KORTE NOTITIES.
Reading edition
De spreeuwen zijn plotseling weg... De zwarte demonenhorde is plotseling vervlogen. Op een middag, als ik uit wil gaan tegen zonsondergang, om de rozige en blauwe tinten te genieten, die smelten door het opaal heen van mist, dat op wemelt uit de Arno, zegt Antonio, de portier, tegen mij:
—Heeft u wel gezien, meneertje, dat de spreeuwen niet zijn terug gekeerd.
Ik kijk naar de lucht: het is waar, de vreeslijke vogels, die op dit uur gedurende twee maanden een hellekrocht hebben gemaakt van onzen tuin... zijn niet terug gekomen. Op de straat kijken de menschen, de badauds van Florence, ook naar de lucht en te vergeefs.
—Komen ze misschien niet wat later? vraag ik.
—Neen, zegt Antonio beslist, die het schijnt te weten. Ze zullen niet meer komen. Ze zijn weg...
—Waarheen? vraag ik en wacht mij wel aan Antonio te vertellen, dat ik hoogst lyriesch heb gefantazeerd over vogels, vogelestrijd en vogelnoodlot...
—Naar Sicilië, zegt Antonio. Ik ken Sicilië als mijn zak. Die vogels, die duizende spreeuwen, gaan nu naar Sicilië, waar zij gaan nestelen en eieren leggen, tusschen de rotsen aan zee. En weet u hoè ze gaan?
—Neen...
[55]—Is u wel eens de zee over gestoken?
—Jawel, Antonio. Ik ben van Napels naar Palermo gegaan...
—Welnu, zegt Antonio; die spreeuwen, die gaan net als u. Per stoomboot.
—Per stoomboot?!
—Ja, ze nemen àlle stoombooten, die disponibel zijn. Ze bezetten iederen mast en ze reizen zoo, zonder zich te vermoeien. Ze denken vermoedelijk, dat die stoombooten met masten er voor hen zijn...
—Wat een gekke beesten! Maar waarom, Antonio, overwinteren ze hier? vraag ik, die altijd het naadje van de kous wil zien. Het is toch in Sicilië altijd zachter dan in Florence??
Antonio peinst na.
—Ze zullen van reizen houden, meneer. Net als u. De dieren en de menschen, dat is alles precies het zelfde.
—Maar waarom reizen ze dan niet naar Afrika? Daar hebben ze toch meer warmte en...
Antonio vindt mijn vraag heel bedenkelijk en moeilijk op te lossen.
—Ik weet het heusch niet, meneer, zegt hij verlegen. Maar heusch, nù gaan ze per stoomboot naar Sicilië om nesten te bouwen en eieren te leggen...
Ik maak een vaag, Italiaansch gebaar, dat „pazienza” beteekent... En ga door... Boven mij blijft de hangende tuin geluideloos... De spreeuwen zijn niet meer terug gekomen en de verjaagde musschen... weten nog niet, dat de spreeuwen—over wie ik zoo lyriesch heb gefantazeerd—de stoomboot hebben genomen naar Taormina en Syrakuze om tusschen de rotsen te nestelen en eieren te leggen...
***
Wij hebben van morgen met Papini kennis gemaakt. Hij is met Maurits Wagenvoort bij Gilli gekomen om[56] onze kennis te maken. Hij ziet er heelemaal niet uit als een weerwolf, die naar alle vreemdelingen bijt. Hij is ook niet zoo leelijk, als hij zelve meent in Un Uomo Finito. Hij is klein, een beetje bleek, even schuchter, een tikje verlegen en zijn krulharen, waarop hij trotsch is, krinkelen langs den rand van zijn hoed. Ik heb hem gezegd, dat ik zijn boek zoo mooi vond en hem zoo sympathiek vond, al woû hij mij in de Arno smijten. Toen heeft hij even bleekjes geglimlacht. Hij heeft niet veel gezegd, maar wat hij zeide, zeide hij met een zachte stem. Hij ziet er heelemaal niet zoo brutaal en woest uit als hij wel eens schrijft. Hij heeft bijna een Noordelijke ziel en ook zijn tengere lichaam en zijn bruine krulletjes zijn niet Italiaansch. Hij is voor mij niet Italiaansch maar toch wel sympathiek. Ik zeide hem, dat hoewel ik geheel van hem verschilde, ik toch iets broederlijks in hem gevonden had, toen ik zijn boek las... En toen heeft hij weêr bleekjes geglimlacht. Hoewel hij even verlegen is, bijna schuchter, heeft hij toch iets trotsch. Ik geloof, dat hij, op dit oogenblik, de innigste, de stil in zich gevoelvolste, misschien wel de grootste schrijver van Italië gaat worden.
Ik heb nooit bij een Italiaan zoo een Noordelijke ziel van halftint ontmoet...
***
Het is op eens lente geworden... Maar het zal wel niet zoo lang blijven. Ik heb met wellust mijn pels, mijn dikke jas, mijn dunne jas, alle bouffantes en écharpes naar de maan verwenscht en ben er op uit gegaan zonder iets van hunne vervelende bescherming. Tot wanhoop van mijn vrouw.
—Moet je weêr ziek worden? Om zoo te loopen? Het is toch maar Februari!
Het is gek, maar ze blijven me altijd beschouwen[57] zoo een beetje als een stout kind. Het wordt nu heùsch te gek. Iedereen weet mijn leeftijd en ik wil uitgaan zonder overjas als het mij belieft.
Mijn vrouw laat mijn dunne jas brengen in de loge van Antonio.
—Antonio, als meneer het op straat in eens koud krijgt, kan hij gemakkelijk even zijn jas halen, hoor ik haar zeggen.
... Je begrijpt, dat ik op straat, ook al vind ik het te koud zonder jas, te trotsch zal zijn om dat te bekennen... En dat de dunne jas dus in allen gevalle op Antonio’s bed zal blijven vertoeven.
Op straat is het... inderdaad frisscher dan ik mij had voor gesteld. Geen nood... je loopt ièts vlugger, zonder jas. Ik zie met minachting naar iedereen, die nog een jas draagt. Je ziet zelfs nog wel een pels! Wat een koûkleum! Voor dames is bont een coquetterie, voor heeren wordt het een zware, belemmerende bejaardheid. Wat loop je vlug, zoo in de lentekoû, in het bleeke zonnetje, zonder jas! Als ik een kop chocolade gedronken heb bij Gilli en drie pasteitjes heb gegeten, ben ik heerlijk warm. Het is lente...
Ik loop in bij den bloemist en vraag hem of de bloemen goedkooper zijn geworden. Gedurende Januari mocht ik geen bloemen koopen: ze schenen te duur te zijn. Nu heb ik twaalf arums durven bestellen. Ze zijn zulke decoratieve bloemen in een groote, wijde vaas, net zwanekoppen en halzen, op de beweging hunner lange stengelen, zoo tusschen hunne eigene waterplantbladeren in.
Morgen steek ik ook een anjelier in mijn knoopsgat. Van daag vond ik het nog te gek: zoo een éerste bleeke lentedag... Maar dan, wie weet: morgen regent het misschien...
Maar van daag, hè, je herleèft...!!!
***
[58]
Ik had vergeten, dat het Carnaval is. Want in Carnaval-dol Nice zal je nooit het Carnaval vergeten. Maar in Florence, in Italië, waar „Carnevale” samen hangt met schouwburg-opening op Santo-Stefano-dag en Carnaval dus maanden duurt zonder ooit heel aardig of gezellig Carnavalesk te worden, vergeet je Carnaval...
Toch, niet iedereen. Gisteren nacht kwam ik thuis van de opera, tegen éen ure. En liep ik terug door het kleine Spada-straatje, wel eens verheerlijkt in deze bladen. En op den hoek van het kleine Moro-straatje—vlak op den hoek waar rijst mijn paleis—trof mij zachte muziek. En herinnerde ik mij, dat het Carnaval was.
In waarheid, daar op het nauwe hoekje van de twee stille straatjes, stond een troepje mannen en groote jongens. Een had er een mandoline en begeleidde de guitaar-melodie van een ander. Zij waren geen wandelende muzikanten: zij waren eenvoudig uit voor hun pleizier, met hunne instrumenten. Om hen had zich wat nachtpubliek verzameld en in het midden daarvan dansten drie paren mannelijke sekse met elkaâr. Vrouwelijk element scheen naar bed, want ontbrak.
De muziek tingelde en tengelde beminnelijk zacht op, daar op dien hoek, waar juist mijn paleis verrijst. Het nachtpubliek was vol stillen aandacht. En de drie paren dansten met ingetogen genieting, met week, droomerig rythme, met wellust om dansen en enkel dansen in sierlijke samenlijning. Er was een soldaat bij en die danste met een zwartkrulligen jongen en die dansten te samen of hunne levensbestemming samendansen was. Hun rythme was tusschen de nauwe, donkere huizen—de katten keken toe van de dakeranden—als een golf stil, ingetogen levenspleizier. Er was niets buitensporigs aan, niets karikaturaals, niets obsceens. Het was heel innig, zacht, vreugdig en mooi.
—Het zijn Milaneezen, waardeerde het nachtpubliek,[59] nu en dan uit spiedende of politie nader kwam...
Ik waardeerde mede, niet wetende van Milaneesche dansreputatie. En toen de muziek af trillerde en de dansers stil hielden, zeide ik tot den soldaat:
—Je danst goèd... met je vriendje!
De soldaat glimlachte mij, gelukkig van dansgenot, toe en zeide hoffelijk:
—En nu... zeker met ù?
En hij boog reeds zijn armen om mij heen en beval:
—Avanti, la musica!
—Neen, neen, weerde ik zachtmoedig af. Het is wel Carnaval maar zie je... ik wóon hier boven, in het paleis, en...
En bij mijzelf bedacht ik snel, dat kruideniertje, schoenmakertje en wie weet nog meer—àllen, die mijn gedistingeerde persoonlijkheid kennen in Spada-straatje—wel ergens in dien donkeren straat uit een raam konden gluren, bedacht ik, dat Antonio, onze deftige portier, ja, mijn eigene vrouw, zoo ze zich buigen zoû op dit nachtelijk uur uit haar venster, mij jùist op dien hoek, in een twijfelachtig lantarenlicht, zoû kunnen zien dansen bij guitaar en mandoline, met een soldaat, tusschen nachtpubliek en ging tevens de navrante spijt door mij heen, dat ik in Nice bèst had kunnen dansen op straat of plein met een piou-piou, maar in Florence, aan den voet van mijn paleis, niet!!
En weerde ik dus zachtmoedig af...
Maar het scheen zonder veel energie. Want de soldaat herbeval:
—Avanti, la musica!
Er scheen iets medesleepends te schuilen in guitaar en mandoline en in den danslust van den Milaneeschen infanterist, want vóor ik het wist, schetste ik reeds, zoo rythmiesch ik het vermocht, ènkele luchtige fantazie-walspassen met mijn soldaat... dàar, op den hoek van Spada en Moro, onder de elk oogenblik open[60] dreigende vensteroogen van... mijn paleis, nachtpubliek om mij heen en de katten nieuwsgierig toe ziende van de dakeranden...
Thuis vond ik mijn vrouw maar even wakker, doorzongen haar slaap van mandoline- en guitaarmuziek, die waarlijk zònder burengerucht was volvoerd, zóo artistiek en bescheiden...
En dorst ik haar niet vertellen, dat haar echtgenoot om éen ure ’s nachts, op hoek van Spada en Moro, bijna onder hare vensters, Carnaval had gevierd,—o, èventjes maar—met een infanterist uit Milaan. Want Carnaval en Carnaval zijn twee en Florence en Nice zijn twee en wie spreekt van zijn paleis, mag ’s nachts niet dansen op den hoek bij dat paleis...
Maar ik geloof wel bijna zeker... dat niemand van de Spada-bewoners het gezien heeft en de katten zijn zoo discreet...
[61]