GERED EN IN VEILIGHEID.
Reading edition
Lord Lister slenterde met Charly langs de straat.
De eerste dwarsstraat sloegen zij in en trachtten toen in een straat te komen, evenwijdig aan die waarin Fox woonde. Toen zochten zij het huis, dat was gelegen achter dat van den heler. Dit huis behoorde aan een uitdrager. De eerste etage scheen onbewoond en voor slechts twee vensters hingen gordijnen.
Dat moesten dus de kamers zijn, waar miss Watkins woonde.
„Zoo, Charly,” zei lord Lister, „nu is het zaak op te passen om te zien, wanneer mr. Fox met zijn dames het huis verlaat. Jij zorgt intusschen voor een automobiel, en wacht daarmee aan het eind van de straat. Laat al het andere maar aan mij over.”
Op den hoek van de straat, in een klein café, keken de vrienden uit naar het huis van Fox. Het duurde niet al te lang, of zij zagen, dat het drietal het huis verliet.
Lord Lister betaalde en verliet met Charly het kroegje.
„Jij, Charly, gauw in de auto, en wacht mij op den hoek!”
Lord Lister ging nu het huis binnen, dat gelegen was achter dat van den heler. Hij liep het door en op de binnenplaats kwam hij den uitdrager tegen. Toen deze begon op te spelen, gaf Lister hem zoo’n geweldigen klap tegen een der slapen, dat de man bewusteloos neertuimelde.
Nu had hij de handen vrij.
Vlug als een kat klauterde hij op de binnenplaats langs een regenpijp naar de eerste verdieping, schoof daar een raam op en kwam op deze manier ongedeerd in een der kamers van het huis van Fox. Hij liep nu een paar vertrekken door, totdat hij voor een gesloten deur kwam.
Lord Lister klopte—geen antwoord.
Met een looper opende hij de deur en schrikte geweldig, toen hij Tommy vastgebonden op een stoel zag liggen.
Heete tranen rolden den armen knaap langs de wangen.
„Is niemand thuis?” vroeg lord Lister.
Tommy schudde ontkennend het hoofd.
„Kalm, ventje,” sprak hij, „ik kom dadelijk terug.”
„Neen, niet weggaan!” vleide het kind, „neem mij mee!”
„Voel je je dan sterk genoeg?”
„O, ja, sir. Ik ben zoo diep bedroefd, dat Lucie weg is!”
„Goed, Tommy, ga dan maar mee, maar zet eerst je pet op.”
De knaap deed het; lord Lister bracht den jongen door de geheime gang en samen bereikten zij nu het huis van den uitdrager.
Op den hoek der straat wachtte Charly met de auto.
Inderhaast vertelde lord Lister den knaap nog, dat deze spoedig zijn zuster zou terugzien.
Heel tevreden knikte het kind met het hoofd.
Hij had al dadelijk heel zijn kinderlijk vertrouwen gegeven aan den mooien, slanken meneer en beloofde alles te zullen doen wat er van hem verlangd werd, als hij maar niet naar zee behoefde.
Hij bracht den jongen naar een bureau van overtocht, gaf Tommy eenig geld en deponeerde alle kosten. Tommy zou met zijn geleider den volgenden trein halen en des nachts nog in Ramsgate aankomen.
Daarop namen Lister en Charly afscheid van den knaap en reden verder.
Voor de London-brug stapten zij uit. Hun scherpe oogen hadden namelijk een cab ontdekt, waarin Fox zat met zijn dames.
Zij betaalden den chauffeur en gingen nu naar het station. Voordat zij echter daar binnen gingen, riep Lister een dienstman aan, gaf hem een brief, dien hij even te voren op het bureau van overtocht had geschreven en beval den man, het schrijven aan het adres te bezorgen.
Mr. Fox zat reeds met zijn dames in de wachtkamer, toen lord Lister en Charly binnentraden. Hij ging hen tegemoet en stelde hen voor aan miss Watkins. Het meisje vertelde hij, dat zijn beide vrienden, de heeren Smith en Warren, wel zoo vriendelijk zouden willen zijn om de jonge dame tot Dover te geleiden. Daar zou dan mr. Castelli, een rijke Argentiniër, die miss Watkins als gouvernante voor zijn kinderen had geëngageerd, het meisje onder zijn hoede nemen.
Lister deed zeer terughoudend tegenover de mooie jonge dame, die hem van tijd tot tijd met onrustigen blik aankeek en dan weer de wachtkamer rondzag, alsof zij iemand zocht.
Lister begreep, wat het meisje verontrustte. Zij had hem niet herkend aan zijn stem en keek nu uit naar haar redder.
Mr. Fox was opgestaan en sprak nu achter in de wachtkamer met een heer met vollen zwarten baard.
„Dat is zeker signor Castelli”, dacht lord Lister, „de man, die nog twee slachtoffers meeneemt.”
Fox kwam terug en drong er op aan, dat men zou instappen, daar het hoog tijd was.
Allen stonden op en galant bood Lister de jongedame zijn arm.
Deze ging met gebogen hoofd mee naar een coupé tweede klasse.
„De koffers der jongedame zijn al vooruitgestuurd naar Dover”, sprak hij. „Stapt nu maar in.”
Lister gehoorzaamde, nadat hij er zich eerst heel nauwkeurig van had overtuigd, dat signor Castelli in den aangrenzenden waggon met twee jonge meisjes had plaats genomen.
Fox was in een beste bui.
Miss Anny eveneens.
Toen de trein zich in beweging zette, groette zij de vertrekkenden allervriendelijkst, waarop Lister met een spotlachje antwoordde.
Toen de trein het station had verlaten, sloot de lord het venster. Zij waren alleen gebleven met z’n drieën.
„Ge hebt mij dus niet herkend, miss Watkins?” vroeg hij nu. „Ja, zie me maar niet zoo verbaasd aan, ik ben de redder, wien ge een paar uur geleden door de deur hebt gesproken.”
Miss Watkins droogde haar tranen en fluisterde:
„Mijn God, hoe is dat mogelijk?”
„Heel eenvoudig. Mr. Fox is een aartsschurk en ik bood mij aan om hem te helpen. Als hij wist, wie ik ben, zou hij zich nog wel twee keer bedacht hebben, voordat hij mijn diensten aannam.”
Nu vertelde hij het jonge meisje, in welk vreeselijk gevaar zij had verkeerd en hoe het toeval haar gunstig was geweest.
Verder deelde hij haar mede, welk bericht de verzegelde flesch had bevat en dat hij van plan was, haar naar Oostende te brengen en dat haar broertje Tommy haar in Ramsgate wachtte. Vandaar zouden zij naar Oostende gaan, waar broer en zuster voorloopig in volkomen veiligheid zouden verkeeren.
Miss Watkins was geheel overweldigd door deze verklaringen en toch gelukkig, een helper in den nood te hebben gevonden.
In warme bewoordingen zegde zij haar helper dank.
„Mr. Fox wacht bovendien nog een verrassing thuis”, zei Lister, „ik heb mijn vriend Baxter van Scotland Yard bericht, dat het daar een heerlijk helersnest is. Hij zal er al wel over een uur zijn. Wij stappen in Canterbury uit den trein, maar pas in het laatste oogenblik, opdat signor Castelli het niet bemerkt. Daar wachten wij dan den trein naar Ramsgate, waar wij Tommy treffen.”
Volgens dit program werd gehandeld en alles gelukte volkomen.
In Canterbury zond lord Lister een telegram naar Dover om daar de politie attent te maken op Castelli, opdat deze gearresteerd en zijn slachtoffers in veiligheid gebracht konden worden.
In Ramsgate ontmoetten broer en zuster elkander weer en de begroetenis was allerhartelijkst.
De volgenden dag voer het tweetal naar Oostende, waar het bij miss Walton en haar moeder allerhartelijkst werd ontvangen.
Een paar dagen later verklaarde lord Lister, dat zijn plan nog slechts voor de helft was uitgevoerd, want dat hij het testament van den verdronkene nog niet bemachtigd had.
„Wij moeten dat testament van den bodem der zee halen,” sprak hij, „laat dat maar aan mij over, miss Watkins, ik hoop mijn doel te bereiken en naar Plymouth te gaan.”
Zoo sprak lord Lister op zekeren dag tot het jonge meisje en zij was er van overtuigd dat alles, wat de energieke man van plan was door te zetten, ook inderdaad werd doorgevoerd.