III. HOE NANNI DEN DAG DOORBRACHT.
Reading edition
„Trijntje! vraag eens aan de dames of ik haar eens eventjes mag spreken,—maar een oogenblikje,” zeide vrouw Berens aan de dienstmaagd van Nanni’s tantes.
„Wel, vrouw Berens, hoe maak jij het?” antwoordde Trijntje, haar armen in de zijde zettende en blijde dat zij eens een praatje kon maken. „Menschlief, ’t gebeurt ook niet vaak, dat jij zoo uit wandelen gaat; ga maar rechtuit den tuin in, de dames zitten achter onder den lindeboom thee te drinken.”
Vrouw Berens strompelde de gang door, den tuin in en was weldra bij den boom, waaronder de dames zaten.
„Wel, baker, daar doe je goed aan, dat je eens komt praten,” zeide de oudste juffrouw vriendelijk; „ga zitten, dan zal ik je een kopje thee inschenken.”
„Heel graag, juffrouw!” antwoordde vrouw Berens. „Wat is ’t vandaag mooi weer. Ik hoef niet te vragen of de juffrouwen gezond zijn, want ze zien er uit als rozen.”
„Kom, kom, baker, nu zet je ons in het zonnetje!” schertste de middelste. „Wat treffen die kinderen het vandaag, vind je niet? Je weet toch dat ze naar Amsterdam zijn?”
„Wel zeker weet ik het,” zeide de oude vrouw, haar kopje opnemende; „ik heb maar zoo’n verdriet er van, dat Nanni er niet bij is.”
„Er niet bij is!” herhaalde een der dames. „Kom, baker, nu ben je in de war; ze is vanmorgen al om halfzeven weggegaan.”
„Mocht ze dan toch mee? Wel dat doet me pleizier!” hernam vrouw Berens vergenoegd. „Dan begrijp ik ook, waarom ze vandaag niet bij mij kwam, zooals zij gisteren beloofd had!”
De tantes keken ernstig, want zij begrepen dat er iets niet in den haak was, hoewel zij niet wisten wat er aan haperde.
„Luister eens, baker,” zeide de oudste juffrouw nu: „wij weten er niets van, dat Nanni niet mee zou gaan; vertel ons eens wat er gebeurd is.”
„Och, als de zaak toch in orde is gekomen, moesten wij er maar niet meer over spreken,” zeide vrouw Berens goedhartig.
„Wij zullen er niet over spreken, baker; maar wees zoo goed en vertel het ons.”
„Nu, dan is het wat anders,” begon vrouw Berens. „Gisteren kwam Nanni schreiend bij mij en vertelde mij, dat zij niet mee mocht, omdat zij brutaal tegen meester Struis was geweest; maar zeker heeft mijnheer Ebels medelijden met haar gehad, en is zij toch meegegaan. Toen zei ik, dat zij aan u moest vragen of zij dan een poosje bij mij mocht komen, en daar zij niet kwam meende ik, dat de dames boos op haar waren en haar thuis hielden. Nu kwam ik eigenlijk een goed woordje voor haar doen, want och, ze had er zoo’n spijt van, dat ze ondeugend was geweest.”
„Ik begrijp er niets van!” zeide tante Net, na een oogenblik gezwegen te hebben, „maar ik denk dat ze toch nog mee is mogen gaan; want waar zou ze anders zitten?”
„Nu, dat doet me recht veel pleizier voor haar,” zeide vrouw Berens opstaande. „’t Ging me zoo aan mijn hart dat ze niet mee was, dat ik mijn middagdutje niet heb kunnen doen.”
Vrouw Berens ging nu weg en liep op haar gemak naar het huisje, innig blijde dat haar lieveling zoo’n aangenamen dag had.
Zooals wij weten, was Nanni naar het bosch gegaan en niet van zins bij vrouw Berens te komen, zooals zij deze beloofd had. Een poosje ging het haar heel naar den zin. Zij werd vroolijk, begon zachtjes een liedje te neuriën en was gelukkig; want er was niemand die haar plaagde of onaardig tegen haar was. Zij behoefde zich boos noch driftig te maken, en als zij den ring, dien zij van baker gekregen had, niet aan haar vinger had gevoeld, dan zou zij zich hebben kunnen verbeelden dat zij al de narigheid van den vorigen dag gedroomd had.
Zij had een poosje zoo gezeten en zij dacht dat het nu wel twaalf uur zou zijn; zij kreeg wat honger, maar zij besloot zich goed te houden. Eigenlijk vond zij in haar hart, dat die honger een straf voor haar was, omdat zij haar tantes niet had gezegd wat er gebeurd was, en dapper wilde zij die straf dragen. Zij zocht en vond wat boschbessen, en daar die haar hielpen haar dorst te lesschen, was zij erg in haar schik en dwaalde nog wat verder af het bosch in. Nu hoorde zij niets meer van het dorp; hè, dáár zou zij wel willen wonen in een klein, lief huisje met vrouw Berens om het eten te koken. Zij moest maar niet aan eten denken, want dan kwam het water haar in den mond! Zij had sedert gisterenmiddag vier uren niets gebruikt: ’s avonds had zij geen boterham kunnen eten, „van pleizier” dachten de tantes, van „verdriet” zei Nanni; en nu vanmorgen had zij er in het geheel niet aan gedacht, zoodat ze zoo’n akelig gevoel in haar maag kreeg.
Zij wilde verder gaan, toen zij eensklaps een paar schitterende oogen door het struikgewas zag glinsteren, die haar oplettend aanstaarden. Natuurlijk schrikte Nanni. Wie zou ook niet geschrikt zijn?
Vóór zij het echter nog met zichzelf eens was, welken kant zij op zou loopen, kwam er eensklaps een kolossaal groote hond te voorschijn springen, die haar met zijn verstandige oogen smeekend aankeek en haar bij haar jurk trok.
Nanni begreep er niets van. Eensklaps begon de hond klagend te blaffen en al snuffelend om haar heen te loopen.
„Wat scheelt er aan?” vroeg zij, hem over den kop streelend. „Kon je maar praten, dan kon je ’t mij vertellen, hé! Heb je honger? Ik kan je niets geven, want ik heb ook honger, en bessen lust je niet!”
Zoo babbelend met den hond was zij langzaam voortgeloopen en onwillekeurig volgde zij den weg dien het dier insloeg.
„Hector! Hector!” hoorde zij eensklaps roepen en verwonderd keek zij om, ten einde te zien waar die stem vandaan kwam.
Hector was echter bij haar vandaan gesprongen, naar een boom, waarbij Nanni nu een man zag liggen. Aarzelend ging zij naar hem toe.
„Zoo, Hec! heb je iemand bij me gehaald; dat is goed oude jongen;” zeide hij. „Ik geloof dat ik een vlerk gebroken heb, juffie,” vervolgde de man op zijn been wijzende.
„Hoe akelig,” riep Nanni uit; „en moet je nu hier maar blijven liggen?”
„Als ’t kan, liefst niet,” antwoordde de man, terwijl hij een pijnlijk gezicht trok. „Ik zou wel graag naar het dorp toe willen.”
„Maar hoe kun je daar komen?” vroeg Nanni. „Je kunt immers niet loopen!”
„Neen, loopen kan ik niet, maar ze zullen mij wel willen komen halen, als ze op ’t dorp maar weten, dat ik hier lig,” antwoordde de man.
„Zoo? Nu dan zal ik iemand gaan halen,” zeide Nanni. „Naar wien zal ik gaan?”
„’t Is waar, iedereen is op het land aan het werk,” hernam de man teleurgesteld; „dan zou ’t je niet helpen of je naar het dorp gingt. Maar blijf wat bij mij, ik lig hier al zoo lang moederziel alleen.”
„Maar hoe komt het, dat je je zoo bezeerd hebt?” vroeg Nanni, terwijl zij op het zachte mos ging zitten.
„Wel, zie je dien tak daar liggen?” vroeg hij naar een tamelijk dikken tak wijzend, die op den grond lag. „Ja! Nu, ik ben met dien tak en al uit dezen boom gevallen.”
„Maar waarom klom je in den boom?” vroeg Nanni. „Of wist je den weg niet?”
„En zou ik daarom in een boom klimmen?” zeide de man verbaasd. „Wat zou mij dat helpen?”
„Klein Duimpje klom ook wel in een boom, omdat hij verdwaald was,” zeide Nanni halfluid, „maar die was klein.”
„Juist, en ik niet precies,” antwoordde de man lachend. „Neen, zoo was het niet; ik wou eenvoudig een stevigen tak afbreken om er een stok van te snijden.”
„Zoo,” zeide Nanni; „maar je moogt geen takken van de boomen breken; als de boschwachter het ziet, dan word je in den kelder onder het raadhuis gesloten.”
„Wel, wel, wat leest dat kleine ding mij daar de les!” hernam de man lachend. „Nu ’t zou zoo’n vaart wel niet zijn geloopen, denk ik! Je bent zeker zelf een heel gehoorzaam en lief meisje!”
Nanni kreeg een kleur tot over haar ooren en had wel onder den grond willen kruipen.
„Neen,” zeide zij, „ik ben erg brutaal en ondeugend en.… en.…”
„Komaan, nog meer?” riep de man uit. „Mij dunkt het zondenregister is groot genoeg. Oprecht ben je ten minste wel!”
„Ach ook niet,” zuchtte Nanni beschaamd; „ik heb vandaag heel leelijk gedaan.”
„Zoo zoo, en wat heb je zoo al voor kattenkwaad uitgevoerd?” vroeg hij.
Nanni, die anders niet licht spraakzaam was tegen iemand dien zij niet kende, vertelde met horten en stooten welk verdriet zij had en hoe zij haar tantes in den waan had gelaten dat zij mede naar Amsterdam was gegaan.
„Dat is wezenlijk allesbehalve mooi van je,” zeide de man, terwijl hij bedenkelijk het hoofd schudde. „En waar wilde je naar toe gaan, toen mijn hond je vond?”
„Naar baker, ik meen naar vrouw Berens,” verbeterde Nanni zich zelf, daar zij wel begreep dat de man niet zou weten wie baker was.
„Kijk eens aan, dat treft aardig!” riep hij uit. „Vrouw Berens is mijn moeder. Je hebt haar zeker wel eens hooren praten van haar zoon, die ver hier vandaan woont? Nu die ben ik, en ik kwam haar juist eens opzoeken om te vragen of zij bij mij wilde wonen.”
„O, wat zal ze blij zijn!” riep Nanni uit. „Ze heeft me zoo dikwijls verteld, dat zij nog een zoon had, en ze verlangde zoo hem nog eens te zien.”
„Zoo, dat doet me pleizier,” zeide de man opgeruimd; „’t is nu maar jammer, dat ik met een gebroken been aankom, maar daar is niets aan te doen.… Gelukkig dat de boschwachter mij niet in den kelder heeft gesloten!” Dit laatste zeide hij, terwijl hij haar lachend aankeek.
„Wil ik eens naar het huisje van baker loopen?” stelde Nanni voor. „Dan kan zij misschien wel iemand opzoeken die je helpen kan.”
„Ja, dat was niet kwaad,” meende de man. „Er zullen nu misschien wel eenige mannen weerom zijn; ’t is al wel een uur of zes.”
Nanni liep zoo snel ze kon; nu en dan moest zij zelfs even stil blijven staan om adem te halen, maar zij was dan ook heel gauw aan het welbekende huisje. Driftig stiet zij de deur open en kwam.… in een leege kamer! Dat viel haar tegen! Zij had er zoo stellig op gerekend de oude vrouw thuis te vinden; zij ging immers bijna nooit uit. Weinig dacht zij, dat vrouw Berens naar haar tantes was gegaan en daar nu heel bedaard onder den lindeboom een kopje thee zat te drinken.
Wat moest zij nu doen? ’t Beste vond zij om maar te wachten totdat de oude vrouw terugkwam, want lang zou zij zeker niet wegblijven. Zij ging dus op den drempel van de huisdeur zitten, en nam de groote poes op haar schoot, die naar buiten was komen loopen, toen Nanni de kamerdeur had geopend.
’t Duurde niet lang of zij zag vrouw Berens aankomen; poes werd op den grond gezet, en Nanni liep de oude vrouw te gemoet, die niet wist of zij haar oogen durfde vertrouwen.
„Ben jij toch hier kind?” riep zij uit, vóórdat Nanni nog iets kon zeggen. „Foei wat ben je een ondeugende meid!”
„Och, baker, wees nu niet zoo boos,” smeekte Nanni; „ik heb een boodschap voor je!”
„Wat boodschap! Ik wil niets van je weten,” riep vrouw Berens, die werkelijk boos en bedroefd was over Nanni’s gedrag. „Ik wil je niet meer zien; ga aanstonds naar de tantes!”
Zij deed de deur achter zich dicht en liet Nanni buiten staan. Ge begrijpt, dat het schreien haar nader stond dan het lachen, en hoewel anders zoo’n driftkopje, vergat zij thans boos te worden, daar zij zich herinnerde, dat de zoon van vrouw Berens daar al zoo lang buiten lag en nog al geen hulp zou krijgen.
„Doe open, baker, doe open!” gilde zij, op de deur slaande. „Ik moet er in, ik moet!”
Er kwam geen antwoord van binnen, en Nanni werd zoo doldriftig, dat zij met haar voeten tegen de deur begon te schoppen.
„Ga naar je tantes, kind; ik wil je vandaag niet zien!” klonk nu de stem van vrouw Berens.
„Luister dan toch even, leelijke baker!” riep Nanni half snikkend. „In het bosch daar ligt je zoon, en hij heeft zijn been gebroken!”
„Wat praatje nu kind?” vroeg vrouw Berens, de deur weer opendoende.
„Je zoon is gevallen, en heeft mij naar je toe gestuurd,” snikte Nanni. „Wil je me nu nog niet gelooven? Ik heb toch nog nooit gejokt!”
„Je hebt mij gisteren wat voorgejokt, toen je me beloofdet alles aan de tantes te vertellen,” zeide de oude vrouw ernstig. „En de tantes heb je wel niet voorgejokt, maar je hebt haar toch wel laten denken, dat je mee met de kinderen waart, en dat is even leelijk als jokken!”
„Ach, baker, ’t is waar,” riep Nanni bitter bedroefd, „maar wezenlijk je zoon ligt onder een boom; hij is gevallen en gelooft dat hij zijn been heeft gebroken.”
Toen vrouw Berens dit eindelijk geloofde, wist zij niet wat zij moest beginnen. Gelukkig kwam er juist een buurman met zijn wagen van het land, en nu vroeg zij of die hem wilde gaan afhalen. Nanni zou meegaan om hem te wijzen waar het was, en de oude vrouw zou thuis blijven, een bed klaar maken, en zorgen dat er iemand naar den dokter ging om naar het been te komen kijken.
Heel gauw was de wagen bij de plek waar de man lag, die recht in zijn schik was toen hij bemerkte, dat hij uit zijn lastige positie zou verlost worden. Hij werd er op geladen, Hector sprong hem achterna, en voort reden zij naar het huisje van vrouw Berens.
Spoedig hield de wagen nu stil. De oude vrouw stond met een gelaat glinsterend van genot hen op te wachten en had oogen noch ooren voor iemand behalve voor den zoon, dien zij in geen tien jaren gezien had.
„Dat is een treurige aankomst, moedertje,” zeide hij opgewekt toen hij haar zag. „Ik had nog al gedacht u zoo te verrassen!”
„Wel jongen (’t was een man van veertig jaren, maar de oude vrouw beschouwde hem nog als een kind), ik ben veel te blij dat ik je zie, om aan iets anders te kunnen denken! Wel, wel, wat heb ik naar je verlangd!”
’t Was een heele drukte in het kleine huisje; de buren kwamen in en uit loopen en deden vrouw Berens honderd vragen, die deze echter niet kon beantwoorden, want zij had haren zoon nog niet verder kunnen spreken. Maar Nanni zou misschien meer kunnen vertellen. Waar was Nanni?
Niemand wist het, niemand had haar gezien, niemand wist waar zij gebleven was!
’s Avonds om halftien kwam de trein aan, waarmee de kinderen uit Amsterdam terug zouden komen.
„Mij dunkt, Nanni moest nu toch al hier zijn,” meende de oudste tante eenigszins wrevelig.
„Ze is misschien even bij een der vriendinnetjes ingeloopen,” zeide haar zuster vergoelijkend; „na zoo’n heerlijken dag praten zij graag nog een oogenblik!”
Daar sloeg de klok tien.
„Neen maar, nu kan ’t niet langer,” zeide tante Net. „Trijntje! loop eens even naar Rosa en vraag of de jongejuffrouw thuis komt als ze er is.”
Trijntje deed haar boodschap, maar kwam natuurlijk onverrichter zake terug. De tantes wisten niet, wat zij er van moesten denken en zonden de meid nu naar den onderwijzer. Maar de boodschap die zij van hem kregen bracht haar nog meer in de war. Nanni was niet mee geweest!
De tantes waren nu wezenlijk ongerust, en ’t gekste was dat zij niet wisten, waar zij het meisje moesten zoeken.
Zij wilden naar vrouw Berens zenden, maar herinnerden zich, dat deze niet beter wist of Nanni was met de kinderen mee geweest.
Ge kunt begrijpen, dat de tantes dien nacht niet naar bed gingen, zoo angstig waren zij; zij konden zich maar niet begrijpen wat er van het meisje geworden was.
Den volgenden morgen vroeg kwam er iemand om haar te spreken.
„Wel Teunis, wat is er?” vroeg de oudste tante.
„Juffrouw, neem mij niet kwalijk, dat ik maar zoo brutaal ben om binnen te komen,” begon de man, terwijl hij zijn pet in zijn handen ronddraaide, „maar vrouw Berens stuurt mij en laat vragen of de jongejuffrouw eens bij haar zoon mag komen; hij wou haar zoo graag eens bedanken!”
„Mijn nichtje?” zeide een der tantes. „Maar waar is zij gisteren dan geweest?”
„Wel, zij heeft gezorgd dat Berens bij zijn oude moeder kwam,” zeide Teunis verwonderd. „Ik zelf heb haar gereden, en nu kom ik even die boodschap doen.”
Uit dien man kon men niet wijs worden, begrepen de tantes, en zij besloten zelf naar het huisje van vrouw Berens te gaan.
Zoodra zij bij vrouw Berens kwamen, was haar eerste vraag, wat deze van Nanni afwist. De oude vrouw vertelde alles en bejammerde het, dat zij den vorigen dag zoo hard voor het kind was geweest en haar niets te eten had gegeven; zij meende echter, dat ze naar huis was gegaan en daar haar scha wel zou hebben ingehaald.
„Wat! is Nanni den geheelen dag zonder eten geweest?” riep tante Net verschrikt uit. „Waar is zij dan toch?”
„Ik dacht bij u,” stamelde vrouw Berens bedremmeld.
„Aanstonds het bosch in en haar zoeken,” riepen de dames uit. „Maar hoe vinden wij haar?”
„Neemt den hond mee, dames; die kent haar nu,” zeide Berens, „en dan wat melk en brood! O, wat spijt het mij, dat ik niet mee kan gaan!”
Haastig gingen de dames, vergezeld van Hector op weg, en zie, ’t duurde niet lang of de hond draafde blaffend een laan in, en daar vonden zij het kleine meisje, doodsbleek met gesloten oogen op den grond liggen. Hector likte haar de wangen, maar zij bleef stil liggen, en eerst na een geruimen tijd gelukte het, haar door eau de cologne bij te krijgen. Zij gaven haar een weinig melk te drinken, (niet te veel, want dat zou niet goed zijn) en langzamerhand kwam er weer wat kleur op die bleeke wangen.
„Maar, kind! heb je hier den geheelen nacht gelegen?” vroeg tante Net medelijdend.
„Ja, neen, ik weet het niet,” zeide Nanni. „Is u niet erg boos?”
„Neen, ik ben veel te blij, dat ik je gevonden heb,” riep zij uit. „O wat hebben wij van nacht in ongerustheid gezeten!”
„Dus houdt u toch nog van mij?” vroeg Nanni, terwijl zij haar schitterende oogen opsloeg.
„Wij houden allen van je; hou jij maar wat meer van ons, dan zul je vrij wat gelukkiger zijn,” zeide tante Net half schreiend.
„Dan beloof ik u, dat ik veel liever zal wezen, dan ik geweest ben,” antwoordde Nanni met een gelukkig lachje. „O, tantes, u weet niet wat een akelige dag het gisteren voor mij was, en dat nog wel op:
HET SCHOOLFEEST.”