AANTEEKENINGEN.
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
Het tweede deel van Hendrik IV sluit zich onmiddellijk aan het eerste deel aan, dat met den slag bij Shrewsbury eindigt, en maakt toch een geheel op zichzelf uit. Heeft het eerste deel ons doen zien, hoe de koning zijn macht met geweld moest handhaven tegen hen, die hem den troon hielpen overweldigen, in dit stuk heeft de koning zijn macht alreeds bevestigd en ook de laatste weerstand wordt gebroken; hij is aan het beoogde doel, maar wordt thans geteisterd door boozer vijanden, dan de opstandelingen waren: door een ziekte, die hem sloopt, door gewetenswroeging, en door de zorg, dat hij het werk zijns levens aan onwaardige handen moet achterlaten, een zorg, die eerst op zijn sterfbed van hem genomen wordt. Als in tegenstelling met dit wegkwijnen des konings zien wij zijn zoon, die met jeugdigen overmoed zich in lagere sferen bewogen had, zich fier verheffen, gereed en in staat, om de verdorvenheid der maatschappij, hem zoo grondig bekend, te beteugelen en te verbeteren, en om door grootsche daden als “ster van Engeland” te glansen.
Daartoe heeft de dichter de gebeurtenissen der laatste negen regeeringsjaren van Hendrik de Vierde (1405–1413) zoo samengedrongen, dat zij als het ware het naspel van den slag van Shrewsbury schijnen te zijn. Inderdaad duurde het twee jaren, eer Northumberland, die na den slag bij Shrewsbury begenadigd was geworden, zich bij den aartsbisschop van York en Thomas Mowbray aansluitend, weder tegen Koning Hendrik IV in verzet kwam. Hoezeer met krachtige manifesten opgetreden en met een belangrijke krijgsmacht in het midden van Engeland staande, lieten de opstandelingen zich door Lord Westmoreland verschalken; de Aartsbisschop en Mowbray werden terechtgesteld, terwijl Northumberland, die wel niet vooraf gevlucht was, maar zeker niet tijdig genoeg krachtig was opgetreden, naar Schotland ontkwam, om met Lord Bardolf, bij een hernieuwden inval in Yorkshire, in 1408 zijn einde te vinden. Des konings oudste zoon was middelerwijl in Wales, en had er vier jaren lang tegen Glendower te strijden, die door den koning van Frankrijk en den Paus als onafhankelijk vorst van Wales erkend was. Ten laatste gelukte het hem, Wales te onderwerpen en Glendower in het noordelijk gebergte van Wales terug te drijven.
Het geluk begunstigde Hendrik IV: de Schotsche troonopvolger was in zijn macht, de binnenlandsche woelingen in Frankrijk lieten hem niet alleen rust in Engeland, maar deden hem in Frankrijk zelfs als scheidsrechter inroepen. Engeland en het huis van Lancaster namen toe in macht. Maar de gebeurtenissen der laatste vijf regeeringsjaren van Hendrik, zijn ondernemingen op het vasteland, zijn maatregelen tegen de Wycliffieten of Lollarden, en zijn verder bestuur worden door Shakespeare niet vermeld. Ook zonder deze kon hij het beeld van den monarch teekenen, die, hoe gelukkig en roemrijk in zijn ondernemingen en zijn bestuur, zijn geluk niet kon genieten, steeds van kommer vervuld was, door zijn geweten steeds van wanbedrijf tegen Richard II beschuldigd werd, en lichamelijk lijden te verduren had, dat hem in 1413, op den leeftijd van 47 jaren, wegsleepte.
Wat zijn zoon betreft, heeft de dichter zorg gedragen, dat de wijze, waarop hij als koning optreedt behoorlijk is voorbereid. Hij verkeert niet meer met Falstaff; als hij een enkele maal nog in Eastcheap verschijnt om zich met den ouden zondaar te verlustigen, is het duidelijk, dat de vroegere kameraadschap niet meer bestaat, en dat de koning hem eigenlijk niet van Falstaff had behoeven te scheiden; de boden zijns vaders worden niet meer als vroeger met een lichtvaardige scherts teruggezonden, maar hij is dadelijk ernstig en een kort “Goede Nacht” is zijn afscheid van Falstaff. Men gevoelt, dat hij hem zal wegwerpen als een boek, dat ter verlustiging alleen gelezen werd. Dat hij recht heeft dit te doen, blijkt wel uit de tooneelen, waarin Falstaff en de zijnen optreden, zoo te Londen als op zijn tocht door het land. En niemand kon beter het land van zulk gespuis, als ons daar wordt voorgesteld, zuiveren, dan hij, die het in al zijn verdorvenheid had leeren kennen, die door den omgang met het booze niet verdorven is, maar versterkt en tot man gerijpt. De handelwijze van den Prins jegens Falstaff bij zijn troonsbeklimming wordt er volkomen door gerechtvaardigd.
Dat het tweede deel van Koning Hendrik IV onmiddellijk na het eerste geschreven is, blijkt onmiskenbaar uit den stijl, de kleur, de geheele wijze, waarop het onderwerp behandeld is. Zeker is het, dat het stuk in 1599 reeds was gespeeld; in Ben Jonson’s blijspel Every Man out of his humour, dat in genoemd jaar voor het eerst gegeven werd, treedt een onnoozele hals op, en deze wordt gekenschetst met de woorden: “Dat is een neef van den vrederechter Stil”. Ook uit Sh. zelf blijkt het, daar dit stuk aan “Koning Hendrik V” voorafging en dit laatstgenoemde, blijkens den Proloog van het 5de Bedrijf, reg. 30, in 1599 ten tooneele werd gebracht.—In 1600 werd het tweede deel van K. Hendrik IV afzonderlijk uitgegeven, maar hoogst slordig en vol fouten. Deze uitgave werd door geen andere gevolgd, zoodat eerst de Folio-uitgave van 1623 een beteren tekst openbaar maakte.
Pr. 1. De Proloog, Voorafspraak of Inductie, zooals de technische uitdrukking in het oorspronkelijke luidt, werd in Engelsche tooneelstukken meermalen te baat genomen, om het een of ander den toeschouwers te herinneren of te vertellen, wat niet wel op het tooneel voorgesteld kon worden. Bij historische tooneelwerken moest natuurlijk dit middel zeer welkom zijn. Shakespeare laat in “K. Hendrik de Vijfde” ieder bedrijf zelfs van een Proloog voorafgaan; ook “K. Hendrik de Achtste” is van een Proloog voorzien.—Dat hier het Gerucht, of de Faam, een gewaad aan heeft, “met tongen beschilderd”, is geheel in den geest van Sh.’s tijd.
Pr. 22. Voor mijn gezin hier. Het publiek in den schouwburg wordt door het Gerucht als zijn gezin beschouwd, wijl het zijn woorden verbreidt en dus in zijn geest werkzaam is.
I. 1. 60. Als de titel eens treurzangs. In Sh.’s tijd hadden treurzangen of berichten van treurige gebeurtenissen een zwart titelblad.
I. 1. 72. Schoof Priamus’ gordijn enz. Niet naar Vergilius, waarschijnlijk volgens een tooneelstuk van dien tijd.
I. 2. 1. Wat zegt de dokter van mijn water. In de 16de, 17de, ja, in de 18de eeuw was de piskijkerij voor het erkennen van ziekten zeer in zwang.
I. 2. 17. Alruintje. Een dreumes van de kleinste soort. Vergelijk de aanteek. op “Romeo en Julia” IV. 3. 47. Hetzelfde beteekent het agaatmannetje, een figuur op een agaatsteen, die tot zegelen gebruikt wordt; zie “Romeo en Julia” I. 4. 55.
I. 2. 41. Een ja-waarachtig-schelm. Een kerel, die in plaats van eenvoudig “ja” altijd “ja waarachtig” zegt en toch bedriegt. Zoo wordt in “I Hendrik IV”, III. 1. het “In ernst”, in sooth, der Londensche burgervrouwtjes ook aangehaald.
I. 2. 58. Paulskerk. In de Paulskerk hielden zich steeds tal van leegloopers op; die daar een bediende huurde, liep veel gevaar bedrogen uit te komen; zoo was Smithfield de beruchtste veemarkt in Engeland. In een boek “The Choice of Change”, dat in 1598 verscheen, leest men: “A man must not make choice of these three things in three places: of a wife in Westminster; of a servant in Paul’s; of a horse in Smithfield; lest he choose a quean, a knave or a jade”. In Knight’s Imperial Shakespeare I, p. 592, vindt men nog meer aanhalingen uit gelijktijdige schrijvers.
I. 2. 62. Daar komt de lord, die den Prins liet inrekenen. De opperrechter Sir William Gascoigne zond den Prins in hechtenis, toen deze hem voor het gerecht een slag had gegeven.
I. 2. 141. Een tuchtiging aan uw enkels. In ’t Engelsch staat eigenlijk aan de hielen; de straf met het voetblok is bedoeld, welke aan landloopers werd opgelegd. In “Koning Lear” wordt Kent zoo gestraft.
I. 2. 165. Ik ben de dikke blindeman. In ’t Engelsch: I am the fellow with the great belly; zeker een toespeling op een bekenden dikken blinde van dien tijd.
I. 2. 183. Waardigheid—baardigheid. In het Engelsch is de woordspeling met gravity en gravy (het sap, dat bij het braden van vleesch er uit drupt).—In den volgenden regel bevat engel weer een zinspeling op de gouden munt.—Iets lager klaagt Falstaff, dat dappere lui, om het leven te houden, als berenoppasser moeten gaan dienen bij een “berenbijt”; in dien tijd was het aanhitsen van honden op beren een zeer geliefd volksvermaak.
I. 2. 237. Met blaasjes spuwen. In ’t Engelsch spit white again. Bij drinkers zeide men, dat het speeksel wit werd; zoo staat in Lyly’s Mother Bombie: They have sod their livers in sack these fourty years; that makes them spit white broth as they do.
I. 2. 253. Gij staat niet vast genoeg op uw beenen enz. In ’t Engelsch: you are too impatient to bear crosses. Crosses beteekent: ongemakken, rampen, en ook munten, waarvan de stempel een kruis vertoont.
I. 2. 258. De Fransjesziekte. Bij Bredero de Françoysen genoemd; elders Spaansche pokken of Napelsche ziekte; in ’t Engelsch pox, wel te onderscheiden van de small pox.
II. 1. 27. Hij komt op het monement in den Pasteihoek enz. Vrouw Haastig wijst zoo nauwkeurig aan, waar zij Falstaff buitenshuis kunnen vinden, omdat een schuldenaar niet in zijn woning mag gevat worden. De woordverdraaiingen van vrouw Haastig voor attentaat, molesteeren enz. zijn volstrekt niet gewaagder dan in ’t Engelsch, waar infinitive staat voor infinite, continuantly voor incontinently, honeysuckle voor homicidal, honey-seed en hemp-seed voor homicide.
II. 1. 138. Ik zeg u, dat ik van deze gerechtsdienaars ontslagen wensch te worden. Falstaff geeft blijk, dat hij de wet wel kent; hij roept haar bescherming in, quia profecturus, zooals ’t heet.
II. 1. 155. Glazen, glazen, dat is het ware drinken! Falstaff tracht de waardin te beduiden, dat zij gerust haar zilver kan wegdoen, daar men uit glazen nog beter drinkt dan uit zilveren bekers, en ook, dat goedkoope muurschilderingen, in waterverf of fresco, beter zijn dan wandtapijten. (De “Duitsche jacht” zal wel een wilde zwijnen-jacht zijn, zooals in de vertaling is uitgedrukt.)—Falstaff vraagt haar meteen nog weer tien pond te leen; zij biedt hem een derde minder aan, want twintig nobels zijn zes pond dertien schellingen en vier penningen; Falstaff neemt hier genoegen mee, en zorgt, dat Bardolf met haar meegaat, om het geld in ontvangst te nemen.
II. 2. 25. Bij wijze van redmiddel. In de redeneering van den Prins, die den berooiden toestand van Poins schildert, zij hier opgemerkt, dat de uitdrukking they have made a shift dubbelzinnig is, daar shift zoowel uitkomst of redmiddel als vrouwehemd beteekent.
II. 2. 77. Een aap van hem gemaakt heeft. Falstaff heeft den jongen zoo potsierlijk aangekleed, dat hij er als een aap uitziet.
II. 2. 86. Een rood tralievenster. Daaraan waren mindere herbergen te kennen.
II. 2. 96. Althea droomde immers, dat zij van een brandende fakkel beviel. De page verwart hier Althea, de moeder van Meleager, met Hecuba, de moeder van Paris. De laatstgenoemde had dien droom. Aan Althea werd voorspeld, dat haar pasgeboren zoon zou sterven, zoodra een hout, dat op den haard lag, verbrand zou zijn; zij rukte het dadelijk uit het vuur, doofde het uit en bewaarde het zorgvuldig.—De verwarring is van den page, niet van Sh., die blijkens “II Hendrik VI”, I. 1. 234. de mythe van Althea wel kende.
II. 2. 99. Een verklaring, die wel een kroon waard is. In ’t Engelsch: A crown’s worth of good interpretation. Er bestond toen ter tijd een stichtelijk boek of tractaatje: A penny worth of good interpretation, waaraan de toeschouwers aldus schertsenderwijs herinnerd werden.
II. 2. 110. St.-Maartenszomer. Sint Maarten is 11 November; vergelijk Allerheiligenzomer “I Hendrik IV”, I. 2. 148.—In ’t Engelsch staat alleen Martlemas, de dag van St. Maarten; misschien is het juister, eenvoudig aan te nemen, dat Poins Falstaff zoo noemt, omdat zijn levensjaar welhaast ten einde loopt.—Misschien ook wordt gezinspeeld op het veel eten en drinken op Sint-Maartensdag.
II. 2. 134. De edele Romeinen in hun kortheid. In hun stijl, vooral briefstijl, die met name in het adres, zeer beknopt was.—Let men op het drieledige van den eersten zin: I commend me to thee, I commend thee, and I leave thee, dan zou men vermoeden, dat het veni, vidi, vici hier nagevolgd is.
II. 2. 164. Epheziërs. In Sh.’s tijd, evenals Corinthiërs, vroolijke gasten, drinkebroêrs.
II. 3. 59. Om tot herinn’ring aan mijn eed’len gâ ’t Herinn’ringskruid enz. In ’t Engelsch staat remembrance, dat zoowel “herinnering” beteekent als “rozemarijn”, die bij uitvaarten gestrooid werd, om aan te duiden, dat men de dooden in gedachtenis zou houden. In plaats van “’t herinn’ringskruid” zou men hier ook kunnen lezen: “De roosmarijn” of wel “’t gedacht’niskruid”.
II. 4. 2. Pippelingen. Hier staat, evenals in “I Hendrik IV”, III. 3. 5. apple John, een appel, die twee jaar bewaard kan worden, maar dan zeer rimpelig wordt.
II. 4. 12. Sluipert zijn muziektroep. In ’t Engelsch staat: Sneak’s noise. Een troep straatmuzikanten uit dien tijd.
II. 4. 37. “Toen Arthur pas ten hove kwam”. Falstaff zingt een oud liedje, van “Lancelot van het meer”, dat aldus begon:
“When Arthur first in court began,
And was approved king,
By force of arms great victories wanne,
And conquest home did bring”.
Een oogenblik later zingt hij ook “robijnen en karbonkels”, in ’t Engelsch: “Your brooches, pearls and owches”, uit het liedje: “De jongen en de mantel”, waarin voorkomt:
“A kirtle and a mantle
This boy had him upon,
With brooches, rings and owches
Full daintily bedone.
II. 4. 74. Vaandrig Pistool. Pistool is door Falstaff tot zijn vaandrig benoemd voor den aanstaanden veldtocht. Dat Falstaff er zulk een zwetsenden lafaard toe koos, werpt een zeer ongunstig licht op hem, zoodat zijn verstooting door zijn ten troon gestegen Hein er volkomen door gerechtvaardigd wordt. Maar hoe dit zij, vermakelijk is Pistool in hooge mate; en bovendien, bij hem vergeleken, is Falstaff bijna een gentleman. Wat Pistool spreekt, is hoofdzakelijk samengeflanst uit bombastische treurspelen, zooals die in Sh.’s tijd op de tooneelen in Londen vaak gegeven werden. Hier en daar komen er gezegden in voor, die ongetwijfeld uit tooneelstukken ontleend, telkens, te pas of te onpas, door velen gebezigd werden, als zij niets anders wisten te zeggen. Ten allen tijde zijn zulke gezegden uit treur- of blijspelen of operetten in omloop geweest, en wij kunnen ons, al zijn ons de stukken, waaraan zij ontleend zijn, thans onbekend, zeer goed voorstellen, welk een genot een publiek, dat den koning Cophetua, of de schoone Calipolis of Irene in levenden lijve op de planken aanschouwd had, bij deze aanhalingen moest smaken.—En men bedenke hierbij, dat in Sh.’s tijd het tooneel een veel belangrijker plaats innam in het leven dan tegenwoordig, daar het met veel minder concurrentie te strijden had, en dat de inhoud der stukken en de meest treffende gezegden der dramatische helden veel algemeener bekend waren, dan thans, over het algemeen ten minste, het geval is.
II. 4. 105. Een makke zwendelaar. Het Engelsche woord is cheater, iemand, die, in het bezit van valsche dobbelsteenen, anderen tot het spel verlokte; in haar antwoord verstaat vrouw Haastig er een escheator onder, een beambte van den fiscus.
II. 4. 127. Ik drink geen bestand en geen kalibers. Vrouw Haastig houdt die geleerde woorden blijkbaar voor namen van likeuren.
II. 4. 169. Eer zie ik haar verdoemd enz. Blijkbaar aanhalingen uit tooneelstukken. Van de vraag: “Is niet Irene hier?” mag men vermoeden, dat zij ontleend is aan een verloren gegaan stuk van George Peele, dat den titel had van: “De Turk Mahomet en Irene, de schoone Griekin”. De vraag: “Is hier Irene niet?” komt ook bij andere dichters van Sh.’s tijd voor en schijnt in de mode geweest te zijn. Het weldra volgende: “Zouden zich pakpaarden” enz. is een aanhaling uit Marlowe’s “Tamerlan de Groote”, die den krijgsgevangen vorsten, welke zijn wagen trekken, toeroept: “Holla, you pampered jades of Asia, What, can you draw but twenty miles a day?” Dat Pistool weinig meer dan den klank der verzen onthoudt, blijkt uit zijn verwarring van Hannibal met kannibalen en zijn verhaspeling van Trojanen met Grieken.—Het weldra volgende vers: “Zoo eet dan en wordt vet, mijn gâ Calipolis”, is werkelijk ontleend aan een stuk van den zooeven genoemden Peele, getiteld: “De slag van Alcazar”, waarin Muley Mahomet aan zijn gemalin een stuk leeuwenvleesch op de spits van zijn zwaard aanbiedt met de woorden: “Feed then, and faint not, my fair Calipolis”, en later aldus: “Feed, and be fat, that we may meet the foe”.—Een oogenblik later leest Pistool het motto van zijn zwaard af, daarbij het Fransch: “l’espérance me contente” bedervend, dat op een degenkling werkelijk is aangetroffen.
II. 4. 201. Wij hebben samen het zevengesternte gezien. Wij hebben menige nacht samen gerinkelrooid.
II. 4. 238. De negen Londensche optochthelden. In ’t Engelsch: The nine Worthies, “de negen edele helden”, ter wille der duidelijkheid in de vertaling eenigszins nader aangewezen. In de feestelijke optochten der stad Londen, van welke die van den Lord Major nog steeds plaats heeft, traden telkens negen helden, drie uit de Oude, drie uit de Joodsche, drie uit de Christelijke geschiedenis op, die bij het volk onder den naam van the nine Worthies bekend waren. Men vindt ze gedeeltelijk vermeld in een der oudere stukken van Shakespeare: “Veel gemin, geen gewin”. De negen helden waren: Hector, Alexander de Groote en Julius Cæsar; Jozua, David en Judas Maccabæus; Arthur, Karel de Groote en Godfried van Bouillon.
II. 4. 266. Hij eet zeepaling en venkel. Een kenmerk van een losbol, dat hij opwekkende spijzen behoeft.—Aangaande het vervolg zij opgemerkt, dat het inslikken, met den wijn, van de eene of andere licht brandbare en brandende stof, b.v. een vlasvlokje, als blijk van verliefdheid, een modedwaasheid was in Sh.’s tijd.
II. 4. 268. En speelt haasje-over met de tappersknechts. And rides the wild mare with the boys. Volgens Douce wordt hier eigenlijk het wippen op een plank mee aangeduid.—Een oogenblik later wordt van fraaie geschiedenissen gesproken. In ’t Engelsch staat discreet stories, waar men indiscreet voor discreet heeft willen lezen, maar wat men wel ook kan verklaren: “hij brengt geen stoornis”—in de weinig eerbare conversatie—“door eerzame (of verstandige) geschiedenissen te vertellen”.
II. 4. 278. Spekklomp. In ’t Engelsch staat the nave of a wheel, omdat nave geheel klinkt als knave, schelm, zoodat nave of a wheel te verstaan is als “schelm, zoo rond als een rad”. Evenzoo kan men in de Nederlandsche vertaling de woorden: “dien spekklomp er de ooren” ook lezen: “dien speklomperd de ooren”.
II. 4. 286. Saturnus en Venus dit jaar in conjunctie. In de oude almanakken werd aangegeven, welke planeten in conjunctie kwamen en wat de conjunctie te beteekenen had.—Door die astrologische toespeling opgewekt, vergelijkt Poins den roodneuzigen Bardolf bij den “vurigen triangel” (Trigonum igneum), zooals de conjunctie van Mars, Jupiter en Saturnus genoemd werd.—De waardin, aan wie inmiddels Bardolf het hof maakt, wordt Falstaff’s geheimboek genoemd, omdat zijn schulden bij haar opgeschreven staan.
II. 4. 339. Den opzettelijken laster. Dus een misdrijf, waartegen strafbepalingen bestaan of dat een uitdaging wettigt.
II. 4. 361. Moutwurmen. Liefhebbers van bier, drinkebroêrs, vergelijk “I Hendrik IV”, II. 1. 83.
III. 1. 65. Doch,—wie uwer was er bij?—Als ik mij wel herinner, gij, neef Nevil,—Dat Richard enz. Wij kunnen in deze regels een duidelijk bewijs vinden, dat Shakespeare bij het schrijven, als hij een aanhaling deed uit een zijner vorige stukken, dit niet opsloeg; waarschijnlijk had hij het niet meer in zijn bezit, daar het handschrift bij den schouwburg, waar het gespeeld werd en waaraan het in eigendom was overgegaan, berust zal hebben. Hij moest daarom uit zijn geheugen aanhalen. Hieruit verklaren zich gereedelijk alle afwijkingen. Er wordt hier duidelijk gedoeld op “K. Richard II,” V. 1. 55 en 56 (zie blz. 458), waar Northumberland den onttroonden Richard naar Pomfret komt geleiden; noch Koning Hendrik IV, noch Warwick waren er bij, dat de woorden gesproken werden. Shakespeare stelde zich ongetwijfeld voor, dat Koning Richard ze in het tooneel der afzetting (IVde Bedrijf) gebezigd had. Bovendien is de aanhaling niet nauwkeurig.—Verder zij hier opgemerkt, dat de koning hier den Graaf van Warwick ten onrechte met den familienaam Nevil toespreekt, of dat een Nevil ten onrechte Warwick genoemd wordt; de toenmalige graaf van Warwick had den familienaam Beauchamp; de latere beroemde graaf van Warwick, de koningsmaker, (zie Sh.’s K. Hendrik VI) was een Nevil, maar verkreeg zijn titel Warwick eerst door zijn huwelijk met de erfdochter der Beauchamps.—Een Nevil was de in dit stuk voorkomende Graaf van Westmoreland, zie de geslachtslijst.
III. 2. 14. Dan moet hij binnen kort naar de gerechtshoven. De gerechtshoven, Inns of Court, zooals zij nog tegenwoordig in Londen bestaan, waarvan hier St.-Clement’s-Inn en Gray’s-Inn genoemd worden, zijn inrichtingen, waar de jongelieden, die de rechtswetenschap willen studeeren, volgens reglementen samenwonen, onder leiding van een rechtsgeleerde studeeren, zich practisch oefenen, en vooral de vermaken, die de hoofdstad aanbiedt, genieten. Aan de Engelsche Universiteiten is er geen juridische faculteit; de zoon van Stil was dus voor letterkundige studiën, de humaniora, te Oxford, zooals den zoon van een gentleman betaamt.—Als mannen in de provincie, zagen Zielig en Stil hoog op tegen Falstaff, die uit de hoofdstad kwam en aan het hof verkeerde.
III. 2. 28. Daar was ook Hans Falstaff, nu Sir John, een jonge borst en page van Thomas Mowbray, hertog van Norfolk. Al zegt Shakespeare, dat zijn Falstaff niets met Sir John Oldcastle te maken had, in dit opzicht kwam hij toch met den historischen edelman van dien naam overeen.—Skogan, die een oogenblik later genoemd wordt, was een bekend hofnar, wiens schertsen ook uitgegeven zijn, maar uit later tijd, namelijk uit dien van Eduard IV. Onder Hendrik IV leefde een hofdichter van dien naam, maar de eerste zal wel door Sh. bedoeld zijn.
III. 2. 72. Geaccommodeerd. Een modewoord uit Sh.’s tijd, zooals die in groote steden soms opkomen en dan telkens en telkens gebruikt worden; Bardolf kent het woord dus van hooren zeggen; op het land raken zulke uitdrukkingen slechts langzaam bekend of in gebruik; van hier Zieligs verbazing. Ben Jonson bespot het woord ook in zijn “Every man in his humour.”
III. 2. 145. Schaduwen in menigte. Manschappen alleen op papier, voor wie echter de werfgelden uitbetaald worden.
III. 2. 232. Vooruit, jongens. In ’t Engelsch staat: Hem, boys! In een oud drinklied komt het refrein voor: With a hem, boys, hem! and a cup of sack.
III. 2. 236. Tien-schellings-Hendriken. Tien-schellingstukken met den beeldenaar van Koning Hendrik. (Zij werden inderdaad eerst onder Hendrik VII en VIII geslagen.) Een kroon is vijf schellingen.—Bardolf int 4 pond sterling, doch verantwoordt er maar drie aan zijn meester.
III. 2. 298. Op de Vogelweide. In het Engelsch wordt de gemeenteweide van Mile-end genoemd. Daar werden bij schuttersfeesten gekostumeerde optochten gehouden en met name het hof van koning Arthur voorgesteld, waartoe de sedert 1485 herhaalde malen gedrukte Morte d’Arthur, alsmede volksgezangen, rijkelijk aanleiding gaven. Bij een dezer feesten had Zielig Sir Dagonet, d.i. Arthurs hofnar, voorgesteld.
III. 2. 329. Turnbullstraat. Eigenlijk Turnmillstraat, een te slechter faam staande straat in Londen.
III. 2. 331. Zeerooversschatting. Een schatting, waardoor men een vrijbrief verkreeg tegen zeeroovers.
III. 2. 340. Aan de afgeranselde vrouwmenschen. Lichtekooien moesten in de gevangenis meermalen met de zweep kennis maken.
III. 2. 343. Die zotskolf. Er staat eigenlijk: this Vice’s dagger, het houten zwaard van Vice, de ondeugd, den grappenmaker van het Oud-Engelsch tooneel; later wordt Zieligs magerheid nog door andere vergelijkingen aanschouwelijk gemaakt, b.v. door die met den stok van Jan van Gent. Hier staat in het Engelsch: “ik zeide tegen Jan van Gent, dat hij zijn naam ranselde”; John a Gaunt kan men namelijk vertalen: “Jan Mager.”
IV. 1. 94. Mijn algemeene broeder, onze staat enz. Deze drie regels zijn in het oorspronkelijke zeer gewrongen; de plaats is zeker bedorven, maar de beteekenis is niet twijfelachtig.
IV. 1. 110. Werdt gij niet hersteld in al de rechten van uw vader? Al gelieft Westmoreland dit te zeggen, historisch is het niet.
IV. 2. 87. De vrede is uitgeroepen enz. Misschien ware, als letterlijker, te verkiezen: “Vrede is het wachtwoord; hoort eens, welk gejuich!”
IV. 3. 139. Hij wordt mij reeds week tusschen vinger en duim enz. Zoo verwarmde men de was, waar men mede wilde zegelen.
IV. 4. 122. Vaderlooze kinders. Waarvan de oorsprong niet op te geven is. Holinshed spreekt van zulke verschijnselen; zoo zouden er op 12 October 1412, eenige maanden voor ’s konings dood, drie vloeden zijn geweest zonder ebbe.
IV. 5. 129. Engeland verguldt met dubbel goud zijn zonde. De woordspeling: England shall double gild his treble guilt is natuurlijk niet terug te geven.
IV. 5. 161. Daarom zijt gij, fijnst goud, het slechtste goud. Een oplossing van goud was een hooggeschat geneesmiddel, doch het goud, dat men tot de bereiding er van bezigde, was minder zuiver, minder fijn, dan het goud der kroon.
IV. 5. 233. Draagt het vertrek enz. Deze vraag en het antwoord is door Sh. aan Holinshed’s kroniek ontleend.
V. 1. 36. Achter den rug maken zij iemand zwart. In ’t Engelsch een dergelijke woordspeling met backbite.
V. 2. 48. Hier volgt niet Amurath op Amurath, Op Hendrik Hendrik. Bij den dood van sultan Amurath III liet diens zoon en opvolger bij zijn troonsbeklimming al zijn broeders verworgen. De toeschouwers begrepen terstond, wat Hendrik V bedoelde, want deze moord had in 1596 plaats.
V. 2. 123. Wild is mijn vader in zijn graf gegaan.… ik overleef hem ernstig. Holinshed bericht, dat Prins Hendrik dadelijk na zijns vaders dood, besloten had een nieuwen mensch aan te doen, de vroegere deelgenooten aan zijn losbandige vermaken tien mijlen ver van zijn hof verbande (hen echter niet zonder belooning en verzorging latend,) en in hun plaats wijze en leerzame raadslieden om zich verzamelde “indachtig dat hij eens, tot zijns koninklijken vaders hoog misnoegen, den lord opperrechter met zijn vuist geslagen had, omdat deze een zijner metgezellen, en terecht, naar de gevangenis verwees, waarop de rechter kloek hemzelf tot hechtenis veroordeelde, en hij (de prins) gehoorzaamde.” Of Shakespeare uit dezen niet zeer duidelijken zin opmaakte, dat de prins, koning geworden, den opperrechter in zijn ambt handhaafde,—inderdaad werd deze met verscheidene andere grootwaardigheidsbekleeders dadelijk bij de troonsbestijging vervangen,—laat zich niet beslissen. Het is zeer wel mogelijk, dat Sh. opzettelijk van de geschiedenis afweek, zooals hij ook, tegen Holinshed’s verhaal in, allen met angst en zorg het optreden des nieuwen konings doet verbeiden. Holinshed vermeldt daarentegen, dat de jonge koning met groote hoop en de beste verwachting begroet werd, en dat,—wat vroeger nooit gebeurd was,—hem reeds voor de kroning door verscheidene edelen en aanzienlijke personen de eed van hulde gedaan werd. Uit een dramatisch oogpunt is Sh.’s voorstelling zeker verre te verkiezen.
V. 3. 37. Slechts baarden in huis Geeft een vroolijke kluis. Het Engelsch: “’T is merry in hall, When beards wag all” was het refrein van een oud lied.
V. 3. 77. Doe bescheid als een man; Sla mij tot ridder dan; Samingo. Stil zingt een gedeelte van een gedeelte van een drinklied, dat in een stuk van Nash: “Summers Last Will” voorkomt, en aldus luidt: Monsieur Mingo In quaffing doth surpass In cap, in can, or glass God Bacchus; Do me right, And dub me knight, Domingo; en vraagt dan aan Falstaff, of hij het goed gedaan heeft. Hij zegt Samingo voor Domingo, dat in het Spaansch Zondag beteekent, maar hier wel op den heiligen Dominicus, den patroon der drinklustige Dominicaner monniken, zal slaan.
V. 3. 90. Geen slechte wind enz. Een Engelsch spreekwoord, o. a. ook in Sterne’s Sentimenteele reis voorkomend, zegt: “Het is een slechte wind, die niemand voordeel brengt.”
V. 3. 105. Meld, snood Assyrisch ridder enz. Falstaff bootst Pistools manieren na en spreekt als koning Cophetua. Het noemen van dien koning, uit een volkslied overbekend, brengt Stil een ander volkslied in de gedachte: Robin Hood and the Pindar of Wakefield, waarin voorkomt: “All this beheard three wighty yeomen, ’T was Robin Hood, Scarlet and John: With that they espied the jolly Pindar, As he sat under a throne.”
V. 3. 124. Toon mij figo. Een gebaar van minachting, naar men zegt van Spaanschen oorsprong, “which consisted in trushing out the thumb between first and second fingers.” De Engelschen hadden in Sh.’s tijd verscheidene gebruiken aan de Spanjaarden en Italianen ontleend. In Nederlandsche schrijvers van dezen tijd vindt men ook de uitdrukking: de vijghe setten.
V. 3. 146. Waar is mijn vroeger leven heen? Deze regel komt reeds in 1578 tot het aangeven van een melodie voor. Ook de vrouwentemmer Petruchio zingt dien, De getemde Feeks, IV. 1. 143. Het lied zelf is verloren gegaan.
V. 4. 16. Als dat gebeurt, zult ge uw dozijn kussens weer vol hebben. Doortje wendt zwangerschap voor om de zweep te ontgaan.
V. 4. 33. Gij atomie. De waardin meent anatomie, d.i. geraamte. De volgende regel luidt in ’t Engelsch: “Come, you thin thing; come, you rascal!” Hier beteekent rascal te gelijk een mager ree en een spitsboef.
V. 5. 1. Meer biezen, meer biezen! Evenals in dien tijd de vloeren van feestzalen, worden hier, ter eere van de komst des pasgekroonden konings, de straten met biezen bestrooid.
V. 5. 30. ’t Is Semper idem enz. Pistool haalt Latijnsche wapenmotto’s aan, die hij zoo goed hij kan vertaalt.
V. 5. 90. Wat gij daar gehoord hebt, was maar voor den schijn. In ’t Engelsch zegt Falstaff: it was but a colour, ’t was maar voorgewend; Zielig vat het woord colour op als collar, halsband of strop, en Falstaff daarna weer als krijgsvaan, waaronder dan krijgsdienst verstaan wordt.
Epiloog 35. En zoo kniel ik voor u neder. Er wordt bijgevoegd: niet om u mijn hulde te betoonen,—maar om voor de koningin te bidden. Dit toch was het gewoon besluit der tooneelvoorstellingen, waarop dan, vreemd genoeg, nog een dans volgde, vaak, zooals hier, door denzelfden speler uitgevoerd, die het gebed uitgesproken had.