EPILOOG,
L. A. J. (Leendert Alexander Johannes) Burgersdijk translation
uitgesproken door een Danser.
Eerst mijn vrees, dan mijn buiging, ten laatste mijn aanspraak. Mijn vrees is uw ontevredenheid, mijn buiging mijn plicht, en mijn aanspraak een bede om verschooning. Als gij nu een schoone aanspraak verwacht, dan ben ik verloren; want wat ik te zeggen heb, is van mijn eigen maaksel, en wat ik inderdaad moest zeggen, zal, vrees ik, mijn eigen verderf zijn. Doch ter zake, en dus op goed geluk af. Het zij u dan bekend,—zoo als u het zeer wel bekend is,—dat ik hier onlangs kwam op het eind van een niet welgevallig stuk, om er uw toegevendheid voor in te roepen en u een beter te beloven. Mijn plan was, om u de waarheid te zeggen, u met dit stuk te betalen; en zoo dit, als van een slechte reis, ongelukkig terugkomt, maak ik bankroet en gij, mijn toegenegen schuldeischers, verliest. Hier, heb ik beloofd, zou ik wezen, en hier geef ik mijn persoon aan uw genade over; scheldt mij iets kwijt, en ik betaal u iets; en beloof u, zooals de meeste schuldenaars doen, onmetelijk veel. 17
Als mijn tong u niet bewegen kan om mij kwijtschelding te verleenen, wilt gij mij dan bevelen, mijn beenen te gebruiken? En toch ware dit slechts een magere betaling, de schuld aan u weg te dansen. Maar een braaf geweten zal de menschen op alle mogelijke wijze willen voldoen; en dit wil ik. Alle edele vrouwen hier hebben mij vergiffenis geschonken; als de edele heeren het nu niet willen, zijn de heeren het met de vrouwen niet eens, en dit is iets ongehoords in zulk een vergadering.
Nog één woord, als het vergund is. Als gij niet te zeer oververzadigd zijt van vet vleesch, zal onze onderdanige schrijver de geschiedenis vervolgen, met Sir John er in, en u verlustigen met de schoone Catharina van Frankrijk; daarin zal ook, voor zoover ik weet, Falstaff zich dood zweeten, als hij niet reeds vooraf door uw harde beoordeeling is omgebracht; want Oldcastle stierf als martelaar en dit is de man niet.
Mijn tong is moede; als mijn beenen het ook zijn, zal ik u goede nacht wenschen. En zoo kniel ik voor u neder; doch, in waarheid, om voor de koningin te bidden.