← Table of contents
Jan en Florence

DE DROOMEN.

Reading edition

Ik heb van nacht gedroomd, dat...

***

Wat is het vreemd, dat wij droomen! En wat is het eigenlijk gêk! En wat weten wij er eigenlijk weinig van! Van Eeden heeft ons in De Nachtbruid veel moois van droomen gezegd en doen denken, en zelfs Duitsche professoren,—die ik niet gelezen heb—vertellen veel van droomen, maar toch weten wij eigenlijk weinig van droomen en is het heel vreemd en heel gèk, dat wij droomen... Droomen wij eigenlijk wel ooit van mooie, lieve, dierbare dingen? Zoo ooit, zij blijven toch de uitzondering... Is de droom „als een droom”, dan waarlijk is de droom de uitzondering... Meestal zijn de droomen vreemd en gèk... Zijn wij dan de onmachtige slachtoffers van plaaggeesten en demonen? Wie weet, wie er om ons dwalen, als wij in de nacht roerloos liggen in onbewustheid? Sluipen de plaaggeesten en demonen binnen in onze voor elkaâr steeds geslotene ziel? Wie weet de geheime poorten en geheime gangen van onze zielen? Wie, waar zij open zich sluit en doortocht verleent aan subtile, duistere geesten, die als inbrekers zijn in het onbewaakte zielehuis! Er zijn de hôtelratten, die, zwart omgoten, duister dwalen door gangen en zalen en binnen sluipen in de kamers en zich achter een koffer[35] of in een kast verschuilen; des nachts zijn er ook de zieleratten, die, zwart, duister sluipen onze dan opene zielen binnen en zich verschuilen in geheime schuilhoeken om te voorschijn te gluipen als wij zelve geheel onbewust zijn... Zijn zij het, die donkere gnomen, die ons de rare dubbellevens doen leven, die meestal schoonheid en vreugde missen en willen zij ons iets brengen uit de diepte der Hel...?! Zelden houdt hen een engel tegen en ik moet wel gelooven, dat géen bewaarengel staat achter ons bedde. Zij hebben vrij ingang en spel. Zij weten voor ons op te roepen wijde kasteelen als dwaalhoven, waar wij steeds op de zelfde corridor onszelve tegen komen tot een doodzweet ons uit breekt; zij sluiten ons op in donkere hokken en geven ons dan vliegkracht, zoo dat wij òp vliegen als gevangene torren en steeds met de hoofden bonzen in de hoeken der doosnauwe cellen of zij werpen ons uit luchtballonnen, van torens, tot de ademen ons stokken of minstens jagen zij ons, zwevende, hooge trappen af in eenzame huizen. Zij doen ons ons hàasten voor vreemde reizen om toch niet te laat te komen aan huiveringwekkende stations en het is ons onmogelijk onze kleêren aan te trekken en wij vergeten telkens, telkens wat en komen altijd te laat of loopen wanhopig den trein na, vliègen hem na, zonder hem in te halen... Zij weten onze hoofden te ledigen, onze hersenen tijdelijk te rooven en met vreemde leêgtes onze breinen te vullen en er dan zelve in rond te draaien in zwarte, wijde ruimtes, die zich uit cirkelen als heelallen... of zij weten ons onvoegzaam te kleeden in drukke menigtes en obscene gebaren te hebben tegenover personen van aanzien, die alléen streng kijken en verder zich niet storen aan onze vreemde ongemanierdheid en zij laten ons plotseling stil staan, in ons hemd, op den hoek van een straat en voor ons op doemen een Groot Getal...

***

[36]

Maar het is soms of nièt alleen de gnomen en kwelgeesten toegang vinden in onze alleen in den droomslaap ontslotene ziel... Onze Dooden sluipen vaak binnen, zéer vaak... Zij gedragen zich meestal tegen over ons vreemd, en vermoedelijk begrijpen wij hen niet... De Dooden, die eenmaal lief tegen ons waren, gedragen zich in den droom niet zelden koud tegen ons en koel en toonen geen blijdschap des wederziens en schijnen ons kleine beuzelingen te verwijten, hebben ons onbegrijpbare grieven thàns tegen ons... Een Doode, die niet ons immer lief had als wij van hem verwachten mochten, nadert ons echter met een berouw en ontroering en de armen uitgestrekt en teedere liefkoozing en wij zijn het dan, die koel zijn en koud tegen over deze late betooning van liefde... Nimmer openbaren onze Dooden ons voordeelige geheimen of verklaren zij ons duisterheden van leven en dood. Zij gaan als onwillig onze zielen in en verlaten die weêr zonder heimwee. Zij laten vreemde melancholiën achter in onze ochtendmoede, wakkere zielen. Zij zijn vermoedelijk slechts binnen geleid door de kwelgeesten: ik heb soms de treurige gedachte, dat zij ons niet herkennen, als zij binnen ons zijn... Hoe kunnen zij anders zoo koud zijn, die ènkele berouwvolle Doode uitgezonderd? Wanneer zullen zij ons éens troosten, met een ènkel woord of gebaar, in ons moeilijke leven, dat ligt uitgevloeid in den tijdelijken nachtdood, als een ebbende zee aan het zand van een wijden woestijn... Zijn er dan nooit hemelsche geesten, een ènkele weldoende elf, die onze droomschimmen binnen leidt? Worden ooit binnen geleid de astrale lichamen, van wie wij beminnen en die ver zijn? Omhelzen wij óoit in den droom het dierbare wezen, dat ver is en aan wie wij dien dag zoo vaak dachten? Wiens brieven liggen bij ons hoofd, onder ons kussen, wiens liefde ons aanzag uit innige oogen, dien dag, in onzen wàkenden droom? Des nachts leidt niemand wie lief ons[37] is binnen. Geen levende dierbare vindt de geheime poort en gang onzer ziel. Een noodlottigheid doet hem die nooit vinden. En onze droom wordt nooit een beminnelijk ernstig vizioen...

***

Het blijft meestal een snelle, warrelige, dwaze kaleidoscoop, maar zonder schoonheid. De vizioenen glippen, glijden, vergaan... Kàn men orde brengen in dezen nutteloozen chaos? Is het mogelijk, dat onze zielskracht leiding geeft aan het vreemde spel, dat de geheime krachten niet leiden willen voor ons? Is uit dit verwarde zielmateriaal op te roepen schoonheid en troost? Beduiden deze cinematografische trillingen ièts of nièts? Moeten wij er henen raden, moeten wij ze begrijpen, moeten wij er henen reiken met onze onmachtige hersens en handen? Kan ik ooit droomen wat ik wil? Kan ik ooit op roepen in den droom den lieven geest, die mij waarschuwt? Zal er ooit tusschen mij en hem wederzijdsch geven zijn? Zoo hij mij een voorteeken op roept, zal ik het ooit kunnen ontcijferen? Zijne getallen, die hij mij voor toovert, reken ik hen ooit goed na? De Italiaan, naar hen, speelt zijn lotto-spel en àlle droombeelden, bij hem, zijn getal, volgens welke hij speelt. Ik speel niet en vergéet de getallen. Wie weet, wat zij mij reeds te vergeefs hebben willen spellen in onbegrijpbare cijferkunst! Wie weet hoe dikwijls ik reeds een datum heb veronachtzaamd en een rijkdom geweigerd heb! Ik weet het niet. Ik weet niets. Ik ben een slaap behoevende moede man. Ik lig neêr in donkere nacht. Mijn ziel staat open, een onbewaakt huis. Zij sluipen binnen, zij doen met mij wat zij willen... zij spelen met mij, in mij, om mij hun steeds onverstaanbaren scherts. Zij grinniken hun kwade ironieën. Ik kan niets tegen hen. Ik lig als geboeid en begrijp hen niet...

[38]Als ik ontwaak, is mijn zielehuis dicht. De morgen rijst grauw in mij op, de dag licht moedeloos op, ik voel geen levenskracht in mij, ik ben treurig, te treurig om den dag te beginnen...

Toch heb ik goèd geslapen...

***

En van nacht heb ik gedroomd, dat...

***

Of het de schuld was van Rampolla, wiens verloren testament toch heusch geen indruk op mij gemaakt heeft, weet ik niet, maar ik heb gedroomd, dat ik tot Paus verkozen was. Niets is verder van mij dan deze gekke eerzucht, in het werkelijke leven. Maar in den droom gebeurde het. Ik werd tot Paus verkozen. Ik was natuurlijk in een nachthemd, het klassieke gewaad, dat u omhult, als u in den droom iets zeer gewichtigs maar vreemds gebeurt. Een stoet purper sleepende kardinalen trad mijn kamer binnen. Hoewel die kamer vrij ruim is, zoû het in werkelijkheid onmogelijk zijn voor een stoet purper sleepende kardinalen er binnen te treden. Maar in den droom wijken de dimensies, worden wanden ijl, zijn meubels doorzichtig, boren spiegels diepe perspectieven. De kardinalen vulden mijn kamer en spiegels en de oudste beweerde, dat ik tot Paus gekozen was.

Het angstzweet brak mij uit.

—Zij zijn gek! riep ik—heel verstandig—uit. Hoe komen zij er aan mij tot Paus te kiezen!

Maar de kardinalen knikten zeer gewichtig, dat ik gekozen was.

Ik had het stikkend warm in mijn zoo passend gewaad.

—Ik weiger! riep ik fier, tot de kardinalen.

Zij meesmuilden als alleen in den droom kardinalen[39] kunnen meesmuilen. Maar achter mij voelde ik mijn vrouw verschijnen. En zij boog zich aan mijn oor:

—Je kan dat zoo niet weigeren, fluisterde zij. Er is een groot traktement aan verbonden...

Ik dacht na. De slotsom mijner overdenkingen was, dat ik van meening veranderde en uit riep:

—Ik neem aan!

De kardinalen herademden. Ik had hen willen vragen hoe groot mijn Pauslijk traktement was. Ik deed het niet, uit discretie. Het zoû vermoedelijk nog al aangenaam zijn en ruim. Zij waren nu om mij bezig met allerlei pontificale gewaden. Zij schenen mij voegzaam te willen kleeden, waar in zij gelijk hadden. Ik was nieuwsgierig naar al de Latijnsche namen dier verschillende kleedingstukken en vroeg ze aan de kardinalen. Zij fluisterden mij ze in maar ik verstond ze niet. Ik kreeg een prachtig kanten koorhemd aan en een wit brokaten kazuifel en een goud brokaten dalmatiek en zij hingen nog allerlei dingen van goud en borduursel om mij en aan mij. Plotseling fluisterde de oudste kardinaal tot mij:

—Wij leiden je (sic!) nu naar de kerk, maar straks komt de kardinaal-staatssecretaris met je praten over de politiek...

Heete rillingen liepen mijn rug over. Maar wisten ze wel, die kardinalen, dat ik niet eens Katholiek was!! Een vrijdenker, neen, een heiden, een aanbidder der antieke goden! En de politiek, van af een Vaticaansch standpunt? O God, o God, riep ik in stilte, sta mij bij! Wàt moet ik straks zeggen...!

Het werd een cauchemar. In de verte opende zich een kerk. Maar het was nièt de St. Pieter. Er klonk vaag orgelgerommel, er klonken doffe stemmen van zingende menigte...

—Ze zijn gèk, dacht ik nog eens; mij tot Paus te hebben verkozen...!

De mooie gewaden wogen heel zwaar. En wàt zoû[40] ik in Godsnaam straks zeggen tegen dien kardinaal-staatssecretaris!!

De nachtmerrie—het wàs er nu eene—verpletterde mij. Ik woû niet dom en belachelijk straks zijn... Ik zoû met dien kardinaal-staatssecretaris straks spreken... over de politiek! O God, o God, het was verschrikkelijk!! Wat had ik gedaan! Hoè had ik dat kunnen aannemen... zelfs om een aangenaam en ruim traktement!

—Ik zal ten minste waardig binnen gaan, schroefde ik mijzelven op, want ik beefde van angst op mijn voeten, die in blanke muilen staken.

Ik vouwde mijn handen waardig, precies zoo als ik dat wel eens den Kardinaal-Aartsbisschop in Florence had zien doen, in den Dom. En voelde mij dièp ongelukkig, om mijn vrijheid, die weg was, om die zware kleêren, die vreeslijke komedie, om dien kardinaal-staatssecretaris, die straks met mij zoû komen onderhandelen... over de Vaticaansche politiek!!

***

En toen werd ik wakker. Het was benauwd in de kamer en buiten zwoelde scirocco. En mijn edredon lag héel zwaar over mij heen. En ik voelde mij klam van lichaam en zwaar van hoofd...

Maar, o God, de zàlige verrukking van, wakker, niemand meer te zijn dan mijn arme zelf... en geen Paus meer te zijn, géen Paus!!!

[41]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings