III. WAT DE BEDIENDE VAN DEN DROGIST VERTELDE.
Reading edition
’t Was nog heel vroeg in den morgen toen Kee ontwaakte door een verward gedruisch van stemmen, en het heen en weer loopen van menschen. Haastig sprong zij uit het bed en toen zij om het hoekje der kamerdeur keek, zag zij hoe de juffrouw over het ledikant van Nora stond heengebogen.
„Wat een spektakel,” dacht Kee, „om zoo’n lawaai te maken over wat pijn in het lijf!”
Toen zij echter nog even bleef luisteren bleek het haar dat het iets anders was, waarover Nora klaagde, en zij zag het gezicht van het meisje dat doodsbleek en angstig stond.
„Wat zou haar toch schelen?” zeide Kee halfluid.
„O, Kee, ben jij daar,” riep de juffrouw uit, „ga eens naar beneden en vraag of mevrouw eens boven komt, want dat Nora zoo ziek is.”
„Dadelijk juf,” riep Kee uit, en snelde naar de slaapzaal, waar zij de andere meisjes wakker schudde, en zoo gauw mogelijk naar beneden liep.
Heel spoedig kwam Kee met mevrouw boven die aanstonds in het kabinet ging.
„’t Beste is dat de dokter eens naar haar komt kijken,” zeide mevrouw, nadat zij een oogenblik had gezwegen. „Zeg eens Nora, wil je ook iets hebben?”
„Neen … neen … O, ik ben zoo naar,” fluisterde het meisje.
„Als u nu zoolang bij haar blijft, juffrouw, dan zal ik iemand naar dokter van Beek sturen,” hernam mevrouw.
Dokter van Beek kwam al, toen de overige leerlingen nog aan het ontbijt zaten, en had de patiënte oplettend waargenomen en verscheidene vragen gedaan.
Op de groote slaapzaal gekomen, zeide mevrouw Beerman:
„Wat denkt u van de zieke, dokter? Het is toch niet gevaarlijk?”
„Gevaarlijk juist niet, mevrouw, maar ik zou wel eens willen weten of zij ook ’t een of ander gebruikt kan hebben dat schadelijk is,” antwoordde dokter van Beek.
„Zij heeft gegeten wat de andere meisjes ook gebruikt hebben, dokter,” zeide mevrouw Beerman.
„Anders niets?”
„Wacht, daar herinner ik mij dat zij van huis een trommel met lekkers heeft gekregen!” riep mevrouw Beerman uit. „Wilt u het zien?” Zonder het antwoord af te wachten ging zij naar het kabinetje om den schat te halen.
„Bolussen en suikergoed,” zeide de dokter, toen de trommel voor hem stond. „Misschien is het suikergoed wel gekleurd, en heeft ze verf binnen gekregen!”
Hij schudde de zak leeg maar zag dat het best fijn suikergoed was zonder kleuren.
„Neen, dat is het niet,” zeide mevrouw Beerman, „maar kan er ook iets in die bolussen zijn? Misschien heeft er nog wel meer lekkers ingezeten. Juf! juf!” riep zij halfluid, „weet u ook wat er nog meer in de trommel was?”
„Ja, mevrouw, er waren ook appelbollen in, maar die heeft zij het eerst opgegeten.”
„Dan was er zeker ’t een of ander in die appelbollen,” meende Mevrouw Beerman, terwijl zij den dokter vragend aankeek, die den bolus oplettend bekeek.
„Best mogelijk, mevrouw, maar hier op dien bolus is ook iets gestrooid dat er niet ophoort,” antwoordde dokter van Beek. „Ik neem dien bolus mee, en zal onderzoeken wat er op ligt.”
Toen mevrouw Beerman beneden kwam vroegen al de meisjes om strijd hoe ’t met Nora was.
„Zij is volstrekt niet goed,” antwoordde zij ernstig, „gaat nu naar school, want de lessen beginnen.”
Jet, Kee, Mies, Jeanne en Jo keken elkander aan, en zij begrepen volstrekt maar niet hoe ’t kwam dat Nora zoo ziek was en maakten zich niet ongerust, want zij dachten dat het wel gauw weer in orde zou komen.
„Wel ja, wat pijn in ’t lijf enzoovoorts! zooals die jongen bij den drogist zei,” riep Mies lachend uit.
„Maar ze ziet zoo wit als een laken en kijkt volstrekt niet op,” merkte Jo aan.
„Kom, maak jij je werk maar,” beet Kee haar toe, die wel wat ongerust was, en ook zoo’n vreemd gevoel bij haar maag had. Zeker van dien bolus, dacht zij.
Terwijl de lessen druk aan den gang waren werd mevrouw Beerman onverwacht geroepen, in ’t eerst schrikte zij niet weinig, want zij dacht ook niet anders of Nora was erger geworden, maar toen zij hoorde dat er een jongmensch was om haar te spreken was zij weer gerustgesteld, en ging zij gauw naar beneden.
„Wat is er van uw dienst?” vroeg zij, toen zij de spreekkamer binnenkwam.
„Och mevrouw, ’t was heusch niet exprès, en ’t was erg dom van mij,” begon hij stotterend, „maar …”
„Wat dan?” vroeg mevrouw Beerman verwonderd.
„Toen de jongejuffrouwen zoo vroeg in den winkel kwamen, en … en …”
„Welke jongejuffrouwen? En wie ben je dan toch?”
„Och mevrouw, ik ben bediende bij den drogist, weet u. De drogist hier op ’t dorp,” zeide hij verlegen, „maar ik ben er eerst acht dagen, en dan kunt u wel begrijpen dat ik niet precies weet waar alles staat, niet waar? Zou u dat zoo gauw kunnen weten?”
„Zeg nu liever wat de jongejuffrouwen hier bij te pas komen,” zeide mevrouw Beerman ongeduldig, „want je spreekt toch zeker over kostleerlingen van mij!”
„Juist, mevrouw,” antwoordde hij, „en ’t eene meisje vooral was erg vroolijk, want zij lachte aldoor. Misschien lachte zij mij wel uit, denkt u ook niet, mevrouw? Of ’t kon ook om den patroon zijn, die met de slaapmuts op om den hoek kwam kijken! Dat was erg gek van hem, hé?”
„Als je me nu niet gauw zegt, wat je te vertellen hebt dan verzoek ik je vriendelijk mij niet langer op te houden,” riep mevrouw Beerman boos wordend uit, en keerde zich half om.
„Een oogenblikje, mevrouw, wij zijn nu zoo mooi op weg,” zeide hij smeekend, „een vergissing kan iedereen overkomen, en dus is ’t zoo erg niet dat ’t mij gebeurd is, en dat ik in plaats van sjalappen, een ander poeder gegeven heb. ’t Ziet er precies eender uit! Zie maar eens mevrouw,” en hij haalde twee opgevouwen papiertjes uit zijn zak die hij opendeed en op de tafel neerlegde.
„En dus hebben een paar van de meisjes sjalappenpoeder bij je gehaald?” vroeg mevrouw Beerman verwonderd.
„Excuseer, mevrouw, zij hebben er wel om gevraagd, maar ik heb haar bij ongeluk dit gegeven,” zeide het jongemensch.
„En wanneer is dat gebeurd?” vroeg mevrouw Beerman belangstellend.
„Gisterenochtend, om zeven uur al,” antwoordde hij. „Toen kwamen de twee jongejuffrouwen de boodschap doen, en ’t spijt mij erg dat ik de verkeerde poeder gaf!”
„Zoo … zoo …” antwoordde mevrouw Beerman langzaam. „En zou je mij kunnen aanwijzen wie het zijn geweest?”
„Als ik ze zag zeker,” riep de angstige jongen aanstonds uit.
„Wacht dan even,” zeide mevrouw Beerman, „straks gaan ze naar een ander lokaal en dan komen ze allemaal hier voorbij. Hoe oud denk je dat ze waren?”
„Een jaar of elf,” antwoordde hij na zich even bedacht te hebben.
Mevrouw Beerman trok aan een schel en aanstonds hoorde men een getrappel en kwamen de meisjes naar beneden.
Heel spoedig wees hij Jeanne en Mies aan, die niet vermoedden wie haar zag.
Nadat het jongemensch, onder veel verontschuldigingen, was weggegaan, liet mevrouw Beerman Mies en Jeanne roepen. Deze, die niet begrepen wat mevrouw haar te zeggen kon hebben, stonden weldra in de kamer.
„Meisjes, ik zou wel eens willen weten wat jullie gisterenmorgen om zeven uur bij den drogist hebt gedaan?” zeide zij haar doordringend aanziende.
Geen van beiden gaf antwoord.
„Nu, weest zoo beleefd om mij te antwoorden,” zeide de onderwijzeres streng. „Wat deed je bij den drogist?”
„Een boodschap, mevrouw,” antwoordde Mies gevat.
„Juist, je haaldet sjalappenpoeder,” zeide mevrouw Beerman, „en nu zul je mij dadelijk vertellen, waarom je dat deedt.”
Nu zeide Mies ook geen woord en zweeg evenals Jeanne.
„Jeanne, waarom haalde je dat poeder?” vroeg mevrouw nogmaals. „Als je niet antwoordt zal ik je voorbeeldig straffen.”
„Om in te nemen,” zeide Mies weer.
„Zelf hebt je het niet ingenomen,” hernam mevrouw Beerman, „dus was ’t voor iemand anders. Waarom heb je het over Nora’s bolussen gestrooid?” dit zeide zij eensklaps en keek de meisjes strak aan.
„Om … ik … ja..” stotterde Jeanne, die erg schrikte.
„En jullie hebt het ook in de appelbollen gedaan,” hernam mevrouw Beerman bepaald.
„Nu ja, mevrouw,” riep Mies uit, „dat hebben wij gedaan, omdat ze zoo’n schrok was!”
„Hoe vreeselijk ondeugend,” zeide mevrouw Beerman het hoofd schuddend. „Je weet zeker niet dat het geen sjalappenpoeder was dat je gekocht hebt.”
„Neen, mevrouw, ’t was sjalappenpoeder!” riep Mies uit, „de jongen in den winkel zei het zelf.”
„Ik heb hem zoo juist hier gehad, en hij zeide dat hij zich vergist had, en je iets anders gegeven had,” zeide mevrouw Beerman, „en dat andere is zeer schadelijk; ’t is iets waar Nora nu zeker ziek van is!”
De meisjes keken erg bedrukt. Zoo hadden zij het niet bedoeld, zij hadden alleen Nora maar eens een onpleizierigen nacht willen bezorgen, maar haar geen nadeel willen toebrengen.
„Nu, meisjes, je begrijpt wel, dat je in het speeluur niet naar buiten behoeft te gaan,” zeide mevrouw Beerman. „Ik zal jullie later wel zeggen welke straf je zult krijgen.”
Zij ging uit de kamer en liet de meisjes alleen.
„Wat een nare flauwe, akelige jongen!” riep Mies uit die het eerst weer op het verhaal kwam. „Om hier bij mevrouw zoo’n wit voetje te willen hebben en alles te komen vertellen! Ik wou dat ik hem hier had!”
„Ik vind dat de anderen ook gestraft moeten worden,” meende Jeanne knorrig. „Ze hebben er evenveel schuld aan als wij!”
„Wat helpt ons dat?” vroeg Mies schouderophalend, „als jij gaat klikken ben je net zoo flauw als die jongen! En wij hebben er toch het meeste schuld aan en wij hebben er ook het meeste pleizier van gehad!”
„Omdat we nu toevallig naar dien winkel zijn gegaan,” zeide Jeanne pruilend, „als we allemaal straf kregen kon ’t mij niet schelen, maar nu zoo wij alleen!”
„Je valt me erg tegen, Jeanne,” riep Mies verontwaardigd uit, „maar als je het klikt dat de anderen ook mee hebben gedaan dan zul je je pleizier in het vervolg wel aankunnen!”
Weldra kwam de dokter, die den bolus onderzocht had en wist wat er aan scheelde, nog eens kijken.
„U moogt wel naar haar mama schrijven, mevrouw,” zeide hij, „dat zij niets meer bij dien banketbakker laat halen, want ze zijn daar erg onvoorzichtig.”
„Veroordeel dien banketbakker niet, dokter!” antwoordde mevrouw Beerman. „Die man heeft er geen schuld aan!”
„Dat is vreemd, mevrouw, want Nora is bepaald ziek geworden van het poeder, dat er over de bolussen en in de appelbollen gestrooid was,” zeide dokter van Beek.
„Ik weet het al, dokter,” zeide mevrouw Beerman, en verhaalde het bezoek van den bediende van den drogist en hetgeen Mies en Jeanne gezegd hadden.
„Ondeugende meisjes, mevrouw,” riep dokter van Beek hoofdschuddend uit, „ze konden elkander op die manier wel vergeven.”
„Ze zullen ook voorbeeldig gestraft worden, dokter,” zeide mevrouw Beerman vastberaden. „En wat zegt u nu van de zieke?”
„Ik hoop dat zij weer over een paar dagen hersteld zal wezen, mevrouw, maar haar geheele gestel is in de war en vooral haar maag, dus zal zij zich zeer in acht moeten nemen en geen snoeperij eten,” hernam dokter van Beek. „Zij gevoelt zich nu erg ziek en geen wonder!”
De dokter vertrok en even daarna kwam mevrouw Beerman in de kamer waar Jeanne en Mies waren, die met treurige gezichten voor de ramen stonden te kijken waar de vriendinnetjes druk speelden. Jet, Kee en Jo begrepen maar volstrekt niet waarom Mies en Jeanne niet beneden mochten komen, en verdiepten zich in allerlei gissingen wat of er gebeurd kon wezen.
„Luistert, meisjes,” zeide mevrouw Beerman, toen zij de kamer binnenkwam, „ik moet eens ernstig met je spreken. Hetgeen je gedaan hebt is zoo ondeugend, zoo ongeloofelijk stout, dat ik van plan ben een brief aan je ouders te sturen, en hun te melden dat ik je niet langer op school wil hebben!”
„O, mevrouw!” riep Jeanne vreeselijk geschrikt uit, „asjeblieft geen brief naar huis!”
„Welzeker Jeanne, hoe durf je zoo iets vragen,” zeide mevrouw Beerman streng. „Denk eens hoe je ouders het zouden vinden als andere meisjes jou hadden gedaan wat jij aan Nora hebt bezorgd!”
Jeanne barstte in tranen uit, en snikte als zou haar hart breken.
„Jou treft hetzelfde lot, Mies,” zeide mevrouw Beerman tot haar.
„Dat begrijp ik, mevrouw,” antwoordde deze, „’t spijt mij erg dat Nora zoo ziek is geworden, dat hadden wij niet bedoeld. Ik mag haar zeker nog wel eens spreken voor wij weggaan?”
„Jawel, daar heb ik niets tegen als de dokter het goed vindt,” zeide mevrouw Beerman, die erg verwonderd was dat de vroolijke, onnadenkende Mies, de zaak zoo geheel anders opnam dan Jeanne, Jeanne toch bezielde alleen de vrees voor de straf, en den angst dat haar ouders er achter zouden komen, terwijl zij duidelijk bemerkte dat Mies het meeste spijt had dat Nora zoo ziek was geworden, en de straf rechtvaardig scheen te vinden.
Zij verliet hierop het vertrek, en vertelde aan al de schoolmeisjes hetgeen er gebeurd was en wie er schuldig aan waren.
Jet, Kee en Jo waren er natuurlijk ook bij, en keken niet weinig vreemd op, toen zij hoorden welk lot Jeanne en Mies boven het hoofd hing.
„Ja maar, mevrouw, dat is niet eerlijk!” riep Jet uit die het eerst woorden bij de hand had.
„Neen, neen, Jeanne en Mies hebben niet alleen de schuld,” voegde Kee er aanstonds bij.
„Maar, meisjes, wat bezielt jullie toch?” vroeg mevrouw Beerman ongeloovig, „hoe durf je zeggen dat ik niet eerlijk handel?”
„Omdat het onze schuld even goed is,” zeide Jet, terwijl zij Kee en Jo naar voren trok, „wij hebben het met elkaar afgesproken, alleen hebben Jeanne en Mies de boodschap gedaan!”
Mevrouw Beerman zweeg een oogenblik en zeide toen tot de meisjes, dat zij bij Mies en Jeanne in de kamer moesten gaan.
Nora’s mama kwam den volgenden dag over. Zij was erg geschrikt toen zij hoorde, dat haar dochtertje ziek was, en door de komst dier dame werd mevrouw Beerman verhinderd de brieven naar de ouders der meisjes te sturen, want zij moest nu bij Nora’s mama blijven en deze wat gezelschap houden.
Hierdoor had zij gelegenheid, om nog eens over de zaak na te denken en er met Nora’s mama over te spreken.
Nu moet gij weten, dat dit een erge lieve dame was, die toen zij zag dat haar dochtertje weer beter werd, erg medelijden met de vijf meisjes had, hoewel zij het niet zoo liet blijken. Zij zat zoo aan Nora’s bed, twee dagen nadat deze ziek was geworden.
„Mama, waar zijn die vijf meisjes toch, die altijd hiernaast slapen?” vroeg zij eensklaps.
„Die mogen niet boven komen, Noralief,” antwoordde haar mama.
„Maar waar zijn ze dan?”
„Zij slapen zoo lang op een achterkamer.”
„En wanneer komen ze weer hier?” vroeg Nora. „’t Is zoo gezellig als ze er zijn.”
„Ik vrees dat mevrouw Beerman ze niet langer op school wil houden, Nora,” zeide haar mama.
„Waarom niet, ma, wat hebben ze dan gedaan?”
„Ja, ik zal ’t je nu maar vertellen, Nora,” zeide haar mama, „ze zijn heel ondeugend geweest; ’t is eigenlijk haar schuld dat je ziek bent.”
„Haar schuld, ma!” riep Nora verwonderd uit. „Wat hebben ze dan toch gedaan?”
„Ze hebben in de appelbollen en over de bolussen, die ik je gestuurd heb, iets gestrooid, dat heel nadeelig is,” zeide de dame. „Wel waren ze niet van plan om ’t zoo erg te maken als ’t nu geworden is, maar toch.…”
„Dus zouden ze om mij worden weggestuurd?” vroeg Nora verschrikt.
„Ja, Nora, dat heeft mevrouw Beerman gezegd.”
„Maar dat vind ik erg, heel erg akelig, ma!” riep Nora uit. „Nu zullen ze mij nog akeliger vinden.”
„Vinden de meisjes je dan zoo akelig?” vroeg haar mama verwonderd.
„Ja, ma, ze hebben allemaal een hekel aan mij,” zij zweeg een oogenblik.… „en ze hebben eigenlijk wel gelijk.”
„Maar wat heb je dan gedaan, dat ze een hekel aan je hebben?” vroeg haar mama, die er niets van begreep.
Nu kwam het verhaal. Nora vertelde getrouw en naar waarheid alles zooals het gebeurd was, en vooral de scène, toen de trommel voor ’t eerst was gekomen. Haar mama zette groote oogen op, en kon in ’t eerst maar niet gelooven, dat haar dochtertje zoo onaardig was geweest. ’t Speet haar erg, daar kunt gij op aan!
„Dan hebt je ’t eigenlijk je zelf op den hals gehaald,” zeide zij eindelijk.
„Ja ma, maar ik heb op den avond voor ik ziek werd juist aan de meisjes gevraagd of zij weer goed op mij wilden zijn, want dat het mij erg speet,” vertelde Nora. „Ik heb haar gezegd, dat ik voortaan alles wilde deelen. En moeten de meisjes nu heusch van school af?”
„Ja, mevrouw Beerman is nu juist bezig om brieven naar haar ouders te schrijven,” zeide Nora’s mama.
„Maar wat zullen ze dan een knorren thuis krijgen!” riep Nora ontsteld uit. „O ma, ik zal aan mevrouw vragen of zij nog mogen blijven. Zou mevrouw het goed vinden?”
„Dat moet je afwachten kindlief,” zeide haar mama, „maar ik beloof je, dat ik ook een goed woordje voor die ondeugenden zal doen. Kijk eens aan, daar is mevrouw net; vraag nu maar wat je wilt.”
Mevrouw Beerman begreep niet wat Nora bedoelde, toen deze vroeg, of zij de brieven toch niet weg wilde sturen, want dat zij het zoo kwaad niet bedoeld hadden.
„Wat meen je, Nora?” vroeg zij.
„Och, mevrouw, u zult de meisjes toch niet wegsturen,” smeekte zij, „we zullen juist nu goede vrienden worden, en ma zegt dat het eigenlijk mijn eigen schuld is, dat …”
„Ho, ho, Nora, zulke ondeugendheid kan zoo maar niet door de vingers worden gezien,” zeide mevrouw Beerman ernstig, „bovendien heb ik aan de meid de brieven al gegeven om op de post te brengen, en.…”
„O mevrouw, mag ik ze dan terughalen!” en Nora sprong waarlijk uit haar bed en liep naar de deur.
„Nora, kind, kom hier!” riep mama verschrikt uit, „je zult zoo toch niet naar beneden gaan.”
„Maar de brieven!” zeide Nora onrustig.
„Wacht maar, wacht maar,” zeide mevrouw Beerman, de deur openende. „Mies (het meisje was juist op de gang), ga eens naar de meid en vraag om de vijf brieven die ik haar gegeven heb, en kom dan hier met Jet, Kee, Jeanne en Jo!”
Mies zette een heel gek gezicht, maar zij begreep dat die boodschap niets kwaads beduidde en liep als een haas de gang en de trap af eerst naar de meid, die zij zonder complimenten de brieven uit de hand rukte, en daarna naar de kamer waar de vriendinnen waren.
„Victorie! Hoera! Leve ons Beertje!” riep zij, terwijl zij met de brieven in de hoogte door de kamer danste.
„Wat scheelt jou?” vroeg Jeanne, die alles behalve vroolijk was.
„Ik heb de brieven! Zie je wel de brieven van Beertje naar huis!” riep Mies juichend uit.
„Heb je die weggenomen?” riep Jo ontsteld uit.
„Neen, lieve onschuld, op bevel van ons dierbaar Beertje, heb ik ze Kaatje afgenomen en kom jullie halen, om mee naar het kabinetje te gaan. Ik weet het niet, maar heb er zoo’n voorgevoel van, dat ons iets goeds wacht!”
„Wezenlijk, Mies!” riep Jet uit.
„Zouden wij niet weggestuurd worden?” vroeg Kee.
„Komt maar mee, schatjes, dan zullen wij gauw het naadje van de kous weten,” zeide Mies.
Gij kunt begrijpen dat allen Mies achterna de trap op naar boven stormden, maar voor de deur van het kabinetje stilhielden.
Mevrouw Beerman had haar echter hooren aankomen en deed de deur open.
Schoorvoetend kwamen zij naar binnen; Mies met de brieven voorop. Mevrouw Beerman nam ze aan en legde ze naast zich op de tafel.
„Meisjes,” zeide zij, „Nora heeft gevraagd of jullie voor je ondeugendheid niet gestraft zoudt worden door naar huis te worden gezonden, en ik heb haar verzoek toegestaan. Maar een straf hebt jullie toch verdiend, vindt je zelf niet?”
„We hebben al straf gehad door den angst, dien wij hebben uitgestaan,” waagde die brutale Mies te zeggen, „en die akelige domme jongen van den drogist moest eigenlijk ook straf hebben!”
Ondanks zich zelf moest mevrouw Beerman glimlachen, en zij deed maar alsof zij Mies niet verstond; want zij wilde nu ernstig blijven.
„Nu, meisjes, blijven moog je dan en de brieven zullen niet weggestuurd worden,” vervolgde mevrouw Beerman, „maar jullie moet plechtig beloven nooit weer zulke ondeugende streken uit te halen.”
Natuurlijk beloofden allen het en waren niet weinig in haar schik, dat het zoo goed afliep.
Zij sloten nu vrede met Nora, die erg blij was, dat zij nu „echte, goede vrienden” waren, zooals zij zeide; haar mama had er ook schik in en zeide dat als zij weer lekkers stuurde de trommel eens zoo groot zou wezen, en de meisjes dan eerlijk moesten deelen.
„Wat graag, mevrouw!” riep Mies vroolijk uit, „wat zal dat dan een blijdschap wezen als er zoo’n trommel komt, zullen wij met recht in
LUILEKKERLAND ZIJN!”