Note 72 — VI. Indeeling.—Op Passar Senin.
Reading edition
„Wel, ik deed eens, wat ge daar zeidet, en ik meende mijn plicht te doen. De kerel, dien ik bij zijn nek had, spartelde geweldig tegen, wat te begrijpen is, daar veertien dagen provoost in het vooruitzicht stonden.—Maar ik had hem goed te pakken! In Gang Kenanga ontstond evenwel een opstootje. Een paar brutale Chineezen vroegen mij, wat ik met dien „prijman” (vrijman, burger) te maken had. Ik antwoordde, dat het een soldaat was. Zij beweerden van neen, en zeiden hem te kennen. Ja, ik gaf wat om de bewering van dat gespuis! Ik kende den vent, hij stond bij mijn eigen bataillon. Maar daarop liepen de Chineezen schreeuwend te hoop, haalden lange bamboestaken voor den dag, sloegen dapper op mij los en raakten mij geducht. Wel had ik mijn sabel getrokken; maar wat kon ik doen? Die ellendelingen met hunne lange bamboes bleven op twee ellen afstand van mij en sloegen maar toe. Toch hield ik mijn arrestant vast, en ik weet niet wat er gebeurd zou zijn; maar daar verscheen de schout, en vergde van mij, dat ik den man aan hem zou afstaan. Zoo deed ik en zag hem door dien Europeeschen ambtenaar wegbrengen. Twee dagen later werd ik op het plaats-bureau geroepen. Ik vond daar den schout en eene menigte Chineezen, die een mij geheel onbekenden inlander omringden. Toen ik verscheen, vroeg de militaire kommandant mij, waarom ik dien man gearresteerd had. Ik antwoordde, dat ik den fuselier Soeromongolo van het 10e bataillon infanterie gearresteerd had, dat deze man mij geheel onbekend was. De schout betuigde dat deze de man was, dien hij uit mijne handen overgenomen had. De Chineezen bezworen dat, en verklaarden daarbij dat ik „mâbokh” (dronken) geweest was en op den passar ruzie gezocht had. Ik dronken!… Ik heb nimmer sterken drank over de lippen gehad … Het einde van het liedje was, dat de Overste mij vier dagen provoost gaf met de toevoeging er bij, dat ik zoo’n lichte straf kreeg, omdat ik zoo’n bijzonder gunstig strafregister had. Ik heb later vernomen, dat hij heeft moeten toegeven aan den Assistent-Resident van Politie, die geëischt had, dat ik streng gestraft werd, omdat ik de Civiele autoriteit noodeloos bemoeielijkt had. Of ik genezen was? dat kunt ge begrijpen! En daarom, jeugdige melkmuilen,” zoo besloot de snorrebaard zijn verhaal, „spiegelt je aan mijn voorbeeld. Voor den opiumpachter buigt geheel Nederlandsch Indië.72 Zoo’n Chinees oefent eigenlijk meer macht uit dan de Gouverneur-Generaal zelf.”