OP DEN BODEM DER ZEE.
Reading edition
Den volgenden dag reisde lord Lister met Charly naar Plymouth en naar den beroemden vuurtoren van Eddystone.
Op de reede liep ongeduldig een chic gekleed heer heen en weer. Hij tuurde naar den ingang der haven en keek met tevreden gelaat naar een naderende stoomboot.
Het was een boot, die door de Engelsche Bank gecharterd was om den kostbaren schat der „Tasmania”, die nog steeds op den bodem der zee lag, op te halen.
De chic gekleede heer was mister Fergusson, een hooggeplaatst Bankambtenaar, die vol verlangen naar de terugkomst der boot uitzag, om te hooren, hoe de eerste pogingen waren afgeloopen.
De boot meerde aan de kade.
Mr. Fergusson begaf zich snel aan boord, begroette den kapitein en een forschen kerel, die naast den kapitein stond en ging toen met beiden in de kajuit.
„Nu, hoe staat het er mee, Edmonds? Ben je geslaagd?”
„’t Staat slecht, meneer, meer dan slecht. Tot nog toe weten we alleen nog maar waar het wrak ligt. Wij hebben gedoken, toen het eb was, omdat dan alleen te arbeiden is. Bij vloed houdt geen duiker het beneden uit. Neen, het ziet er leelijk uit, met de millioenen daar beneden.”
„Hoe lang kunnen de lui onder water blijven?”
„Ik kan voor het duiken maar twee van mijn mannetjes gebruiken, maar dat zijn ook jongens van ijzer. En die kunnen niet meer dan een half uur beneden blijven. Ik heb vandaag zelf gedoken, maar ik verzeker u, dat het een duivelsch werk is.”
„Zou het niet mogelijk zijn, nog meer duikers te werven? De Bank geeft den duiker die den schat ontdekt, een belooning van 1000 pond en aan wien hem boven brengt een van 10,000 pond. Dat is toch de moeite waard.”
„Allright, sir! Ik zou graag dat sommetje willen verdienen en mijn mannetjes nog liever, maar tegen de natuur kan niemand vechten.”
„Ge weet nu toch nauwkeurig, waar het wrak ligt, niet waar?”
„Heel precies.”
„Mooi zoo!”
„Maar de duikers zullen het heel moeilijk hebben om in het inwendige van het schip te komen. Alles is verbogen en de kajuiten zijn versperd door stukken ijzer. Ik betwijfel het, of de mannen zich daar beneden wel voldoende zullen kunnen bewegen.”
„Wanneer gaat ge er weer heen?”
„Als de eb is ingetreden. Wij moeten den tijd gebruiken en des nachts werken bij electrisch licht. Het weer schijnt zich goed te houden en wij hebben spoedig volle maan.”
„Wat zou dat?”
„Wel, dan is de vloed het hoogst, maar ook de ebbe!”
„Zoodra ge iets bijzonders hoort, zult ge het mij zeker wel laten weten? Ge hebt overigens verlof om geheel naar eigen goedvinden te handelen.”
Kapitein Brown, de tweede man, had zwijgend het gesprek mee aangehoord.
Nu verschoof hij eens den pruim in zijn mond en zei:
„Ge zijt een verstandig man, mr. Fergusson. En wij zullen ons best doen zooveel als wij kunnen.”
„Uitstekend, heeren! Ik wensch u veel geluk met uw beproevingen!”
Fergusson stond op en verliet een oogenblik later het schip.
Kapitein Brown en Edmonds, de chefs en aanvoerders der duikersafdeeling te Plymouth, wandelden op dek heen en weer.
Daar kwam een matroos iemand melden om mr. Edmonds te spreken.
Deze ontving den bezoeker.
Het was een zwartgelokt Italiaan, die het Engelsch sprak met sterk Italiaansch accent.
„Ik heb gehoord,” zei hij, „dat ge duikers noodig hebt voor zeer zwaren arbeid. Daarvoor kom ik mij aanmelden.”
„Zijt ge duiker van beroep?”
„No, signore, dat niet! Maar ik heb langen tijd in Zwitserland gewerkt bij de doorgraving van een tunnel. Daar werd steeds verse lucht ingepompt en de ademhaling ging moeilijk. Ik kan er best tegen en geloof ook, het duikerswerk uitstekend te kunnen verrichten.”
„Dat staat mij aan! Zoudt ge nu reeds een proef willen nemen?”
„Terstond?”
„Ja, nu dadelijk!”
„Si, signore, heel graag!”
„Wel, sir, ga dan terstond mede, onze tijd is kostbaar. Hoe heet ge?”
„Casati di Napoli, uit Napels, sir!”
Edmonds knikte verheugd.
„Denk er aan, vanmiddag steken we in zee!”
En met den nieuwen duiker vertrok hij om de proef bij te wonen, die deze thans ging nemen.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Toen de boot wegstoomde naar de plaats van bestemming, stonden kapitein Brown en kapitein Edmonds op de commandobrug.
Casati, de nieuwe duiker, redeneerde druk met zijn beide kameraden.
„Alle duivels,” zei Brown en hij wees op Casati, „hebt ge den nieuwen duiker vandaag al meegenomen? Moet hij nu al werken?”
„Ja, hij staat er op. ’t Is een moedige kerel. Dat is er nou een, zooals ik al zoolang gewenscht heb. Het zou mij niets verbazen, als hij den schat ontdekt.”
„Zoo, zoo,” bromde Brown. „ik heb nooit veel op gehad met Italianen. Deze kerel maakt dan zeker een gunstige uitzondering.”
„Daar ben ik zeker van!”
„Ik hoop het!”
„Gaat gij ook weer duiken?”
„Dat moet wel! Mij meegerekend, zijn we maar met z’n vieren. Wij gaan telkens met z’n tweeën, anders acht ik het veel te gevaarlijk.”
„Duikt gij met den Italiaan?”
„Dat weet ik nog niet!”
„Ik zou het niet doen, Edmonds!”
„Wel, waarom niet!”
„Omdat de kerel zeker verdrinkt!”
„Daar ben ik nog zoo zeker niet van!”
„Omdat je het land hebt aan Italianen!”
„Kan zijn!”
De kapiteins waren in levendig gesprek gewikkeld.
Plotseling stiet Edmonds een angstkreet uit en in hetzelfde oogenblik beval hij met stentorstem den stuurman om het roer te wenden.
Vlak voor de stoomboot schoot een klein, rank bootje voorbij.
Het had maar héél weinig gescheeld, of het scheepje was door de boot met duikers overvaren en in den grond geboord.
Allen hadden het dreigende gevaar gezien.
De Italiaan had zich over de verschansing gebogen en met luider stemme geroepen:
„Per dio, signore, hoe kan men zóó onvoorzichtig zijn?”
De inzittende, een jongeman, in wien wij Charly Brand herkennen, had al zóó handig gemanoeuvreerd, dat hij, ook zonder het bevel van den kapitein, elk bevel ontsnapt zou zijn.
Nu verwijderde het scheepje zich snel.
Charly had er zich even van overtuigd, dat Edward inderdaad aan boord was.
De boot had in de buurt van Eddystone het anker uitgeworpen en niet ver vandaar dobberde een ton op het water. Dat was de plaats, waar de „Tasmania” gezonken was.
Nauwelijks had de boot de eerste voorbereiding getroffen, of van alle kanten kwamen nieuwsgierige stoombootjes opzetten, tot groot misnoegen van kapitein Brown, die geweldig het land had aan al deze kijkers.
„Daar zijn natuurlijk weer krantenmenschen bij”, mopperde hij woedend. En toen:
„Stuurman, laat een paar matrozen die kerels wat van ons lijf houden!”
„Best, kapitein!”
Intusschen had Edmonds zijn mannetjes om zich heen verzameld.
De groote luchtpomp was opgesteld en twee duikers kleedden zich om in het water te gaan.
Een trap was overboord gehangen.
Edmonds wilde straks met Casati, die niemand anders dan lord Lister was, gaan duiken.
De beide anderen waren nu klaar.
De zware koperen helm werd hun over het hoofd gedaan en door schroeven verbonden aan de waterdichte kleeding. Langzaam en moeizaam door de looden zolen aan de voeten, daalden zij de trap af.
Aan de luchtpomp werkte twee lieden. Een derde liet de luchtbuizen vieren, een vierde het touw, waarmee de duikers werden neergelaten en opgehaald en waaraan ook het dunne signaaltouw is bevestigd. Een electrische lantaarn was aan hun gordel bevestigd, een stevige bijl, een korte zaag en messen.
Zoo uitgerust verdwenen zij in de groene golven.
Na een klein half uur trok een der duikers aan het signaaltouw.
Snel werd hij opgehaald. Helpende handen strekten zich uit, trokken hem op het dek en bevrijdden hem allereerst van den koperen helm, opdat hij frissche lucht zou kunnen inademen.
De man, wiens gelaat donkerrood gekleurd was, werd totaal uitgeput in een ruststoel neergelegd.
Een paar minuten later gaf nu de tweede duiker ook een sein.
Deze was minder uitgeput en vertelde, dat het wel mogelijk was door het lek in het onderste ruim van het schip te komen. In het achterschip of de kajuiten zou men echter nooit kunnen komen, daar deze door al het ijzer versperd waren.
Nu konden Edmonds en Casati zich gereed maken voor den gevaarvollen tocht.
Edmonds ging eerst naar de diepte, de Italiaan, alias lord Lister, volgde.
Op den bodem der zee was het tamelijk licht.
Casati zag al heel spoedig den kapitein op den rand van het wrak staan.
Edmonds wees hem op den bodem der zee allerlei zeesterren, krabben, kreeften, slakkenhuizen en velerlei vischsoorten. De schollen hadden hun lichaam geheel en al in het zand begraven, en keken slechts met de koppen eruit.
Edmonds maakte door een teeken kenbaar, dat zij naar beneden moesten en liet zich toen langs het schip afglijden.
Lister volgde onmiddellijk.
Toen beiden op den zeebodem waren aangeland, stoven de visschen vol schrik uit elkander.
De duikers liepen langs het wrak, dat nog een weinig op zij helde. In het middengedeelte kon men het inwendige van de „Tasmania” geheel overzien.
Lord Lister wist, dat de schatkamer met de goudkisten zich in het achterschip bevond. Voor hem kwam het er slechts op aan de cassette van den verdronken Fox te vinden, en waar deze zich bevond was natuurlijk niet bekend.
Zoo was hij dus gedoemd, alle hoeken te doorzoeken.
Het tweetal werkte met bijl, zaag en hakmes, en trachtte zich op deze manier een weg te banen. Zij stieten op velerlei hinderpalen in den vorm van allerhande bagage van de verongelukte opvarenden, maar behendig wisten zij alles ter zijde te schuiven, en zoo klouterden zij langzaam maar zeker verder.
Thans bevonden zij zich in een groote donkere ruimte, in het midden van het schip gelegen. Een ontzettende aanblik deed zich voor hun oogen op. Hier was waarschijnlijk vroeger de eetzaal geweest, want op een lange tafel stonden nog borden en schotels. En tegen de muren stonden in loodrechte houding in het kalme afgesloten water verscheiden lijken nog in dezelfde houding, als waarin de dood hen had verrast.
Toen de mannen binnenkwamen werd het water in beweging gebracht en de lijken begonnen te wankelen, met wijd opengesperde oogen schenen zij dreigend te zullen toekomen op de rustverstoorders. De armen en hoofden waggelden, de lichamen bewogen zich voor- en achterwaarts, en plotseling zweefde het lijk van een man langzaam naar boven, naar het dek, alsof het zich op de indringers wilde storten.
Aan het einde der eetzaal zat een vrouw, die in doodsangst haar dochtertje in de armen knelde.
Edmonds, die reeds meerdere malen op den zeebodem dergelijke tafereelen had bijgewoond, bleef volkomen kalm, maar Lister spande alle krachten in om niet te bezwijmen bij den aanblik van deze ontzettende tafereelen.
Edmonds ging nu verder. Hij opende de deur, die naar een gang voerde, waar zich aan weerszijden de passagiershutten bevonden.
Al heel spoedig waren zij tot de overtuiging gekomen, dat hier onmogelijk de schatten konden geborgen zijn. Aan het einde der gang vonden zij het lijk van een man, die een ijzeren cassette krampachtig in de armen hield. Het flitste door Lord Listers brein, dat hij thans aan het doel was.
Hij maakte de cassette los uit de verstijfde vingers van den doode, en nam toen op een teeken van zijn chef de vondst mede, nadat hij nog uit de zakken van den verdronken man eenige sleutels en papieren had gehaald.
Edmonds beduidde thans, dat hij het niet langer onder water kon uithouden, en naar boven wilde, en hoewel Lord Lister nog niet de minste onaangename gewaarwording ondervond, volgde hij toch zijn chef.
Een oogenblik later stond het tweetal weer op het dek van het duikerschip. Edmonds was met de expeditie zeer in zijn schik, en hij was verstomd over de praestaties van zijn leerling Casati, die na zóó korten oefentijd reeds zulke geweldige dingen had tot stand gebracht.
Toen Lister zijn duikerspak had afgedaan, gevoelde hij zich niet in het minst vermoeid, en was hij zelfs bereid om na een korte pauze weer in het water te gaan.
De andere collega’s kregen bevel om de lijken te brengen, opdat men de identiteit ervan zou kunnen vaststellen. Op de cassette, die naar de kajuit van den kapitein was gebracht stond duidelijk de naam Richard Fox gegraveerd. En toen met behulp van de sleutels die Casati van het lijk had genomen, het kistje werd geopend, vond men daar verscheiden papieren, die, hoewel nat geworden, toch nog uitstekend te lezen waren.
„Wel Casati, heb je lust om nog eens te duiken, voordat de vloed komt opzetten?” vroeg Edmonds den duiker.
„O dio, zeker signor, heel graag. Wij hadden den dooden mr. Fox dadelijk moeten meenemen. Ik ga hem halen!”
„Wel sir. Die arbeid zal u niet moeilijk vallen. Daar hebt ge mij niet bij noodig. Ik sta er op, vannacht weer met u te duiken. Blijf dus niet te lang beneden!”
Lord Lister, alias Casati, deed wat hem gezegd was.
Daarop ging hij nog eens de verschillende kajuiten na, zonder echter te vinden wat hij zocht.
Even nadat Casati weer aan boord was gekomen, gaf kapitein Brown bevel om naar Plymouth terug te keeren.
Het anker werd gelicht en, vergezeld van een heele flottielje kleinere en grootere vaartuigen, stoomde de boot naar de veilige haven terug.