VIJFDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
EERSTE TOONEEL.
Het legerkamp van den Koning bij Shrewsbury.
Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John van Lancaster, Sir Walter Blunt en Sir John Falstaff komen op.
Koning Hendrik.
Hoe bloedig gluurt de zon daar over ’t bosch
Van gindschen heuveltop; de dag ziet bleek
Van hare krankheid.
Prins Hendrik.
Van hare krankheid. En de zuidenwind
Speelt voor trompet, die ons haar plannen meldt;
Zijn stootend fluiten door de blaadren spreekt
Ons van een ruwen dag, van storm, die komt.
Koning Hendrik.
Zoo uite hij zijn leed aan wie ’t verliezen,
Want aan wie winnen dunkt geen weder slecht.
(Trompetgeschal.)
(Worcester en Vernon komen op.)
Gij daar, mylord van Worcester? ’t Is niet goed,
Dat gij en ik elkander dus ontmoeten 10
Als nu. Bedrogen hebt gij ons vertrouwen,
Het lenig vredekleed ons af doen leggen,
En ’t oude lijf in ’t harde staal doen knellen;
Dit is niet goed, mylord, dit is niet goed.
Wat hebt gij voor? Wilt gij dien boozen knoop
Van den alom verfoeiden krijg ontknoopen,
Uw vasten loop hervatten in de baan,
Waar gij met schoon en rustig licht in straaldet,
En verder nu geen luchtverheev’ling zijn,
Een schrikverspreidend wonder en een voorspook
Van onheil voor nog ongeboren tijden?
Worcester.
Hoor mij, mijn vorst.
Ik, voor mijn deel, ik kan er in berusten,
Het slepend eind mijns levens door te brengen
In kalme rust; want dit betuig ik u,
Ik zocht den dag van dezen haat niet op.
Koning Hendrik.
Gij zocht hem niet? hoe is hij dan gekomen?
Falstaff.
De muiterij lag op zijn weg; hij vond die.
Prins Hendrik.
Stil, spekpastei, zwijg stil.
Worcester.
’t Behaagde u, vorst, de blikken uwer gunst
Van mij en heel ons huis gansch af te wenden;
En toch,—ik moet het u herinn’ren, heer,—
Wij waren de eerste, trouwste van uw vrienden.
Voor u heb ik de staf mijns ambts verbroken
In Richards tijd, en reisde dag en nacht
Om u te ontmoeten, u de hand te kussen,
Toen gij op verre na in rang en aanzien
Zoo machtig en geëerd niet waart als ik. 38
Ikzelf, mijn broeder en zijn zoon, wij waren ’t,
Die hier u wederbrachten, stout des tijds
Gevaren trotsend. Toen hebt ge ons gezworen,
En dezen eed zwoert gij te Doncaster,—
Niets tegen ’t rijk in ’t schild te voeren, niets
Te vord’ren dan ’t u pas vervallen erfrecht,
Gents zetel, ’t hertogdom van Lancaster.
Toen zwoeren wij u bijstand toe; maar dra
Daalde op uw hoofd geluk in stroomen neer;
Ja, zulk een vloed van grootheid viel op u,
Dank onzer hulp, dank ook des konings afzijn,
Dank ook het onrecht van een dart’len tijd,
De krenking, u zoo blijkbaar aangedaan,
En dank den tegenwinden, die den koning
Vasthielden, al te lang, aan ’t Iersche strand,
Zoodat heel England hem gestorven waande;—
En in dien zwerm van gunsten van het lot
Vondt gij dra ’t middel, dat men u verzocht
Om zelf het roer des staats ter hand te nemen,
Vergat uw eed aan ons te Doncaster,
En loondet ons, de voeders van uw grootheid,
Zooals de ondankb’re guit, de jonge koekoek,
De musch beloont: gij hebt ons nest verdrukt,
En werdt door onze voeding ras zoo groot,
Dat onze liefde u niet meer durfde naad’ren,
Beducht ook zelf te worden opgeslokt; 64
Met vlugge wieken moesten wij ons redden,
U uit het oog, en deze macht verzaam’len;
Zoodat we ons enkel met die midd’len weren,
Die gij, gijzelf gesmeed hebt tegen u,
Door krenkende bejeeg’ning, dreigend blikken
En ’t roekloos schennen van de trouw en vriendschap,
Die gij bij de’ aanvang van uw tocht ons zwoert.
Koning Hendrik.
Dit hebt gij stuk voor stuk reeds vaak ontvouwd,
Op markten afgelezen en in kerken,
Om het gewaad des oproers af te zetten
Met fraaie kleur, en zoo van wankle zielen
En arme onvergenoegden ’t oog te streelen,
Die, wijdmonds gapend, zich den elboog wrijven
Bij ’t hooren van onstuimige’ ommekeer.
Nu, zulke waterverven zijn door oproer
Altijd tot kleuring van zijn zaak te vinden,
En wreev’le beedlaars ook, die steeds naar tijd
Van woesten moord en van verwarring snakken.
Prins Hendrik.
In beide legers is er meen’ge ziel,
Die duur ons samentreffen zal betalen,
Wanneer wij ons gaan meten. Meld uw neef:
De prins van Wales stemt in met heel de wereld,
Tot Hendrik Percy’s lof; ja, bij mijn heil,
Deze onderneming nu niet meegerekend,
Zeg ik: er leeft geen beter edelman,
Zoo kloek-heldhaftig, zoo heldhaftig-jeugdig,
Zoo onversaagd en stout, om onzen tijd
Door grootsche, fiere daden roem te schenken.
Ikzelf,—en tot mijn schande zij ’t erkend,—
Was bij de ridderschap een ledigganger,
En hij ook, hoor ik, houd mij voor niets meer;
Toch zeg ik hier voor ’s konings majesteit,
Dat ik hem gaarne ’t gansche voordeel laat,
Hem door zijn grooten naam en glans verleend,
En, zoo der andren bloed dan wordt gespaard,
Met hem den strijd, man tegen man, aanvaard.
Koning Hendrik.
En, prins van Wales, dùs wagen wij uw leven;
’t Zij zoo, hoe talloos de bezwaren zijn,
Die huiv’ren doen.—Neen, goede Worcester, neen,
Ons is ons volk geliefd, zelfs die zijn ons
Nog lief, die met uw neef een dwaalspoor volgen;
En is hun mijn genade welgevallig,
Dan wordt èn hij, èn zij, èn gij, ja ieder
Op nieuw mijn vriend; ik zal de zijne zijn.
Zeg dit uw neef, en breng mij ras bericht,
Wat hij beslist! Doch, geeft hij thans niet toe,
Weet, ons verzellen straf en tuchtiging; 111
Die zullen dan haar plicht doen. Gaat nu heen.
Niets meer; want wederwoorden zijn wij moe!
Wij bieden vriendlijk aan, grijpt wijslijk toe!
(Worcester en Vernon af.)
Prins Hendrik.
Zij nemen het niet aan, zoo waar ik leef.
Douglas en Heetspoor zijn bijeen; die twee
Trotseeren zelfs een wereld in de waap’nen.
Koning Hendrik.
Van hier dus, ieder krijger naar zijn post;
Wij vallen daad’lijk na hun antwoord aan;
Zij God met ons, aan onze zijde is ’t recht.
(De Koning, Blunt en Prins John af.)
Falstaff.
Hein, als gij mij in den slag op den grond ziet, en u schrijdelings over mij heen stelt, dan doet gij wel; ’t is vriendenplicht.
Prins Hendrik.
Alleen een colossus kan u die vriendschap doen. Doe uw gebed en vaarwel.
Falstaff.
Ja, ik wenschte het wel slapenstijd, Hein, en alles goed.
Prins Hendrik.
Nu, gij zijt God een dood schuldig.
(Prins Hendrik af.)
Falstaff.
’t Is nog de vervaldag niet; ik zou hem ongaarne betalen voor den tijd. Wat behoef ik zoo voorkomend te wezen jegens iemand, die mij niet maant? Nu, het doet er niet toe; de eer roept mij voorwaarts. Ja, maar hoe, als de eer mij afroept bij het voorwaarts gaan? hoe dan? Kan de eer een been aanzetten? Neen. Of een arm? Neen. Of de pijn stillen van een wond? Neen. De eer is dus niet bedreven in de heelkunde? Neen. Wat is eer? Een woord. Wat is het woord eer? Lucht. Een fraaie rekening!—Wie heeft haar? Die Woensdag gestorven is. Voelt hij ze? Neen. Hoort hij ze? Neen. Is ze dus niet waar te nemen? Neen, door den doode niet. Maar leeft ze dan nooit bij de levenden? Neen. Waarom niet? De afgunst duldt dit niet.—Daarom wil ik niets van haar weten. De eer is niets dan een wapenschild; en daarmee is mijn catechismus ten einde.
(Falstaff af.)
TWEEDE TOONEEL.
Het kamp der opstandelingen.
Worcester en Vernon komen op.
Worcester.
O neen, Sir Richard, nimmer mag mijn neef
’t Genadig aanbod van den koning kennen.
Vernon.
Dit waar’ toch goed.
Worcester.
Dit waar’ toch goed. Dan waren wij verloren.
Het is volstrekt onmoog’lijk, kan niet zijn,
Dat ons de koning woord houdt, ooit mag lijden;
Wij blijven hem verdacht, hij speurt den tijd
Om dit vergrijp in andre schuld te straffen.
Ons leven lang blijft argwaan duizendoogig;
Verraad wordt nooit vertrouwd dan als de vos,
Die nooit, hoe mak, geliefkoosd, opgesloten,
Den wilden aard van zijn geslacht verzaakt.
Kijk hoe ge wilt, blijmoedig of bedrukt,
Een leven hebben we als een os op stal, 14
Hoe meer verzorgd, hoe nader bij den dood.
Mijns neefs vergrijp, ja, kan vergeten worden,
Zijn jeugd, zijn ziedend bloed is zijn verschooning,
En zelfs zijn bijnaam wordt hem tot een voorrecht:
De dolkop Heetspoor, door zijn luim beheerscht.
Zijn zonden worden mij op ’t hoofd gestapeld,
Mij en zijn vader: wij verlokten hem,
En, wat ooit hèm besmette, ’t komt van ons;
Dies boeten wij, als bron van alles, alles.
En daarom, beste neef, dat Hendrik nimmer,
Wat ook gebeur’, des konings aanbod kenn’.
Vernon.
Meld gij dan wat gij wilt; ik zal ’t beamen.
Daar komt uw neef.
(Heetspoor en Douglas komen op, achter hen Officieren en Soldaten.)
Heetspoor.
Mijn oom is weer terug;—laat dus den graaf
Van Westmoreland weer vrij.—Nu, oom, wat meldt gij?
Worcester.
De koning biedt terstond den slag u aan.
Douglas.
Daag door mylord van Westmoreland hem uit.
Heetspoor.
Lord Douglas, ga, en zeg hem dit.
Douglas.
Voorwaar, dat wil ik, en van harte gaarne.
(Douglas af.)
Worcester.
Geen schijn zelfs van genade toont de koning.
Heetspoor.
Gij vroegt er om? verhoede ’t God!
Worcester.
Zachtmoedig sprak ik hem van onze grieven,
En van zijn eedbreuk, dien hij door den meineed,
Dat hij geen meineed pleegde, nu verschoonde;
Verraders, muiters noemt hij ons, en wil
In ons dien naam met trotsche waap’nen gees’len.
(Douglas komt terug.)
Douglas.
Te wapen, heeren, vlug! ’k Heb koning Hendrik
Een uitdaging, die klinkt, naar ’t hoofd geworpen,
En Westmoreland, die gijz’laar was, brengt ze over;
Zij wekt onfeilbaar hem terstond ten strijd.
Worcester.
De prins van Wales trad voor des konings zetel,
En daagde, neef, u tot een tweestrijd uit. 47
Heetspoor.
O, dat aan ons het strijden waar’ vertrouwd,
En dat geen enkel man van daag moest hijgen,
Dan ik en Hendrik Monmouth! Zeg mij, zeg mij,
Hoe was zijn taal? minachtend? overmoedig?
Vernon.
Neen, bij mijn heil! in heel mijn leven hoorde ik
Geen vijand ooit bescheid’ner uitgedaagd;
Een broeder kan een broeder aldus nooden
Tot edele oef’ning en tot wapenspel.
Hij kende u iedre mannenhulde toe,
En tooide uw lof met rijke vorstentong;
Hij somde als een kroniek uw deugden op,
En noemde u altijd beter dan zijn lof,
Als waar’ die bij uw waarde schimp te reek’nen.
En,—wat als prins hem wel het schoonste stond,—
Schaamrood vermeldde hij zichzelf, en laakte
Zijn lediggaande jeugd zoo schoon en waar,
Als waar’ hij meester van een dubb’len geest,
Die, leering gevend, zelf ook leerling was.
Toen zweeg hij. Maar, dit zeg ik aan de wereld:
Spaart hem de nijd van dezen dag, dan heeft
Nooit England zulk een schoone hoop bezeten,
Om de’ overmoed der jeugd zoozeer miskend.
Heetspoor.
Gij zijt, neef, dunkt mij, door en door verliefd
Op al zijn dwaasheid; nooit heb ik gehoord
Van een’gen prins, die zulk een losbol was.
Maar zij hij wat hij wil, nog voor de nacht
Wil ik hem met een krijgsmansarm omhelzen,
Dat hij ineenkrimpt van mijn heuschen groet.
Op, op, ten strijd!—En, krijgers, vrienden, broeders,
Bedenkt gij beter, wat gij hebt te doen,
Dan ik, die niet de gaaf van ’t woord bezit,
Uw bloed kan wekken door welsprekendheid.
(Een Bode komt op.)
Bode.
Heer, daar zijn brieven voor u.
Heetspoor.
Die kan ik nu niet lezen.—
O, heeren, ’s levens duur is kort; die kortheid
Op lage wijs te spillen, waar’ te lang,
Al reed ook ’t leven op een uurwerkwijzer,
Zoodat het uit was, als een uur verscheen.
Wij treden, levend, koningen in ’t stof;
En sneven,—schoon is ’t!—als ook vorsten sneven!
En ons geweten,—rein zijn onze waap’nen,
Wanneer het doel gerecht is, dat ze voert.
(Een tweede Bode komt op.)
Bode.
Heer, wees gereed; de koning rukt daar aan. 90
Heetspoor.
Ik dank hem, dat hij mij tot zwijgen noopt,
Want praten is mijn zaak niet. Nog slechts dit:—
Doe elk wat hij vermag! En hier trek ik
Een zwaard, dat ik op heden verven wil
Door ’t beste bloed, dat ik kan tegentreden
Bij ’t hach’lijk spel van dezen heeten dag.
Nu:—Espérance! Percy! en vooruit!—
Klinkt, oorlogs edele instrumenten, lustig!
Laat ons bij die muziek elkaar omarmen!
Want, hemel tegen aarde! er zijn er hier,
Die nooit meer zulk een groet elkander brengen.
(Trompetgeschal. Zij omarmen elkander. Allen af.)
DERDE TOONEEL.
Een vlakte bij Shrewsbury.
Aanvallen; vechtende troepen; krijgsgedruisch. Daarop komen Douglas en Blunt, van verschillende zijden, op.
Blunt.
Hoe heet gij, die aldus mij in den strijd
Den weg versperren komt? Wat eere zoekt gij
Dus op mijn hoofd?
Douglas.
Dus op mijn hoofd? Verneem, mijn naam is Douglas,
En ik bestook u in den strijd aldus,
Omdat ik hoor, dat gij een koning zijt.
Blunt.
Dan hebt gij goed gehoord.
Douglas.
Duur heeft Lord Stafford heden zijn gelijk’nis
Op u gekocht; in ùw plaats, koning Hendrik,
Heeft hèm dit zwaard geveld; zoo doet het u,
Tenzij gij u aan mij gevangen geeft.

Koning Hendrik IV, Eerste Gedeelte, Vijfde Bedrijf, Vierde Tooneel.
Blunt.
Geen lage geest leeft in mij, trotsche Schot;
Hier zult ge een koning vinden, die den dood
Wreekt van lord Stafford.
(Zij vechten, en Blunt wordt verslagen.)
(Heetspoor komt op.)
Heetspoor.
Hadt gij te Holm’don zoo gekampt, o Douglas,
Ik had geen enklen Schot ooit overmocht!
Douglas.
De zege is ons! ontzield ligt hier de koning!
Heetspoor.
Waar?
Douglas.
Hier.
Heetspoor.
Daar, Douglas? Neen, die trekken ken ik wel;
Een dapper ridder was ’t, zijn naam was Blunt,
Gelijk geharnast als de koning zelf.
Douglas.
Een dwaas verzelle uw ziel, waarheen zij gaat!
Voor hoogen prijs kocht ge uw geleenden titel;
Waartoe gaaft gij u voor een koning uit?
Heetspoor.
Meer zijn er in des konings wapenrok. 25
Douglas.
Nu, bij mijn ziel, ik dood hem al zijn rokken,
En moord zijn kleerkas, stuk voor stuk, hem uit,
Tot ik den koning tref.
Heetspoor.
Tot ik den koning tref. Op! voort, met spoed!
De dag is ons, al de onzen zijn vol moed.
(Beiden af.)
(Krijgsgedruisch. Falstaff komt op.)
Falstaff.
In Londen ben ik er niet beducht voor, eens aangeschoten te zijn, hier wel; hier kerven zij iemand het gelag op zijn schedel.—Stil! wie zijt gij daar? Sir Walter Blunt;—daar hebt gij nu uw eer; en dat zou geen ijdelheid zijn!—Ik ben zoo heet als gesmolten lood, en even zwaar ook;—God houde mij lood uit het lijf; ik heb genoeg te dragen aan mijn eigen ingewanden.—Ik heb mijn schoeljes gebracht, waar het hun ingepeperd is; er zijn er nog maar drie van mijn honderdvijftig over, en die zijn goed genoeg voor de stadspoorten, om levenslang te bedelen. Maar wie komt daar?
(Prins Hendrik komt op.)
Prins Hendrik.
Wat! staat gij nietsdoend hier? leen mij uw zwaard;
Zoo menig edelman ligt koud en stijf,
Vertrapt door ’t strijdros van zijn trotschen vijand;
Hun dood is nog te wreken, leen me uw zwaard.
Falstaff.
O Hein, ik bid u, laat mij een oogenblik op adem komen. De Turk Gregorius heeft nooit zulke wapenfeiten volbracht als ik vandaag. Ik heb Percy zijn deel gegeven; hij kan het er mee doen.
Prins Hendrik.
Dat kan hij inderdaad, en hij leeft, om u te dooden. Ik bid u, leen mij uw zwaard.
Falstaff.
Neen, bij God, Hein, als Percy nog leeft, krijgt gij mijn zwaard niet, maar neem mijn pistool, als gij wilt.
Prins Hendrik.
Geef het! steekt het daar in den holster?
Falstaff.
Ja, Hein; ’t is heet, ’t is heet, goed om sektenmakers ten onder te brengen.
(De Prins trekt er een flesch sek uit te voorschijn.)
Prins Hendrik.
Wat! is het nu een tijd van scherts en beuz’len?
(De Prins werpt hem de flesch voor de voeten en gaat heen.)
Falstaff.
Nu, als Percy nog leeft, pers ik hem dood. Als hij mij in den mond loopt, ’t zij; als hij het niet doet, mag hij een carbonade van mij maken, zoo ik hem vrijwillig in den mond loop. Ik ben niet gesteld op die grijnzende eer, zooals Sir Walter heeft. Geef mij leven; kan ik dat er afbrengen, ’t zij; zoo niet, dan komt de eer ongevraagd, en daarmee uit.
(Falstaff af.)
VIERDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het slagveld.
Krijgsgedruisch en aanvallen. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John en Westmoreland komen op.
Koning Hendrik.
Ik bid u, Hendrik,
Verlaat het slagveld, want gij bloedt te sterk.—
Lord John van Lancaster, ga gij met hem.
Prins John.
Ik niet, mylord; dan moet ikzelf eerst bloeden.
Prins Hendrik.
Ik bid uw majesteit, spoed u naar voren;
Licht wekt uw afzijn onrust bij uw vrienden.
Koning Hendrik.
Dat wil ik doen.—
Lord Westmoreland, leid gij hem naar zijn tent.
Westmoreland.
Kom dan, mylord, ik leid u naar uw tent.
Prins Hendrik.
Mij leiden, Heer? Ik heb uw hulp niet noodig;
Verhoede God, dat om een lichte schram
De prins van Wales een veld als dit verlaat,
Waar roodgekleurd in ’t stof onze adel ligt,
En ’t oproer om het bloedbad triumfeert!
Prins John.
Te lang gerust reeds.—Kom, neef Westmoreland;
Plicht roept ons op naar ginds; om Gods wil, kom.
(Prins John gaat met Westmoreland heen.)
Prins Hendrik.
Bij God, gij deedt mij dwalen, Lancaster;
Zoo hoog had ik uw krijgsdeugd niet geschat:
’k Had, John, u vroeger als een broeder lief;
Thans maakt ge deel uit van mijn eigen ziel.
Koning Hendrik.
Ik zag, hoe hij Lord Percy zich van ’t lijf hield,
En dat zoo kloek en rustig, als ik nooit
Van zulk een onvolwassen krijger wachtte.
Prins Hendrik.
O, deze knaap leent allen moed en vuur.
(Prins Hendrik af.)
(Strijdgedruisch. Douglas komt op.)
Douglas.
Alweer een koning!
Zij groeien telkens uit als Hydrakoppen.
Ken mij als Douglas, voor een elk verderflijk,
Die deze kleuren draagt.—Spreek, wie zijt gij,
Die naar den schijn een koning wezen wilt?
Koning Hendrik.
De koning zelf, wien ’t, Douglas, innig grieft,
Dat gij zoo vele van zijn schimmen aantroft,
En niet den koning zelf. Ik heb twee knapen,
Die Percy en uzelf op ’t slagveld zoeken;
Doch nu ’t geluk aan mij u tegenvoert,
Zal ik den strijd beproeven; weer u dus. 34
Douglas.
Ik vrees, dat gij ook weer een namaak zijt,
Schoon gij, voorwaar, u voordoet als een koning;
Doch wie gij zijt, mijn zijt gij, dit bezweer ik;
En zóó maak ik u mijn.
(Zij vechten; terwijl de Koning in gevaar verkeert, komt Prins Hendrik op.)
Prins Hendrik.
Houd thans het hoofd omhoog, gij snoode Schot,
Of nu, of nimmermeer! want in mijn kling
Zijn Shirley’s, Blunt’s en Stafford’s wakk’re geesten;
Het is de prins van Wales, die u bedreigt,
Die nooit belooft, dan als hij wil betalen.
(Zij vechten; Douglas vlucht.)
Houd moed, mijn vorst; hoe gaat het uw genade?—
Sir Nic’laas Gawsey heeft om hulp gevraagd,
En Clifton ook; ik spoed mij nu tot Clifton.
Koning Hendrik.
Neen, blijf en rust een oogwenk!
Herwonnen hebt gij uw verloren achting,
En door de redding, die gij mij daar bracht,
Getoond, dat u mijn leven wel iets waard is.
Prins Hendrik.
O God, zij deden mij te gruw’lijk onrecht,
Die zeiden, dat ik haakte naar uw dood.
Als dit zoo was, behoefde ik Douglas’ hand,
Die u bedreigde, slechts niet af te wenden,
Want die had wis uw levenstijd voleind,
Zoo snel als een’ge moorddrank het vermocht,
En zóó uw zoon verraderswerk bespaard.
Koning Hendrik.
IJl gij naar Clifton; ik wil zelf naar Gawsey.
(Koning Hendrik af.)
(Heetspoor komt op.)
Heetspoor.
Zie ik het wel, dan zijt gij Hendrik Monmouth.
Prins Hendrik.
Gij spreekt, als wilde ik mijnen naam verlooch’nen.
Heetspoor.
Mijn naam is Hendrik Percy.
Prins Hendrik.
Mijn naam is Hendrik Percy. Nu, dan zie ik
Een overdapp’ren muiter van dien naam.
Ik ben de prins van Wales; en waan niet, Percy,
Dat gij nog een’gen roem meer met mij deelt;
Twee sterren loopen niet in éénen kring,
En ’t eenig England duldt geen dubbelrijk
Van Hendrik Percy en den prins van Wales.
Heetspoor.
Dit zal ’t niet doen, want, Hendrik, ’t uur is daar, 68
Dat een van ons bezwijkt; en waar’, God gave ’t!
Uw wapenroem zoo groot nu als de mijne!
Prins Hendrik.
Ik maak hem grooter, eer ik van u scheide,
En iedere eer, die op uw helm ontluikt,
Ik pluk en vlecht ze tot een krans voor mij.
Heetspoor.
Niet langer duld ik zulk een ijd’le taal.
(Zij vechten.)
(Falstaff komt op.)
Falstaff.
Goed zoo, Hein! er op los, Hein!—
Nu, dat is geen kinderspel, dat verzeker ik u.
(Douglas komt weder op; hij vecht met Falstaff, die zich laat vallen, alsof hij dood was; daarna gaat Douglas heen. Heetspoor wordt gewond en valt.)
Heetspoor.
O Hendrik! gij berooft mij van mijn jeugd!
Ik draag ’t verlies van ’t broze leven lichter,
Dan dien mij afgewonnen grootschen roem;
Dit wondt mijn geest, meer dan uw zwaard mijn vleesch;—
Maar, ja, de geest is slaaf van ’t leven, ’t leven
De nar des tijds; de tijd, die alles schouwt,
Loopt zelf ten eind. O, ’k zou als ziener spreken,
Als niet de kille, zware hand des doods
Den mond mij sloot.—Neen, Percy, gij zijt stof,
En spijs voor—
(Hij sterft.)
Prins Hendrik.
Voor wormen, wakk’re held! Vaarwel, groot hart!—
Wat krimpt gij in, gij slechtgeweven eerzucht!
Dit lichaam achtte, toen ’t een geest bevatte,
Zich door een koninkrijk te nauw begrensd;
Nu zijn twee schreden van den minsten grond
Ruim groot; deze aarde, die u, doode, draagt,
Draagt levend geen zoo kloeken edelman.
Als gij mijn vriendlijkheid gevoelen kondt,
Zou ik mijn eerbetoon zoo warm niet uiten:—
Thans dekk’ mijn veldtooi uw verminkt gelaat,
En danken wil ik, namens u, mijzelf,
Dat ik die schoone, teed’re hulde u bracht.
Vaarwel, en neem uw lof met u ten hemel!
Uw schande zij met u ter aard besteld,
En worde ook in uw grafschrift niet vermeld!—
(Hij ontwaart Falstaff op den grond.)
Wat! oude vriend! behield u al dit vleesch
Geen sprankje leven? Arme Hans, vaarwel!
’k Had beter nog een beet’ren man ontbeerd.
Ja, uw verlies waar’ mij een bitt’re smart,
Zat lust tot ijdel doen mij diep in ’t hart.
Hoe menig edel hert vandaag mocht vallen,
Gij zijt gewis het zwaarste wild van allen.
Lig, tot ik mij om u te ontweien spoed,
Hier naast den eed’len Percy in uw bloed. 110
(Prins Hendrik af.)
Falstaff
(opstaand). Ontweien! als gij mij vandaag ontweidt, geef ik u verlof mij in te zouten, ja, en morgen op te eten ook. Alle duivels! het was tijd een schijn te worden, of die woedende dolkop van een Schot had mij schot en lot laten betalen. Een schijn? Neen, dat is een leugen, ik ben geen schijn; maar sterven, dat is een schijn te worden, want hij is maar de schijn van een mensch, die het leven niet heeft van een mensch; maar de schijn te zijn van den dood, om daardoor in het leven te blijven, dat is niet een schijn zijn, maar inderdaad het ware en volkomen beeld van het leven. Het beste deel van de dapperheid is voorzichtigheid; en door dat beste deel heb ik mijn leven gered.—Verduiveld, ik ben nog bang voor dien buskruit-Percy, al is hij nu dood. Wat! als hij ook eens een schijn was, en weer opstond? Op mijn woord, ik vrees, dat hij de beste schijn van ons tweeën zou blijken. Daarom wil ik hem onschadelijk maken, ja, en ik wil zeggen, dat ik hem verslagen heb. Waarom zou hij niet even zoo goed kunnen opstaan als ik? Niets kan mij logenstraffen dan oogen, en niemand ziet mij; daarom, man, (Hij brengt hem een dolksteek toe.) met een nieuwe wond in de dij gaat gij nu met mij mee.
(Hij neemt Heetspoor op zijn rug.)
(Prins Hendrik en Prins John komen op.)
Prins Hendrik.
Nu, broeder John, gij hebt uw maagdlijk zwaard
Recht dapper ingewijd.
Prins John.
Recht dapper ingewijd. Stil! wie is dat?
Gij zeidet toch, die vette man was dood?
Prins Hendrik.
Ja, zeker, ’k zag hem dood,
Bebloed en ademloos in ’t stof.—
Zijt gij in leven, of is ’t hier verbeelding,
Die met onze oogen spot? Ik bid u, spreek!
Ons oog is onbetrouwbaar zonder ’t oor;
Gij zijt niet wat gij schijnt.
Falstaff.
Neen, dat is zeker, een dubbele man ben ik niet; maar als ik niet Hans Falstaff ben, wil ik Hans Worst heeten. Daar is Percy; (Hij werpt het lijk neder.) als uw vader mij de een of andere eer wil aandoen, goed; zoo niet, dan mag hij den volgenden Percy zelf ombrengen. Ik verwacht graaf of hertog te worden, dit kan ik u verzekeren.
Prins Hendrik.
Wat! Percy doodde ikzelf en zag u dood. 147
Falstaff.
Gij? waarlijk?—Heere, Heere, wat is deze wereld aan den leugen verslaafd!—Ik geef u toe, ik lag op den grond, geheel buiten adem, en hij desgelijks, maar wij stonden beiden op hetzelfde oogenblik op, en vochten een goed uur, op de torenklok van Shrewsbury af. Wil men mij gelooven, goed; zoo niet, dan valle de zonde op het hoofd van hen, die de dapperheid moesten beloonen. Ik sterf er op, dat ik hem deze wond in de dij heb toegebracht; als de man maar in leven was, en dit durfde loochenen, duivels! dan zou ik hem een stuk van mijn zwaard te eten geven.
Prins John.
Dit is het vreemdst verhaal, dat ik ooit hoorde.
Prins Hendrik.
Dat is de vreemdste snuiter, broeder John.—
Kom, neem weer fier uw pakje op den rug;
Voor mijn deel, brengt een leugen u in gunst,
Dan wil ik die met schoone taal vergulden.
(Trompetgeschal tot terugroeping van het slagveld.)
Daar is ’t verzamelsein; de dag is ons.
Kom, broeder, nu naar ’t hoogste deel van ’t veld,
En zien wij, wie der vrienden leeft, wie viel.
(Prins Hendrik en Prins John af.)
Falstaff.
Ik wil hen daar volgen, zooals zij zeggen, voor mijn belooning. Die mij beloont, dien loone God! Als ik grooter word, wil ik kleiner worden; want ik wil purgeeren, en de sek opgeven en ordelijk leven, zooals het een edelman betaamt.
(Falstaff af, met het lijk.)
VIJFDE TOONEEL.
Een ander gedeelte van het slagveld.
Trompetgeschal. Koning Hendrik, Prins Hendrik, Prins John, Westmoreland en Anderen komen op; Worcester en Vernon als gevangenen.
Koning Hendrik.
Zoo vond rebellie nog altoos haar straf.—
Gij boosgezinde Worcester, boden wij
Genadig niet aan allen vrede en vriendschap?
En hebt ge ons aanbod niet geheel verdraaid?
’t Vertrouwen van uw neef geheel misbruikt?
Drie ridders, die aan onze zijde vielen,
Een edel graaf en menig ander krijger
Waar’ tot dit uur in leven,
Zoo ge als waar christen tusschen beide legers
Een ware boodschap over hadt gebracht.
Worcester.
Tot wat ik deed, dreef mij mijn veiligheid,
En ik aanvaard gelaten wat mij wacht,
Daar ’t onafwendbaar op mij nederstort.
Koning Hendrik.
Voert Worcester heen, en Vernon ook, ter dood;—
Der andren schuld zij nader overwogen.
(Worcester en Vernon af, door een Wacht begeleid.)
Hoe staat het op het slagveld?
Prins Hendrik.
Heer, de eed’le Schot, Lord Douglas, toen hij zag,
Dat zich de krijgskans tegen hem gekeerd had,
Dat de eedle Percy dood was, en al ’t volk
Vol schrik aan ’t vluchten, vlood ook zelf, maar werd
Bij ’t vallen van een heuvel zoo gekneusd,
Dat wij hem grepen. Zoo bevindt zich Douglas
Thans in mijn tent, en ik verzoek uw hoogheid:
Geef hem in mijne macht.
Koning Hendrik.
Geef hem in mijne macht. Van harte gaarne.
Prins Hendrik.
Dan, broeder John van Lancaster, zij nu
Deze eervolle edelmoedigheid ùw taak:
Ga tot Lord Douglas, meld hem, dat hij vrij
Kan gaan, waarheen hij wil, en zonder losgeld;
Zijn moed, waar onze helmen van getuigen,
Heeft ons geleerd, hoe zulke grootsche daden
Ook in den vijand te vereeren zijn.
Prins John.
Dank voor dit schoon verleenen van genâ,
Dat ik onmidd’lijk overbrengen ga.
Koning Hendrik.
Dan blijft te doen, dat we onze macht verdeelen.—
Gij, mijn zoon John en neef van Westmoreland,
Trekt op naar York met allen denkb’ren spoed,
Northumberland en den aartsbisschop tegen,
Die ijv’rig, hoor ik, zich ten strijde rusten.
Ikzelf, zoon Hendrik, trek met u naar Wales,
Om met Glendower en Mortimer te kampen.
Gedempt is ras het oproer in dit land,
Als nog een dag als deze ’t overmant;
Schoon werd op heden onze taak begonnen;
Dies niet gerust, eer alles is gewonnen.
(Allen af.)