I. LUILEKKERLAND.
Reading edition
„Ze heeft weer een trommel vol van huis gekregen,—ik heb het zelf gezien!”
„Die schrok, ze eet alles weer alleen op!”
„Ik wou dat ze er zich zóó in verslikte, dat ze in geen acht dagen kon eten!”
„Zoo’n gulzigaard!”
Deze uitroepen vlogen als vuurpijlen uit de monden van eenige jonge meisjes, die op de speelplaats van een kostschool bijeen waren. Allen zagen er opgewonden en tamelijk boos uit, terwijl zij de uitgezochtste scheldwoorden bedachten en die op de schuldige toepasten.

Op de Kostschool. I.
„Uitschelden helpt niet,” zeide thans een meisje, dat tot dusverre gezwegen had, en op een laag muurtje, dat de speelplaats van den moestuin scheidde, zat, terwijl zij haar beenen heen en weder liet slingeren.
„Neen, dat weten we ook wel!” riep een ander.
„Wij moesten haar eens een poets spelen,” zeide een derde.
„Juist Kee; daar heb ik ook over zitten denken, terwijl jullie zoo door elkaar schreeuwdet,” antwoordde Jet, goedkeurend knikkend.
„En weet je al wat?” vroeg Jeanne, terwijl zij Jet aan haar beenen trok om haar van het muurtje af te krijgen.
„Laat staan, Jeanne!” riep Jet uit, die zich uit alle macht aan haar zitplaats vastklemde om haar evenwicht te bewaren en niet te vallen. „Doen jullie allemaal mee, als we iets doen?”
„Wel zeker, wat graag!” riepen allen dooreen, en dansten al door elkander van de pret.
„Als ’t wat grappigs is, anders niet!” zeide Jeanne.
„Bedenk jij dan maar wat grappigs!” riep Kee uit, „je bent zoo’n slimmerd!”
„Wat zou er wel in die trommel zitten?” vroeg Mies nu.
„Allerlei snoepgoed,” verzekerde Jo, die er alles van wist; „ik zag dat zij een vuilen mond had, en dus waren er zeker bolussen ook in, want die zijn zoo stroperig.”
„Heerlijk, bolussen!” riep Jet watertandend uit. „En eet dat spook nu zoo alles alleen op?”
„We moeten er vanavond eens over spreken, als we naar bed gaan,” zeide Jeanne.
„Waarover? Over bolussen?” vroeg Kee. „Die eet ik liever.”
„Och neen, ik meen hoe we Nora beet zullen nemen,” zeide Jeanne. „Wees toch niet zoo flauw, kind, om te doen alsof je mij niet begrijpt!”
„Maak nu geen ruzie, Jeanne,” riep Mies; „je kunt ook volstrekt niet tegen plagen!”
„Jij zeker wel, hè wijsneus!” riep Jeanne uit, terwijl zij Mies eens flink aan haar lange vlecht trok, waarvoor deze haar tot straf in haar kuiten kneep.
„Ai, dat’s gemeen!” riep Jeanne, naar haar been voelend.
„Die kaatst, moet den bal verwachten!” riep Jet, van haar hooge zitplaats, „’t Helpt niet of we die spreekwoorden al moeten schrijven, Jeanne, als je ze zoo gauw vergeet!”
„Ga maar niet preeken,” zeide Jeanne nu weder lachend; „ik zal Mies wel vinden, ze kan niet tegen kriebelen!”
„O genade,” gilde Mies, als een kakkerlak in het rond springend, zoodat haar lange haarvlecht in het gezicht van een dame vloog, die juist om den hoek en haastig naar het groepje toekwam.
„Komaan, meisjes, ’t is tijd om in huis te komen!” riep zij, in de handen klappend, uit. „De andere klassen zijn al binnen!”
„Hoe zonde om met dit mooie weer in huis te zijn, juffrouw!” zeide Jet. „Zoudt u ons hier geen les kunnen geven?”
„Geen dwaasheid, meisjes,” antwoordde deze. „Komaan Jet, kom van het muurtje af; je zult je mooi vuil hebben gemaakt.”
„Daar is de wasch goed voor,” mompelde Jet, van haar zitplaats afspringend en naar huis snellende.
„Is Nora al binnen?” vroeg de juffrouw aan Jeanne.
„Die is niet buiten geweest, juf,” antwoordde deze; „dat kind zit boven snoepgoed te eten.”
„Wat zegt ge dat verachtelijk, Jeanne,” merkte de juffrouw aan. „Jij zoudt het ook wel lusten, als ’t je gestuurd werd!”
„Ze heeft er juf zeker wat van gegeven,” fluisterde Jet Mies in het oor, waarop deze, die goedlachs was, in een vreeselijke lachbui uitbarstte.
„Wat is er, Mies?” vroeg de juffrouw verwonderd.
„Och niets, juf,” antwoordde Kee onnoozel; „ze heeft wel eens meer zoo’n lachstuip.”
Nu moet ge weten, dat de klasse der meisjes die wij ontmoet hebben, niet groot was, en dat zij daardoor nog al erg op elkander gesteld waren,—al kibbelden zij soms ook geducht.
Zij hadden, vóór Nora op school kwam, met elkander afgesproken, dat elk die van huis wat lekkers gestuurd kreeg, appelen, koek, of wat dan ook, dat getrouw met de anderen zou deelen, en niets stilletjes opeten. De onderwijzeres die dit wist, keurde het zeer goed, daar ze op die manier, vooreerst mededeelzaam leerden zijn en ten tweede haar maag niet overlaadden, hetgeen anders het geval wel eens had kunnen wezen. Getrouw hadden de meisjes die bepaling opgevolgd, en als er met Sinterklaas of bij een verjaardag een trommel kwam, lokte dat een luid gejuich bij ons clubje uit, en werd die in de tegenwoordigheid van allen ontpakt en de inhoud eerlijk verdeeld.
Nora werd aanstonds ingewijd in deze bepaling, en hoewel zij er in den beginne niet veel op zeide, merkten zij wel aan haar gezicht, dat het haar niet te best beviel. Nu moet gij weten, dat Nora een eenig, wel wat vertroeteld meisje was, en daar zij broertjes, noch zusjes had, natuurlijk niet gewend om van het hare mee te deelen aan anderen.
Niet dat zij wezenlijk zoo schrokkig was, als de andere meisjes dachten, maar zij vond het hard, dat zij zich aan een bepaling zou moeten onderwerpen, die zij niet mee verzonnen had; bovendien meende zij, dat haar mama dat lekkers voor haar, haar alléén stuurde en niet om er anderen het grootste gedeelte van te laten opsmullen.
Op die manier had onze Nora gedacht, en langzamerhand was zij tot het vaste besluit gekomen om zich niet aan de bepaling der andere meisjes te storen, en juist te doen zooals zij zelf het prettigste vond. Zij besloot er echter voorloopig niets van te zeggen, maar te wachten totdat haar iets gestuurd werd. Dat duurde niet lang! Haar moeder had al heel gauw een trommel klaargemaakt, en op een goeden dag bracht de besteller het pak, dat met een luid gejuich door Kee en Jeanne, die het de dienstmaagd afhandig hadden gemaakt, naar de slaapzaal van ons zestal werd gebracht, waar Nora zich bevond.
„Doe gauw open, Nora!” riep Jeanne brandende van nieuwsgierigheid uit.
„Daar is een schaar,” voegde Kee er bij, terwijl zij er haar een met één punt overreikte; „zij knipt goed, als je er maar voorzichtig mee bent!”
„Mies! Jet!” riep Jeanne aan de deur gaande staan. „Komt gauw hier, Nora heeft een trommel gekregen!”
Van alle kanten waren de geroepenen aan komen vliegen en weldra stonden zij in gespannen verwachting in een nauw kringetje om Nora met de trommel, die nog geen enkel woord gesproken had, maar haar schat krampachtig vasthield.
„Doe dan toch open, Nora!” riep Mies ongeduldig.
„Ze kan zich bijna niet bewegen, je hangt heelemaal tegen haar aan,” waarschuwde Jet Mies op zijde trekkend.
„Doe je ’t nu, of doe je het niet?” vroeg Jeanne verwonderd.
Nora antwoordde niet, maar nam de schaar en begon de touwtjes door te knippen waarmee het papier om de trommel vastgemaakt was. Zij haastte zich niet bijzonder met dat werk, maar eindelijk was het toch gereed, en nu werd het deksel opengeslagen en vertoonde zich al de heerlijkheid, die er in verborgen was, aan de oogen der verlangende meisjes.
„Daar is de brief,” zeide Mies, terwijl zij het papier opnam, en het edelmoedig aan Nora overreikte.
„’t Ziet er lekker uit,” meende Jeanne, met haar neus snuffelend.
„Niet aankomen!” riep Jet, terwijl zij Kee terugtrok.
„Ik wees er alleen maar naar!” verontschuldigde deze zich.
„Komaan dan, Nora,” riep Jo.
„Wat voer je nu uit?” vroeg Jeanne verbaasd, toen zij zag dat Nora doodbedaard de trommel dichtdeed en er haar hand op legde. „Verdeel je nu niet?”
„Doe je ’t liever vanavond, ga dan je gang,” zeide Jet edelmoedig.
„Ik ben niet van plan om mijn lekkers (zij drukte op dat woordje mijn) te verdeelen,” zeide Nora langzaam.
„Hé, waarom niet?” riep Mies verwonderd uit.
„Daarom niet,” zeide Nora; „ik wil van jullie lekkers ook niets hebben, en geef jullie niets van het mijne!”
„Dat’s gemeen!” riep Jeanne driftig uit. „En je hebt het beloofd!”
„Dat is niet waar,” hernam Nora. „Vraag maar aan Jet, of ik het wel beloofd heb! Ik heb niets geantwoord.”
„Ze heeft gelijk,” zeide Jet, „beloofd heeft ze ’t niet. Maar ik dacht niet, dat je zoo gniepig zoudt doen!”
„Is dat gniepig! Omdat ik niet wil, dat jullie opeten wat mijn Mama mij stuurt, daarom schelden jullie me uit!” riep Nora uit. „Ik weet zeker dat ik veel meer van huis krijgen zal dan jullie, en dan zou ik er bij te kort komen!”
„Weet je wat, spook van een meid,” zeide Jeanne nu, „houdt jij je lekkers; al gaf je me nu de geheele trommel, dan zou ik niets van je willen hebben.”
„Dat zou je wel willen,” antwoordde Nora plagend, „maar ik doe het niet. Laat mij maar met rust.”
„Komt, meisjes, gaat mede,” zeide Jet nu. „Laat haar maar loopen, we zullen haar wel vinden!”
Hoewel Mies, Jo, Kee en Jeanne het wel jammer vonden om den buit in den steek te laten, volgden zij den raad van Jet toch op, na nog een begeerigen blik op de weggesloten lekkernijen geworpen te hebben, terwijl Nora met het air van een overwinnaar en de hand op haar schat haar glimlachend na stond te kijken.
Zoodra zij weg waren, haalde zij verruimd adem en opende de trommel weer, om eens op haar gemak te onderzoeken, wat er al zoo in was. Zij had gevreesd, dat het een veel harder strijd zou wezen om haar goed recht te handhaven, en gevoelde zich nu bovenmate verlicht dat het zoo gemakkelijk was gegaan.
Deze laatste gebeurtenis had plaats gehad, toen Nora ongeveer veertien dagen op de kostschool was geweest, en gedurende den tijd, die er op volgde, had zij zich streng aan haar voornemen gehouden, hetgeen aanleiding had gegeven dat zij geen vriendinnetje had gekregen en alleen stond tegenover ons vijftal.
Of Nora dit prettig vond? Ik durf u wel verzekeren, dat het haar volstrekt niet beviel. Zij was gewend, toen zij thuis was, dat allen even lief voor haar waren en alles voor haar inschikten, maar daar kwam op de school, ten minste wat haar aanging, niets van in. In het binnenste van haar hartje speet het haar nu wel wat, dat zij de zaak zoo ruw had aangepakt, en zij had gaarne een klein gedeelte van haar lekkers gemist, als zij op goeden voet met de meisjes was. Maar berouw kwam te laat!
En dus had Nora weer „luilekkerland” thuis gekregen, en wij hoorden aan de verontwaardigde uitroepen aan het begin van dit hoofdstuk, dat het weer het oude liedje was.
’s Avonds, alvorens zij naar bed gingen, beraadslaagden de meisjes lang en breed, wat zij zouden doen om Nora eens geducht te plagen, en het duurde niet lang of zij hadden volgens haar meening, een kostelijk plannetje bedacht.
„Wie zal de boodschap doen?” vroeg Kee.
„Ik wil ’t wel doen,” riep Jeanne uit.
„Dan ga ik met je mee,” zeide Mies, die er dol op was om eens buiten het hek van „Landlust” (zoo heette de kostschool) te komen.
„Maar niet meer,” zeide Jet, die eigenlijk ook wel lust zou hebben gehad om mee te gaan, maar ’t nu niet wilde zeggen.
„Waarom mogen we niet allemaal mee?” vroeg Jo.
„Wel, begrijp je niet, dat ze ’t dan zouden merken?” riep Kee uit. „Verbeeld je eens, de heele klasse naar den drogist!”
„Maar wanneer zullen we gaan?” vroeg Mies. „Wij moeten niet te lang wachten, anders heeft zij luilekkerland leeg gesnoept, voordat wij haar beet kunnen hebben.”
„Vanavond, zou ’t dan niet gaan?” vroeg Jeanne, terwijl zij Jet als raadgeefster aankeek.
„Dat kan niet, want je zult bepaald nu niet meer uit mogen,” zeide Jet.
„Maar ik ben niet van plan het te vragen!” riep Mies vol vuur uit. „Als wij ’t aan juf vragen, dan moeten wij precies vertellen, waar wij naar toe willen en wat wij gaan doen, en dan is de pret uit. Want ik jok niet om dat kind!”
„We moeten stilletjes maken, dat wij wegkomen,” zeide Jeanne; „we klimmen eerst over het muurtje den moestuin in en kruipen dan door de schutting, je weet wel waar die oude plank zoo vermolmd is; wij zijn dan buiten, en er kraait geen haan naar!”
„Ja, juist!” juichte Mies. „Laten wij nu dadelijk maar gaan!”
„Domme meid!” zeide Kee, „en straks moeten wij allen in de eetzaal komen om een boterham te eten. ’t Zou wat moois zijn, als Mies en Jeanne dan weg waren.”
„Kee heeft gelijk,” zeide Jet; „jullie kunt zoo gauw niet terug wezen. Hoe zou je ’t vinden, als je morgenvroeg eens gingt?”
„Ik vind het ’s avonds veel aardiger,” pruttelde Mies.
„Als je niet wilt, dan ga ik mee,” zeide Jet.
„Neen, ik wil wel,” riep Mies; „maar is de drogist zoo vroeg al op?”
„Dan schellen we net zoolang totdat hij zijn slaapmuts buiten het raam steekt!” zeide Jeanne opgewonden, „O, wat zullen we een pret hebben!”
„Maakt het maar niet te erg, anders komt hij nog klagen,” waarschuwde Jet.
„O, neen, daar zullen we wel op passen,” beloofde Mies.
„Luister eens, Jeanne: heb je geld genoeg?” vroeg Jet.
„’t Zal zoo’n schat wel niet kosten,” meende deze, terwijl zij in haar zak naar haar beursje voelde. „Zie eens, ik heb twee dubbeltjes en drie centen!”
„Ik heb ook een kwartje,” zeide Mies, „maar we betalen het met mekaar, hoor; anders dan kan ik in geen vier weken jullie en me zelf op balletjes trakteeren!”
„Als je terugkomt, rekenen wij wel af,” beloofde Jet; „ik heb geld en Kee en Jo ook, niet waar?”
„O hemel ja, ik ben zoo rijk als … als … Salomo!” riep Kee uit, die niets anders kon bedenken.
„Salomo was wijs,” zeide Jeanne deftig. „Als je dus zei: zoo wijs als Salomo, dan was ’t beter.”
„Kom, hij was rijk ook,” hield Kee vol; „hij was immers een koning en koningen zijn altijd rijk!”
„Nu ja,” beaamde Jeanne schoorvoetend, „maar …”
„Zij denkt aan Salomo’s kat, die van wijsheid van de trappen rolde,” riep Jo lachend uit.
„Ik wou, dat ik ook zoo wijs was,” zuchtte Jo.
„Om ook van de trappen te rollen?” vroeg Mies lachend.
„Och neen, om de sommen die ik morgen moet maken,” bekende Jo; „’t zal weer een tranendag voor mij zijn!”
„Je moet ze mij, voor wij naar bed gaan, nog maar eens laten zien,” zeide Kee goedhartig, „dan zal ik ze je zoo’n beetje uitleggen.”
„Graag!” riep Jo uit, wier gezichtje ophelderde. „O, ik wou dat er geen sommen bestonden!”
„Hoe laat zullen wij morgen weggaan?” vroeg Mies nu.
„Natuurlijk moeten we terug zijn, voordat juf op de slaapzaal komt,” zeide Jeanne, „anders merken ze het.”
„Om zeven uren komt juf ons roepen; dus jullie mogen wel om zes uren opstaan,” antwoordde Jet. „In een kwartier kun jullie je wel aankleeden; dan een half uur voor de boodschap en een kwartier om je weer uit te kleeden en in bed te kruipen.”
„Goed, dat’s afgesproken!” riepen allen uit.
„Laten wij er nu maar niet meer over spreken, anders verklappen wij ons zelf nog!”
Zoo gezegd zoo gedaan! Wel konden zij onderwijl zij haar avondboterham aten niet nalaten elkander steelsgewijze aan te kijken, te knipoogen en te lachen, maar zij praatten er niet over. Haar vroolijkheid vermeerderde niet weinig, toen Nora voor haar boterham bedankte en zeide dat zij geen honger had.
„Geen honger, Nora; je bent toch niet ziek?” vroeg de juffrouw bezorgd.
„Aha, Luilekkerland! Luilekkerland! Luilekkerland!” neuriede Jeanne ondeugend.
De juffrouw, die wel wist wat het meisje hiermede bedoelde, glimlachte dan ook gerustgesteld, toen Nora haar stotterend antwoordde, dat zij niet ziek was, maar alleen geen eetlust had.
Kort daarop gingen allen naar bed; gelukkig sliep Nora niet op de groote slaapzaal, maar in een kabinetje dat er in uitliep en waar ook een secondante sliep, anders had het er gek met het plan der meisjes uitgezien. Ze sliepen al heel gauw, de meisjes, vooral Mies, die een heel, heel klein beetje begon te snurken, waarop zij door al de anderen zonder complimenten wakker werd geroepen en moest beloven dat zij ’t nooit weer zou doen.
„Maar ik weet niet, wanneer ik het doe,” zeide Mies klagend; „ik kan ’t toch niet helpen, als ik het in mijn slaap doe.”
„Slaap dan met je mond toe,” zeide Jet.
„Hij gaat zeker open, als ik slaap,” zeide Mies berouwvol, „want als ik naar bed ga, houd ik mijn tanden stijf op elkaar.”
„Ik zal een stuk van een grauw velletje met een touw voor je mond binden,” beloofde Kee.
„Maar dan stik ik,” klaagde Mies, „dan vindt jullie me ’s morgens dood in bed.”
„Dat ’s niet waar,” zeide Jet. „Je kunt immers ademhalen door je neus, en als je nog eens zoo snurkt, krijgt je het voor! Ga nu maar weer slapen, anders ben je morgenochtend niet vroeg genoeg wakker!” Mies, die haar oogen niet open kon houden, liet zich dit geen tweemaal zeggen, maar zonk weer op het kussen en was geen halve minuut later weer ingeslapen, nu echter zonder te snurken.
Gerustgesteld sliepen ook de anderen weldra in en wel zoo lekker dat men er jaloersch op zou worden.
Den volgenden morgen scheen de zon zoo vroolijk en ondeugend in de slaapzaal, dat Jet, die al een poosje gewoeld had, er wakker van werd. Een oogenblik bleef zij nog soezend liggen, toen zij zich eensklaps herinnerde wat er dien ochtend moest gebeuren.
„Ik hoop, dat het maar niet te laat is,” dacht zij, terwijl zij hals over kop uit bed sprong. „Wacht, daar slaat een klok! Een slag! Zou dat halfzes zijn? Zeker wel, want er is nog niemand op!” Zij had door haar raam gekeken en bespeurd, dat alles nog in diepe rust was.
„Jeanne,” zeide zij nu, nadat zij eerst heel voorzichtig de deur van het kabinetje aangezet had. „Jeanne, sta op; ’t is tijd!”
Jeanne, die ook niet erg rustig geslapen had, was in een oogenblik wakker en zat rechtop in bed, terwijl zij Jet met verbaasde oogen aankeek.
„Wat is er?” vroeg zij.
„’t Is tijd, om naar den drogist te gaan,” zeide Jet, om haar geheugen te hulp te komen.
„O, ja,” riep Jeanne uit, „heerlijk dat je mij roept!” en in een oogwenk was Jeanne uit bed. „Roep je Mies even?”
„Mies,” fluisterde Jet, terwijl zij voor het bed van het meisje stond, en haar hand nam.
Geen antwoord volgde, maar Mies keerde zich om en verborg haar gezicht geheel en al in het kussen.
„Mies, ’t is tijd,” zeide Jet nu wat harder, terwijl zij haar aan heur arm trok.
„Hm …” bromde Mies. „W..at?”
„Mies, wil je wakker worden,” zeide Jet, terwijl zij haar duchtig heen en weder trok.
„O foei, ai, ach! Je doet me pijn!” pruttelde Mies, met de oogen dicht.
„Slaapkop!” riep Jet verontwaardigd, „wil je dan nooit wakker worden! Jeanne is al bijna klaar, om naar den drogist te gaan. Als je niet wakker wordt, ga ik!”
Nu opende Mies haar oogen, keek een oogenblik zoo onnoozel als een kalf in het rond, maar toen zij Jeanne zag veranderde haar gezicht eensklaps, en wreef zij haar oogen uit. „O, ik sliep zoo heerlijk,” zeide zij luid gapend; „ik droomde dat wij de trommel van Nora onder elkaar leeg aten.”
„Eet me niet op!” riep Jet, schijnbaar verschrikt achteruitgaande voor den grooten mond, dien Mies opzette.
„Neen, nu is ’t over,” verzekerde Mies. „Heb ik nog gesnurkt?”
„Hoe kan ik dat weten; ik heb van nacht geslapen,” zeide Jet; „daar straks snurkte je niet.”
Mies was onderwijl uit bed gekomen en had zich gehaast om zich zoo gauw zij kon aan te kleeden.
„Ik zal me nu maar niet wasschen, en mijn haar ook niet opmaken,” zeide zij; „straks moet ik mij toch weer over aankleeden.”
„’t Is niet erg frisch,” vond Jet, die weer in haar bed gesprongen was en vandaar uit op haar gemak lag te redeneeren.
„O, als ik buiten kom, word ik frisch genoeg,” meende Mies.
„Ben je nu klaar?” vroeg Jeanne, haar hoed opzettende.
„Ja, even mijn laars … Ziezoo, die zit. Waar is mijn hoed?” vroeg Mies.
„Hier; ga nu gauw mee,” zeide Jeanne hem haar overreikende.
„Denk er aan, om achter uit te gaan,” ried Jet haar; „het zijdeurtje is vroeg open, anders kom je de meiden tegen.” Mies en Jeanne liepen op haar teenen de trap af, en hoewel zij de meiden voor aan de deur hoorden, bereikten zij ongemerkt het zijdeurtje en stonden spoedig aan het muurtje. In een oogenblik waren zij er over en weldra hadden zij ook de vermolmde plank in de schutting verder stuk geslagen en bevonden zich op den weg.
Jet was niet weer in slaap gevallen, maar had het weldra niet kunnen nalaten om ook Kee en Jo wakker te roepen, om wat te praten. Zij vertelde, dat Jeanne en Mies weg waren en allen verheugden zich reeds op de pret die zij hebben zouden.
„Gelukkig, dat je zoo vroeg wakker werdt,” zeide Kee. „Ik kan nooit uit mezelf wakker worden.”
„Toen ik gisterenavond in slaap viel heb ik onophoudelijk gezegd: „Zes uur wakker! Zes uur wakker!” en dat heeft geholpen,” vertelde Jet.
„Maar ik slaap altijd, zoodra ik op mijn kussen lig,” zeide Kee; „dus heb ik geen tijd om zoo iets te zeggen.”
„Dan moet jij je altijd maar laten roepen,” zeide Jo.
„Ik hoop maar, dat ze vroeg genoeg terug zijn,” zeide Jet, nadat er een kwartier voorbij was gegaan.
„Natuurlijk,” zeide Kee, „ze hebben immers tijd genoeg.”
„Hoor eens, staat de juffrouw hiernaast niet op?” vroeg Jo eensklaps.
„Ja zeker!” riep Jet uit. „O, wat zullen we beginnen, als zij hier komt om ons te roepen!”
„Ze ziet dadelijk, dat er twee bedden leeg zijn,” zeide Jo.
„Wacht eens, laten wij een kussen aankleeden en dat zoo’n beetje onder het dek duwen,” zeide Kee. „We moeten het een nachtjapon aan doen, dan is ’t net alsof er iemand in bed ligt.”
„Gauw dan maar, riep Jet, en sprong uit bed, om een der kussens aan te kleeden. Kee en Jo namen het andere voor haar rekening, en weldra lagen de poppen onder de dekens.
„Hoe jammer, dat ik geen vlecht heb om die op Mies haar kussen te leggen,” zeide Kee.
„Knip je eigen vlecht af, en leg die er op,” zeide Jet.
„Ik zou je bedanken,” zeide Kee, „maar ik ben wel bang, dat juf het zal merken: de poppen hebben eigenlijk geen hoofden.”
„Weet je wat,” riep Jo uit, „laten wij zoowat op den rand van haar bedden gaan zitten, net alsof we met haar praten, dan merkt juf ’t misschien niet. Ga jij dan in bed, Jo, en doe alsof je slaapt.”
Jo sprong er in, en Jet en Jeanne hadden juist tijd om op den rand te gaan zitten, toen de deur van het kabinetje open werd geduwd en de juffrouw binnenkwam.
„Hé, meisjes, al op!” zeide zij verwonderd … „Hoe kom jullie zoo vlug?”
„Och, juffrouw, de zon heeft ons uit bed geschenen,” zeide Jet.
„Nu, dat’s goed, maar ’t schijnt dat de drie anderen nog stevig in de rust zijn,” hernam de juffrouw.
„Ja ze slapen als ossen!” riep Jeanne onrustig uit.
„Ik zou je raden niet op dien rand te gaan zitten,” zeide de juffrouw, terwijl zij naar de bedden ging, waarin de poppen lagen.
„Ai! O! Ach!” riep Jo eensklaps uit, die dit door haar ooghaartjes had gezien, en zij begon eensklaps met haar armen te zwaaien.
Aanstonds ging de juffrouw naar het ledikant van Jo en vroeg wat er aan scheelde?
„Och, juf, ik droomde van … muizen … neen van ratten! En ik dacht dat ze aan mijn grooten teen knabbelden,” riep Jo uit.
„Kom kind, wees verstandig; er zijn hier geen ratten,” zeide de juffrouw geruststellend.
„Maar toch wel muizen,” jammerde Jo.
„Hoe kom je aan die gekheden?” vroeg de juffrouw verwonderd. „Er zijn evenmin muizen, en dan zijn er immers twee katten.”
„Heusch niet, juf?” vroeg Jo.
„Wees maar gerust, Jo,” antwoordde de juffrouw. „En sta nu maar gauw op, want ’t is tijd; en ik moet op de andere zaal ook nog wezen. Jet en Kee, jullie zult Mies en Jeanne wel roepen, niet waar?”
„O ja, juffrouw!” riepen beiden vroolijk uit. „Ik zal haar in haar neus bijten, als ze niet wakker worden;” voegde Kee er bij, toen de juffrouw weg was.
„Ik maak je mijn compliment, Jo, je hebt je kranig gehouden,” zeide Jet nu.
„Niet waar?” vroeg deze vergenoegd. „Ja, ik heb mijn best gedaan; ’t was benauwend, toen ze daar zoo naar jullie toekwam.”
„Als ik prijsjes ga geven, krijg jij een eerste voor slimheid,” zeide Kee.
„Ik hoop, dat ze maar gauw terugkomen,” hernam Jet, „want als we moeten ontbijten, ziet het er gekker uit.”
„Ja, want dan kunnen we geen aangekleed kussen mee naar beneden nemen,” riep Kee lachend uit.
De meisjes begonnen zich onderwijl te wasschen en te kleeden, en nauwelijks waren zij daarmee gereed of de schel van het ontbijt begon te luiden.