DE MASKERS.
Reading edition
Het was zeker wel iets heel aardigs in de Pergola—het oudste maar steeds elegantste theater van Florence—de Maskers, de Italiaansche Maskers, te zien herleven. Wij hebben ze vooral gezien in de stukken van Goldoni. Ik kende Goldoni eigenlijk al heel weinig; in mijn Italiaansche lessen bij mijn vader had ik, een éeuw geleden, wel eens Goldoni in gezien maar hij had mij verveeld en nu dat hij zich aan mij geopenbaard heeft op een Italiaansch tooneel, heeft hij mij daar-en-tegen niet anders dan geamuzeerd, vind ik die achttiend’-eeuwsche „oude pruik” wel een heel geestig en zelfs fijn psychologiesch auteur, te vergelijken met Molière en daarbij nog bekorend door een zeker eigenaardig en fijn parfum in stijl en manier, iets dat waarlijk allerliefst was, delicaat en exquis. Een stuk als „Schoonmoeder en Schoondochter”, dat zoo lichtelijk had kunnen ontaarden in flauw conventioneele klucht, was alleraardigst van fijn ouderwetschen, achttiend’-eeuwschen humor en zielekennis, terwijl de „Verstandige Vrouw”—een achttiend’-eeuwsche Griselidis-geschiedenis—misschien nog bekorender was omdat een absoluut nièt modern maar toch wel in vroegeren tijd bestaanbaar en zeer lieflijk en daarbij geestig vrouwekarakter ter scène gebracht werd: de „verstandige vrouw”, die véel duldt van haar echtgenoot omdat ze hem lief heeft[76] en zijne vrouw is, tot zij hem eindelijk wint door haar „verstandigheid”, haar trouw, haar geest, haar lieftalligheid.
In deze aardige stukken, wier bizonder parfum ons even vergeten deden Bernstein-achtig psychologie-raffinement, Grand-Guignol-bliksemeffect en wat meer zij van onzen eigenen tijd, was de charme nog verhoogd, doordat eenige rollen gespeeld werden door de „Maskers”, zoo als dat in Goldoni’s tijd gebruikelijk was.
***
Ik heb wel eens in vroolijken Carnavalstijd gedacht—maar in Nice, niet in Florence—: denk eens, dat de wereld en het leven nièts dan Carnaval was, altijd Carnaval en dat wij allen nièts anders waren dan Pierrot en Arlekijn en Colombine, met maskerzielen, maskeravonturen, maskerlief en -leed... Een gekke gedachte natuurlijk, alleen in Carnavalspret of... idem -weemoed te denken! Maar in zoo een stuk van Goldoni zijn het leven en de wereld, zoo dan niet heelemaal, toch wel voor de helft „Carnaval” en geestig en bekoorlijk en soms gevoelvol „Carnaval”. Want zijn de deftige rollen meestal „de graaf” en „de markiezin” en zijn de jeugdige rollen meestal Florindo en Rosaura—de geliefden, die elkander „krijgen” ten slotte—de andere, de reliëfrollen komen den Maskers toe en zij gedragen zich wel zonderling Carnavals-achtig in die zelfde deftige of liefdevolle achttiend’-eeuwschheid. En zoo zagen wij tusschen de gepoederde pruiken en paniers over kanten onderhoepel, tusschen de fluweelen rok met jabot en korte broek met kuiten, tusschen mouches en complimentjes en fadeurs zich bewegen de Maskers van Pantalone, den Venetiaanschen koopman, van Arlecchino en Brighella, de twee Bergameske knechtentypen; zoo zagen wij in het zevendtiend’-eeuwsche kluchtspel der „Vergeefsche Voorzorgen”[77] den barren Capitano Spaventa, die bang is zelfs voor het houten zwaard van Arlekijn, den Bologneeschen Dokter Balanzon, wiens welsprekendheid geen einde neemt; Tartaglia, den stotterenden notaris en Colombine, het kamerkatje, zij dartelend àlle stukken door. Aardige, speelsche types, onschuldig—ons misschien bijna te onschuldig—naïve, dartele, grappige, geestige of zelfs flauwe maar steeds weldadig primitieve karaktercreaties van het theatergenie, waren zij in de stukken van Goldoni vooral charmant van kleur en carnavaleske onwaarschijnlijkheid, met eene onwerkelijkheid vól aplomb, zoo als zij zich bewogen in hunne typische, kleurige pakjes, zoo als zij de intrigue verslingerden of ontwikkelden met hunne marionet-gebaren, zoo als zij redeneerden en „facéties” verkochten, door hunne maskermonden heen. Het tooneel werd door hen plotseling zéer primitief, bijna origineel, het verloor àlle moderne vooruitgang van theatraliteit, alle latere ingewikkelde benadering van realiteit of modernste Reinhardt-stylizeering: het deed, met éen dartelen sprong terug, denken aan de eerste eeuwen, toen de mimen tijdens het Dionyzos-feest zich het gelaat fardeerden met droesem van wijn, tot Aeschulos de eerste maskers uitvond, met den tragischen grijns, die den stap op hooge tooneelbroozen, op plechtstatige cothurnen onvermijdelijk maakten. De komische grimas was in deze maskers verworden tot de zwarte tronie van Arlecchino, het gesnorde, goedige bakkes van Pantalone, de brutale snuit van, met zijn mantel arrogant wapperenden, Brighella. En door familie-moeilijkheidjes, schoonmoeder- en dochteroneenigheidjes, door cicisbeo-intriguetjes, door humeur-incompatibiliteit van boozen man en geduldige vrouw weefden de Maskers hun humor, hunne dartelheid, zelfs hun gezond verstand heen, tot het geheel werd voor ónze geblazeerde oogen en geesten een allerliefste frischheid, iets kinderlijks, een bevallig poppenspel voor groote menschen, misschien niet iederen[78] avond te genieten, maar zeer zeker als afwisseling, als iets historiesch en antiquariesch niet anders te volgen dan met bekoorde oogen en glimlach en een geboeiden geest...
***
Deze Maskers ontstonden in vroegere en latere eeuwen, in kleinere en grootere Italiaansche steden: zij ontstonden om boert en klucht, zij ontstonden ook om satire, om de waarheid ongestraft nu en dan eens te kunnen zeggen tegen vorstelijkheid en geestelijkheid. Arlecchino zelfs willen de geleerden terug brengen tot de antieke, oud-Latijnsche Atellaansche kluchten—de boerden, geboortig uit Atella, de Campanische stad, beroemd om haar quasi-dommen, droog komieken humor. Arlecchino boogt daarbij op zijne Bergameske legende: dat hij een beminde, arme jongen was, wien zijne rijkere makkers, om hem een feestgewaad te bezorgen, ieder een stukje laken of zijde brachten. Rood, geel en blauw geruit of gedriehoekt van nauwsluitend gewaad, slank en lenig, sluw en leep, is Arlecchino bij Goldoni de knecht van markies of gravin, of verkleedt hij zich ook als de bedottende Armenische koopman in antiquiteiten. Maar Arlecchino is zelfs vóor Goldoni,—waar hij contrast moet vormen met achttiend’-eeuwsche hoffelijkheid en élégance—zelve een eleganter type geworden: hij is niet zelden de dichterlijke minnaar, kinderlijk en beminnelijk, dwepend en melancholiek en benadert zoo den Franschen Pierrot: hij verwisselt dan zijn houten zwaard, waarmeê hij kapitein Spaventa (Angst)—Plautus’ ouden Miles Gloriosus—op de vlucht jaagt, voor guitaar en mandoline. Colombine wordt nièt op hem verliefd maar heeft toch wel medelij met hem en het publiek verteedert om Arlecchino’s dichterlijke weekhartigheid: het voelt de eigene betere ziel in de even geknakte, gratieuze figuur van den bont beruiten weemoedeling, die plots onder kluchtigheid[79] zijn te groote smart verbergt. Brighella, in het wit, met groene tressen en tresjes versierd, en met zijn brutaal masker met baard, is, even als Arlecchino, meestal de knecht van adellijken meester of meesteres: hij wappert laatdunkend met zijn wijden, waaienden mantel; hij rammelt met de hem toe vertrouwde sleutelbos; hij is niet op zijn mondje gevallen; hij is van alle markten thuis; dol op intrigue, is hij een onwaardeerbare dienaar voor verarmden of verliefden meester.
Dokter Balanzon, uit Bologna afkomstig, dien soms een zwart fluweelen papegaaineus maskert, is wijsgeer, geneesheer, geleerde, advocaat, astronoom, naar mate het den schrijver van het kluchtspel past. Hij verliest zich in zijn eigen woordenstroom; hij is de satire op de breedsprakige geleerdheid; geheel in het zwart gekleed, is hij met zijn kakatoe-profiel een sobere belachelijkheid, die, niet jong, daarbij wel eens verliefd wordt op de blonde Rosaura of Isabella en de verwikkeling der intrigue samen wart, tot Florindo, de jeune-premier of Leandro of hoe hij heeten moge, met de Liefde als hulp weet te zegevieren over alle „onnoodige voorzorgen” van barren vader, boozen broeder of voogd.
***
Maar een der aardigste maskers is zeker wel Pantalone—dei Bisognosi—als Goldoni hem noemt. Want in de stukken van Goldoni is deze Venetiaansche koopman meestal de Pantalone der Behoeftigen: hij is slim maar mild, hij is koopman maar met een eerlijk, goed hart, en daarbij is hij de verpersoonlijking van het gezond verstand. In zijn roode buis en broek, met zwarten mantel en baret en met vooral zijn lang gesikte masker, is hij in „Schoonmoeder en -dochter” de vader van het burgermeisje, dat den jongen graaf heeft gehuwd en niet overweg kan met de oude, pretentieuze, coquette gravin-moeder, tot dat Pantalone zijne dochter op het[80] hart drukt: heb toch tàct met zoo een aanzienlijke, adellijke dame als je schoonmoeder is; bedenk, dat jij toch maar een koopmansdochter bent, wees toch altijd beleefd en eerbiedig tegen over zoo een aanzienlijke gravin... De beredenaties van den gemoedelijken Pantalone zijn doortrokken van een vroegeren, ouderwetschen geur: standsverschil, kaste-eerbied worden er in gehuldigd met een charmanten eenvoud: als de dochter klaagt, dat zij, zelfs in huis bij haar schoonmoeder—want het jonge paar woont, naar gewoonte, in bij het gravelijk schoonouderpaar—geen voegzaam kleed krijgt trots haar grooten dot, en niet naar de conversazione meê mag, is het milde Pantalone, die haar een gevulde beurs in de hand glijdt. En zijn beminnelijke persoonlijkheid geeft aan het blijspel eene carnavaleske typeering maar eene van goedhartigheid en vooral verzoenend gezond verstand, die doen bedenken, dat ook in de carnavalswereld niet alles dol of dwaas of blague behoeft te zijn.
***
De Italiaansche Maskers zijn legio. En zij zijn meestal allen kwijnende of... geheel dood. Wie weet nog van Cassandrino en Cassandro en Coviello, wie van Facanapa, Gianduja en Menighino; wie bemoeit zich in Rome nog met Meo Patacca en Marco Pepe; zelfs Mezzettino en Pasquariello, Pulcinella, Rugantino, Ruzzante, Scapino, Scaramuccio slepen kwijnende bestanen voort. Misschien is alleen de Florentijnsche Stenterello, de droogkomieke waarheidszegger, die met zijn afgezakte kous en pruikestaartje wel eens welke klucht ook, zelfs „Charlies Tante”, op de mindere Florentijnsche planken doorspekt met would-be humor, de eenige levende onder hen gebleven. Zij waren te velen, deze grappenmakers. Zij zijn ook voor onzen tijd te naïef, te eenvoudig, te goedmoedig gebleven. Want zij waren nooit[81] scherp satiriesch, zij waren nooit prikkelend pervers; hunne hansworsterijen, amoureus of kritizeerend, bleven steeds binnen de grenzen van het hoorbare en oorbare, van het zegbare en droogkomiek-wederlegbare: op kwinkslag volgde kwinkslag: dit alles is den modernen schouwburgbezoeker te lang, te langedradig, te saai, te goedig, te peper- en zoutloos geworden voor zijn geblazeerden smaak en de Maskers, de arme, aardige, lieve Maskers, zij hebben zich meer en meer tusschen de coulissen terug moeten trekken...
Maar ze een enkelen keer weêr te zien, als wij ze in de Pergola hebben gezien, en vooral in de stukken van Goldoni, was heusch eene bekoorlijkheid. De groote, kleurige poppenkast maakte onze àlles genoten hebbende geesten even weêr kinderlijk jong...
En na der Maskers naïve spel bevroedden wij eerst weêr hoè blasé eigenlijk die moderne geesten in der jaren loop geworden zijn!
[82]