VIERDE BEDRIJF.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
EERSTE TOONEEL.
Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.
Heetspoor, Worcester en Douglas komen op.
Heetspoor.
Braaf, eed’le Schot! Gold waarheidspreken niet
In dezen fraaien tijd voor vleierij,
Zoo groote erkenning zou nu Douglas oogsten,
Dat geen soldaat, in onzen tijd gestempeld,
Zooveel in heel de wereld gelden zou.
Bij God, ik kan niet vleien; gladde tongen
Verafschuw ik, maar in mijns harten liefde
Bekleedt geen mensch een hoogre plaats dan gij.
Ja, houd mij bij mijn woord, beproef mij, heer.
Douglas.
Gij zijt der eere koning!
Er ademt op deze aard geen man zoo machtig,
Wien ik niet staan wil.
Heetspoor.
Wien ik niet staan wil. Doe dat, en wij slagen!
(Een Bode komt op, met een brief.)
Een brief? van wien?—(Tot Douglas). Ik kan u enkel danken.
Bode.
De brief komt van uw vader. 14
Heetspoor.
Een brief van hem? en waarom komt hijzelf niet?
Bode.
Mylord, hij kan niet, hij is ernstig ziek.
Heetspoor.
Vervloekt! hoe heeft hij tijd om ziek te zijn,
In zulk een worsteltijd? Wie voert zijn volk aan?
Wie staat aan ’t hoofd en brengt hen hier naar toe?
Bode.
Zijn brief, Heer, meldt u wat hij doet, niet ik.
Worcester.
Ik bid u, zeg mij, houdt hij ’t bed?
Bode.
Vier dagen reeds, mylord, eer ik vertrok;
En op den tijd, dat ik van daar ging, waren
Zijn artsen om zijn toestand zeer bezorgd.
Worcester.
Hoe wenschte ik onzen staat en tijd genezen,
Eer hij door deze ziekte was bezocht!
Nooit was zijn welzijn zooveel waard als nu.
Heetspoor.
Nu ziek! nu machtloos! deze ziekte stort 28
In ’t levensbloed van onze plannen gift;
Zij steekt ons aan, verbreidt zich in ons kamp.
Hij schrijft mij hier, dat hij, inwendig krank,—
Dat hij zijn vrienden door geen plaatsvervanger
Zoo snel bijeen kan brengen,—en ook huivert,
Een taak zoo vol gevaar en zoo gewichtig,
Aan andren te vertrouwen dan zichzelf.
Toch geeft hij ons den stouten raad, dat wij,
Hoe klein ons bondgenootschap zijn moog’, doorgaan,
En zien, hoe het geluk ons is gezind.
Want, schrijft hij, ’t is geen tijd van angstig dralen,
Daar al, wat wij beraamden, wis den koning
Alreeds bekend is. Wat zegt gij er van?
Worcester.
Ons is uws vaders ziekzijn een verminking.
Heetspoor.
Een booze slag, een afgehouwen arm;—
Doch neen, toch niet! ’t Gemis van hem schijnt erger,
Dan wij ’t bevinden zullen.—Ware ’t goed,
Al ons bezit, al onze hoop te zetten
Op éénen worp? zoo grooten schat te wagen
Aan ’t wuft geluk van één onzeker uur?
Dit waar’ niet goed; dan zouden we onze hoop
Ineens doorzien tot op haar grond en wezen,
Den zoom, de verste grens van onze toekomst
In eens bereiken.
Douglas.
In eens bereiken. Zoo zou ’t zijn; en nu,
Nu hebben wij nog steeds iets schoons te wachten,
En kunnen stout iets spillen, in de hoop
Op wat ons toe zal vloeien;
De troost van een terugweg leeft hierin.
Heetspoor.
Een toevluchtsoord, en een herzamelplaats,
Indien, met ongeluk vereend, de duivel
Het eerste proefstuk onzer kracht begrijnst.
Worcester.
Toch wenschte ik, dat uw vader niet ontbrak.
De kleur en aard van ons ontwerp gedoogt
Geen machtsverdeeling. Wis denkt menigeen,
Die niet de reden van zijn afzijn weet,
Dat wijsheid, onderdanentrouw, en ’t laken
Van wat wij doen, den graaf van hier doen blijven.
Bedenk, hoe zulk vermoeden licht het tij
Doet kent’ren van een huivrig bondgenootschap,
En twijfel tegen onze zaak kan wekken.
Gij weet wel, wij, die de’ aanval doen, wij moeten
Ver blijven van een scherpziend onderzoek,
En ieder kijkgat, alle spleten stoppen,
Waar redes oog ons door begluren kan.
Dit afzijn schuift een voorhang weg, zoodat
Onkundigen een soort van vrees ontwaren,
Te voren nooit vermoed. 75
Heetspoor.
Te voren nooit vermoed. 75 Gij gaat te ver;
Ik zie voor ons eer voordeel in zijn afzijn:
’t Leent hoogren luister en een grootren roem
En meerdre koenheid aan ons grootsch ontwerp,
Dan zoo mijn vader hier was. ’t Volk moet denken,
Dat, als ’t ons zònder zijne hulp gelukt
Dit rijk te schokken, wij dan mèt zijn hulp
Het zeker onderst boven keeren zullen.
’t Gaat goed; nog zijn wij gaaf van lijf en leden.
Douglas.
Naar ’s harten wensch. In Schotland wordt een woord
Gelijk het zeggen “vrees” nooit uitgesproken.
(Sir Richard Vernon komt op.)
Heetspoor.
Neef Vernon! wees hier welkom, op mijn woord!
Vernon.
God geev’, heer, dat mijn nieuws een welkom waard zij!
De graaf van Westmoreland rukt herwaarts op,
Sterk zevenduizend man, met hem, prins John.
Heetspoor.
Niets kwaads. Wat meer?
Vernon.
Niets kwaads. Wat meer? En verder, naar ik hoorde,
Is ook de koning in persoon op weg;
Hij rukt, met groote, welvoorziene macht,
Meê herwaarts op met allen denkb’ren spoed.
Heetspoor.
Ook hij zal welkom zijn. Waar is zijn zoon,
Die spring-in-’t-veld, die dolle prins van Wales,
En heel zijn bent, die met de wereld spotte,
Op zij haar schoof?
Vernon.
Op zij haar schoof? Die allen fier gewapend;
Gepluimd als struisen, wiekend in den wind;
Klepp’rend als aadlaars, komend van het baden;
In gouden dos als heil’genbeelden schitt’rend;
Zoo vol van leven als de Meimaand is;
Zoo stralend als de Juni-zomerzon;
Dartlend als geitjes, wild als jonge stieren.
Ik zag den jongen Hendrik, ’t helmet op,
Staalplaten aan de dijën, trotsch gewapend,
Als een gevleugelde Mercurius springen
En zich zoo lustig in den zadel slingren,
Als zweefde een engel uit de wolken neêr,
Om op een vuur’gen Pegasus de wereld
Door eed’le, stoute rijkunst te betoov’ren.
Heetspoor.
Genoeg, genoeg; meer dan de zon in Maart,
Wekt zulk een lof een koorts. Laat, laat hen komen;
Zij komen aan, als offers opgesmukt; 113
Wij zullen aan de maagd met vuur’gen blik
Des donkren krijgs, hen warm en bloedend off’ren;
Gepantserd zitte Mars op zijn altaar
Tot aan den hals in bloed. Ik ben ontvlamd
Bij ’t hooren, dat een buit, zoo rijk, nabij is
En nog niet ons.—Kom, ik beproef mijn klepper,
Die als een donderkeg op ’s prinsen borst
Mij botsen doe! Dat Hendrik dra met Hendrik,
En vurig ros met ros dra samenhort’,
Onscheidbaar, tot één onzer nederstort!
O, waar’ Glendower reeds hier!
Vernon.
O, waar’ Glendower reeds hier! Ik breng meer nieuws:
Die heeft, zoo hoorde ik op mijn rit door Worcester,
Nog in geen veertien daag zijn macht bijeen.
Douglas.
Dit is de slechtste tijding nog van alle.
Worcester.
Ja, op mijn eer, zij heeft een killen klank.
Heetspoor.
Hoe sterk is wel de gansche macht des konings?
Vernon.
Een dertigduizend.
Heetspoor.
Een dertigduizend. Laat het veertig zijn!
Mijn vader en Glendower er niet?—nu goed;
Wijzelf zijn mans genoeg door onzen moed.
Komt, ras ter monstring! Koom’ de jongste dag!
Wie sterft, als alles sterft, sterft met een lach
Douglas.
Spreek niet van sterven; dood noch doodsgevaar
Zal mij doen vreezen in het eerst halfjaar.
(Allen af.)
TWEEDE TOONEEL.
Een openbare weg bij Coventry.
Falstaff en Bardolf komen op.
Falstaff.
Bardolf, ga naar Coventry vooruit; laat een flesch sek voor mij vullen. Onze soldaten moeten doormarcheeren; wij willen van avond naar Sutton Colfield.
Bardolf.
Wilt gij mij geld geven, hopman?
Falstaff.
Schiet maar voor, schiet voor!
Bardolf.
Die flesch maakt een gouden engel.
Falstaff.
Als ze dat doet, houd hem dan voor uw moeite; en al maakt zij er twintig, houd die alle, ik sta voor den muntslag in. Zeg aan mijn luitenant Peto, dat hij aan het eind van de stad mij opwacht.
Bardolf.
Zeer goed, hopman; vaarwel. 11
(Bardolf af.)
Falstaff.
Als ik mij niet schaam over mijn soldaten, ben ik een gezouten knorhaan. Ik heb ’s konings werfbrief schandelijk misbruikt. Ik heb in plaats van honderd-vijftig soldaten, driehonderd en zooveel pond aangeworven. Ik pres niemand dan jongens met huis en hof, rijke boerenzoons; ik spoor me verloofde jonggezellen op, die hun tweede gebod hebben gehad; een voorraad van koûkleumen, die al even graag den duivel hooren als het roeren van een trom; bloeden, die den knal van een donderbus erger duchten dan een vroeger eens getroffen hoen of een aangeschoten wilde eend. Ik heb me geen andere dan zulke wittebroods-kereltjes geprest, met harten in het lijf, niet grooter dan een speldeknop; en die hebben zich van den dienst vrijgekocht; en nu bestaat mijn geheel commando uit vaandrigs, korporaals, luitenants, onderofficiers, schoeljes, die zoo haveloos zijn als Lazarus op wandtapijten, waar de honden van den rijken man zijn zweren likken, en die inderdaad ook nooit soldaten waren, maar afgedankte trouwelooze dienstknechten, jonger zoons van jonger broeders, weggeloopen biertappers en achteruitgegane stalknechts, het ongedierte van een rustigen tijd en een langen vrede, tienmaal schandelijker haveloos dan een oude gelapte standaard. En kerels heb ik, als plaatsvervangers voor die zich losgekocht hebben, dat men zou denken, daar honderd-en-vijftig verloren zoons te zien, zooals zij gekomen zijn van het zwijnenhoeden en het eten van draf en kaf. Een dwaze kerel kwam mij op weg tegen, en zeide mij, dat ik alle galgen geplunderd en de doode lijken geprest had. Geen menschelijk oog heeft ooit zulke vogelverschrikkers gezien. Ik wil niet met hen door Coventry marcheeren, dat spreekt;—neen, maar die schoften marcheeren wijdbeens, alsof zij voetboeien aanhadden; nu, de meesten van hen kreeg ik uit gevangenissen. Er is nauwelijks anderhalf hemd in mijn geheele vendel, en dat halve hemd zijn twee servetten, samengenaaid en over de schouders geworpen, als een herautenrok zonder mouwen; en het hemd is, om de waarheid te zeggen, gestolen van den waard te Sint-Albaans of van den roodneuzigen biertapper te Daventry. Maar dat doet er niet toe; linnen zullen zij genoeg op iedere heg vinden.
(Prins Hendrik en Westmoreland komen op.)
Prins Hendrik.
Hoe is ’t, dikke Hans? hoe is ’t, watten prop?
Falstaff.
Wat, Hein! hoe is het, dolle schalk? wat duivel doe je in Warwickshire?—Mijn waarde Lord van Westmoreland, ik vraag verschooning; ik dacht, dat uw edelheid reeds te Shrewsbury was.
Westmoreland.
Ja, Sir John, ’t is meer dan tijd, dat ik daar kom, en gij ook, maar mijn troepen zijn er reeds. De koning, kan ik u zeggen, ziet naar ons allen uit; wij moeten de geheele nacht marcheeren. 63
Falstaff.
O, wees om mij niet bezorgd; ik ben bij de hand, als een kat om room te stelen.
Prins Hendrik.
Ja waarachtig, om room te stelen, want wat je gestolen hebt, heeft je geheel tot boter gemaakt. Maar zeg eens, Hans, wat zijn dat voor kerels, die daar achteraankomen?
Falstaff.
De mijne, Hein, de mijne.
Prins Hendrik.
Zulke armzalige schooiers heb ik van mijn leven niet gezien.
Falstaff.
O kom, goed genoeg om aangespietst te worden; voêr voor kruid, voêr voor kruid; zij vullen een kuil even goed als beter luî; wel ja, man, sterfelijke menschen, sterfelijke menschen!
Westmoreland.
Maar toch, Sir John, mij dunkt, dat zij er verbazend armoedig en vermagerd uitzien, al te bedelachtig.
Falstaff.
Ja, wat hun armoede betreft, waar zij die vandaan hebben, weet ik niet; en hun magerheid, die hebben zij zeker van mij niet afgekeken.
Prins Hendrik.
Neen, daar wil ik op zweren; tenzij gij drie vingers dik op de ribben mager noemt. Maar kerel, maak haast; Percy is reeds te velde.
Falstaff.
Hoe! is de koning reeds bij ’t leger?
Westmoreland.
Ja zeker, Sir John; en ik vrees, wij talmen reeds te lang.
(Prins Hendrik en Westmoreland af.)
Falstaff.
Nu goed;
Het laatst in ’t veld, en de eersten bij een feest,
Lijkt tragen vechters, gragen gasten ’t meest.
(Af.)
DERDE TOONEEL.
Het kamp der Opstandelingen bij Shrewsbury.
Heetspoor, Worcester, Douglas en Vernon komen op.
Heetspoor.
Wij grijpen deze nacht hem aan.
Worcester.
Wij grijpen deze nacht hem aan. Dat niet.
Douglas.
Dan brengt gij hem in ’t voordeel.
Vernon.
Dan brengt gij hem in ’t voordeel. Niet in ’t minst.
Heetspoor.
Hoe kunt gij ’t zeggen? wacht hij geen versterking?
Vernon.
Wij ook.
Heetspoor.
Wij ook. De zijne is zeker, de onze niet.
Worcester.
Laat, neef, u raden; val van nacht niet aan.
Vernon.
Dat raad ik ook, mylord.
Douglas.
Dat raad ik ook, mylord. Uw raad is slecht;
Zoo spreekt ge uit vrees of wankelmoedigheid.
Vernon.
Douglas, geen lastertaal; want bij mijn leven,— 8
En met mijn leven maak ik dit u waar,—
Als welbegrepen eer mij voorwaarts drijft,
Ga ik zoo min met laffe vrees te rade,
Als gij, mylord, of eenig Schot, die leeft;
Het blijke morgen in den slag, wie onzer
Vrees koestert.
Douglas.
Vrees koestert. Ja, of heden nacht.
Vernon.
Vrees koestert. Ja, of heden nacht. Bedaar!
Heetspoor.
Van nacht, zeg ik.
Vernon.
Kom, kom, dit moet niet zijn. Ik sta verbaasd,
Dat mannen, van zoo groot beleid als gij,
Toch niet voorzien, wat groote hindernissen
Den veldtocht ons vertragen. Mijn neef Vernon
Is met zijn ruiters nog niet aangekomen;
Die van Lord Worcester kwamen heden eerst;
Nu zijn hun fierheid en hun vuur in slaap,
Hun krijgslust van vermoeinis traag en mak;
Geen paard is half de helft nu van zichzelf.
Heetspoor.
Zoo is ’t ook met de paarden van den vijand;
Schier alle afgemat en zonder vuur;
En ’t meerendeel der onze is uitgerust.
Worcester.
De koning is veel talrijker dan wij;
Wacht, neef, om Gods wil, tot al de onzen hier zijn.
(Trompetgeschal voor een mondgesprek.)
(Sir Walter Blunt komt op.)
Blunt.
Ik breng, zoo ge achting en gehoor mij gunt,
Voorslagen vol genade van den koning.
Heetspoor.
Sir Walter Blunt, wees welkom! Gave God,
Dat gij met ons van één gezindheid waart!
Hoog schatten hier u velen, doch ook dezen
Misgunnen u uw hoogen naam en waarde,
Wijl gij van onze kleur en soort niet zijt,
Maar als een vijand tegen ons u stelt.
Blunt.
En God behoede mij voor andre keus,
Zoolang gij, orde, recht en wet miskennend,
U tegen den gezalfden koning kant!
Doch hoort mijn last.—De koning vraagt door mij,
Wat uwe klachten zijn, en op wat grond
Gij uit den boezem van den burgervrede
Zoo drieste vijandschap bezweert, zijn land,
Hem trouw, zoo woeste wreedheid leert? Heeft ooit
Op een’ge wijs de koning uwe diensten,
Die, dit erkent hij, vele zijn,—vergeten,
Zoo vraagt hij: noemt uw grieven; en terstond
Zult gij met rente ontvangen, wat gij wenscht,
En ook vergiff’nis voor uzelf, voor allen,
Die gij tot dit verzet hebt overreed. 51
Heetspoor.
Een vriend’lijk koning! O, hij kent zijn tijd,
Tijd van beloven, ja, en van betalen!
Mijn vader en mijn oom en ook ikzelf,
Wij schonken hem de kroon, die hij nu draagt.
En toen hij nog geen dertig mannen sterk was,
Krank in der menschen achting, arm, ellendig,
Als onbemerkte balling huiswaarts sluipend,
Bracht hem mijn vader ’t welkom toe aan ’t strand;
En toen die hem bij God betuigen hoorde,
Dat hij slechts kwam als hertog Lancaster,
Zijn leen kwam heffen en om vrede vragen,
Met onschuldtranen, op den toon der trouw,
Zwoer hem mijn vader, met zijn lot bewogen,
Goedhartig bijstand toe, en hield zijn woord.
Toen nu de lords en rijksbaronnen zagen,
Hoe hem Northumberland genegen was,
Toen kwamen groot en klein, blootshoofds en buigend,
Begroetten hem in vlek en dorp en stad,
En wachtten hem bij brug en landweg op,
En brachten giften, boden hem hun eeden,
En gaven hem hun zoons voor pages, volgden
In gouden schaar hem op de hielen na.
Fluks, als de grootheid, die zichzelf bewust wordt,
Stijgt hij een weinig hooger dan dien eed,
Dien hij op ’t naakte strand van Ravenspurg
Met armer bloed mijn vader had gedaan.
En dra, voorwaar, verstout hij zich, besluiten
En enkle stipte wetten te herzien,
Die zwaar ’t gemeene welzijn drukten, schreeuwt
Van wangebruiken, houdt zich, of hij weent
Om ’t wee des lands, en wint door dezen schijn,
Die voorgewende zucht tot recht, het hart
Van allen, die hij vangen wil; en gaat
Nu verder, door het hoofd te laten vallen
Van al de gunstelingen, die de koning
Te zijner plaatsvervanging achterliet,
Toen hij persoonlijk de’ Ierschen krijg ging voeren.
Blunt.
Ik kwam niet hier, om dit te hooren.
Heetspoor.
Ik kwam niet hier, om dit te hooren. Nu dan,
Ter zake. Dra beroofde hij den koning,
Eerst van de kroon, en kort daarop van ’t leven;
Belastte onmidd’lijk zwaar het gansche rijk;
En liet, nog schand’lijker, zijn neef van March,—
Die toch, als elk zijn rechte plaats bekleedde,
Zijn koning wezen moest,—in Wales in gijz’ling,
Opdat, niet losgekocht, zijn recht daar sliep;
Vergold mijn zegepralen met beschimping;
Ja, zocht mij door verspieders te betrappen;
Verjoeg door hooning uit ’s rijks raad mijn oom;
Verdreef, in woede, van het hof mijn vader;
Brak eed op eed, beging onrecht op onrecht,
En drong ons, eindlijk, onze veiligheid 102
In dit verzet te zoeken, en, daarbij,
Zijn koningsrecht te toetsen, dat ons waarlijk
Te weinig geldig blijkt voor langen duur.
Blunt.
Moet ik dit antwoord aan den koning brengen?
Heetspoor.
Dat niet, Sir Walter; dat wij ons beraden!
Ga tot den koning en verwerf voor ons
De zekerheid van veil’ge wederkomst;
Alsdan komt hem op morgen vroeg mijn oom
Voorslagen van ons doen; en nu, vaarwel!
Blunt.
O, naamt gij vrede en vriendschap van hem aan!
Heetspoor.
’t Is moog’lijk, dat wij ’t doen.
Blunt.
’t Is moog’lijk, dat wij ’t doen. Dit geve God!
(Allen af.)
VIERDE TOONEEL.
York. Een vertrek in het paleis van den Aartsbisschop.
De Aartsbisschop van York en Sir Michaël komen op.
Aartsbisschop.
Haast u, Sir Michaël, en breng vliegensvlug,
Aan den Lord-Maarschalk dit verzegeld stuk;
Dit aan mijn neef, lord Scroop; en al die and’re
Aan wie zij zijn gericht. Indien gij wist,
Van welk belang zij zijn, groot ware uw spoed.
Sir Michaël.
Mijn goede Lord,
Ik gis hun inhoud.
Aartsbisschop.
Ik gis hun inhoud. Moog’lijk, dat gij ’t doet.
Het is op morgen, waarde heer, een dag,
Waarop ’t geluk van ruim tienduizend mannen
Den toets doorstaan moet. Want, bij Shrewsbury,—
Zoo melden zeekre bronnen,—zal de koning,
Met groote, in allerijl gelichte macht,
Zich met Lord Percy meten; en ik vrees,
Deels om de ziekte van Northumberland,
Wiens macht de grondslag was van ’t krijgsontwerp,
Deels om het niet verschijnen van Glendower,
Die mede een hechte steun moest zijn, en nu;
Door profetieën afgeschrikt, niet opdaagt,—
Ik vrees, dat Percy’s macht te zwak zal zijn,
Om met den koning nu den strijd te wagen.
Sir Michaël.
Mijn waaide Lord, er is geen grond tot vrees;
Denk, Douglas is er, en Lord Mortimer. 22
Aartsbisschop.
Neen, Mortimer is niet er bij.
Sir Michaël.
Daar zijn toch Mordake, Vernon, Hendrik Percy,
Daar is mylord van Worcester, en een macht
Van wakk’re krijgers, dappere edellieden.
Aartsbisschop.
Dat is zoo, ja; maar bij den koning is
Een heldenschaar uit heel het rijk vereenigd:
De prins van Wales, Lord John van Lancaster,
De wakk’re Westmoreland, de dapp’re Blunt,
Met nog veel andre medestanders, allen
Van grooten naam en duchtig krijgsbeleid.
Sir Michaël.
Zij zullen sterken weerstand vinden, heer.
Aartsbisschop.
Dit hoop ik ook, maar duchten is wel noodig;
Spoed u, Sir Michaël, om het ergst te keeren;
Want slaagt Lord Percy niet, dan zoekt de koning,
Vóór hij zijn leger afdankt, ons wis op.
Hij kent ons deelgenootschap in ’t verbond;
En wijsheid eischt, dat wij ten strijde ons rusten.
Dus haast u. ’k Heb aan meen’gen andren vriend
Alsnog te schrijven; vaar dus wel, Sir Michaël.
(Beiden af.)