SENTIMENTALISME TEGEN FUTURISME.
Reading edition
De obsessie van het Futurisme laat mij nog niet heelemaal los. Juist dat vermoeden, dat de jeugdige, allermodernste, ja futuristische Florentijnen gelijk zouden kunnen hebben, bijna zoo gelijk als mijn pas geboren neefje, doet mij denken aan wat wij, die geen Futuristen zijn, toch tegenover hùn nieuwe wijsheid te stellen hebben.
En dan wordt het mij duidelijker en duidelijker, dat, om Futurist te zijn, de twintigste-eeuwer vooral in zijn ziel géen sentimentalisme moet voelen, even weinig als mijn pas geboren neefje, dat ook alleen aan de naaste Toekomst denkt: de Toekomst van de hem dan toe komende moeder- of andere melk... En waarom is het dus voor òns zoo moeilijk Futurist te zijn, zelfs al erkennen wij, dat er wel wat goeds kan zijn in de nieuwe beweging? Omdat wij bijna allen niet alleen passatisten maar vooral sentimentalisten zijn, gebléven zijn, niettegenstaande alle reeds gedane pogingen om het sentimentalisme in ons uit te roeien.
Geheel ons leven is sentimentalistiesch aan gedaan. Van af onze naïve blijdschap om het Nieuwe Jaar, dat wij elkander goed en gelukkig wenschen, tot aan Kerstmis toe, op welken avond wij een denneboom versieren met brandende kaarsjes, klatergoud en prezentjes, verloopen onze dagen in een sentimentalistische[28] lijn. Vooral Oude Jaar is een sentimentalistiesch oogenblik. Onze geboorte is omringd met sentimentalisme, met larmoyante teederheid van tantes, die een gulden aan de baker geven—zoo deze passatistische dame zich nog in de kraamkamer bevindt—van nichtjes, die héel kleine sokjes hebben gebreid, van slemp en roze of witte muisjes; onze verjaardagen zijn roerende oogenblikken; ons huwelijk is in een vloed van tranen geweekt; onze dood zelfs wordt sentimentalistiesch omdoezeld met veel vertrouwen in weêrzien, met rouwvertoon en grafkrans, met tranen en dikwijls onheelbaren weemoed. Bloemen en emblemen, kinderlijke symbolen en allegorische versiersels doen dienst bij alle deze sentimentalistische dagen. Spreuken en speechen, toast en preêk, grafschrift en nieuwjaars- en Kerstmis-kaartjes, deze allen zijn de sentimentalistische litteratuur, die in gebonden en ongebonden stijl, alle die gevoelige feest- of rouwdagen vergezelt. En wij kunnen moeilijk buiten dit alles... O geloof niet van mij, dat ik mij boven ons algemeen sentimentalisme stel! Ik word even als gij geroerd door een Kerstmis-kaart, een woord aan een graf of een bruiloftsdisch, een spreuk, speech, toast of preêk! Wij kunnen dat alles beredeneeren als passatistiesch sentimentalisme, als minderwaardige gevoeligheid, als kinderlijke en naïve behoefte aan kleine aandoeningen, woordjes en traantjes maar als het oogenblik dàar is van uw geboortedag, huwelijk, Kerstmis, Nieuwjaar of smart aan een geopend graf zoudt gij het en ik met u zeer missen, zoo er niet een zekere mate van dat juichende of klagerige naar ons toe kwam. Wij kunnen er niet buiten en ik ben overtuigd, dat men, om goèd Futurist te zijn, er buiten moet kunnen. Maar de meesten van ons zijn nog de onverbeterlijkste sentimentalisten, wier oog gauw vocht wordt en wier romanesk hart nog immer éven ontroerd wordt door de ouderwetsche romance-lyriek, die vooral werkt op onze traanklieren.[29] Ge begrijpt, dat ik spreek van de massa, van het groote publiek en niet van de enkele hooge, groote, vrije geesten onder ons, die trots hunne hooge, groote vrijheid toch nog heelemaal niet Futurist zijn, Futurist met het koude, ontvankelijke, leêge hart: maagdelijk reservoir, voor Alles Wat Komen Gaat... Neen, de meesten van ons hebben een hart overvol als een antiquiteitenwinkel zonder leêg plekje om ièts meer bij te zetten, in wier zacht lauwe atmosfeer zij zich verknussen over al de dierbare overgeërfdheidjes van vele geslachten voorouders... En de eigen vaderen en grootvaderen hebben het meest van die allen, omdat wij ons hen het bèst herinneren, invloed op ons na gelaten al meenden wij ook éenmaal, in onze prille jeugd, absoluut verschillende van hun antieke ge-aardheid. Intusschen zijn wij allen opgegroeid vol Biedermeiertjes in onze ziel. Het „groote publiek” is het kind gebleven van zijn vader in stropdas, zijn moeder in crinoline. Het voelt diep in zich, trots machinevooruitgang en aviatiek, de „romance” weenen en minaudeeren. Welk boek leest het „groote publiek” het liefst? De roman van naïef mysterie met gestrafte ondeugd en beloonde deugd. Zola heeft er nièts tegen kunnen doen met geheel zijn immens talent. Kon hij op de wereld terug komen, hij zoû verbaasd staan dat groote publiek—véel tijd om te lezen heeft het niet meer—te zien stróomen in de cinema’s, waar die aller-ouderwetsche aandoeningen, met lachje en traan, worden te zien en te voelen en te koop geboden voor minder dan een roman kost. Gedurende uren lang glimlacht en grient het groote publiek als het de gestolen kindertjes bidden ziet tot God en de brave schoorsteenvegertjes de slachtoffers ziet worden van boeven en megeren. Teringachtige moeders worden door elfjarige dochtertjes met theaterengelgebaren verpleegd en verzorgd tot de schatrijk geworden geliefde eindelijk terug komt en alles eindigt met romance-geluk[30] en geld. Ja, ik wed: als het meisje „dat neder zat aan d’oever van een snellen vliet” „den rijken heer ontmoette, die innig werd aan gedaan”—ik meen in de cinema—geheel het „groote publiek” óok weêr innig aan werd gedaan. Van schilderkunst wéet het groote publiek wèl, dat het niet „artistiek” is, om het „onderwerp” een schilderij mooi te vinden, maar stil in zich heeft het toch altijd gedweept met onderwerp-schilderijen, vooral dramatische en gevoelige en wat de muziek aan gaat, weet ge wel, dat als men hier in Florence de Sonàmbula geeft de zaal nòg voller is dan bij den Trovatore?? En waarom? Omdat de lieflijke, melodieuze muziek van Bellini nog meer dan het dramatiesch romantische accent van Verdi... de muziek der romance is, de muziek onzer grootmoeders, de muziek der zachte, huilerige, weemoedige, ouderwetsche liefde-en-verdrietelijkheden, die een vreemd wellustig souvenir in de meeste onzer zielen op roept... Wij zijn modernen: het doet er niet toe. In ons bloeit het vergeet-mij-nietje van het Sentimentalisme en wij moeten het nu en dan bedauwen met een traan en bestralen met een aangedaan lachje...
***
En hoe nietig ook dit Sentimentalisme schijnt, het is een kracht in ons—omdàt wij er niet buiten kunnen—en de meesten van ons zullen het, onbewust of bewust, stellen tegenover den brutalen drang der Futuristen, die het in zich hebben verstikt, omdat zij meenden, dat het hen verzwakte. Wie overwinnen zal? Wel, de Futuristen natuurlijk, want de Toekomst overwint altijd, al werpt zij wel eens hare eerste baanbrekers als passatisten over boord, zoodra zij het Heden geworden is. Het Futurisme zal overwinnen: ik ben overtuigd, dat er eene periode zal komen, waarin anders gedicht, geschilderd, gemuziceerd, gepolitizeerd, geléefd[31] zal worden dan in onze dagen. Maar zoodra het Futurisme gezegevierd hebben zal, zal er iets onverdelgbaar menschelijks weêr op bloeien als een veldje vergeet-mij-niet tusschen al de aangekweekte futuristische bloemen, en dat onverdelgbaar menschelijke zal blijken te zijn het Sentimentalisme...
Al zoû het alleen maar zijn het Sentimentalisme der dàn oud geworden Futuristen, die terug zullen blikken op den nu zoo fellen strijd hunner jeugdige jaren...
Misschien zijn hunne „vrije woorden” niet veel meer dan reeds jaren geleden Van Deyssel ons gaf in „Bergen en Menschen” en Gorter in de verzen na „Mei”: de futuristische dichters lijken mij niet iets te geven, dat wij al niet reeds lang geleden gekend hebben. Hunne schilderijen zijn wel iets nieuws: beweging, geur, emotie, snelheid, „dynamische volumen” te willen schilderen is, geloof ik, nog nimmer gepoogd. Moet ik mij schamen zoo passatistiesch te zijn om te bekennen, dat ik voor die schilderijen van Severini, Boccioni, Carrà, Russolo, Soffici staande, nièts gewaar word van „dynamische volume”, geur of emotie en alleen iets begrijp van hunne emotioneele snelheid? Die mij echter niet aan doet met „schoonheid”,—welke zij toch beweren te blijven eeredienen—vermoedelijk omdat ik mij de „schoonheid” nog te sentimentalistiesch voorstel...
Tóch wil ik niet alles verwerpen wat deze heeren doen. Ik heb met eenigen goeden wil—neen, laat ik oprecht zijn—ik heb plóts in een revelatie gezièn, met eigen oogen gezien, dat ons modern leven in moderne straat in moderne stad véel had van een beweging-volle, „dynamische”, futuristische schilderij. Ik zat bij Gilli te snoepen, maar bij den kleinen Gilli, in de Via Calzaioli. Die straat is nauw en vol, niet waar. Welnu, ik zat in den winkel en keek uit door het groote glazen raam. Een rij groote pannetoni of Kerstkoeken op een glazen plaat brak voor mijn oog het doorzicht af met een regelmatige massa bruine[32] tulbanden en boven de pannetoni gingen en kwamen de hoofden der voorbijgangers en onder de pannetoni hunne broeken en rokken en schoenen. Dit was niet alles: spiegels, ter zijde in het kijkraam en spiegels van boven weêrkaatsten de beweging op straat onder en boven en ter zijde der tulbanden met een vreemd gedwarrel van omgekeerde koppen en beenen, die naar boven staken. Door het gelijkmatig verdeelde middaglicht, waren de schaduwen weinig en was er bijna geen perspectief, zoo dat voorbijgangers en Kerstkoeken schenen te bestaan in „gecompenetreerde vakken” of liever in een énkel diepteloos vak van hoogte en breedte. De rijtuigen op straat zelfs deden meê aan die diepteloosheid en de paarden liepen—om de weêrkaatsing der spiegels—zoo wel op hunne koppen als op hunne beenen. Automobielen gebaarden in dubbel dynamiesch beeld. En het gekste van dit gekste levensbeeld was, dat op de muur ter overzijde der straat een rij reclameplaten zes of zeven blauw gerokte juffrouwen vertoonde, die, identiek de eene aan de andere, zich bogen met een lijn van gratie en, gedecolleteerd, een blooten arm strekten naar het glaasje Strega-likeur, dat zij wilden aan bevelen. Om het gemis aan diepte-licht waren deze zeer groote, half naakte, blauw gerokte juffers een vlak-bije horizon van monsterachtige wezens vlak achter het spiegel-gebroken straatgewoel en ook zij waren doorsneden door de lange rij tulband-achtige Kerstkoeken. Een groot nummer, 18, dat van het overzijdsche huis (misschien was het een ander nummer...) deed zeer futuristiesch-kabbalistiesch ter zijde der blauwe juffen aan.
Dit alles zag ik met eigene oogen, terwijl ik mijn vermouth dronk. En ik begreep in eens, dat ik aanschouwd had een prachtig geval voor een futuristiesch schilder, een geval, als het moderne leven wel meer onze nieuwste artiesten zal geven...
Maar „schoonheid” vond ik nièt in het geval en[33] Sentimentalisme even min. En vooral om het gemis van het laatste vermoed ik, dat dit straatgeval mij niet zoo heftig dynamiesch aan deed als het Soffici of Carrà zoû hebben aan gedaan.
En voelde ik het zóo dor in mij, dat ik meende liever de Uffizi eens in te loopen om mijn Sentimentalisme zoowel te gelijker tijd te voeden als te verpuren...
Want in de Uffizi is het zuiverder aan te kweeken dan in een cinema en wij moeten niet vergeten, dat wil het een kracht zijn tegen het koude, dorre, maar ijverende, maar jeugdige Futurisme... het vooral een zuivere, een hooge, een edele kracht moet zijn en van Sentimentalisme Sentimentisme moet worden.
[34]