VI. Indeeling.—Op Passar Senin.
Reading edition
Volle veertien dagen gingen voorbij, alvorens de indeeling van het detachement, aangebracht door de Fernandina Maria Emma, bij de bureaux van het Militaire Departement was tot stand gebracht. Bij aankomst van zoo’n troep waren dan ook destijds de werkzaamheden talrijk; want er moest op zoovele aanvragen en verlangens gelet, en die in verband zoowel met de belangen van de dienst als van de betrokken personen gebracht worden. Nauwelijks toch was zoo’n detachement geland of staten werden gevraagd van de verschillende ambachten of bedrijven, die door de manschappen voor hun in diensttreden beoefend waren; en waren die eenmaal ingediend, dan regende het aanvragen van allerlei aard. De kapelmeester van de stafmuziek had gebrek aan een paar esklarinetten, en had vernomen dat een paar artisten onder de nieuw aangekomenen waren; de sergeant hoornblazer van een der bataillons op Batavia kwam in concurrentie met de stafmuziek, wel niet voor een esklarinet, maar bij zijne kapel ontbrak een saxhoorn, en hij verzekerde den luitenant-adjudant van het bataillon, dat die nu kers-versch uit Europa was aangekomen. Ja, maar die luitenant-adjudant had aan meer te denken dan aan dien ontbrekenden saxhoorn; de korporaal schoenmaker van het korps drong op het bekomen van werklieden aan, hij kon onmogelijk de reparatie af. Zeker waren er schoenmakers bij het aangekomen detachement, maar bij andere korpsen was ook gebrek; de zadelmakers bij de veld- en bergbatterijen en het regiment Oost Indische kavalerie hadden werklieden noodig; de artillerie-constructiewinkel deed ook zijn eischen hooren. En zoo ging het met ieder handwerk, met ieder bedrijf. De genie had behoefte aan timmerlieden, aan smeden, aan aardwerkers, aan ververs; de artillerie en kavalerie aan hoefsmeden; de bureaux van het militair departement en van de intendance aan schrijvend personeel; de chef van den geneeskundigen dienst liet informeeren of er geen apothekers-leerlingen of geen hospitaal-oppassers onder de nieuw aangekomenen schuilden. Zelfs van de civiele diensten kwamen aanvragen in. Zoo vroeg b.v. het departement van Burgerlijke openbare werken, of er geen teekenaars beschikbaar waren. Zoo informeerde de chef der telegrafie of er geen ontwikkelde jongelieden bij dien tak van dienst wenschten over te gaan. En die allen vroegen met nadruk en klem en deden bij hunne aanvragen ’s lands belangen hard klinken.
Toen dan ook de indeeling tot stand gebracht was, en uitgevoerd zoude worden, spatte het detachement, door de Fernandina Maria Emma aangebracht, uit elkander, en restte maar een betrekkelijk heel klein gedeelte van die 180 mannen om bij de infanterie, bij die reine des batailles, die er toch het meeste behoefte aan had, over te gaan. Maar ook dezen werden heinde en verre verspreid en, zoo zoude weinige dagen later een troepje op reis zijn naar Padang of naar Palembang, een ander naar Riouw of Pontianak, een derde naar Semarang, een vierde naar Soerabaja, waarvan er weer enkelen of naar Bandjermassin, of naar Makassar of naar Amboina vertrokken, van al welke plaatsen er weer naar onderhoorige plaatsjes gezonden werden; zoodat weinige weken later dat detachement, hetwelk zeventig dagen door de Fernandina Maria Emma geherbergd was geworden, in de binnenlanden van Java, Sumatra, Borneo, Celebes, enz. enz. allerwege vertegenwoordigd werd.
Van de onderofficieren, die aan boord waren, werden verscheidene opgenomen in het aanbevelingsregister bij het Militair Departement, als geschikt om bij voortdurend goed gedrag en bij voldoenden dienstijver voor eene plaatsing bij de Militaire School te Meester Cornelis in aanmerking te komen. Dat onder die gelukkigen Frank Brinkman en Herman Riethoven behoorden, is buiten kijf. Kapitein Van Dam had omtrent hun gedrag bij de muiterij aan boord naar waarheid gerapporteerd, en daarbij zoo’n gunstig verslag omtrent de ontwikkeling en beschaving dier jongelieden gegeven, dat die opname in bedoeld aanbevelingsregister op last van den legerkommandant geschied was. Wel had zich in de eerste dagen van verblijf te Batavia de ingenieur, chef der telegrafie, bij de beide jongelieden vervoegd en hun zeer aannemelijke voorstellen gedaan om bij dien tak van dienst, die destijds op Java in staat van wording verkeerde, over te gaan, maar beslist hadden de beide onderofficieren die aanbiedingen dadelijk en zonder aarzeling van de hand gewezen; hoewel die ingenieur er op aangedrongen had, zijne voorstellen eenige dagen in beraad te houden.
„Neen,” sprak Herman, toen later die zaak tusschen de twee jongelieden ter sprake kwam, „ik heb eenmaal de uniform aangetrokken, ik wensch in die uniform begraven te worden. Ik heb den militairen stand lief gekregen.”
„Anders, die paar nachten in de arrestlokalen van het depot doorgebracht, en de kort daarop gevolgde bejegening in de Concordia zijn wel geschikt om iemand te ontnuchteren.”
„Frank,” hernam Herman, terwijl hij zijn vriend bij de hand greep, „er is een tijd geweest, dat wij dweepziekvol droomden om ons leven aan den altaardienst te wijden. Zeg, als wij het priesterkleed aangetrokken hadden, zouden wij dan ook niet een leven vol lijden, vol miskenning te gemoet getreden zijn, waarbij de zelfverloochening, waarvan kapitein Van Dam sprak, even noodig zou geweest zijn als bij de loopbaan, die wij thans ingetreden zijn. Herinnert ge u nog de fraaie verzen van Dechamps in zijn brief „à mon frère missionnaire redemptoriste”:
„Prêtre, tu fus choisir pour chambre nuptiale
La cabane du pauvre, et pour baiser le râle
D’un mourant sur son lit par le chaume abrité;
Et, scellant sur ton front Son divin caractére,
Dieu sacra de Sa main, dans ce profond mystère
Ta sublime paternité.”
„En verder:
„Retourner l’indigent sur son lit de souffrance,
Avoir toujours des mots d’amour et d’espérance
Pour ces maux que le coeur recèle dans ses plis.
Verser une eau du Ciel sur toutes les blessures,
Et puiser le pardon de toutes les injures
Aux genoux de ton crucifix.”
„En verder, verder nog!”
Herman’s stem trilde van aandoening en opgewondenheid:
„A ton habit de prètre, inspirés par la haine,
Leurs yeux n’auront pour toi qu’une rage inhumaine,
Et les petits enfants te suivront de leurs cris!…
Mon frère, ah! cette idée amère me déchire.
Que tu sois le jouet d’une foule en délire.
Et qu’un homme ait pour toi des regards de mépris.”
„Zeg Frank,” ging Herman met klimmenden hartstocht voort. „Zeg, als wij die woorden zoo hooren, en wij ons de bejegeningen, die ons reeds wedervoeren en de liefderijke woorden van den legerkommandant bij de inspectie, en de bemoedigende woorden van kapitein Van Dam bij iedere gelegenheid herinneren, komt dan niet bij je op, dat de uniformjas en de priestersoutane, hoewel in vorm en snit veel van elkander verschillende, toch dat met elkander gemeen hebben, dat zij wier borst daardoor bedekt worden, geroepen zijn om goed, veel goed rondom zich te verspreiden! om te verbeteren wat de maatschappij bedierf; maar dat zij beide aan miskenning, aan wreede miskenning bloot staan?”
„Maar, lieve dweeper.…” trachtte Frank die opgewondenheid te stuiten.
„Laat mij voortgaan, ik bid je Frank! Vindt ge niet, wanneer wij zoo iemand als kapitein Van Dam in zijn omgang met zijn ondergeschikten kunnen waarnemen, dat de officiersstand het priesterschap nabij komt, eigenlijk een priesterschap is. Mij dunkt dat die man op het oorlogsterrein voor den vijand zeer geducht moet zijn; maar voor zijne ondergeschikten een zorgvolle meerdere, die hunne behoeften meer zal behartigen, en zich omtrent hunne ontberingen meer zal bekommeren dan omtrent de zijne. Ziet ge, als ik zoo bij tijden de toekomst vooruitsnel en mijn geest op toekomstige slagvelden waart, dan na afgeloopen gevecht zie ik dien edelen chef zich over de gewonden heenbuigen, hen laven en toespreken, en dan klinkt dat heerlijke vers van Dechamps mij in de ooren, waarin mijn gemoed slechts een paar woorden verandert:
„Il tenait dans ses mains sa tète défaillante,
Pour verser un peu d’eau sur sa lèvre brulante;
Il essuyait le sang fuyant avec la vie;
Et il disait tout bas des mots a son oreille,
Ces mots qui font revivre un peuple qui sommeille:
Divins mots de Drapeau, d’amour de la patrie!”
Geestdriftvol waren die verzen voorgedragen. Met den nimbus—die door de dankbaarheid den kapitein Van Dam verleend werd,—was werkelijk het karakter van dien officier de hulde gebracht, die het verdiende. Zeker, die man zou op het gevechtsterrein na volbrachte taak zich ten einde toe van zijnen plicht kwijten, en aan zorgen voor zijne ondergeschikten zou het hem niet ontbreken.
„Maar.…” vervolgde Herman, nadat beiden een oogenblik na die laatste ontboezeming gezwegen hadden, „maar.….gij spraakt van ontnuchtering door dat verblijf in dat arrestlokaal, van ontnuchtering door die bejegening van den heer Endelbuis. Zijt gij ontnuchterd? … Waarom dan de voorstellen van den chef der telegrafie niet aangenomen?”
„Waarom?… waarom? Wel, omdat ik Adelien beloofd heb, als tweede luitenant om hare hand te komen vragen; omdat ik die epauletten, die mij zoo trotsch zullen maken, aan hare voeten wil leggen, om mij daarna onder de leiding van haren vader, in het landbouwvak te bekwamen. Neen, ik wil mijn doel bereiken, ik wil Adelien waardig worden!”
„Maar, zoudt gij dat ook niet kunnen, door telegrafist te worden? Gij zoudt wellicht spoediger uw doel bereiken.”
„Laat af met die verleidelijke taal! Welk denkbeeld zou de heer Groenewald, welk Adelien zelve zich bij zoo’n veranderlijkheid van mijn karakter moeten maken? Mij dunkt geen groot. Ik had dan even goed het voorstel van den vader kunnen aannemen en opzichter op een zijner ondernemingen worden, dat zou mij het doel nog beter naderbij gebracht hebben. Ik heb het er evenwel op gezet om als luitenant mijne opwachting bij haar te maken, wie mijn hart onverdeeld toebehoort, bij leven en gezondheid zal ik in dat voornemen niet falen.”
„Dan vooruit op de baan, die wij ons afgebakend hebben! En geen oor geopend voor het aanlokkelijke der voorstellen, die ons wellicht nog gedaan zullen worden!”
Frank en Herman bezochten wel eens samen na afgeloopen dienstverrichting Passar Senin, niet omdat zij behagen vonden in de tooneelen, die daar veelal plaats hadden; maar om in dat oord, waar het Europeesche, het Chineesche en het Inlandsche element zich, vooral op marktdagen, tot een ontzettend kluwen vermengde, kennis op te doen omtrent het land en volk, te midden waarvan zij naar alle menschelijke berekening vele jaren, waarschijnlijk een aanzienlijk deel van hun leven zouden doorbrengen. Zij beaamden, dat het beschouwen van de lagere standen van Java’s bevolking tot eenzijdige opvatting moest leiden, maar bij de onoverkomelijke kloof, die den minderen militair als een paria in onze koloniën omgeeft, waren zij thans niet in de gelegenheid meer voorname maatschappelijke schakels tot onderwerp van beschouwing te kiezen, en moesten zij zich vergenoegen met hetgeen hun ten dienste stond, evenwel met het voornemen die leemte later aan te vullen, wanneer de toekomst aan hunne wenschen zou voldoen.
Die bezoeken aan Passar Senin hadden aanvankelijk de beide jongelieden eenigen afkeer ingeboezemd jegens de wezens; maar vooral jegens de militairen, die zich daar aan allerlei uitspattingen overgaven. Maar, toen zij eenige ondervinding opgedaan hadden; toen zij van nabij gezien hadden, hoe niets gedaan werd om het kwaad tegen te gaan, hoe integendeel de verleiding en verlokking in de hand gewerkt werd; toen zij bedachten van welk gehalte de menschen waren, die men bij voorkeur voor het leger trachtte aan te werven; toen zij vernamen dat daar somtijds menschen ronddoolden, die twaalf, vijftien jaren, ja zelfs meer op de buitenbezittingen doorgebracht hadden, daar van iederen beschavingsvorm verstoken, geheel verwilderd waren, en nu bij hunnen plotselingen overgang te midden van de schadelijke uitwassen der beschaving, hunne zuinig overgelegde spaarpenningen in wilde brasserijen deden opgaan, maakte die afkeer plaats voor diep medelijden met de armen van geest, met de onontwikkelden, met de verdoolden; maar tevens ontkiemde in hunne ziel voor het eerst de gedachte, dat de bestuurders in Nederland en de bestuurders te Batavia hunnen plicht ten opzichte van Nederlandsch Indië niet deden, en dat dit plichtverzuim zijne oorzaken in de aanbidding van het Gouden Kalf vond.
Die gedachte deed pijn; zij trachtten haar te verbannen. In menig gesprek traden zij over en weer vergoelijkend op en meenden, in verkeerd geplaatste menschenmin enz. de drijfveer van sommige handelingen te ontwaren; een enkele maal bepleitten zij vermeende onmacht. Och!.… zij zouden op dat gebied in hunne loopbaan nog veel ervaren. Zij zouden veel hunner droombeelden, geheel en al den goeden waan, dien zij koesterden, in rook zien verdwijnen.
Die eerste proef had hen zoodanig verlekkerd, dat toen die verorberd was, zij eene tweede editie aan de warongvrouw vroegen. Nu evenwel slurpten zij meer bedachtzaam en namen den tijd eens rond te zien. Ja, zij zaten daar in een van alle kanten open kraampje, waarin zij voor de voorbijgangers, die talrijk waren en zich letterlijk verdrongen, ten volle zichtbaar waren. Niemand lette evenwel op hen. Dat zij een kop koffie dronken, scheen heel natuurlijk; daarenboven èn in de warong, waarin zij aanzaten èn in de rechts en links staande, bevonden zich meer militairen, waaronder onderofficieren, ja zelfs onderadjudanten.
„Wij doen er geen kwaad mee,” antwoordde Herman Riethoven op eene deswege gemaakte opmerking door Frank.
„Dat is zoo,” antwoordde deze. „Toch zou ik hier ongaarne door kapitein Van Dam of door den heer Groenewald gezien worden.”
„Wie die heer Groenewald is, weet ik niet,” sprak een onderofficier, die in hunne nabijheid zat, met een zware basstem. Het scheen een oude snorbaard, die behalve het kruis van de Militaire Willems-Orde, ook nog de zilveren medaille voor trouwen dienst op de borst droeg.
„Wie die mijnheer Groenewald is, weet ik niet; maar wanneer hij met Indische toestanden bekend is, dan kan hij ulieden, hier ziende zitten, daarover evenmin als kapitein Van Dam, dien ik ken, met een vertoornd oog aankijken. ’s Lands wijs, ’s lands eer. Lieden van onzen stand treffen hier in dit land geen koffiehuizen aan, waar zij …”
„Maar de kantine dan?” vroeg Frank.…
„Ja, laat je daar maar eens een kop koffie aanreiken,” pruttelde de snorbaard, „dan lus je gedurende zes weken geen koffie meer. Dat is echt onvervalscht lobkousenwater!”
„Wij zitten hier wel te kijk,” zei Herman lachend.
„Gezellig, niet waar?” meende de oude. „Wij worden gezien en zien ook op onze beurt. Het is hier wel aardig zitten. Kijk, daar die mooie Javaansche meid!”
„Tabeh, hati maas!” (goeden dag, gouden hartje), wenkte de oude heel galant.
De schoone stevende glimlachend voorbij, terwijl zij hare heupen in zekere „cadence” bewoog en den bos sleutels, die middels een zilveren ring aan haren rood zijden zakdoek geknoopt en over haren schouder bengelde, liet rinkelen; zij antwoordde evenwel niet.
„Een aardig kruisbootje!” grinnikte de oude.
En zich naar de jonge vrouw keerende, riep hij:
„Marri sinie hati!” (Kom hier hartje).
Maar deze vervolgde glimlachend haren weg, door den ouden sergeant nageoogd.
„Wat is dat daar voor een gebouw, daar voor ons?” vroeg Riethoven, den snorbaard, om hem van zijn „hati” te verstrooien.
De oude keek hem wantrouwend aan.
„Meen je dat krot?” vroeg hij. „Ja?.… Och, je vraagt naar den bekenden weg!”
„Neen, ik verzeker je. Wij komen heden voor het eerst op dit gedeelte van den passar,” antwoordde Herman Riethoven.
„Enfin, ik wil jullie gelooven,” sprak de oude onderofficier. „Jullie hebt er net melkmuilen naar. Zeker pas met de snertschuit aangekomen?”
Frank en Herman glimlachten, toen zij de Fernandina Maria Emma, het fraaie fregat, waarop kapitein Butteling zoo trotsch was, met den naam van snertschuit hoorden betitelen.
„Ja, wij zijn nog niet lang uit Nederland aangekomen,” antwoordde Riethoven. „Maar ik herhaal mijne vraag: wat is dat voor een krot, zoo als je het noemt?”
„De opiumkit?” vroegen de beide jongelieden te gelijk, „wat is dat?”
„Een plaatsje waar lekkertjes opium geschoven wordt.”
„Geschoven?”
„Geschoven, of gerookt, dat is hetzelfde. Voor opiumrooken zegt men schuiven, waarom? weet ik niet.”
„Is die opiumkit toegankelijk?”
„Ja, en het andere krot ook. Wilt gij ze bezichtigen? Kom, ik zal uw „maliem” (gids) zijn. Maar, oogen en ooren open; maar neus en mond dicht!” was de aanbeveling van den ouden.
Zij traden het eerst de opiumkit binnen. De aanbeveling om den neus gesloten te houden, was hier niet overbodig. Eene zoet- en weeachtige lucht doortrok hier den dampkring, en deed het reukorgaan uiterst onaangenaam aan. De bezoekers waren een soort vestibule ingestapt, als eene smerige vierkante ruimte in het bedoelde gebouw, waarop een paar vertrekjes en een lange maar smalle gang uitkwamen, dien naam verdiende. Er waren daar een paar loketopeningen zichtbaar, als bij onze spoorwegstations om de kaartjes in ontvangst te nemen, waar inlanders en zonen van het Hemelsche rijk roode papiertjes tegen gereed geld verwisselden, en daarna in den vermelden gang verdwenen.
„Maoe apa?” (wat wilt ge) vroeg een der Chineezen achter zoo’n loketje aan ons drietal.
Daar werd die zoetachtige geur, dien zij bij het binnenkomen waargenomen hadden, nog weeër. Die gang, die langs de achteromwanding van het gebouw liep, strekte zich aan de andere zijde langs eene reeks kleine vertrekjes uit, die daarvan slechts door eene omwanding en eene deur van gespleten bamboe gescheiden waren, tusschen welker reten de blik vrij in de binnenruimten dier vertrekjes kon dringen.
„Kijken!” sprak de snorrebaard.
In ieder dier vertrekjes was eene „baleh-baleh”, (rustbank), ook alweer van gespleten bamboe vervaardigd, waarop eene vuile mat en een nog vuiler hoofdkussen aanwezig waren. In de meeste dier hokjes bevonden zich op dat uur menschelijke wezens, die voor het meerendeel met opiumschuiven bezig waren. In de meest achtelooze en onkiesche houding, niet altijd behoorlijk gedekt door den sarong of de onevenredig wijde Chineesche broek, lagen zij daar uitgestrekt op die „baleh-baleh” en hadden eene opiumpijp in de hand, of namen die aan van eene deern, van het voorkomen als onze jongelieden het „hati maas” van straks hadden zien voorbijstevenen. Zij brachten die pijp,—welke uit een dikken bamboesteel bestond, met een pijpenkopje daarop, dat met het vereischte amfioenballetje voorzien was,—bij het vlammetje van een klein olielampje, dat op de rustbank stond, zogen den rook van den verbrandenden opium met lange teugen in, behielden hem zoo lang mogelijk in den mond, slikten hem dan door en lieten hem vervolgens in uiterst fijne spiralen door de neusgaten ontsnappen. Zij zagen daar de werking van het bedwelmende heulsap in zijne verschillende phasen. Hier een, die pas begon, nog slechts de eerste trekken deed; daar een meer verslaafde, die eene tweede pijp greep, omdat de eerste hare werking miste; elders een, die door de opklimmende loomheid van het bedwelmend middel bevangen werd; verder een, die reeds in verrukking de hem dienende deern voor een hoeri uit Mohammed’s paradijs aanzag, haar den arm om het middel sloeg en.…
„Mijn God, mijn God,” kreet plotseling Herman, terwijl hij Frank bij het polsgewricht greep en hem voortsleurde; „dat is te afschuwelijk! Kom meê, kom!”
„Maar, wat is er dan toch?” vroeg Frank.
„Kom maar mee! Neen, niet kijken!” voer Riethoven opgewonden voort, en trok zijn vriend naar buiten.
De oude snorrebaard volgde hem, maar wierp alvorens een blik in het hol, waarin Herman gekeken had. Daarop spoedde hij ook naar buiten.
„Het is walgelijk, dat beken ik,” zei hij op den vragenden blik der twee jongelieden, „maar dat is een gruwel, die bij dat ras niet ongemeen is.”
„Maar, wat hebt gij dan toch gezien?” vroeg Frank.
„Stil!… niet verder!” gebood Riethoven.
„Maar ik wou toch weten,” sprak Frank Brinkman.
„Hebt gij ooit begrepen, waarom het vuur des hemels op de Cananitische steden in Loth’s tijd neergedaald is?… Ja? Welnu, dat vuur had daar zoo even ook moeten neerdalen!”
„Drommels!” pruttelde de oude, „ge speelt er niet meê. Maar wat zouden de turf en de steenkolen opslaan, als er zoo te werk meê gegaan werd; want dat Chineesch zoodje hier is een vuil volkje en … ik heb mij laten vertellen, dat het in China er niet beter meê gesteld is.”
„Schrikkelijk, schrikkelijk!” sprak Frank.
„Dat zal wel overdreven zijn; want waarom zou zoo iets gedaan worden?” sprak Frank ernstig.
„Je bent erg „bodokh””, (dom) antwoordde de oude. „Waarom?… Wel om de dubbeltjes. In Holland hebben ze geld noodig en om dat te krijgen, wordt hier zoo wat de rommel vergiftigd, en.…”
„Afschuwelijk! afschuwelijk! Wij zitten in een vies schuitje!” prevelde Herman. „Maar,” ging hij met meer luide stem voort. „Maar, wat ik met genoegen ontwaard heb, is, dat ik geen inlandsche soldaten in die opiumkit gezien heb.”
De oude onderofficier barstte in een schaterend gelach uit.
„Geen inlandsche soldaten!” riep hij uit. „Wel, zij maakten er de meerderheid uit.”
„Maar, ik heb er geen een gezien,” zei Herman.
„Dat is mogelijk. Luister evenwel. Het is natuurlijk den militairen bij garnizoensorder stipt verboden, om in de opiumkit te verschijnen. Vindt eene patrouille een soldaat daarin, dan wordt hij onverbiddelijk ingerekend. Maar.… laat mij uitpraten; ook daarop weet de pachter een loopje. De inlandsche soldaten, die opium wenschen te schuiven, kruipen een der omliggende huisjes van de kit binnen, trekken daar hun uniform uit en een gereedliggende koelie-plunje aan, en betreden alsdan gerust het opiumhol. Geen mensch, die een vinger naar hen zal uitsteken!”
„Maar als ik er een herkend had,” sprak Riethoven, „dan zou ik hem bij zijn kraag gevat en hem naar de politie-wacht gebracht hebben.”
„Dat is mogelijk; maar.… dan zou het je even als mij vroeger gegaan zijn.”
„En hoe was dat?” vroegen beide onderofficieren nieuwsgierig.