shooters Hill road, waar, zooals op het adres van den gevonden brief stond, miss Watkins moest wonen.
De heeren zagen er thans uit als provincialen.
Aan het einde der straat zagen zij een vriendelijk, klein huisje, met zorgvuldig onderhouden tuin.
Hier moest de gezochte wonen.
Lord Lister schelde verscheiden keeren, voordat zich schuifelende voetstappen deden hooren en de deur geopend werd door iemand met scherp besneden gelaat, omgeven door een grauwen, woesten baardgroei.
„Wat verlangen de heeren?” vroeg de man.
„Wij wenschen miss Watkins te spreken!” antwoordde lord Lister.
De man scheen verrast.
„Kent ge miss Watkins?” vroeg hij.
„Dat niet! Maar wij moeten haar spreken, want wij hebben belangrijke mededeelingen voor haar.”
„Hm, belangrijke mededeelingen?”
„Ja, héél belangrijk!”
„Zoo! En de heeren zoeken miss Watkins hier? Die dame woont niet hier! Ik bewoon alleen het huis met mijn familie, maar ik weet, dat zij hier heeft gewoond, want ik heb het huis van haar familie gekocht, die het van een oom erfde!”
„Is die oom verdronken bij den ondergang van de „Tasmania”?”
„Ja, juist. Hij is verdronken met de „Tasmania”, op reis van Sidney naar Plymouth. Er waren goudstaven aan boord ter waarde van twee millioen pond! Een mooi sommetje, heeren! Hier woonde meneer Fox, toen hij vier jaar geleden naar Sidney ging voor de Engelsche Bank. Ik heb Fox nog goed gekend. Hij was een beste, brave kerel. Ik heb zaken met hem gedaan!”
„Met u, David Simonson?”
De gevraagde keek verbaasd op.
„Kent u mij?”
„Op die vraag kan ik u hier niet antwoorden. Hebt ge een kamertje, waar wij ongestoord wat kunnen praten? Laat ons daar dan heengaan!”
De man sloot de deur en mompelde nog steeds:
„Hoe kent hij mij?—Wie is hij?—Ik ken hem niet!—Heelemaal niet!”
Op de eerste verdieping liet Simonson de heeren in een gezellige kamer.
„Mag ik nu vragen, hoe meneer mij kent?” vroeg hij brandend nieuwsgierig.
„Doodeenvoudig, Simonson. Ge hebt vroeger dikwijls rijken jongelieden geld geleend tegen een aardig procentje. En ge hebt ons altijd heel fatsoenlijk behandeld, Simonson, dat moet ik zeggen!”
De man hoorde deze woorden met een grijns van genoegen.
„Ik zie wel”, sprak hij, „dat meneer mij heel goed kent, heel goed! Maar meneer schijnt niet te weten, dat ik mijn praktijken niet meer uitoefen. Ik heb toen het huis gekocht van meneer Fox, den neef van den verdronken Fox!”
„Maar vertel nu eens, Simonson, hoe staat het met die miss Watkins? Je weet zeker wel meer van die dame?”
„Zij was de dochter van een halfzuster van den verdronken Fox en woonde met haar jongeren broer, Tommy genaamd, een knaap van tien jaren. Haar moeder stierf vijf jaar geleden, haar vader voor negen jaren. Meneer Fox uit Sidney steunde zijn stiefzuster en later haar kinderen regelmatig. Hij heeft hen ook nog eens bezocht drie jaar geleden. Toen heb ik hem leeren kennen en nog wat zaakjes met hem gedaan. Hij bracht allerlei snuisterijen mee uit Australië, die hier goed betaald worden. ’t Is jammer, dat meneer Fox niet meer leeft. Hij was een beste, brave man. Heel anders dan zijn neef, Fox Junior.”
„Wat is daar dan mee, Simonson? Vertel dat eens!”
„Kan meneer zwijgen?”
„Als het graf. Zoo waar als ik lord Lister heet!”
„Groote, almachtige vader, gij— —zijt gij— —gij— —?”
Zijn stem verstierf, alsof hij een spook zag.
„Wel ja, ik ben lord Lister”, sprake deze dood kalm, „dezelfde, dien gij indertijd heel wat keeren uit de geldverlegenheid hebt geholpen.”
„Maar— —vergeef mij— —’t is voor mij een groote eer— —om u— —den grooten lord— —bij mij te zien— —maar lord Lister— —is toch— —is toch ook— —ik heb het gelezen— —gelezen— —is toch ook— —Raffles.”
„Juist”, antwoordde de gevraagde, „en alleen bedriegers en gauwdieven hebben Raffles te vreezen. Voor jou, Simonson, blijf ik lord Lister. Vertel mij dus, wat ge van Fox Junior en van miss Watkins weet!”
Deze vertelde nu:
„Op de eerste verdieping woonde mr. Fox Junior. Ik weet niet, waarvan hij leefde. Hij stond met zijn oom niet op al te goeden voet en deze hield niet veel van zijn neef. Desondanks liet hij hem toch in zijn huis wonen.
„Met miss Watkins ging mr. Fox niet om. Dat wil zeggen, het meisje verafschuwde hem, omdat hij verscheiden keeren dronken thuis was gekomen. Zij toonde het ook duidelijk, dat zij het land aan hem had. Toen het bekend werd, dat de „Tasmania” vergaan was, en dat mr. Fox onder de opvarenden had behoord, werd Fox Junior als erfgenaam van zijn oom aangewezen. Hij kreeg dit huis, dat ik van hem kocht. Reeds vóór dien tijd woonde miss Watkins al niet meer hier. Het heette, dat zij met haar broer Engeland had verlaten. Ik weet niet, waar zij zich thans bevindt.”
„Waar woont mr. Fox Junior dan?”
„Die woont in Oxfordstreet”
„Hm! Zoo! Dank je, Simonson! Je weet dus niets van miss Watkins?”
„Niets!”
„Op je eerewoord?”
„Op mijn eerewoord!”
„Goed! Ik geloof je! En beloof mij nu, dat je niemand zult zeggen, wie je vandaag heeft bezocht! Zul je?”
En Simonson stamelde:
„Neen, lord Raffles—neen, Lister— —neen, ik zal u niet verraden. Ik zweer het u!”
„Goed! Vertel mij nu, hoe miss Watkins en haar broer er uitzien! Ik ken ze niet en zal ze toch moeten herkennen!”
„Daar kan ik u uitstekend mee helpen! De overledene meneer Fox heeft mij drie jaar geleden bij zijn laatste bezoek een foto gegeven. Daar stond broer en zuster op. Ze zien er nog net zoo uit”.
Simonson ging en kwam eenigen tijd later met een foto terug.
„Kan ik het portret een tijdje houden?” vroeg de Lord.
„Zeker, zoolang als ge wilt!”
„Goed! Ik zal het je weer terugsturen! Vaarwel, Simonson, ik dank je wel!”
Lord Lister vertrok met Charly en Simonson sloeg nog eens, van louter verbazing, de handen boven zijn hoofd samen.
Lord Lister en Charly waren in den namiddag naar de straat gegaan, waar volgens het zeggen van Simonson, mr. Fox Junior woonde.
Het was een nauwe straat in een der oudste gedeelten van Londen.
Lord Lister keek eens naar de gevels.
„Die oude gebouwen hebben alle hun geheimen, Charly”, sprak hij, „bijna ieder gebouw heeft zijn donkere kelders en zijn verborgen uitgangen. Daar werden de schatten verborgen, maar thans worden in die donkere gewelven niet zelden allerlei misdaden uitgevoerd.
Het zou mij niets verbazen als die mr. Fox alle reden had om juist hier te wonen.
„Kijk eens, Charly, daar, in dat alleroudste huis moet hij wonen.”
„Het huis ziet er uit als een roovershol”, meende Charly.
„Weet je wat voor lieden hier wonen?”
„Neen!”
„Meestal lui, die zich met helen en woekeren afgeven. Mijn vriend Baxter heeft in deze straat een paar speciale vrienden, die hij graag met een bezoek vereert, als hij naar gestolen waren zoekt.”
„Vindt hij dan iets?”
„Neen, zoo dom zijn de heertjes niet! Maar kom laat ons naar mr. Fox gaan, jongen en pas op je tellen!”
Beiden bleven staan voor het oude huis.
Lord Lister drukte den deurklink neer. De deur was gesloten.
Hij haalde nu de schel over.
Aan de binnenzijde weerklonken al spoedig voetstappen. Een luikje werd geopend en daarvoor vertoonde zich het gelaat van een niet onknappe vrouw.
Zonder eenige vraag af te wachten, sprak zij, na met scherpen blik de bezoekers te hebben gemonsterd:
„Mr. Fox is niet thuis. Kom later maar eens terug.”
„Dat is jammer!” antwoordde lord Lister, „ik heb weinig tijd, want de politie zit me op de hielen.”
De vrouw glimlachte, knikte en zei:
„Ik heb u nog nooit hier gezien!”
„Dat geloof ik! Ik werk ook niet in Londen, maar meestal in de kustplaatsen.”
„En wat brengt ge?”
„Een fijn horloge met ketting,” fluisterde de lord.
„Goed, ik zal open doen.”
De deur werd geopend en nu zagen de vrienden een forsche, knappe vrouw, zorgvuldig gekleed, die achter het tweetal de deur weer stevig sloot. Zij bracht de heeren door een lange gang naar een net gemeubelde woonkamer en vroeg toen, op Charly wijzend:
„Dat is toch geen dwarskijker?”
„Kun je begrijpen! ’t Is nog een groentje, maar hij is best te vertrouwen.”
„Goed! Wacht hier maar, de baas komt dadelijk!”
Zij ging de kamer uit en liet beiden alleen.
Het scherpe oor van lord Lister hoorde, dat buiten een grendel werd voorgeschoven. Zij zaten dus voorloopig gevangen.
„Om Godswil Edward, waar zijn we hier beland?” vroeg Charly angstig.
„Wij zijn, juist zooals ik dacht, in het hol van een heler geraakt, beste jongen,” fluisterde de lord in de Fransche taal tot zijn vriend. „Wees voorzichtig, Charly en praat niet veel. Ik ben ervan overtuigd, dat wij van uit een andere kamer worden begluurd. Men vertrouwt ons niet.”
Toen sprak hij op luiden toon:
„Die dame schijnt ons niet al te best te vertrouwen, maar ik neem het haar volstrekt niet kwalijk, zij kent ons immers niet! Ik hoop nu maar, dat mr. Fox heel gauw komt, dan kunnen we meteen zaakjes met hem doen.”
De beide vrienden keken eens in de kamer rond en toen door het venster, dat op de binnenplaats uitkwam.
Daar bemerkte Charly, dat zich achter een luchtgat in den muur, juist tegenover het venster, een hand bewoog.
Hij keek nauwkeuriger toe en zag nu, dat een paar musschen naar de hand vlogen en dan ijverig gingen pikken. De hand verscheen weer, zonder dat de diertjes verschrikt terugweken.
Waarschijnlijk werd daar telkens nieuw voer neergelegd.
Charly zag duidelijk, dat een dames- of een kinderhand het voer moest strooien, want de hand was fijn gevormd.
Juist wilde hij lord Lister op deze ontdekking opmerkzaam maken, toen deze opstond en door een teeken te kennen gaf, dat Charly niets moest zeggen.
Lord Lister, die al rookend in zijn stoel had gelegen, had intusschen de muren scherp bekeken en opgemerkt, dat ergens bovenaan een luikje werd geopend, waardoor hij en zijn vriend natuurlijk van boven af bespied en beluisterd werden.
Nu werd het luikje gesloten en op de binnenplaats verscheen de vrouw, die hen had opengedaan.
Lord Lister fluisterde Charly toe:
„Let op, wat de vrouw gaat doen en zeg mij, als zij weer in huis gaat.”
Toen sprong hij op en trachtte een kleine kast, die tegen den muur stond, op zij te schuiven.
Dat ging gemakkelijk.
Lord Lister knikte tevreden, want deze kast verborg een deur, die eveneens gemakkelijk was te openen. Hij keek nu in een nauwe, smalle gang, die hij gaarne nader had onderzocht, maar de vrouw, die op de binnenplaats met een langen stok de musschen had weggejaagd, kwam weer binnen en Charly waarschuwde zijn vriend.
Deze ging onmiddellijk weer in dezelfde achtelooze houding in den stoel zitten en na een poosje zag hij, dat het luikje weer geopend was.
Nu ging de huisschel over.
Het luikje ging geruischloos weer dicht.
„Ha zoo”, dacht Lister, „daar komt de heer des huizes.”
Na langen tijd werd de deur van de aangrenzende kamer geopend.
Twee kijvende stemmen weerklonken luid en heftig.
Eensklaps werd de kamerdeur zacht geopend en met bleek gelaat verscheen de vrouw op den drempel.
„Ik geloof, dat het daar binnen gevaarlijk wordt”, fluisterde zij.
„Wie is daar dan?” vroeg Lister.
„Een handelsvriend, en—” met een luiden schreeuw vloog zij plotseling weg.
In de kamer was de strijd voortdurend heftiger geworden. Meubels werden omgegooid, kreten weerklonken.
De vrouw snelde weg, gevolgd door Lister.
Zij had de deur open gedaan.
Op den grond rolden twee mannen. Zij hielden elkaar stevig vast. In de hand van den een flikkerde een mes.
Lister was toegesneld, pakte de hand met het mes beet en ontwrong dit den vechtende. Toen drukte hij den arm naar beneden, waardoor de ander weer kon ademhalen. Lister zag, dat dit Fox moest zijn.
Charly was nu ook binnengekomen en toen de vechtersbaas zag, dat hij tegen drie toch niets kon uitvoeren, hield hij zich maar koest.
„Vervloekt!” stiet hij uit, „wat heb jullie je in onzen strijd te mengen. Laat mij los!”
„Wil je het geld nemen en kalm weggaan?” vroeg Fox den man, die nog steeds door Lister en Charly werd vastgehouden.
„Ik moet nu wel!” bromde de overwonnene.
„Goed!” sprak Fox, „en je zult zien, Jack, dat ik je niet heb benadeeld. Ik geef nog een pond toe, dan is de zaak all right?”
„Allright!” knikte Jack. „Zullen de heeren mij nu los laten?”
Fox knikte en Lister en Charly gaven den man zijn vrijheid terug.
Deze stond nu met moeite op, raapte eenige papieren die op den grond gevallen waren, bij elkaar en grijnsde tegen mr. Fox.
„Verduiveld onbeleefd om je handelsvrienden zóó te bejegenen, mr. Fox,” meende hij, „maar even goede vrienden, hoor!”
Het tweetal schudde elkander nu broederlijk de hand en Fox bracht Jack naar de deur.
Toen de huiseigenaar was teruggekomen, bracht de hospita een flesch brandewijn en glazen. Fox sloeg onmiddellijk den inhoud van zijn eerste glaasje naar beneden en liet zich toen nog twee keer inschenken.
Daarop lachte hij voldaan, reikte Lister en Charly de hand en sprak:
„Mijn dank, heeren, voor uwe hulp. Jack is een driftige kerel! Hij grijpt dadelijk naar het mes, maar overigens is hij een brave jongen. Maar ik was er nou toch wel miserabel aan toe. Jullie zult toch wel je woord houden?”
Lister en Charly beweerden allebei, dat ze zouden zwijgen als het graf.
Fox vroeg thans:
„Wie zijt ge en wat zendt u?”
Lister deed verlegen en krabde zich eens achter het oor.
„Mister Fox, wie wij zijn, zal u wel heel weinig schelen. En wie ons stuurt? In iedere herberg hoor je namen noemen als je zaken te doen hebt.”
„Ja juist, ja juist!” beweerde Fox. „Maar hoe moet ik u dan noemen?”
„Noem mij maar fijne Willem! zoo noemt mij iedereen in Liverpool. Ik heb dit oude spulletje maar voor hier aangetrokken. Draag anders fijn spul!”
„Alle duivels! Wat wil je dan in Londen, als je in Liverpool werkt?”
„Wel, heel eenvoudig, mr. Fox. Ik wil naar het vasteland. De grond brandt me hier onder de voeten!”
„Zoo, zoo! Ja, twee zulke knappe jongens moeten geholpen worden! Jullie zult zien, dat ik dankbaar ben.” En tot de hospita:
„Miss Anny, ga boven eens dekken!”
Miss Anny, die nog steeds vol zorg naar Fox keek, ging heen.
„En wat voor zaakje heb jullie nou?” vroeg Fox.
Lister haalde een gouden horloge en ketting te voorschijn en legde ze op tafel neer.
De oogen van den heler schitterden toen hij de sieraden zag.
Hij liet den ketting door zijn vingers glijden en sprak:
„Goed werk, goed werk.”
Toen keek hij Lister aan en zei:
„Ik geef vijf pond. Is ’t goed?”
Lister floot eens door de tanden, trok een leelijk gezicht en antwoordde:
„Dat ding is meer dan vijftien pond waard.”
„Voor mij niet!—Maar—ik geef er nog vijf pond bij, als—”, hij keek zijn beide helpers onderzoekend aan.
„Nu—als?”
Fox sloeg zich op de knieën dat het klapte.
„Ik vertrouw jullie, omdat je mij geholpen hebt. Maar wilt gij mij een dienst bewijzen?”
„Welken?” vroeg Lister.
„Ge zegt, dat ge naar het vasteland gaat. Zoudt ge een persoon daarheen willen geleiden? Ik leg er dan nog vijf pond op.”
„Waar gaat die persoon heen?”
„Ge behoeft niet verder mee te gaan dan Calais. Daar wordt ze afgehaald en ge behoeft u om niets meer te bekommeren.”
„Is het een vrouw, die vluchten wil?”
„Precies! Ik breng haar bij u op het schip en gij neemt haar mee naar Calais. ’t Is overigens een heel fatsoenlijk zaakje. Als ge wilt, kunt ge dan tot het vertrek hier blijven.”
Lord Lister streek het geld op dat Fox hem overhandigde. Fox zei:
„Dat is dan in orde! Gaat nu maar in de kamer hiernaast om u wat op te knappen. We hebben nog drie uren tijd, voordat de boot vertrekt.”
Fox verliet na deze woorden de kamer.
Lord Lister keek hem na, glimlachte eens en sprak tot Charly:
„Jongen, jongen, beter hadden wij het niet kunnen treffen! Ik wil vriendschap drinken met vriend Baxter, als wij niet miss Watkins naar Calais brengen. Zij is hier in huis verborgen. Deze gang voert naar haar verblijf. Waar kan echter dat broertje zijn gebleven?”
Daar ging de huisbel over.
Lister zweeg en luisterde.
De stap van een man werd in de gang gehoord. Toen ging de deur open en Fox begroette een vreemdeling. Lister keek eens naar boven. Het spionluikje was gesloten.
Daarop ging hij naar de deur en luisterde.
Twee stemmen spraken fluisterend met elkander. Zij spraken in het Spaansch en daar Lord Lister deze taal uitstekend meester was, kon hij het gesprek volkomen volgen. Hij hoorde nu, dat miss Watkins inderdaad hier in huis was en dat de vreemdeling haar naar Zuid-Amerika wilde brengen onder het voorwendsel, dat zij zijn kinderen zou opvoeden.
De vreemdeling was echter een berucht handelaar in blanke slavinnen, die hun slachtoffers naar Zuid-Amerika brengen in bordeelen en Fox was een ijverig handlanger van den schurk. Verder hoorde Lister uit het gesprek, dat de vreemdeling nog met twee andere meisjes zou reizen.
Fox verklaarde, dat hij twee lieden had gevonden, die, zonder dat zij wisten waarom het ging, miss Watkins naar Calais zouden brengen.
Na eenig over en weer praten kwam het tweetal tot de conclusie, dat de vreemde miss Watkins reeds in Dover zou overnemen.
Schreden naderden thans de deur, zoodat lord Lister zich moest terugtrekken.
Een knaap bracht eenige gerechten binnen, twee flesschen bier en glazen. Hij zette alles op tafel neer en wilde heengaan.
Toen vroeg Lord Lister:
„Ben jij Tommy?”
„Ik heet Tommy, sir, wat verlangt ge?”
„Niets. Maar waarom heb je geschreid?”
„Och, meneer, mijn zuster gaat vandaag weg en ik moet naar zee, maar ik heb er heelemaal geen lust in!”
Tranen kwamen den knaap in de oogen.
Op medelijdenden toon vroeg Charly:
„Maar men zal je toch niet dwingen, Tommy?”
„Toch wel! Mr. Fox wil het en dan moet het wel!”
„Van buiten gilde een schelle vrouwenstem:
„Tommy, waar blijf je?”
Verschrikt liep de jongen de deur uit.
Even later kwam Fox weer binnen en zeide op jovialen toon:
„Om zeven uur kunt ge naar het station gaan, heeren, daar kom ik dan ook met de dame, die u hier de deur heeft opengedaan en met de vrouw, die ge zult wegbrengen. In Dover neemt een heer reeds uw taak over. Om acht uur vertrekt de trein. Ge moet met de dame niet meer spreken dan hoog noodig is.”
Lord Lister, die smakelijk een cotelet verorberde, sprak nu:
„Wel, sir, wat gaat mij die dame aan. Wij brengen haar naar Dover en daarmee uit!”
„Allright gentlemen! Ik heb nu nog veel te doen! Tot straks!”
Hij ging de deur uit! Even daarop hoorde lord Lister hem spreken met de hospita, toen verliet hij het huis.
„Nu opgepast, Charly”, sprak Raffles. „’t Is nu tijd om te handelen en miss Watkins in veiligheid te brengen. Ik zal Tommy nu ook te voorschijn halen. Blijf jij nu hier, dan ga ik naar de hospita!”
Lister opende de deur en ging door de gang naar de keuken. Daar zat Tommy hevig te schreien.
Lister vroeg hem, waar de huishoudster was en het kind antwoordde, dat deze naar haar kamer op de eerste verdieping was gegaan om zich mooi te maken voor de reis.
Nu ging Lister naar de kamer terug, beval Charly op den uitkijk te gaan staan en schoof de kast terzijde, waardoor de geheime deur zichtbaar werd.
Hij liep nu een lange gang door en kwam aan een kamerdeur, die dadelijk openging. De kamer was echter leeg, maar in een aangrenzend vertrek, waarin Lister door het sleutelgat kon kijken, zag hij een jong meisje staan, waarin hij, naar de foto van Simonson, terstond miss Watkins herkende.
Hij klopte zachtjes en zag, dat het meisje verrast op keek. Toen beproefde hij de deur te openen, maar zij was gesloten.
„Wie is daar?” vroeg miss Watkins.
„Een vriend, die gekomen is om u uit de macht van Fox te redden. Doe maar open!”
„Ik heb geen sleutel!” luidde het antwoord.
„Luister dan eens. Ik ken uw geschiedenis en ben gekomen om u te redden. Ga dus kalm mee als men u naar het station brengt. Ge vindt mij daar.”
„Ik zal gehoorzamen!”
„Uitstekend!”
„Maar Tommy?”
„Ik zorg voor Tommy ook! Maar nu moet ik terug!”
Lord Lister verwijderde zich snel en ging langs denzelfden weg terug.
Charly liep nog doodbedaard heen en weer. Er was dus niets gebeurd in zijn afwezigheid.
Nu vloog Lister zoo vlug als zijn beenen hem konden dragen naar den kelder, en daar lagen allerlei wonderlijke meubels, zijden stoffen en huishoudelijke artikelen opgestapeld. Vooral trok een groote, met ijzer beslagen kist zijn opmerkzaamheid. Hij trachtte het deksel op te lichten en dat lukte terstond. In de kist lagen horloges, gouden en zilveren sieraden en verscheiden andere kostbaarheden. Listers horloge met ketting lag er ook bij en glimlachend nam hij ze in de hand.
„Mr. Fox moet zich wel heel veilig voelen, dat hij alles hier maar zoo open laat staan,” dacht Lister. Toen deed hij de kist weer dicht en ging terug naar het vertrek, waar Charly stond te wachten.
„Gelukkig, dat je terug bent, Edward”, sprak de jongeman herademende, „ik verging van angst.”
Lister glimlachte.
„Mijn onderzoekingstocht is volkomen gelukt.”
Lang bleef Lister niet in de kamer. Hij ging naar de keuken waar Tommy nog altijd zat te schreien.
„Houd moed, jongen”, zei Raffles, „blijf je alleen thuis, als wij allemaal weggaan?”
„Ja, sir. Dan word ik opgesloten. Ze zijn bang, dat ik wegloop.”
„Opgepast, Tommy. Als je zuster wordt weggebracht, blijf je alleen, maar als je braaf bent, kom ik je halen en breng je weer naar je zuster. Maar hou je mond, want anders ben je verloren.”
De oogen van den knaap schitterden.
„O, ik kan best zwijgen! Is het heusch waar, meneer, komt u mij halen?”
„Kalm, mijn jongen, ik lieg niet. Hou je mond en wacht af de dingen, die komen zullen. Waar is miss Anny? Nog altijd boven?”
„Ja!”
„Goed! Zeg aan niemand, dat wij met elkaar gesproken hebben.”
Lord Lister verdween en deelde Charly nu fluisterend het plan mee, dat hij had ontworpen om de kinderen te redden.
Een uur later kwam Fox weer thuis en trad bij de vrienden binnen.
„Ik geloof, dat wij maar naar het station gaan, mr. Fox”, zei Lister. „’t Is hier zoo erg vervelend en de weg is lang.”
„’t Is mij goed. Als ge maar zorgt, dat ge den trein niet verzuimt.”
„Geen nood, sir!”
„Tot weerziens dan!”
„Tot weerziens!”
Fox bracht zijn gasten tot de deur en liet hen met een knikje van verstandhouding de deur uit.