I. PAUL EN LENA.
Reading edition
„Kom, Cesar, doe je best nu eens, en leer dit kunstje; dat vinden de menschen zeker aardig en dan krijg jij een appel of een vijg, en ik wat centen! Je lust immers zoo graag allerlei snoeperij, kleine schelm! Komaan dan … één.. twee.. drie,—nu er over en dan ’t stukje hout als een geweer onder je armen; bravo … marcheeren … marcheeren … Zoo gaat het goed, Cesar; ga nu maar in de zon uitrusten; morgen gaan we er op uit!”
Paul zelf ging ook zitten, en haalde uit een oude kist een stuk brood, waarvan hij Cesar de helft gaf en de rest zelf ging opeten … Maar foei, daar bedenk ik, dat ik vergeten heb u te vertellen, wie Paul en Cesar waren. Kunt ge het raden? Neen? dan zal ik ’t u maar vertellen. Cesar was een klein, allerliefst aapje; o zoo’n snoeperig, ondeugend diertje, en Paul was de meester van het aapje.
Een poosje geleden was Paul heel uit Zwitserland naar hier gekomen. Toen hij op reis ging, had hij een marmotje bij zich, maar tot zijn groote spijt was het diertje onderweg gestorven, en toen had hij, omdat hij daarover zoo bedroefd was, van den eigenaar van een beestenspel Cesar cadeau gekregen. ’t Duurde niet lang of Paul hield van Cesar nog veel meer, dan hij ooit van zijn marmotje had gehouden, want het aapje was een lief, aanhankelijk diertje en volstrekt niet valsch, zooals anders apen wel eens zijn.
De ouders van Paul, die in Zwitserland ergens op de bergen gewoond hadden, waren gestorven, en daar hij geen familie meer had, was hij er toen al heel ongelukkig aan toe.
Gelukkig echter herinnerde hij zich, dat zijn moeder hem dikwijls verteld had dat er in Amsterdam een oom van hem woonde, die reeds jaren geleden naar Holland was gegaan, omdat hij dacht dat hij het daar beter zou hebben. Nu wist Paul wel dat Amsterdam heel ver van Zwitserland af lag, en hij er moeielijk kon komen, omdat het reizen met den spoortrein zooveel geld kostte,—maar dat telde hij niet. Hij begreep, dat hij er op zijn voeten ook wel kon komen, al duurde het wat langer, en nadat hij goed gevraagd had, welken kant hij op moest gaan, vertrok hij, de kleine twaalfjarige jongen, en ging naar het onbekende land toe. Hij had echter wel wat geld bij zich, want anders had hij niet ver kunnen komen. De menschen van het dorp, waar hij woonde, hadden onder elkander de meubelen van zijn ouders gekocht en hem het geld in een leeren zakje gegeven, en er bij gezegd dat hij heel, heel zuinig moest wezen.
Zijn oom had hij nog niet gevonden, want niemand dien hij er naar vroeg, wist hem te zeggen, waar hij woonde, maar hij had al gemerkt dat Amsterdam heel groot was en dus verloor hij de hoop niet, dat hij hem nog wel vinden zou.

De Savoyaard en zijn Aapje. I.
Om nu den kost te verdienen ging hij met Cesar langs de huizen en liet het diertje allerlei kunsten maken en sprongen doen. Menigmaal riep men dan het aardige Savoyaardje met zijn aap binnen, waar beiden wat eten kregen en geld bovendien. Als Paul de menschen dan heel lief vond, zong hij met zijn heldere, frissche stem een paar liederen, die hij vroeger op de bergen zong, en als hij dan soms tranen kreeg in zijn lieve, zwarte kijkers,—want hij moest dan altijd aan zijn moeder denken, die ze hem geleerd had,—gebeurde het menigmaal, dat de een of andere vriendelijke dame hem een kus op het voorhoofd drukte en hem verlof gaf eens weerom te komen. Hij was echter te bescheiden en ook te verlegen om zoo iets te durven doen, hoe hij er ook naar verlangde.
Hij zat nog heel bedaard boven op de kist het stuk brood op te eten en Cesar keek heel nieuwsgierig door het kleine dakraampje naar buiten, toen de deur van het zolderkamertje zachtjes werd opengeduwd, en een meisje van een jaar of elf naar binnen kwam.
„Paul,” zeide zij halfluid.
„Ha, Lena, ben jij daar!” antwoordde Paul, aanstonds van de kist afspringende en haar tegemoet gaande. „Kom, Cesar, zeg Lena goedendag, anders wordt ze nog boos op je.”
„Dat meent je baas niet, Cesar,” zeide Lena, die naar het aapje was toegegaan en het over den kop streek. „Geef me maar eens een hand!”
Cesar stak, zooals hem geleerd was, een zijner voorpooten aan Lena toe, en Paul stond er glimlachend bij.
„Hij kan al zoo mooi doodliggen en exerceeren,” zeide Paul vol blijdschap. „We gaan er morgenochtend op uit.”
„O, wat zullen de menschen je dan veel geld geven,” riep Lena opgetogen uit.
„Ik hoop het,” antwoordde Paul, „want ik heb nog maar weinig van het geld, dat ik heb meegebracht, en ik moet er mee toekomen, totdat ik mijn oom heb gevonden.”
„Maar zeg eens Paul, hoe heet die oom en waar woont hij eigenlijk?” hernam Lena, een nadenkend gezichtje zettend.
„Hij heet Laurent, zoo heette mijn moeder ook, en hij woont—ja, als ik dat wist …” hij haalde de schouders op.
„Och hoe dom van mij!” riep Lena knorrig uit. „Als je het wist, dan behoefde je immers niet naar hem te zoeken.”
„Ga je eens mee met mij zoeken?” vroeg Paul.
„Ik zal het vragen,” antwoordde Lena, „en moeder zal ’t wel willen hebben. Kom nu mee naar beneden; moeder heeft gevraagd of je mee wilt eten.”
Paul nam deze uitnoodiging van zijn vriendinnetje wat graag aan, want het gebeurde maar zelden dat hij goed warm eten kreeg.
Een paar dagen gingen voorbij; Paul ging met Cesar op straat en de menschen hadden waarlijk veel plezier in de aardige kunstjes, die het aapje vertoonde; Paul was daardoor recht in zijn schik en ging op een middag vroolijk met Lena er op uit.
Zij liepen hand aan hand nog een heelen tijd rond, maar zij werden er niet wijzer door, want hoe oplettend ze ook rondkeken, zij zagen nergens den naam van Pauls oom staan. Lena werd eindelijk moede en kon bijna niet meer voortkomen, zoodat Paul haar mee moest trekken.
„Zeg eens, Paul, laten wij hier even op deze stoep gaan uitrusten,” zeide zij. „’t Is hier zoo’n mooi huis, en we kunnen juist naar binnen kijken, want het gaslicht is op;—als ze de gordijnen maar niet nederlaten!”
„Wat een mooie kamer!” riep Paul opgetogen uit. „Kijk eens, Lena, wat een lief meisje daar staat aan de tafel.”
„Wat krult heur haar mooi,” zeide Lena bewonderend; „’t mijne gaat er altijd zoo gauw uit.”
„En wat heeft ze zwart haar; heel anders dan jij, Lena,” zeide Paul.
„Ja, ik ben blond; de jongens roepen mij altijd na, dat ik zuurkoolhaar heb.”
„Dat ’s niet waar,” riep Paul vol vuur uit. „Dat doet zeker die nare Jan Dekker. Ik vind je haar ook wàt mooi.”
„Dat vind ik prettig,” hernam Lena, met een zucht van genoegen; „dan kan ’t mij ook niets schelen, wat de anderen zeggen.”
„Kijk eens, Lena, daar komt nog een klein meisje de kamer in,” hernam Paul een oogenblikje daarna.
„O, wat een dotje,” riep Lena uit; „ik wou dat ik haar eens mocht knuffelen!”
„Wat wou je haar doen?” vroeg Paul verwonderd, want hoewel hij al zeer goed Hollandsch kon spreken, was dat toch een woord, hetwelk hij nog nooit gehoord had.
„Wel, knuffelen!” riep Lena uit. „O, weet je niet, wat of dat beduidt? Nu, dan zal ik het je eens vertellen. Het is iemand eens flink pakken en zoenen. Begrijp je het nu?”
„Jawel,” zeide Paul, „zooals moeder mij wel deed, toen zij nog leefde.” Hij zuchtte, en tranen schoten hem in de oogen. „Nu doet niemand het mij meer.”
„Nu, dan zal ik het wel eens doen,” zeide Lena meelijdend, „en anders zal ik het aan moeder vragen.”
Ondanks zichzelf moest Paul lachen, en zeide dat hij het heel lief vond van Lena, maar dat het toch zijn eigen moeder niet was.
„Laten wij nu maar naar huis gaan,” zeide hij opstaande; „jij bent nu zeker wel wat uitgerust, en anders wordt het zoo laat en dan krijg je knorren.”
„Ja dadelijk,” antwoordde Lena; „nog eventjes naar binnen kijken naar die mooie kinderen. Ik zou wel eens willen weten of ze even lief zijn als mooi!”
„Misschien wel,” zeide Paul, haar weer bij de hand vattende. „Kom, ga nu mee!”
„Ja!—Dag, lief kindje,” riep Lena, een kushand naar het raam makend. „O, ze ziet me en ze knikt. Kijk eens, Paul, zeg ook eens goedendag.”
„Laten we toch weggaan,” hield Paul aan; „anders jagen ze ons nog van de stoep.”
„Ja, aanstonds, Paul!” riep Lena, terwijl zij een trede lager van de stoep ging en maar steeds in de kamer keek. Paul lette nu niet meer op haar en stond reeds op de kleine steentjes, toen hij eensklaps een gil hoorde en verschrikt omkijkende Lena onder aan de stoep zag liggen. Zij was achteruit naar beneden gegaan, had bij ongeluk op haar jurk getrapt en zoo haar evenwicht verloren.
„Kom, Lena, sta gauw op,” zeide Paul angstig; „of heb je je bezeerd?”
Lena antwoordde hem niet en was doodsbleek geworden, maar zij keek haar vriendje smeekend aan.
„Ik ben niet boos op je, Lena,” verzekerde Paul haar, „maar je hebt me doen schrikken.”
„O, Paul, ik kan niet,” kermde Lena. „Help me toch eens; ik weet niet hoe ik overeind moet komen.”
Aanstonds deed Paul zijn best om het meisje te helpen, maar nauwelijks had hij haar even aangeraakt, of zij gilde het uit.
„Daar niet, daar niet!” kreunde zij, toen hij haar om het middel wilde vatten om haar zoo overeind te zetten.
„Wacht geef me dan je handen,” zeide Paul uit het veld geslagen, want ’t speet hem dat hij haar bezeerd had.
Hij nam haar handen en wilde haar zoo overeind trekken. Nu schreeuwde Lena het uit, en liepen de tranen langs haar wangen. Paul wist nu waarlijk niet, wat hij beginnen moest en ook hem sprongen de tranen in de oogen. Langzamerhand waren er wat menschen om hen heen komen staan, die niet wisten, waarom dat kleine meisje daar zoo op de stoep bleef liggen.
„Wel, kinderen, wat scheelt er aan?” vroeg een goedhartige dikke juffrouw, die een hengselmand aan den arm had. „Jullie moest naar huis gaan, ’t wordt bedtijd.”
„Jawel, juffrouw, dat willen we ook wel,” zeide Paul verlegen, „maar Lena is gevallen en kan niet opstaan.”
„Lieve goedheid, heeft het kind een ongeluk gekregen!” riep een andere vrouw ontsteld uit. „Wat moet je nu beginnen?”
„Arme schapen,” zeide de dikke juffrouw, medelijdend haar hoofdschuddend. „Waar woon je?”
Paul noemde de straat.
„Dat is een heel eind hier vandaan,” hernam zij. „Hoe kom je thuis?”
Dat was iets hetwelk Paul evenmin wist, en hij was op ’t punt om in tranen uit te barsten, toen de deur der mooie woning geopend werd, en een deftige knecht naar buiten kwam om te vragen, wat er toch te doen was.
De dikke juffrouw vertelde hoe ongelukkig de kinderen er aan toe waren, en terstond daarop verdween de knecht weer.
„Die leelijkerd,” riep een schoenmakersjongen uit, die er ook naar stond te kijken, in plaats dat hij de boodschappen voor zijn baas deed. „Waarom gaat hij nu weer weg?”
„Stil, jongen, hij zal het nu aan zijn mijnheer en mevrouw gaan vertellen,” vermaande de juffrouw. „Hij is toch de baas niet en kan ze op zijn eigen houtje niet helpen.”
’t Was juist, zooals de juffrouw dacht. De kinderen, die Lena zoo bewonderd had, hadden het troepje menschen gezien en het aan hun mama verteld; deze had nu aan Teunis den knecht gezegd eens te gaan kijken wat er gebeurd was; en toen hij vertelde, dat een meisje zich zoo erg bezeerd had, dat het niet op kon staan, riep het jongste dochtertje:
„Och, ma, mag ze hier in huis komen; hoe akelig om daar op de stoep te liggen, als ze zoo’n pijn heeft!”
„Wel zeker, Elsa,” antwoordde mevrouw Doornhof vriendelijk. „Teunis moet maar vragen of Betje hem helpt; dan kunnen ze het arme kind naar binnen brengen.”
Heel gauw ging de huisdeur weer open en verschenen Teunis en Betje op de stoep.
„Kom, jongen, ga jij eens op zijde,” zeide Betje tot Paul, „we zullen je zusje eens naar binnen brengen.”
„Neen, neen!” riep Lena angstig. „Laat me hier maar liggen, want je doet me zeker ook pijn! O, was ik maar bij moeder!”
„Hoor eens, kind, geen gekheid,” zeide Teunis nu, terwijl hij een heel boos gezicht zette. „Als mijn mevrouw zegt dat ik je naar binnen moet brengen, dan breng ik je naar binnen, al kwamen je moeder, vader en al je ooms en tantes er aan te pas!”
Lena keek Teunis heel verschrikt aan en durfde niets meer zeggen.
„Och, kind, maak je maar niet benauwd,” zeide Betje nu om haar te troosten; „je zult het wel aardig vinden, als je binnen bent.”
Voorzichtig pakten beiden het meisje nu op en droegen haar zoo handig de stoep op en de deur in, dat zij waarlijk bijna geen pijn gevoelde. Een oogenblik later lag zij op een gemakkelijke canapé in de kamer, waar mevrouw Doornhof en haar dochtertjes waren, en bemerkte nu dat zij ’t veel beter had, dan wanneer zij op de stoep was blijven liggen.
„Hoe is ’t nu? Lig je wel gemakkelijk, kindlief?” vroeg mevrouw Doornhof. „Straks komt de dokter; ik heb er Teunis al naar toegestuurd, die zal dan wel vertellen wat er aan scheelt.”
„O, ik lig hier heerlijk, mevrouw,” zeide Lena fluisterend, „maar waar is Paul?”
„Wie is Paul?” vroeg mevrouw Doornhof verwonderd.
„Paul is mijn vriendje,” vertelde Lena; „hij woont bij ons in huis.”
„O, die jongen, die naast je op de stoep zat?” riep Elsa uit. „O, Maatje, dat is de jongen met den aap!”
„Wat voor jongen?” vroeg mevrouw Doornhof, die er niets van begreep. „Een aap?”
„Ja, Maatje; hij komt hier wel voorbij en dan laat hij een lief klein aapje allerlei kunsten doen,” vertelde Elsa opgewonden. „O, ’t is zoo’n aardige jongen en zoo’n aardige aap!”
„En waar is hij nu?” vroeg mevrouw Doornhof.
„Zeker weggegaan,” zeide Elsa, terwijl zij naar het raam liep. „’t Is al erg donker op straat; ik kan niets meer zien.”
„Hij is zeker aan je moeder gaan vertellen, wat er gebeurd is,” zeide mevrouw Doornhof tot Lena; „anders zou zij te erg schrikken, als je zoo thuis kwaamt.”
„Wanneer mag ik naar moeder toe?” vroeg Lena verlangend.
„Dat zullen we aan den dokter vragen,” zeide mevrouw Doornhof; en daar deze juist binnenkwam, durfde Lena niets meer zeggen.
De dokter onderzocht het meisje, vroeg hoe zij gevallen was en keek heel ernstig.
„Wel, dokter, hoe denkt u er over?” vroeg mevrouw Doornhof.
„Ja, mevrouw, de kleine is erg te land gekomen,” antwoordde hij ernstig: „ze mag vooreerst niet vervoerd worden!”
„Welzoo, dat ziet er gek uit,” zeide mevrouw Doornhof, „dan moet ze maar bij ons blijven, totdat ze beter is.”
„Ja, mevrouw, ze heeft haar rug ernstig bezeerd; maar als er goed voor haar gezorgd wordt, dan kan het geen kwaad,” antwoordde de dokter.
„Ik wou zoo graag naar moeder,” snikte Lena.
„Hoor eens, beste meid, als je nu gauw beter wilt worden, dan moet je niet bedroefd zijn,” zeide mevrouw Doornhof. „Je moeder mag hier dikwijls komen, en zij zal het wel heel goed vinden.”
„En Paul en Cesar!” snikte Lena weder.
„Die mogen ook komen,” verzekerde mevrouw Doornhof haar. „Schrei nu maar niet zoo.”
Bij deze woorden helderde het bedroefde gezichtje van Lena wat op, en nu nam de dokter afscheid en werd door mevrouw uitgelaten.
Toen de goedhartige dame weer in de kamer kwam, zag zij, dat Elsa haar best deed om Lena wat op te vroolijken. Zij liet heur poppen zien, die zoo mooi waren dat Lena er bijna niet durfde aankomen, en babbelde zoo aardig, dat mevrouw Doornhof er zelf schik in had.
„’t Is bedtijd, Elsa,” zeide zij echter. „Morgen komt er weer een dag, en dan kun je met.… Ja, kindlief, hoe heet je toch?”
„Ik heet Lena,” zeide deze vriendelijk.
„Nu, dan kun je met Lena zooveel praten als je wilt.”
„En hoef ik dan niet naar school!” riep Elsa uit, terwijl zij van verrukking heen en weder danste.
„Eerst naar school, en dan met Lena praten,” zeide mevrouw Doornhof glimlachend. „Wel, kleintje, ik dacht, dat je zoo graag naar school gingt.”
„O, jawel, maar zoo elken dag is wel wat veel,” bekende Elsa, die erg graag met de poppen speelde.
Lena werd nu naar een achterkamer gebracht, uitgekleed (het nachtgoed van Elsa’s zusje Lina paste haar precies) en in een ledikantje plat op de matras gelegd.
Toen dit alles gedaan was en het meisje ondanks het verlangen naar haar moeder gerust was ingeslapen, keerde mevrouw Doornhof naar de zijkamer terug, waar haar ander dochtertje, de twaalfjarige Lina aan de tafel haar les zat te leeren.
„Lina!” zeide mevrouw Doornhof.
„Wat is het, ma?”
„Vind je, dat je van avond lief bent geweest?”
„Ik heb toch mijn schoolwerk af en ken mijn les bijna, ma. Wat … heb ik … dan gedaan?” vroeg Lina onrustig.
„Waarom heb je dat arme meisje in het geheel niet eens toegesproken?” zeide haar mama.
„Och, ma, dat arme kind!” riep Lina uit. „Waarom moet ik mij met zoo’n kind bemoeien?” En waarlijk daar trok ons nufje haar klein neusje op, zoo hoog als zij kon.
„Denk je, dat je zooveel beter bent dan dat arme kind?” vroeg mevrouw Doornhof.
„Ik ben toch heel anders,” zeide Lina koppig. „Ik ben netjes aangekleed en …” Zij durfde niet voortgaan.
„Maar, Lina: weet je wel hoe het komt, dat jij altijd mooie jurken aan kunt hebben?” vroeg mevrouw Doornhof ernstig. „Als wij eens arm werden, en dat kan heel best gebeuren, zou je ook eenvoudig gekleed moeten gaan. En hoe zou je het dan vinden, als je vriendinnetjes even zoo tegen je deden als jij tegen Lena? Ga nu naar bed, Lina; ’t spijt me dat je zoo onhartelijk bent.”
Een uur later kwam de moeder van Lena heel verschrikt bij mevrouw Doornhof aan. Toen zij hoorde, dat Lena gerust sliep, had zij zich tevredengesteld met mevrouw Doornhof even in de kamer te gaan, waar haar dochtertje lag, en was zij, zonder het meisje wakker te maken weggegaan. Zij vroeg verlof om den volgenden dag weerom te komen, en mevrouw Doornhof zeide haar dat zij zoo dikwijls mocht komen, als zij wilde, totdat het meisje beter was.