← Table of contents
Klimop

II. ONDEUGENDE MEISJES.

Reading edition

De meisjes zagen elkander vragend aan, toen juist Nora in het vertrek kwam om haar boeken uit een kastje te halen en daarna naar beneden te gaan.

Aanstonds begonnen de drie vriendinnen als razenden door het vertrek te springen om haar te beletten naar Mies en Jeanne te vragen, en haar afwezigheid op te merken. Nora keek dan ook wat vreemd in het rond en wist niet hoe gauw zij maken zou, dat zij uit het vertrek kwam, want zij had het niets op die buitengewone vroolijkheid begrepen!

„Wat moeten wij nu beginnen?” vroeg Kee eenigszins angstig. „Daar luidt de bel voor den tweeden keer, en nu zijn Jeanne en Mies er nog niet!”

„Wij moeten maar naar beneden gaan en ons wat achteraf houden; misschien komen ze juist bijtijds,” zeide Jet.

„En wat moet ik zeggen, als juf mij vraagt, waar ze zijn?” riep Jo met een benauwde stem uit.

„Kom, het zal jou niet gevraagd worden, ten minste als je maar niet zoo’n gek gezicht zet,” meende Kee.

„Anders ga je maar weer hardop droomen van muizen en ratten!” riep Jet haar. „Maar komt nu toch mee, anders krijgen wij nog straf.”

De meisjes stormden als losgelaten veulens de trappen af en stonden weldra in de deur der eetzaal, terwijl zij oplettend naar binnen keken om te zien, of Jeanne en Mies er soms waren. Zij zagen echter niemand en gingen met bedrukte gezichten zitten, toen de twee afwezigen, die er tamelijk verwaaid uitzagen en een hoogroode kleur hadden, onverwacht binnentraden. Zij schoven onbemerkt naar haar plaatsen en knikten de vriendinnen vriendelijk toe.

„Kom, Mies en Jeanne, gaat zitten, blijft niet zoo aan de tafel staan,” zeide de juffrouw; „je weet wel dat er orde moet wezen.”

„Ja, juffrouw, ik zal gaan zitten,” zeide Mies terwijl zij zoo voorzichtig als zij kon op de tabouret plaats nam.

„’t Is alsof je op eieren gaat zitten,” fluisterde Jet haar in.

„St!” antwoordde Mies, „ik zal je straks wel zeggen, waarom ik zoo doe.”

Allen begonnen te ontbijten, en er heerschte nu een diepe stilte, want onder het eten mocht er niet gesproken worden.

„Mies, hoe kom je aan zooveel inktvlekken aan je handen?” zeide de juffrouw eensklaps. „Je hebt je toch wel gewasschen?”

Allen keken naar onze jongejuffrouw, die een kleur als vuur kreeg en niet wist wat zij zou zeggen en maar wat stotterde.

„Ja,… neen; ja, juffrouw,” zeide zij haar vingers bekijkende.

„Ja, neen! Wat moet ik daarvan gelooven?” antwoordde de juffrouw gestreng. „Ga dadelijk naar boven en wasch je handen schoon; je gezicht schijnt ook geen goede beurt gehad te hebben. Je zorgt, dat alles in orde is, als je weer beneden komt.”

Erg beschaamd stond Mies op en liep naar de deur, maar nu barstten allen in een luid gelach uit, want de rok van haar jurk stond van achteren zoo’n eind uit, alsof er een Noord-hollandsch kaasje onder verborgen was. Mies, die dit gelach wel hoorde, liep zoo gauw zij kon de kamer uit en gooide de deur achter zich dicht. Zij snelde de trap op en was boven, alvorens de juffrouw haar kon volgen om te onderzoeken, wat zij toch uit had gevoerd. Op de slaapzaal gekomen haalde zij haastig haar grooten hoed onder haar jurk vandaan en wierp dien op een stoel, waarna zij snel haar jurk uitdeed en zich frisch begon te wasschen en haar haar op te maken.

Zij was juist thuis gekomen, toen de meisjes naar de eetzaal kwamen, en had geen tijd gehad haar hoed weg te leggen, waarom zij hem maar met de linten om haar middel had gebonden.

Terwijl zij daar zoo bezig was hoorde zij de vriendinnetjes naar boven komen, en weldra werd zij zoowel als Jeanne, die mee was gekomen, ondervraagd.

„Maar wat zijn jullie lang weggebleven!” riep Jet uit.

„Dat komt, omdat die drogist maar niet wakker wilde worden!” antwoordde Jeanne.

„En dan zijn wij eerst om halfzeven weggegaan,” zeide Mies; „’t sloeg juist, toen wij door de schutting waren gekropen.”

„En hebt je wat?” vroeg Kee nieuwsgierig.

„Wel zeker, een zakje vol,” antwoordde Jeanne triomfeerend. „Wij moeten vóór het speeluur zien, dat we naar boven komen en dan een van allen Nora aan den praat houden.”

„Dat zal ik wel doen,” riep Jo uit: „ik zal haar vragen, of ze mij wat aan mijn sommen wil helpen; dat doet ze graag, want ze is er zoo grootsch op dat ze zoo goed kan rekenen.”

„Dat zou jij ook wel wezen, als je ’t zoo goed kondt,” kreeg zij van Kee ten antwoord, „maar houdt jij haar dan maar aan den praat.”

„Wou hij het geven?” vroeg Jo nu.

„Wie?” hernam Mies.

„Wel, die drogist!” riep Jo uit.

„O, zijn bediende heeft ons geholpen,” zeide Jeanne. „Hij zelf kwam maar even om het hoekje kijken, en hij had een blauwe slaapmuts op!”

„Je had eens moeten zien, hoe gek hij er uitzag!” riep Mies, hartelijk lachende bij de herinnering; „ik dacht dat ik een stuip kreeg van het lachen!”

„Ja, daarom keek hij ook als een oorwurm,” zeide Jeanne. „Ze lachte zoo erg, dat de bediende ook mee ging lachen, en toen grauwde hij hem vreeselijk af, en keek ons aan alsof hij ons op wou eten.”

„De bediende vroeg, of de geheele kostschool last van verstoppingen had,” vertelde Mies weer; „maar toen hebben wij hem heel verachtelijk aangekeken, niet waar, Jeanne? Zulke vieze praatjes houden wij niet.”

„Ja, jij keekt al erg verachtelijk,” zeide Jeanne, haar schouders ophalend; „je stondt maar te proesten!”

„Maar ik heb toch wat netjes betaald,” riep Mies uit. „Hoor eens, straks moeten wij afrekenen.”

„Is ’t veel?” vroeg Jo nieuwsgierig.

Jeanne noch Mies hadden tijd om op deze vraag te antwoorden, want de bel luidde weer, wat het sein was dat de lessen begonnen. Allen haastten zich naar het lokaal en verwachtten met ongeduld het twaalfuursklokje, daar zij dan een uur vrijaf hadden.

Of die ochtend de meisjes ook lang duurde! Maar eindelijk sloeg het klokje van twaalven, en aanstonds ging ons viertal naar boven, terwijl Jo Nora aanklampte, die dit niet erg prettig scheen te vinden.

„Waar is het nu?” vroeg Jet, nog buiten adem van het ophollen der trap.

„En wat is het?” voegde Kee er bij.

„Sjalappenpoeder!” zeide Mies. „Kom, Jeanne geef het zakje.”

Haastig haalde deze het voor den dag, en nu gingen de meisjes naar het kabinetje, waar Nora sliep.

„Een moet op wacht bij de deur gaan staan,” riep Jet uit. „Wie doet dat?”

„Ik wel,” zeide Jeanne. „Mies maakt te veel gekheid en lacht altijd te erg.”

Daar stonden nu Jet, Mies en Kee om „luilekkerland” geschaard, brandende van verlangen om te zien wat er in was.

„Doe jij het deksel open,” zeide Kee tot Jet.

Aanstonds voldeed deze aan het verzoek.

„O, wat een lekkere appelbol!” riep Mies uit, terwijl het water in haar mond kwam.

„Afblijven!” beval Kee. „Je moogt niet snoepen, hoor!”

„Ik wijs er maar naar,” stelde Mies haar gerust, „maar ik zou er wel eens van mee willen smullen!”

„Wat ligt daar?” vroeg Jet.

„Dat zijn bolussen!” riep Mies uit. „Daarvan had ze gisteren de stroop nog om haar mond zitten, die schrok!”

„En wat is er een suikergoed in dien zak,” zeide Kee, terwijl zij er nieuwsgierig inkeek.

„Snoep jij nu ook maar niet,” riep Mies uit.

„Zijn jullie haast klaar!” riep Jeanne uit. „Ik ben bang als de dood, dat er iemand komt.”

„Ja, ja, dadelijk!” riepen de meisjes.

„Kijk, die appelbol is open,” zeide Jet eensklaps; „laten wij het daar ingooien, zoowat tusschen den appel die er inzit.”

„In meer dan een!” riep Mies uit. „Anders geeft het niet!”

„Nu dan in twee,” zeide Jet, en begon met Kee haastig poeder tusschen den appel te strooien en toen den bol weer dicht te maken.

„Hier is nog zoo’n mooie,” zeide Mies. „Kom, doe hier nu nog wat in, ’t zou jammer zijn als je het niet deedt.”

Op de Kostschool. II.
Op de Kostschool. II.

Op de Kostschool. II.

„Maar dan niet meer,” riep Jet uit.

„Strooi wat over de bolussen,” zeide Kee lachend.

„Gauw, meisjes, daar komt juf!” riep Jeanne, het kabinetje binnenstormende; „ze is midden op de trap.”

„Hier, luilekkerland!” riep Mies, sloeg het deksel van de trommel dicht en gooide haar in den hoek van de kast, waaruit zij haar te voorschijn had gehaald. Door de woestheid, waarmede zij dit deed, scheurde het zakje van de sjalappenpoeder, en vloog het overschot in het rond.

„Dat akelige goed!” riep Kee, terwijl zij een paar keeren niesde.

„Komt toch mee,” zeide Jeanne, Jet en Mies naar de andere kamer trekkend; „juf zal anders vragen, wat of je in het kabinetje doet.”

„Kee, nies toch niet zoo,” waarschuwde Jet haar; „ze kunnen je buiten wel hooren.”

„Ik kan het niet helpen,” klaagde Kee; „dat akelige goed is in mijn neus gevlogen.”

„Zwijg er dan toch over,” riep Jeanne half luid, „daar is juf!”

De juffrouw kwam de slaapzaal binnen, terwijl Kee nog steeds stond te niezen.

„Je bent erg verkouden, Kee,” zeide zij bezorgd. „Je moet vanavond maar eens vroeg naar bed gaan.”

„Als je blieft niet, juffrouw!” riep Kee verschrikt uit. „Ik moet alleen maar niezen, maar dat is niets.”

„Neen, neen, jij kruipt vanavond maar eens om halfacht onder de wol,” zeide zij beslist, en verliet het vertrek weer nadat zij iets uit een lade had gekregen.

„Dat is nu jouw akelige schuld,” zeide Kee, terwijl zij Mies een por gaf.

„Kan ik het helpen, dat het in jouw neus vloog,” riep Mies verontwaardigd uit. „Had je neus dan dichtgehouden!”

„Je bent altijd zoo wild,” pruttelde Kee; „nu moet ik vroeg naar bed.”

„Dan kun je meteen eens lekker uitslapen,” meende Jet.

„Ik heb geen slaap,” bromde Kee.

„Laten we nu naar beneden gaan, anders gaat het speeluur voorbij, zonder dat wij gespeeld hebben,” riep Jeanne uit. „Dan kan Jo ook meegaan.”

„Nora komt nu zeker boven snoepen,” zeide Mies, terwijl zij in een hartelijk gelach uitbarstte.

„Houdt je dan toch stil, lachebek!” duwde Jet haar toe.

Weldra was ons clubje met Jo buiten en speelde krijgertje, dat het een lust was om aan te zien.

Nora was, zoodra als Jo haar los had gelaten naar boven gesneld, waar zij zich braaf aan de lekkernijen te goed deed, weinig denkende wat haar boven het hoofd hing.

’s Avonds om halfacht werd Kee door de juffrouw er aan herinnerd, dat zij vroeg naar bed zou gaan, en hoe smeekend zij de dame ook aankeek, er hielp niets aan, zij was zoo goed niet of zij moest naar boven gaan, en tot overmaat van verdriet ging een der secondantes mee om er haar lekker warm onder te stoppen.

„Maar, juf, ik zal stikken, als u het dek zoo instopt,” klaagde Kee, terwijl zij alle moeite deed om haar handen boven te krijgen.

„Luister eens, Kee,” zeide de juffrouw overredend, „als je er nu goed onderkruipt, ben je zeker morgen weer beter; je moet uitwasemen.”

„Maar ik ben niet ziek, en dus hoef ik niet beter te worden,” bromde Kee, onrustig heen en weder draaiend.

„Je schijnt wel wat koortsig te wezen,” zeide de juffrouw haar hand op Kee’s voorhoofd leggend. „Nu, ik zal wat voor je halen; blijf maar stil liggen.”

De juffrouw verliet haastig de zaal en liet Kee alleen met haar gebrom en verdriet. Aanstonds ging deze nu overeind in bed zitten en gooide de dekens zoo ver van zich af, als zij kon: ’t was warm weder, en dus begrijpt ge, dat zij niets op dat dek gesteld was. Uit bed durfde zij echter niet komen, want zij vreesde dat de juffrouw nog wel eens boven zou komen kijken. Zuchtend en pruttelend zat zij dus met de knieën tegen haar kin gedrukt en haar armen er omheen.

„Maar, Kee, ben je nu niet verstandiger om zoo te woelen!” riep de juffrouw, die terugkwam met een kopje warme lindebloesemthee in de hand. „Gauw, drink dit eens leeg; dat zal je goeddoen!”

„Och, juf, ik zal smelten, als ik dit gloeiende goed moet drinken,” jammerde Kee. „U vindt morgenochtend niets dan een plas in bed.”

„Kom, kom, geen gekheid, drink dit maar eens gauw leeg,” zeide de zorgzame dame, terwijl zij Kee het kopje aan den mond zette en haar dwong het leeg te drinken.

„En nu er onder. Ziezoo, blijf nu stil liggen en probeer maar of je in slaap kunt komen.”

Met deze woorden verliet de juffrouw haar, en Kee bleef alleen achter. De zon scheen nog zoo heerlijk en zij hoorde, hoe de meisjes op de speelplaats lachten en pret hadden, terwijl zij daar zoo in bed lag … en groote tranen vloeiden langs haar wangen. Zij snikte uit overmaat van droefheid en had niet gemerkt, dat iemand uit het kabinetje in de slaapzaal was gekomen, en haar medelijdend stond aan te kijken.

„Ben je ziek, Kee?” vroeg een stem.

„Neen, niet ziek, maar … o.. maar, …” snikte Kee.

„Waarom lig je dan in bed?”

Nu keek Kee op en zag, dat het Nora was, die haar toegesproken had en nu naderbij kwam.

„O, ben jij het,” riep Kee uit.

„Nu, ja, ik mag je toch wel wat vragen,” zeide Nora beschroomd.

„Eet jij je lekkers maar op,” hernam Kee, en barstte, terwijl de tranen van verdriet nog aan haar wimpers hingen, in een luid gelach uit.

Verwonderd keek Nora haar aan en begreep niet waarom Kee nu zoo ging lachen.

„Wil je er ook wat van?” vroeg zij op fluisterenden toon.

„Dank je, eet jij je lekkers maar alleen op,” zeide Kee; „jij behoeft niet mee te deelen!”

„O, maar ik heb er zoo’n spijt van,” bekende Nora nederig. „Als je maar een klein stukje wildet nemen, zou ik het prettig vinden!”

„Maar ik niet!” riep Kee uit, denkende aan de sjalappenpoeder. „Eet jij zelf je appelbollen maar op!”

„Hé, hoe weet je, dat er appelbollen bij waren?” vroeg Nora verwonderd.

„Och, dat denk ik maar zoo,” zeide Kee verlegen, omdat zij zich zoo verpraat had. „Waren er dan geen appelbollen bij?”

„Jawel, en die heb ik al opgegeten,” zeide Nora, „want die worden zoo gauw oudbakken. Maar de bolussen zijn er nog. Wil je er een? Och toe, doe het maar!”

„Dank je wel, ik mag ze niet eten, want de juffrouw zegt dat ik ziek ben,” antwoordde Kee.

„Zou je het anders wel doen?” vroeg Nora.

„Misschien,” zeide Kee aarzelend.

„Neem dan een halven bolus,” drong Nora, terwijl zij de trommel haastig uit het kabinetje haalde en op den stoel naast het bed nederzette.

„Neen … neen …” riep Kee, toen Nora haar een bolus in den mond stopte, „ik … ik …” maar zij kon niets meer zeggen, want Nora hield niet op en duwde net zoolang aan den bolus, totdat Kee, om niet te stikken, begon te kauwen.

„Smaakt hij lekker?” vroeg Nora, haar met zelfvoldoening aanziende.

Kee had haar mond veel te vol om op deze vraag te kunnen antwoorden, maar knikte even.

„Wil je er nog een?” vroeg Nora.

„Neen, neen … ik wil niets meer hebben!” riep Kee uit.

„Wil je aan Jet en Jeanne, en Mies, en Jo ook zeggen, dat het mij zoo spijt dat ik zoo onaardig ben geweest?” vroeg Nora nu. „En wil je nu ook weer goed op mij zijn?”

Kee wist niet goed, wat zij zeggen zou, en zweeg dus.

„Wil je het niet zeggen?” vroeg Nora bedroefd.

„Waarom zeg je het zelf niet?” vroeg Kee op haar beurt.

„Och, ze loopen altijd weg, als ik ze aan wil spreken,” vertelde Nora.

„Dat is je eigen schuld,” zeide Kee.

„Jawel, maar als Jo aan haar sommen geholpen moet worden, dan spreekt ze wel,” riep Nora uit. „Vanmiddag nog was ze heel goed op me en vroeg ze mij of ik haar wou helpen.”

„Dan zal ik haar zeggen, dat ze ’t je niet meer moet vragen,” antwoordde Kee, na zich even bedacht te hebben.

„Och neen, neen, doe dat niet!” riep Nora verschrikt uit; „ik wou, dat jullie allemaal goed op mij werd!”

Kee zat nu wel een weinig in den brand, want ’t was op het oogenblik toch al te gek om vrede te sluiten. Het antwoord werd haar echter bespaard, want de juffrouw kwam weer boven om eens te zien hoe ’t met Kee was.

„O, Nora, doe de trommel met lekkers weg,” zeide zij berispend, „je zult er Kee toch wel niets van willen geven; het staat niet mooi haar er mee te plagen.”

Nora kreeg een vuurroode kleur van schaamte en maakte zoo gauw mogelijk, dat zij met haar schat in het kabinetje kwam. Toen de juffrouw zag, dat Kee stil was blijven liggen ging zij tevreden heen, en riep Nora nog toe, dat zij over een kwartiertje beneden moest komen, want dat zij dan haar avondboterham moest eten.

„En die krijg ik ook niet,” zuchtte Kee, toen de juffrouw vertrokken was.

„O, dat is niets!” riep Nora, die dezen uitroep gehoord had. „Je moogt al de bolussen opeten; er zijn er nog vier in!” Zij kwam weer met de trommel aansjouwen en zette haar op den stoel naast het bed van Kee.

Kee, hoeveel zij anders van bolussen hield, was nu met het vooruitzicht op deze smulpartij volstrekt niet gediend, want ze herinnerde zich met schrik dat Mies de rest uit het zakje over de bolussen had gestrooid.

„Neen, ik heb nu geen trek in de bolussen,” zeide zij; „ik zou ze maar weggooien!”

„Weggooien!” riep Nora uit, terwijl zij Kee aankeek, alsof zij meende, dat deze gek was geworden.

„Wel ja, weggooien,” herhaalde Kee; „je eet je anders nog ziek aan al die snoeperij.”

„Kom, jij lust het ook wel!” riep Nora ongeloovig uit. „Zoo gek zal ik niet zijn!”

„Nu, ik wil ze niet hebben,” hernam Kee; „ik heb er aan één genoeg!”

„Dan zal ik vragen, of Jet, Mies, Jeanne en Jo er ieder een willen hebben!” riep Nora eensklaps uit. „Als we naar bed gaan, zal ik het doen!”

„Och, ze houden er zoo erg veel niet van,” zeide Kee, „en..”

Daar luidde de schel, en Nora had nog even tijd om de trommel weg te brengen, toen er al voor de tweede maal gescheld werd.

Natuurlijk kon Nora weer niet eten, want waar een paar appelbollen zitten, daar is geen plaats voor een boterham. Ditmaal echter bedankte zij niet, zooals anders, maar trachtte haar ongemerkt onder haar boezelaar te verbergen.

„Wat gaat Nora nu uitrichten?” vroeg Mies fluisterend aan Jeanne, die ook met verwondering Nora’s handeling gezien had.

„Ik weet niet; zou ze die in bed op willen eten?” vroeg Jeanne halfluid.

„Wat voer je uit?” vroeg Jo haar halfluid.

„St!” verzocht Nora, terwijl zij haar smeekend aanzag, „’t is voor Kee!”

„Waar komt die lievigheid zoo in eens vandaan?” pruttelde Jeanne.

„Kom wees nu stil,” verzocht Jo haar; „wat kan ’t je schelen!”

„Ja, ze heeft jou aan je sommen geholpen, en daarom ben je nu goed op haar,” bromde Mies.

„Wel, dat vond jullie immers allemaal goed,” zeide Jo driftig terug, „en …”

„Meisjes, niet zoo fluisteren onder elkaar,” riep de onderwijzeres nu; „als je wat te vertellen hebt, zegt het dan hardop.”

Nu zwegen zij en aten in vrede haar boterhammen op, waarna het bedtijd werd. Nora ontsnapte het eerst en snelde naar boven, waar zij Kee reeds half in slaap vond, die niet wist wat haar overkwam, toen Nora haar een reepje brood in den mond stak.

„He … e … wat is dat?” vroeg Kee slaperig.

„Eet maar op,” antwoordde Nora, die zich gereed maakte om een tweede reepje in Kee’s mond te doen verhuizen.

Nu kwamen ook anderen boven en stormden de slaapzaal in.

„Wat doe jij hier?” was het eerste wat Mies zeide, zoodra zij Nora zag. „Blijf jij in het kabinetje!”

„Ja, we kunnen je missen als kiespijn,” voegde Jet er bij.

„Ik gaf dit maar even aan Kee,” zeide Nora aarzelend.

„Niet noodig,” meende Jeanne, „als ze wat wil hebben zullen wij het haar wel geven!”

„Ik zou het zoo prettig vinden als jullie goed op mij wildet zijn, en ik met jullie mee mocht spelen,” hernam Nora.

„Dat wil ik wel gelooven,” zeide Mies snibbig, „je vindt het zeker erg vervelend om zoo alleen te zijn; ’t is je verdiende loon.”

„Maar als Nora goede vrienden wil worden, dan behoef jij niet zoo bijdehand te zijn,” meende Jo. „Jij bent ook zoo’n heilig boontje niet.”

„Dat is best mogelijk, maar ik ben toch nooit zoo’n schrok geweest als Nora,” verdedigde Mies zich.

„Omdat je nooit zulke groote trommels met lekkers hebt gekregen,” zeide Kee die aldoor gezwegen had.

Nora ging dien avond naar bed, wel in haar schik dat zij nu op weg was om met de andere meisjes goede vrienden te worden, ja zij neuriede onderwijl, en had van pleizier wel willen dansen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings