← Table of contents
Klimop

II. PAUL ZOEKT LENA OP.

Reading edition

Of Lena ook raar opkeek, toen zij den volgenden morgen wakker werd! Eerst begreep zij maar niet, waar zij was, en herinnerde zij zich niet dadelijk wat er met haar gebeurd was; maar toen zij overeind wilde gaan zitten, en zij dat niet kon, omdat haar rug haar zulk een pijn deed, schoot alles haar te binnen.

Zoo stil als een muisje bleef zij daar liggen en oplettend keek zij eens in het rond, en langzamerhand herinnerde zij zich, wat de dokter en mevrouw Doornhof haar gezegd hadden. Zij moest langen tijd rechtuit liggen, had de dokter gisteravond bevolen. Juist! En zij mocht niet naar haar moeder gaan, dat herinnerde zij zich duidelijk!

Aanstonds sprongen de tranen haar in de oogen, en werd zij bitter bedroefd. Zij lag zachtjes te snikken en gevoelde zich heel, heel ongelukkig, toen zij eensklaps een klein handje voelde, dat haar over haar wang streelde.

„Je moet niet schreien, Lena,” zeide Elsa, die op haar teentjes naast het ledikantje stond. „Maatje komt dadelijk hier. Wil ik de gordijnen al vast ophalen?”

„Ja,” antwoordde Lena, en greep het vriendelijke handje, om er een kus op te drukken. „’t Is hier erg donker, niet waar?”

„Akelig donker!” riep Elsa uit, „en buiten schijnt de zon zoo lekker, ’t Is zulk een mooi weer!”

Zij trippelde vlug naar de ramen en haalde de gordijnen heel netjes op.

„Zie eens aan, Lena, er is geen enkele verkeerde plooi in,” zeide zij met zelfvoldoening. „Kun jij de gordijnen ook zoo netjes ophalen?”

„Dat weet ik niet,” antwoordde Lena. „Maar o, wat is dat een mooie tuin!”

„Vindt je niet!” riep Elsa vroolijk uit. „En dat perkje daar ginds is mijn tuintje; daar staan reseda’s, die ik allemaal zelf gezaaid heb.”

„O, hoe aardig,” zeide Lena bewonderend. „Je vindt het zeker erg prettig?”

„O, zoo prettig!” hernam Elsa, in haar handjes klappend, „en die reseda’s ruiken zoo lekker; ik zal er je straks een paar brengen.”

„Wezenlijk, wil je dat doen!” riep Lena uit, wier oogen van genoegen schitterden. „O, ik ruik zoo graag lekkere bloemen.”

Op dit oogenblik kwam mevrouw Doornhof de kamer binnen, en Elsa snelde haar te gemoet om gekust te worden. Daarna kwam de vriendelijke dame naar het bed.

„Heb je van nacht goed geslapen, Lena?” vroeg zij belangstellend.

„O jawel, mevrouw,” antwoordde Lena.

„Gisteravond is je moeder nog hier geweest,” vervolgde mevrouw Doornhof, „maar je sliept zoo lekker, dat we je maar niet wakker hebben gemaakt; van morgen komt je moeder terug. Je verlangt zeker erg naar haar?”

Lena knikte toestemmend en stak mevrouw Doornhof aarzelend haar hand toe. Deze nam het handje en drukte het meisje een kus op het voorhoofd.

„Daar je moeder je nu geen morgenkus kan geven, zal ik het maar zoolang doen,” zeide zij vriendelijk. „Vertel mij nu eens, of je veel pijn hebt?”

Lena zeide wat zij gevoelde, en daarna verliet mevrouw Doornhof de kamer en zeide dat zij haar ontbijt zou sturen.

’t Duurde dan ook niet lang, of Betje kwam met Elsa de kamer binnen. De meid droeg een boterham en een eitje, en de kleine Elsa liep er met een ernstig gezichtje bij en wijdde al haar attentie aan een groot glas melk, dat zij in de hand droeg. Triomfeerend bereikte zij er eindelijk het bed mee.

„Zie je nu wel, Betje, dat ik het best zonder morsen kan dragen!” riep zij juichend uit. „Kom, Lena, drink er gauw eens van.”

Maar o jammer! Juist op het oogenblik dat zij Lena het glas overreikte, kantelde het, en meer dan de helft stortte over het bed en de arme Lena. Elsa uitte een kreet van teleurstelling en dronk in haar ontsteltenis haastig de overgebleven helft leeg. Daarna had zij wel weg willen kruipen, zoo schaamde zij zich.

„Maar, Elsa, wat voer je nu uit?” riep Betje, die zich even omgekeerd had, om de boterham op tafel te zetten, en nu plotseling de overstrooming bemerkte. „En drink je nu het glas nog leeg op den koop toe!”

„Och, ze kon het niet helpen,” zeide Lena, die niet kon hooren, dat haar aardig, klein vriendinnetje beknord werd. „Ik pakte het glas niet stevig genoeg vast.”

„’t Is me een nat boeltje,” pruttelde Betje; „ik zal maar gauw andere lakens en dekens halen,” en zij verliet al brommende de kamer.

„Hoe jammer, Lena!” riep Elsa uit, zoodra de deur achter Betje dicht was. „Ik zal een ander glas melk halen,—ten minste als ze ’t mij nu nog zelf willen laten dragen!”

„Och, ’t is niets,” zeide Lena; „een glaasje water is immers evengoed; dan hoeven ze het niet te weten.”

„Daar komen ze toch achter,” hernam Elsa. „want Betje zal het natuurlijk wel vertellen.”

Alvorens Betje nog terugkwam, had Elsa reeds een ander glas melk gehaald, en toen de meid met de schoone lakens kwam, was heel gauw ieder spoor van het ongeluk verdwenen. Elsa haalde nu de reseda’s, die zij Lena beloofd had, en werd daarop de kamer uitgestuurd, daar het tijd was om naar school te gaan. Even daarna kwam de dokter binnen, gevolgd door mevrouw Doornhof.

Toen de dokter vertrokken was, kwam Betje weer binnen.

„Mevrouw,” zeide zij, „Teunis zegt, dat hij de jongejuffrouw Lina alleen naar school heeft gebracht, want Elsa kon hij nergens vinden, en Lina zei, dat het te laat zou worden, als zij nog langer wachtte.”

„Waar is Elsa dan?” vroeg mevrouw Doornhof verwonderd opziende. „Zij weet heel goed, dat zij naar school moet!”

„Ik heb al overal gezocht,” zeide Betje, „maar kon haar nergens vinden. Misschien is ze wel in den tuin.”

„Ga daar eens kijken,” antwoordde mevrouw Doornhof nu. „’t Is ondeugend van haar om weg te loopen!”

Betje ging weg, maar kwam weldra terug met de tijding, dat in den geheelen tuin geen spoor van Elsa te zien was.

„Waar kan die kleine ondeugd dan zitten?” riep mevrouw Doornhof eenigszins angstig uit. „Ze zal toch geen ongeluk hebben gekregen!”

„Misschien is ze in de kamer bij dat zieke meisje,” zeide Betje. „Wil ik er eens gaan kijken?”

„Neen, dat zal ik zelf wel doen,” hernam mevrouw Doornhof. „Toen ik daar straks met den dokter was, heb ik haar niet gezien.”

Aanstonds ging mevrouw Doornhof naar de ziekenkamer, en keek in alle hoeken en kasten, maar tevergeefs.

„Zeg eens, Lena, heb jij Elsa ook gezien?” vroeg zij. „Is zij hier ook geweest, nadat de dokter vertrokken is?”

„Neen, mevrouw, ik heb haar niet gezien, nadat ze mij die takjes reseda heeft gebracht,” zeide Lena.

„Waar kan dat stoute kind dan zitten!” riep mevrouw Doornhof ongerust uit.

„Hier, Maatje,” klonk eensklaps een benauwd stemmetje.

„Waar?” riep mevrouw Doornhof rondziende uit.

„Is u niet boos, Maatje?” klonk het weer.

„Wel zeker ben ik boos,” zeide haar mama. „Kom maar eens gauw voor den dag.”

„Neen, als Maatje boos is, komt Elsa niet,” zeide de kleine weer.

„Geen gekheid, Elsa! Waar ben je?” riep mevrouw Doornhof.

„De toovergodin wil Elisa niet laten gaan, als Maatje nog boos is,” hernam de kleine.

„Waar kan dat kind zitten,” zeide mevrouw Doornhof halfluid.

Eensklaps vloog er een glimlach over Lena’s gelaat; zij wenkte mevrouw Doornhof en fluisterde haar toe: „Zij zit onder het ledekantje, mevrouw.”

„Dan zal ik er haar wel gauw vandaan krijgen,” antwoordde mevrouw Doornhof op denzelfden toon, maar zij deed alsof zij er niets van begreep, waar het kleine ding kon zitten.

„Betje,” zeide zij hardop, toen de dienstmaagd binnenkwam, „er zit hier ergens een muis. Ga jij nu de groote, roode poes van hiernaast eens halen, dan zullen we haar eens laten snuffelen.”

„O, alsjeblieft niet, Maatje,” smeekte Elsa doodelijk benauwd.

„Wil je dan voor den dag komen?” vroeg mevrouw Doornhof.

„Ja, Maatje, de toovergodin vindt het nu goed,” zeide Elsa, en weldra kwam het donkere krulkopje van onder het bed uitkijken. Maar verder kwam zij nog niet.

„Komaan, Elsa, er heelemaal onder vandaan,” zeide mevrouw Doornhof.

„Ik kom al, Maatje. U is toch niet boos?” zeide het vleiende stemmetje; en nu kwam onze jongejuffrouw er heelemaal onderuit.

„Maar Elsa, waarom ben je zoo ondeugend geweest om onder het bed te kruipen, in plaats van naar school te gaan?”

„Och, Maatje, ik wou zoo graag vandaag bij Lena blijven,” zeide Elsa verlegen. „Anders is zij den geheelen dag zoo alleen.”

„Maar Lena zal hier nog dagen genoeg zijn,” hernam mevrouw Doornhof afkeurend. „Je bent erg ongehoorzaam geweest.”

„Ja, Maatje, ik zal ’t ook nooit weer doen,” beloofde Elsa berouwvol. „Moet ik nu nog naar school gaan?”

„Neen, je moet nu maar thuis blijven,” hernam mevrouw Doornhof; „maar morgen helpen die kunsten je niets, hoor meisje! Haal nu je breikous, dan zal ik je een taak opgeven.”

O hemel, die breikous! Daaraan had Elsa volstrekt niet gedacht! Dat akelige breien! Hoe ’t kwam, wist zij niet, maar altijd gleden de steken van haar naald af en dan zag het werk er zoo onoogelijk uit, dat zij er geen raad mee wist.

Haar Mama, die heel goed wist, hoe zij over het breien dacht, liet haar juist de breikous halen om haar te straffen voor haar verzuim.

„Nu moog je naast Lena’s bed gaan zitten en moet je zorgen dat je om twaalf uren zes naadjes gedaan hebt,” zeide haar mama, toen zij met haar werk binnenkwam.

„En mag Lena mijn poppen niet eens zien?” vroeg Elsa bedrukt.

„Zoodra je taak af is, kun je ze halen,” zeide mevrouw Doornhof. „Straks komt Lena’s moeder, en als die er is, kom jij bij mij.”

Mevrouw Doornhof verliet nu de kamer, en Elsa bleef bij Lena zitten breien. In het begin zei ze geen woord, maar breide ijverig door; heel gauw verveelde haar dat zwijgen echter.

„Zeg eens, Lena, zou die jongen met zijn aap weer eens voorbijkomen?” vroeg zij.

„Zeker wel,” antwoordde deze. „O die Paul is zoo’n goede jongen, zoo aardig en vriendelijk, en dan Cesar …”

„Wie is Cesar?” vroeg Lena verwonderd.

„Cesar is de aap,” antwoordde Lena; „dat is zoo’n grappig diertje, en hij kan zoo mooi exerceeren en doodliggen!”

„Zou hij wel eens hier willen komen met Cesar?” vroeg Elsa met schitterende oogen. „O, ik zou zoo graag …”

„Mijn taak af willen breien,” zeide mevrouw Doornhof, die ongemerkt de kamer in was gekomen. „Kom nu mee, Elsa; Lena’s moeder is er.”

Of Lena ook in haar schik was, toen haar moeder binnenkwam. En de goede vrouw zette groote oogen op, toen zij zag hoe keurig netjes haar dochtertje daar in dat lieve ledekantje in die mooie kamer lag.

„Wel, Lena-lief, kind, hoe ongelukkig om zoo te vallen!” riep zij uit, haar hartelijk kussende. „Heb je veel pijn?”

„Ja, moe, mijn rug doet erg zeer; ik kan niet overeind zitten en dat mag ik ook niet zegt de dokter,” antwoordde Lena. „O, moe, die mevrouw is zoo lief voor mij, en dat kleine meisje ook; ’t is precies een engeltje!”

„Foei wat ben ik geschrikt, toen Paul gisteravond alleen thuis kwam en vertelde wat er gebeurd was,” zeide vrouw Wenzel, naast het ledekantje gaande zitten. „Nu, ik zal je dikwijls op komen zoeken, kindlief; mevrouw heeft gezegd dat ik mocht komen, zoo dikwijls als ik wilde.”

„Hè dat is heerlijk, moedertje,” zeide Lena, met een zucht van verlichting, want zij was erg bang geweest dat zij haar moeder bijna nooit zou zien.

Vrouw Wenzel praatte nog een poosje met haar dochtertje en verliet haar daarop, en Lena was erg opgevroolijkt door dat bezoek. Toen zij weg was, kwam Elsa weer binnen.

„Nu moet ik straks naar school, Lena,” zeide zij zuchtend; „en als ik mijn taak niet af heb, dan moet ik haar na het eten af breien.”

„Moet je nog veel, Elsa?” vroeg Lena.

„Nog drie heele naadjes,” riep Elsa uit. „O, dat akelige breien!”

„Geef mij de kous maar, dan zal ik het wel voor je afmaken,” zeide Lena goedhartig.

„Wil je dat doen, lieve Lena?” riep Elsa vroolijk uit. „O, dat is heerlijk; ik heb zoo’n hekel aan breien!”

„Als je naar school bent, zal ik het afmaken,” beloofde Lena.

„Och, die akelige school!” zuchtte Elsa weer.

„Vind je dat schoolgaan zoo akelig?” vroeg Lena.

„Erg akelig,” zeide Elsa. „Ik zou graag thuis blijven bij maatje en met mijn poppen spelen. Ik heb er wel acht! En dan wat in den tuin rondloopen en de bloemen begieten!”

„Wat moet je dan wel op school doen?” vroeg Lena. „Ik vind het zoo akelig niet!”

„Ik moet letters en woorden schrijven en spellen,” zuchtte Elsa, „en ik speel veel liever!”

Tegen een uur of zes kreeg Lena weer een bezoek, en nu van niemand anders dan van Paul, die met Cesar op zijn arm aan het mooie huis aanschelde.

„Jongen, wat moet jij hebben? We geven niet aan de deur!” grauwde Betje hem toe, die hem opendeed.

„Ik wil niets hebben,” stotterde Paul verlegen. „Ik wou naar Lena …”

„Wat! wou je met dat vuile dier door de mooie, marmeren gang?” riep Betje uit, terwijl zij de handen in haar zijde zette.

„Hij zit immers op mijn arm,” merkte Paul bescheiden aan; „hij zal niets vuil maken, en ik zal mijn laarzen wel uittrekken, als je denkt dat ik den boel zal bemorsen.”

„En moeten die vuile laarzen hier dan blijven staan?” riep Betje verontwaardigd uit. „Een mooi gezicht, als er iemand inkomt! Ik zal ze maar in het vuilnisgat gooien.”

„Alsjeblieft niet,” verzocht Paul, terwijl er tranen in zijn oogen sprongen. „Ik heb geen andere laarzen.”

„Dan ben je een echte schooier,” zeide Betje onbarmhartig. „Weet je wat! maak als de drommel, dat je met dat beest de stoep weer afkomt. Wat kijkt het mij kwaadaardig aan!”

De arme Paul wilde juist aan dit bevel gehoor geven, toen een stem in de gang zeide:

„Kom maar binnen, mijn jongen! Betje, doe de deur open en wijs hem den weg naar Lena’s kamer!”

Of Betje ook schrikte! Mevrouw Doornhof was stilletjes in de gang gekomen en had het geheele gesprek aangehoord, en toen Betje Paul weg wou sturen, had zij er zich mee bemoeid. Paul was erg blijde, dat hij nu binnen mocht komen, veegde heel netjes zijne voeten af en liep op zijn teenen achter Betje aan.

„Dag, Lena; hoe gaat het je?” vroeg Paul toen hij in de kamer kwam.

„Paul!” riep Lena overgelukkig uit. „O, hoe prettig, dat je komt.”

Paul stond bedremmeld te kijken, want hij zag Elsa ook, die hem met groote oogen aanzag.

„De jongen met den aap!” riep zij eensklaps uit. Eerst had zij het aapje niet gezien, want het was een klein diertje, dat zich schuw onder het buisje van Paul verscholen had. „O, dat is prettig!” en zij klapte in haar handen van pleizier. „Nu moet hij allerlei kunsten maken en dan krijgt hij van mij een klontje suiker of wat ander lekkers!”

„Zou hij willen, Paul?” vroeg Lena.

„Ik weet het niet,” antwoordde Paul verlegen; „straks misschien wel; hij is nu nog te schuw.”

„Mag ik hem eens over zijn kopje aaien?” vroeg Elsa.

„Jawel, jongejuffrouw,” zeide Paul; „dat vindt hij wel prettig.”

De Savoyaard en zijn Aapje. II.
De Savoyaard en zijn Aapje. II.

De Savoyaard en zijn Aapje. II.

„Ik heet Elsa,” antwoordde het kleine meisje, terwijl zij Paul vertrouwelijk aankeek, en met haar vingertjes over den kop van Cesar streek. „Kom je eens naar Lena kijken?”

„Ja jongejuf … ik meen, Elsa,” antwoordde Paul; „ik houd zooveel van Lena, zij is altijd zoo lief voor mij.”

„Tralala, Tralala!” zong Lena tegelijkertijd zoo luid zij kon. „Ik vind het heel prettig, Paul. Tralala!”

„Kom wees nu eens stil; ik wil Paul nog wat vragen,” zeide Elsa.

Maar Lena, die het niet prettig vond om zoo in haar gezicht geprezen te worden, zong zoo dapper en onvermoeid voort, dat men waarlijk niet zou denken dat zij een zieke was; en eindelijk gingen de twee anderen ook meezingen, zoodat toen mevrouw Doornhof, die in de gang het leven had gehoord, binnenkwam, zij haar handen ineensloeg van verbazing.

„Kinderen, is dat nu een geweld, dat in een ziekenkamer te pas komt!” riep zij uit, naar het ledekant van Lena gaande. „’t Is goed, om de patiënte de koorts te doen krijgen.”

„Lena begon zelf te zingen,” verdedigde Elsa zich, „en toen zijn wij voor de gezelligheid mee gaan doen.”

„Nu, ’t doet mij plezier dat Lena lust in zingen heeft,” antwoordde mevrouw Doornhof glimlachend, „maar ik zal toch maar een einde aan het concert maken. Lena moet nu wat gaan slapen, en jij gaat met mij mede.”

„En Paul?” vroeg Lena beschroomd.

„Je wilt hem straks zeker nog wel eens spreken,” zeide mevrouw Doornhof vriendelijk. „Dus gaat Paul ook zoolang met mij naar binnen, of hij kan met Elsa in de speelkamer gaan. Ga nu gauw slapen, Lena; des te eerder spreek je je vriendje.”

Lena gehoorzaamde en sloot haar oogen, terwijl mevrouw met Elsa en Paul de kamer uitging.

„Nu naar de speelkamer,” riep Elsa, „en dan moet Cesar kunsten maken. Hoor eens, Maatje: mag ik wat lekkers voor hem?”

„Wie is Cesar?” vroeg haar mama.

„O, de aap, Ma. Wil u hem ook eens zien? Zeg eens, Paul, wat lust hij het liefste?”

„Hij is niet verwend en eet van alles,” antwoordde deze.

„Kom maar mede, Elsa,” zeide haar mama, „maar wijs Paul eerst even de speelkamer. Ik zal ondertusschen binnen wat noten en amandelen klaar leggen.”

Elsa huppelde Paul vooruit de trap op naar een ruime voorkamer waar geen kleed op den grond lag, en waar de kinderen altijd naar hartelust mochten ravotten, omdat er niets te bederven was. Zij duwde de deur open en zeide Paul, dat hij maar binnen moest gaan, terwijl zij even naar beneden ging om lekkers voor Cesar te halen.

„Ik heb nog een kwartje, Paul, en zal daarvoor ook wat vijgen laten halen. Daar houdt het lieve diertje immers wel van?” zeide zij onder het weggaan. „Hij moet eens lekker smullen, als hij zijn kunstjes mooi gedaan heeft.”

„Hij moet een stok hebben, als hij exerceert,” riep Paul haar nog na. „Breng dien dan mee!”

Paul duwde de deur verder open en trad de kamer binnen, terwijl Cesar heel nieuwsgierig zijn kopje boven Pauls schouder uitstak om eens rond te kijken. Paul liep langzaam, zonder in het rond te kijken, naar het raam en zag naar beneden op de drukke gracht. Eensklaps schrikte hij hevig, daar hij een vrij harden stomp in zijn rug kreeg, en omziende een twaalfjarigen knaap ontdekte, die hem donker aankeek.

„Wat moet jij hier, ezel! Kun je niet spreken, als je binnenkomt?”

Paul was veel te ontsteld en te verbaasd, om een woord te kunnen uiten, en keek den knaap met groote oogen aan. Hij ontwaarde nu ook een meisje van ongeveer denzelfden leeftijd dat achter hem stond.

„Zeg eens, Lina, wat moet die jongen? Is hij stom?” vroeg hij weer.

„Misschien wel, Tom,” antwoordde Lina, het zusje van Elsa, haar neefje Tom.

„Ruk uit!” riep Tom, en wilde Paul bij den arm trekken. Maar nu kwam het kopje van Cesar te voorschijn, die zijn kleine, witte tandjes liet zien. „Neen, je blijft en laat dien aap zijn kunsten vertoonen!”

„Laat mij maar weggaan,” zeide Paul nu verlegen. „Elsa komt, en …”

„Wat Elsa!” riep Tom ruw uit. „Je kunt wel zeggen jongejuffrouw Elsa! Zoo’n bedeljongen moet mijn nichtjes niet bij den naam noemen!”

„Ze heeft het zelf gezegd,” zeide Paul nu.

„Die Elsa is altijd zoo mal,” zeide Lina haar neusje optrekkend. „Ze zit voortdurend bij dat armelui’s kind, dat gevallen is.”

Paul wilde ongemerkt naar de deur sluipen, want hij begreep dat hij tegen twee niet opgewassen was; maar Tom voorkwam hem, sloot de deur af en stak sarrend den sleutel in zijn zak.

„Laat je aap dansen!” riep hij ruw, en nam een rietje dat in een hoek op den grond lag.

Paul deed zijn best om Cesar kunstjes te laten vertoonen, maar ’t scheen dat deze bang was voor Tom, want hij kroop onder Pauls arm.

„Zeg eens, jongen, begint je aap nu haast, of ik ransel je met dit rietje,” dreigde Tom.

„Als ik maar een stukje suiker of een vijg voor hem had, dan zou hij wel willen,” zeide Paul, die alle moeite deed om Cesars koppigheid te overwinnen.

„Wel ja, we zullen dat mormel nog lekkers geven,” riep Tom verachtelijk uit. „Jij zoudt zeker het meeste er van opeten!”

„Maar je ziet, dat hij niet wil,” hernam Paul smeekend. „Plaag hem nu niet; hij is goedig!”

„Het zal er ook wat op aankomen,” zeide Tom. „Allo, hij moet dansen of je krijgt met het riet!”

Wat Paul ook probeerde of deed, Cesar wilde niet van zijn arm afkomen en drukte zich hoe langer hoe meer tegen hem aan.

Eensklaps voelde hij het rietje onzacht op zijn rug neerkomen en uitte hij een gil van schrik zoowel als van pijn.

„Kom, sla niet, Tom,” zeide Lina, die ’t nu toch te erg vond. Wel had zij haar neefje erg tegen de kinderen opgestookt, maar nu werd zij toch angstig.

„Hij en zijn aap zullen nog meer hebben, als hij hem geen kunsten laat maken!” riep Tom driftig uit. „Dansen zal hij!”

Nog eens probeerde Paul, of hij Cesar niet over kon halen, maar tevergeefs en wederom voelde hij een slag op zijn arm. Hij deed nu maar zooveel mogelijk zijn best om zijn armen Cesar voor de slagen te behoeden, maar daar Tom juist op het diertje mikte, gelukte het hem niet altijd.

Daar trof een goed geraakte slag Cesar op den kop; het dier ging luid krijschen en bedekte het kopje met zijn beide handen.

Nu werd het Paul toch te erg. Dat hij zelf door Tom geslagen werd kon hem niet schelen, en als hij niet voor Cesar had moeten zorgen, zou hij wel weerom geslagen hebben, maar dat een groote jongen een arm, klein diertje sloeg, dat zich niet kon verdedigen, dat kon hij niet verdragen. Hij werd vuurrood. „Weet je wat je bent? Een laffe, gemeene jongen!” riep hij trillend van drift en verontwaardiging uit. „Als je bij mij woondet, zou ik niet eens met je willen vechten, en al de jongens zouden je najouwen! Daar, Cesar ga in dien hoek;” hij zette het diertje neer, „en kom nu op, dan zul je eens ondervinden hoe een pak ransel smaakt!”

„Met jou vechten!” sarde Tom. „Met zoo’n bedeljongen! Laat je aap dansen of hij krijgt nog meer smeer. Lina, hou dien jongen vast!”

„Raak me niet aan!” waarschuwde Paul met gesmoorde stem vol woede. „En als je Cesar durft slaan, vlieg ik op je aan!”

Lina deed een vreesachtige poging om Paul vast te grijpen, en dat oogenblik nam Tom te baat om Cesar weer een striem met het rietje te geven. Aan het gejammer, dat het diertje uitstiet, bemerkte Paul wat er gebeurd was, en nu wierp hij zich zonder bedenken op Tom, die in een ommezien op den grond lag, met Paul boven op hem.

Lina begon luid te schreien, en Cesar was op een kast gesprongen en zat in een hoekje gedoken rillend in elkaar.

De jongens klopten elkaar af, dat het een lust was. Toen, volgens Pauls idee, de jongeheer Tom genoeg afgeranseld was, sprong hij overeind, riep zijn aap, die aanstonds op zijn arm sprong, en zeide tot Lina:

„Doe de deur open!”

Deze, die nu ontzag voor hem had gekregen, nam den sleutel, dien Tom op de tafel had neergelegd, en draaide het slot open. Paul ging haastig de kamer uit, voordat Tom nog van den schrik bekomen was. Maar nu wist hij niet recht welken kant hij op moest; hij was nooit in zulk een groot huis geweest, en nu zag hij zooveel deuren dat hij verlegen stond. ’t Leek wel of de trap verdwenen was, waarmee hij naar boven was gekomen. Hij kon niet weten, dat die door een deur afgesloten was; en hij zag tot overmaat van smart dat Tom eensklaps uit de kamerdeur kwam.

Haastig opende hij een der deuren, wierp die achter zich toe en was verdwenen, voordat Tom bij hem kwam.

Op dit oogenblik kwam Elsa vroolijk naar boven, zij had allerlei lekkers voor Cesar, weinig denkende, dat het arme dier slaag had gehad.

„Hé, Tom en Lina, dat tref je!” riep zij uit. „Paul is er met zijn aap en zal hem kunsten laten doen.”

„Loop naar de maan!” bromde Tom, en wilde haar voorbij dringen en de trap naar beneden afloopen.

„Wat zie je rood, en hoe vuil is je buis!” ging Elsa verwonderd voort. „Wat scheelt je?”

„Niks, laat me door,” grauwde Tom, terwijl hij het kleine meisje tegen den muur drong.

„Nare jongen, ga heen,” riep Elsa. „Ga jij mee naar binnen, Lina?”

„Neen, n..een,” stotterde Lina.

Elsa ging de kamer in en deed de deur achter zich toe, zoodat Lina en Tom samen alleen op het portaal waren.

Verwonderd keek Elsa de kamer rond, daar zij Paul maar volstrekt niet zag. Zij riep en zocht in alle hoeken, maar toen zij geen gehoor kreeg, besloot zij Lina er eens naar te vragen. Zij deed de deur open, maar zag niemand op het portaal.

Daar begreep Elsa niets van. Waar kon Paul zijn?

„’t Heeft hem zeker verveeld, en toen is hij naar beneden gegaan,” dacht zij, „maar dan had ik hem toch moeten zien! ’t Is niets aardig van hem: ik had zoo graag de kunsten van Cesar gezien; mijn heel kwartje is op aan vijgen!… Ik zal ze maar eens proeven!” Zij ging zitten en vergat voor een oogenblik, onder het genot van een groote vijg, haar boosheid op Paul.

„Lekkere vijgen,” zeide zij halfluid, nadat zij het steeltje zoover mogelijk had afgeknabbeld. „Eigenlijk jammer voor een aap! Maar neen, ’t is zoo’n lief diertje! Ik zal Lena straks een paar vijgen brengen. Zij zal ze wel lusten; Paul is zeker bij haar! O ja, Ma heeft hem zeker laten roepen; Betje bleef ook zoo lang weg om die vijgen te halen!”

Met deze gedachte stelde zij zich gerust en begon haar poppen uit en aan te kleeden, terwijl zij het lekkers dat zij bij zich had zorgvuldig op zijde legde, om het bij gelegenheid aan Cesar te geven.

Weldra was het tijd voor Elsa om naar bed te gaan. Zij mocht niet meer bij Lena komen, daar de dokter er juist nog eens was, en kon haar Mama maar heel eventjes goeden nacht zeggen. Aan Paul dacht zij niet meer, en ook mevrouw Doornhof was geheel en al vergeten dat hij bestond. Lena was erg vermoeid en koortsig en vergat den armen Paul ook.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings