← Table of contents
Jan en Florence

LENTESTEMMING.

Reading edition

Het is wel heel flauw maar het is nu eenmaal zoo: als de temperatuur iets milder wordt, als het felste van winter voorbij is en de lucht iets zoeler blauwt, als de mimoza hare trossen te gelen aan vangt en de sering te groenen haar blaadjes, dàn... gaat de dichter van de lente zingen! De goede man heeft het al jaren—om niet te zeggen: eeuwen—gedaan; hij is er dikwijls belachelijk om geweest: hij deed het òf te vroeg, als zijn toehoorder nog rilde bij de kachel òf te laat, als de lente eigenlijk reeds lang zomer had moeten zijn en in Italië doet hij het reeds in Februari, omdat werkelijk ieder Februari-zonnetje er reeds lente-achtig aan doet. Hij doet het ieder jaar en scheidt er nóoit meê uit want het is plus fort que lui en hoe meerdere jaren hij het gedaan heeft, hoe minder hij het kan nalaten: nauwlijks rilletrilt de lentestemming in de lucht of... jawel, daar heb je het weêr: onze dichter vat weêr zijn luit of lier en zingt weêr zijn oude liedje.

***

Beste lezer, laat den stakkert dat nu maar doen en bespotten wij hem niet te veel. Het is nu eenmaal een zoete manie van den armen kerel, om zich en ù voor[62] den gek te willen houden met de bloemetjes en de vogeltjes en het in zijne povere verzen te doen voorkomen, dat hij erg veel pleizier heeft met het leven voort te gaan omdat hij zijn oude winterjas weg bergen kan in de naftaline. Maar wij, die géen dichter zijn, die meer praktiesch dan theoretiesch ofschoon ook meer filozofiesch dan poëtiesch zijn aan gelegd, laten wij—zonder zonder ons voor den gek te laten houden door de lyrische ontboezemingen van den dichter—nu eens nuchter met elkaâr beschouwen, wat onze „lentestemming” eigenlijk is, als we een oogenblik de bloemetjes en de vogeltjes eens kunnen vergeten.

Welnu dan, toen wij van morgen op stonden en onze ramen openden, waarlijk, rilletrilde lentestemming in de lucht, maar de eigenaar van ons hôtel of villa—is ù nog zoo ouderwetsch in uw eigen huis te wonen??—had direkt van die lentestemming geprofiteerd om de centrale verwarming stop te zetten en daar het in huis meestal niet zoo spoedig lente is als buiten, was het bepaald koud in onze slaapsaletten en bibberden wij meer bij ons toilet, dan in de strengste winterkoude. Dit is natuurlijk iets van geen belang, als mimoza-twijg geelt en seringblad groent en mag ons ook niet in onze lentestemming fnuiken: laat ons echter niet zóo enthoeziast zijn als onze dichter en bergen wij ònze wintergewaden nog niet in de naftaline; geloof me, de dichter is al verkouden geworden van louter enthoeziasme.

En zien wij nu in den spiegel. Het blauwere licht uit den hemel valt in ons trouwe glas, dat ons vaak onze winterfacie weêrspiegelde. Die winterfacie... wij hadden ons er aan gewend; het was een eenigszins ernstige, bedrukte winterfacie, die, als zij geschoren, gewasschen, verzorgd was een zekere deftige gerezigneerdheid vertoonde aan den (beroerden) winter... Nu, dat wij echter in de lentestemming blikken in ons spiegelglas, met een beetje naïve vreugde in oog en[63] glimlach, nu... schrikken wij van het ons toe gekaatste lente-gelaat, dat ons eigen schijnt te zijn! Ons teint is er met den winter niet rooskleuriger op geworden, enkele hanepoten méer om onze oogen zijn niet te ontkennen—of zoû het alleen de weêrschijn zijn van dat onbefloerste lentelicht?—en geheel onze naïef vreugdige uitdrukking heeft iets... belachelijks verkregen, bijna zoo belachelijk als de lenteverzen zijn van onzen armen stakkert van een dichter. Enfin, wij zullen bij alle deze kleinigheden nu maar niet stil staan en om een anderen indruk te verkrijgen, dan die ons tragiesch lente-gelaat ons inprentte in onze teleurgestelde ziel, weiden wij een vagen, cirkelvormigen blik over onze kamer. Onze kamer in lentelicht, onze kamer in lentestemming. Wat is het behang verschoten gedurende den winter! Wat hebben onze winterpassen het tapijt af gesleten! Wat zijn onze meubels dof en oud! Wat is zelfs onze spiegel getaand! Hoe beduimeld en moê zijn die boeken! Wat een stof ligt er in dàt kleine hoekje daar: hoekje zelfs niet zichtbaar in winterstemming geweest! Die aquarel daar... hoe vaal is haar tint! De fotografieën... zijn zij verbleekt? Welk een waas van vergaanheid ligt er over heel die arme kamer, die we toch zoo beminden! Het is of uit alle hoeken de spinnen van Emeralda zullen te voorschijn kruipen om éen groot webbe te weven over onze kamer en haar tot het Verleden te maken! En... als we niet oppassen, dan zijn wij er zelve ook bij, met onze naïve, tragische, en even belachelijke lentegelaten. Enfin, never say: die! Never give up! Corraggio, avanti, Savoia! Laten wij ons, in de lente, niet treurig doen stemmen door ons gelaat en onze kamer. Ik ben overtuigd, dat als wij ons met zorg hebben gedost, en de straat op zijn getogen, ons hart bonzen zal van lentestemming. Vooruit dus en een bevallig voorjaarskostuum worde samen gesteld! Kasten worden geopend, koffers zelfs. Wèg met dat[64] zware wintergoed! Maar... daar de vroege lente ons verrast heeft vóor wij op weg waren naar onzen tailleur, moeten wij het wel heden doen met een pakje van het vorige jaar. O wanhoop, hoe valt het ons tegen, dit toch in Oktober nog zoo dierbaar weg gelegde demi-saisonnetje en dit even lente-achtig gestreepte jasje! Of is het weêr dat lentelicht uit de blauwende lucht? Maar dan is dat lentelicht iets erbarmingloos en ik begrijp niet, dat ik in mijn dassendoos geen enkele das vind, die mij dat zelfde licht, in geribde zijde of soepel satijn, ietwat sympathiesch terug spiegelt!

O tragische lentestemming, lezer, voor ù en mij, die géen dichter geboren zijn en niet de gewoonte hebben dadelijk, in Februari, al te dwepen met de bloemetjes en de vogeltjes, om het „renouveau” van ons beider harten er nu maar heelemaal buiten te houden. Want, wees overtuigd, als wij—zulke prozaïsche menschen als gij zijt en ik—van morgen op nieuw verliefd werden, zoû het voorwerp onzer lentevlamme, als ons eigen gelaat, als onze kamer, ja als ons vestonnetje, en onze das, ons met den tweeden blik onzer critische oogen desilluzioneeren, en meer dan das, kamer en wezen zoû ons eigene hart en ziel ons belachelijk en stoffig en glansloos voorkomen! Want het lentelicht, want de lentelucht, want de lentestemming, helaas, zijn erbarmingloos en al behoeven we niet dadelijk den zelfmoord te plegen, die de statistiek ons als menigvuldig aanwijst in het getijde der bloemetjes en vogeltjes... ontmoediging sloop wel in ons binnen en ik vrees, dat wij eerst véel massage moeten verduren om onze winterrimpels—ten minste voor onze illuzie—wèg te wrijven, groote-schoonmaak moeten hebben doen houden en naar onzen tailleur en chemisier moeten zijn geweest, vóór wij werkelijk in „ònze” nuchtere, wufte lentestemming zijn kunnen komen...

***

[65]

Ik geloof eigenlijk, dat daarom onze belachelijke dichter gelijk heeft. Kijk, wij—gij en ik—wufte, nuchtere, poëzielooze menschen, wij kunnen wel eens ongelijk hebben, door ons zoo te laten van de wijs te brengen door een onbefloersten schijn van nieuw lentelicht: over ons zelven, over onze dingen en zielen en kleêren. Ten minste, héel gelukkig waren wij niet van morgen, en hoewel wij het beste hopen van de massage, al die boodschappen, die wij te doen zullen hebben, zijn héel vermoeiend en na die vermoeienis kunnen wij ons niet eens uitstrekken op onze chaise-longue, daar Mietje of Diomira met dwijl en emmer reeds verschenen is aan den horizon. En daar ik, o beste lezer, o prozaïsche lezer, o gij over uw wintergelaat, stoffige kamer en kostuum van verleden jaar tobbende lezer, altijd probeer gelùkkig te zijn in dit soms heel erg ongelukkige leven, heb ik het snoode plan u van daag stiekum in den steek te laten en mijn armen, ouden, belachelijken dichter op te zoeken! De goede kerel, in zijn zolderkamertje—waar heelemaal geen chauffage-central is—zal mij vermoedelijk ontvangen in zijn oude winterpak, met héel veel stof en beduimelde dichtbundels om zich heen, maar wij zullen niet lang op zijn mansarde verblijven; wij zullen zelfs de stad ontvluchten en omdat ik toch altijd schatrijk ben, zal ik hem op een auto trakteeren, zoo dat hij ten spoedigste er uit is... Laat mij u verzekeren, dat het gehobbel over Florences ellendige buitenwegen hèm heelemaal niet uit zijne „lentestemming” zal brengen; laat mij u verzekeren, dat hij, trots de benzine-stank van onzen taxi niets anders zal ruiken dan de lente-aromen van Fiesole’s allerliefste viooltjes en dat hij eenmaal, op de cypressenheuvelen, die nieuw groen kegelen tegen de blauwe lentelucht, ieder jaar zoo belachelijk door hem bezongen, alleen ooren zal hebben voor die vogeltjes, voor die vervelende lentevogeltjes, die ieder jaar hun nestje bouwen en ièder[66] jaar hun eitjes leggen, welke eitjes ièder jaar mijn arme, oude poëet weêr met nieuw enthoeziasme bezingen gaat... Weet ge, ik zal hem niet storen. Ik zal hem rustig laten liggen in het gras van den tuin der goede Franciscaner-broeders. Ik zal hem daarna mede nemen naar de ruïnes der antieke arena en misschien zal hij er een vizioen van de vervlogen antieke eeuwen zien. Ik zal er zelfs geduldig hooren naar zijn ontboezemingen, naar zijn ieder jaar reeds gehoorde lyriek, over de vogeltjes, over de bloemetjes. Zelfs over die van zijn altijd jonge hart. Ik zal zèlfs niet lachen als de goeiert me gaat vertellen van zijn „liefde”, in een gevoelvol sonnet. Want weet ge, eigenlijk hoû ik wel van den sukkel en word ik—om het ù nu te verklappen, maar niet oververtellen, hoor!—een beetje weldadig sentimenteel aan gedaan door àl den onzin, die hij jaar in jaar uit maar voort gaat ons op te dreunen: van de bloemetjes en de vogeltjes en van de lente en van zijn hart...

***

Maar als ge misschien mórgen-ochtend—ik ben overtuigd, dat het mòrgen-ochtend weêr „winterstemming” zal zijn (heel gerezigneerd over mijn gelaat, kamer, toilet en ziel)—als ge misschien mòrgen-ochtend, met grauwe lucht en een parapluie, meê wilt gaan naar onzen tailleur en chemisier, dan zouden wij het een en ander reeds kunnen bestellen om geprepareerd te zijn op een volgende lente-attaque, dan kan Mietje of Diomira op haar gemak groote-schoonmaak houden en dan zullen we onze nieuwste rimpels maar niet te véel tellen, vooral omdat onze kamers dan wat schooner zullen zijn en onze lentegewaden zich zéker zullen geëigend hebben aan zoo een dreigende „lentestemming”, vooral als wij niet vergeten elkaâr een boeketje Fiesolaansche viooltjes in het knoopsgat te steken...

Ze te bezingen, behoeven wij niet: dat doet voor ons wel onze arme stakkert, u weèt wèl, onze oude poëet.

[67]

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings