← Table of contents
In het land der zon

XX. Het tentamen—Lydia getrouwd—Het examen.

Reading edition

De groote dag naderde inmiddels met rassche schreden.

De leerlingen der vierde klasse verlieten in de laatste twee maanden de inrichting niet meer. Allen zaten gedurende hunne vrije uren over hunne boeken gebogen, om door eene degelijke herhaling het geleerde nog eens te verwerken. Slechts weinigen dier jongelingen vertoonden zich aan het hek van de School, om een luchtje te scheppen, en een verstrooiden blik te wijden aan de gelukkigen der buitenwereld, die daar gedurende de koele uren van den dag heen en weer wandelden. Zelfs Serassima, de lieve bekoorlijke Serassima, vermocht slechts zelden hunne aandacht te boeien, en gelukte haar dat, och, dan was hare overwinning toch onvolkomen, daar zij slechts kortstondig nageoogd werd, en geen enkel zoet woordje haar oor bereikte. Of de lieve maagd het zich aantrok? Zij verzorgde met dezelfde nauwgezetheid de kinderen, die haar toevertrouwd waren, en liet van haar gemoedstoestand niets blijken.

Eindelijk was de dag van het tentamen daar. Het tentamen was een voorexamen, dat door den Directeur der School in alle onderwijsvakken werd afgenomen, om zich te overtuigen of zijne leerlingen degelijk gewapend in het strijdperk zouden verschijnen. Dat tentamen was dan ook in den regel zwaarder dan het examen, en werd daarom door de jongelieden het meest gevreesd. Toch liep het voor verreweg het meerendeel gunstig af; want slechts een tweetal slaagde niet, en werd onverbiddelijk door den Directeur afgewezen.

Hoewel uiterst prozaïsch en uiterst vervelend en inspannend,—zoodat de leerlingen er den karakteristieken naam: „baris bekrengat” (de zweet-exercitie) aan gegeven hadden,—bood dat tentamen toch een enkel oogenblik aan, waarin de belanghebbenden hun lachen niet konden weerhouden.

Bij dergelijke gelegenheden dicteerde de Directeur gewoonlijk de vragen, waarna hij en een der officieren instructeurs het toezicht waarnamen, om tegen stechelen en fraude te waken.

Zoo ging het ook toe op den dag, waarop de leerlingen van hunne kunde in de vaderlandsche geschiedenis moesten doen blijken. Frank Brinkman en Herman Riethoven zaten in een en dezelfde bank, evenwel niet naast elkander. Een jongman, die eigenaardig genoeg, ook zijne humaniora doorworsteld had, evenwel niet te Katwijk of te Rolduc, maar te Sint Truiden op Belgisch grondgebied, zat tusschen hen in. De Directeur had eene vraag omtrent het Tweede Stadhouderlooze Bestuur opgegeven, en zaten de jongelieden in de schriftelijke beantwoording verdiept, met des te meer ijver, naarmate daartoe slechts weinig tijd—een half uur—gegund was. Herman en Frank hadden in een ommezien hun antwoord gereed, en zaten in ledigheid het ophalen der beantwoorde vragen af te wachten. Anders was het evenwel gesteld met hun buurman. Die zat te zuchten, te zweeten en op zijn potlood te kauwen, alsof hij dat wilde verslinden; terwijl zijn vel papier vlekkeloos wit bleef. Eindelijk van een oogenblik gebruik makende, dat de opzicht hebbende officieren eenigszins uit zijne buurt verwijderd waren, zeide hij tot Frank met een wanhopigen zucht:

„Ik herinner mij van dat Tweede Stadhouderloos Bestuur geen lor.… Help mij toch.”

Dat de arme drommel er zich niets van herinnerde was te begrijpen. In de inrichting waar hij zijne opvoeding erlangd had, was er wel het allerminst werk van gemaakt, om hem op de hoogte van de geschiedkundige bijzonderheden van een naburig protestantsch land te brengen.

Frank greep in de goedheid zijns harten een klein stuk papier van weinige duimen vierkant, krabbelde daar wat op, en schoof het daarna zijnen benarden makker ongemerkt toe. Deze verborg het onschatbare stukje papier onder het vel, waarop hij zijne vraag moest beantwoorden. Bij iedere gunstige gelegenheid wierp hij een blik op het reddende geschrift, om dan met ijver zijn arbeid voort te zetten. Het scheen dat zijn herinneringsvermogen door Frank’s vluchtige aanteekeningen krachtig te hulp werd gekomen.

Maar.… bezat de Directeur valksoogen? Of had de delinquent, door zijn succes verbijsterd, alle voorzichtigheids-maatregelen verzuimd? Wie zal dat uitmaken? Op een gegeven oogenblik evenwel, dat de arme examinandus er het minst verdacht op was, verscheen plotseling eene hand voor zijne oogen, die zijn vel papier optilde, en zich van het snippertje, waarop Frank gegriffeld had, behendig meester maakte. Dat geschiedde zoo vlug, dat er zich niet tegen te verzetten was geweest.

De Directeur—want hij was het, die het bedrog opgespoord had—bekeek zijne vangst aandachtig, terwijl een glimlach om zijn lippen speelde. Eensklaps trad hij op luitenant Sopoc toe, die met hem het toezicht deelde.

„Hebt gij wel ooit zoo’n aardig stecheltje gezien?” vroeg hij, terwijl hij den luitenant het stukje papier aanreikte.

Deze nam het, bekeek het; maar zette een van verbazing vreeselijk dom gezicht, dat den glimlach van den Directeur in een gullen lach deed overgaan. Daarna keerde luitenant Sopoc het papiertje het onderste boven, en bekeek het andermaal opmerkzaam. Toen die aandacht evenmin beloond werd, en hij even wijs bleef, keerde hij het van ter zijde, eerst rechts, daarna links, om het eindelijk ook op de achterzijde te bekijken.

Bij die laatste beweging kon Frank Brinkman, die toch al alle moeite aangewend had, om niet uit te proesten, zich niet meer bedwingen.

„Kapitein?” vroeg hij aan den Directeur, „is het mij veroorloofd even buiten te gaan. Ik heb mijne vraag af.”

„Ja, sergeant Brinkman, ga buiten maar uitlachen,” sprak de Directeur goedig.

Wat was het geval geweest? Frank had de verlangde inlichting omtrent het Tweede Stadhouderlooze Bestuur behoorlijk opgeschreven; maar had daarbij van het Grieksche alphabet gebruik gemaakt, zoodat het betrapte stecheltje onberispelijk Nederlandsch bevatte, evenwel met Grieksche karakters geschreven. Was het te verwonderen dat luitenant Sopoc dom keek? Dat Grieksch was in de volle beteekenis van het woord Grieksch voor hem. En was het te verwonderen, dat de arme drommel, die van dat Grieksche stecheltje gebruik gemaakt had, tot het tweetal behoorde, dat niet tot het examen toegelaten werd; en dat Frank Brinkman een boetpredikatie te hooren kreeg, omdat hij zich tot dat bedrog geleend had?

De dagen, die verloopen moesten tusschen het tentamen en het examen, werden goed besteed. Allen, zoowel de instructeurs als de leerlingen, hadden den toetssteen van ieders zwakke zijde gevonden; zoodat de overblijvende tijd nuttig besteed kon worden, om het ontbrekende aan te vullen.

Noch Frank, noch Herman evenwel behoefden zich ongerust te maken. De uitslag van het tentamen was voor hen zoodanig geweest, dat zij op een even gunstigen uitslag mochten hopen. Toch bleven ook zij over hunne boeken gebogen, hoewel de prikkel der noodzakelijkheid ontbrak.

Op een namiddag evenwel, dat Herman zat te repeteeren, zoo als het heette, dwaalden zijne gedachten wel van het onderwerp, dat hem moest bezig houden, af. Hij had den aardrijkskundigen cursus van Van Heusden voor zich liggen. Die was het hoogstwaarschijnlijk, welke zijn geest aan het omdolen hielp. Hij repeteerde toch de rivieren, die den Nederlandschen bodem besproeien.

Er werd op de deur geklopt.

„Binnen” riep Herman.

De sergeant-fakteur trad binnen, en reikte hem een brief over.

„Een mailbrief,” zei hij, en spoedde weg, om den inhoud zijner tasch verder rond te deelen.

Herman Riethoven brak den brief open.

„Van Ubaghs,” mompelde hij, na de handteekening ingezien te hebben. „Wat mag die mij te melden hebben? Hij is niet schrijflustig van aard.… Laat zien.”

Weldra was Herman in zijne lektuur verdiept, en lag zijn Van Heusden vergeten daar. Och, die geheele repetities geschiedden slechts pour acquit de conscience. Hij was blij, dat hij een voorwendsel had, dit vervelend boek op zijde te schuiven. De brief bevatte slechts allerhande nieuwtjes van Maastricht en van Limburg, die slechts voor een inboorling dier streken belangrijk konden genoemd worden. Toch deden zij Herman genoegen en vaak krulde zich zijne bovenlip tot een glimlach.

„Het zijn nog altijd de oude Maastrichtenaars, met hun maatje oud bier, met hunne Momus-sociëteit, met hunne liefhebberij voor muziek en hun opgeruimd karakter!” mompelde hij, toen hij het vrij lange epistel geëindigd had. „Maar geen woord over.… O, in dit hoekje staat T. S. V. Pl. Nu, laat zien:

„P. S. Ik zou nog vergeten het voornaamste te melden. Uwe ouders zullen u wel geschreven hebben, dat Lydia Fraenkel gehuwd is.….”

„Lydia gehuwd!.… Wel neen, dat hebben mijne ouders mij niet geschreven!.. Lydia in de armen van een ander!…” riep Herman hartstochtelijk en opgewonden uit, terwijl hij den brief liet vallen, en zich het gelaat met beide handen bedekte.

Zoo bleef hij een poos zitten.

Wat ging er in die oogenblikken in zijne ziel om?

Een kwartier, een half uur verstreek. Eindelijk hief hij het hoofd weer op.

„Kom, laat mij man zijn!” sprak hij tot zich zelven. „Wat scheelt mij toch? Heb ik mij niet herhaalde malen met de gedachte vertrouwd trachten te maken, dat zij een ander zou toebehooren? Nogmaals, wat scheelt mij? Had zij mij trouw beloofd? Neen, neen, neen! Kom, ik ben gek!”

Hij greep andermaal den brief, die voor hem op tafel lag, en hervatte het lezen daarvan:

„… Uwe ouders zullen u wel geschreven hebben, dat Lydia Fraenkel gehuwd is.…”

„Neen, dat hebben zij niet,” viel hij zich zelven andermaal in de rede. „O, ik begrijp waarom. Mijne goede teergevoelige moeder heeft mij die smart willen sparen. Zij kent de inborst van haren zoon beter dan hijzelf. Waarachtig, nu ik wat kalmer geworden ben, moet ik erkennen dat ik nimmer heb kunnen denken, dat die tijding, die toch vroeg of laat te verwachten was, mij zoo zou aangrijpen!… Kom, laat mij dat fatale post-scriptum eindigen:

„… gehuwd is met Eduard Van der Wouden, nog een oude kennis van u. Hij beweert ten minste met u te Rolduc te zijn geweest. Dat jonge paar schijnt zeer gelukkig met elkander te zijn, vooral nu hunne huwelijksliefde onlangs door de geboorte van een flinken zoon, een jongen als melk en bloed, bekroond is.…”

Andermaal ontglipte de brief aan Hermans hand. Bleek als een doode zat hij daar, en staarde met strakken blik op die noodlottige regels, die hem zoo aangrepen.

„Een zoon!…” zuchtte hij. „Een zoon!…”

Meer vermocht hij niet uit te brengen. Hij snakte naar adem, greep naar zijn halsdas, maakte dien los met een gebaar, alsof hij der verstikking nabij was, omvatte daarna zijn hoofd met beide handen, sprong van zijn stoel op, en doorliep zijn klein vertrek met de gejaagde en onbestemde bewegingen van een wild dier, dat in eene kooi opgesloten was.

Wat ging om in dat brein, hetwelk hij zoo krampachtig omvat hield?

Had hij kunnen denken dat Lydia, die hem geen enkel woord toegevoegd, geen blik gegund had, waaruit hij eenige hoop had kunnen putten, ongehuwd zoude zijn gebleven? Had hij iets van de toekomst verwacht? Van de toekomst, die zich soms zoo wonderlijk ontwikkelen kan? Had hij wellicht de hoop gekoesterd, dat hij, eenmaal officier zijnde, met verlof naar het vaderland zou kunnen gaan, om.… haar af te halen, en naar deze tropische gewesten over te brengen? Neen, nimmer had zijn hopen, zijn verlangen die begrensde vormen aangenomen. Zoo ver was hij bij het ontwerpen van plannen voor de toekomst nooit gevorderd. En had hij ook al het droombeeld gekoesterd, om binnen betrekkelijk korten tijd naar het vaderland terug te keeren, dan had hij zich bij het uitwerken van die plannen steeds diets gemaakt, dat zijne liefde tot zijne ouders hem naar dien terugkeer deed haken, dat hun weerzien de grondslag was van dat verlangen. Neen, neen! Lydia was voor niets bij die begeerte! Zoo dacht hij, zoo meende hij in gemoede. En toch, wanneer hij nauwkeurig toegezien had op wat in zijn gemoed omging, dan had hij kunnen ontwaren, dat tusschen de beelden van zijne moeder en zijn vader, die voor zijn geest opdoemden, een ander verscheen, een ander met zachte bekoorlijke gelaatstrekken, met fonkelende zwarte oogen, met donkerbruine krullen, een ander, dat steeds, maar hem onbewust, de geheimste snaren van zijn hart in trilling wist te brengen, maar wat hij zich niet wilde, wellicht durfde bekennen.

„Een zoon!… Een zoon!…” herhaalde hij.

Een zoon! Alles, alles had hij zich met betrekking tot die rampzalige liefde om zijn gemoed te stalen voor den geest gehaald: dat hij voor eeuwig van Lydia gescheiden was, dat hij haar wellicht nimmer zou weerzien, dat zij een ander beminnen, een ander hare hand zoude reiken! Met die gedachten had hij zich langzamerhand vertrouwd gemaakt. Hij was langzamerhand zoo ver gekomen, dat hij daarbij kon verwijlen, zonder zijn hart sneller te voelen kloppen. Hij had de wreedheid zelfs gehad—altijd om zijn hart te beproeven, te harden—Lydia’s beeld op te roepen in het oogenblik, dat zij door dien ander geliefkoosd, omhelsd, omarmd werd; maar.… dat zij moeder zoude zijn! het beeld dat zij daar met een kind van een ander aan de borst zou neerzitten … neen, dat was nog niet bij hem opgekomen. Tegen dat beeld, dat hem daar in vreeselijke werkelijkheid voor den geest getooverd werd, was hij niet gewapend, dat vernietigde hem.

„O! dat ik Maastricht verlaten heb!” brulde hij. „Als ik gebleven ware, was het mij wellicht gelukt den toestand te beheerschen. En nu …?”

In dit oogenblik trad Frank het vertrek binnen. Met een blik zag hij hoe opgewonden zijn vriend was.

„Wat is er gebeurd?” vroeg hij.

Herman wees op den brief.

„Lees,” sprak hij met van aandoening trillende stem.

Brinkman greep den brief:

„Van Leo Ubaghs,” sprak hij, toen hij de naamteekening bekeken had. „Kwaad nieuws?… Uwe oude lui wellicht …”

„Lees, lees dan toch!” antwoordde Riethoven ongeduldig.

Frank las den brief ten einde, zonder zich rekenschap van den gemoedstoestand van zijn vriend te kunnen geven.

„Welnu?” vroeg hij.

Herman zette den wijsvinger op de letters: T. S. V. Pl.

„Tournez si vous plait. Dus een post scriptum,” zei Frank, terwijl hij het blad omsloeg.

„.… Drommels!” ging hij voort, na gelezen te hebben. „Herman, dat is eene felicitatie waard!”

En met uitgestoken hand stapte hij op zijn vriend toe. Deze gaapte hem half verbijsterd, half woedend aan.

„Eene felicitatie?” bromde hij.

„Ja, zeker eene felicitatie!” ging Frank voort. „De betoovering is nu gebroken. Gij zult nu nog een vrij akelig tijdperk te doorworstelen hebben; maar dit zal ook wel voorbijgaan. Het aanstaande examen zal wel het zijne er toe bij brengen, om uwe gedachten op iets anders te vestigen. Kom, moed, Herman! Het zwaarste is voorbij.… Wilt ge een goeden raad van mij aannemen?”

„Laat hooren,” sprak de andere met wanhoop in zijne stem.

„Roep dat beeld van Lydia nu herhaaldelijk voor uwen geest op. O! dat zal branden, daaraan twijfel ik niet. Maar juist de overmaat van smart zal het lijden verstompen. In weinige dagen zal dat beeld zijne werking volbracht hebben; het zal u koud laten, en gij zult bij het bewustzijn van het onveranderbare uwe gemoedsrust terug erlangen, en der wereld weergegeven zijn. Als nu maar eenmaal het bewustzijn, dat Lydia voor u onherroepelijk verloren is, zijn brandend vermogen kwijt zal zijn, zullen nog schoone dagen van liefde, van hoop, van verlangen voor u aanbreken. Ik koester het innige vertrouwen u nog gelukkig te zullen zien.”

„Frank!…”

„Ik wilde, dat ik eene photographie bezat van Lydia met haar kindje op den arm.…”

„Frank!!…”

„Ik zou u haar vertoonen, herhaaldelijk, zonder ophouden, bij iedere gelegenheid vertoonen. Dat zou het brandijzer op de pijnlijke wonde brengen zijn, dat weet ik wel. Maar mijn hand zou niet aarzelen; want als vriend zou ik overtuigd zijn, dat ik genezing aanbracht.”

Het was goed, dat het examen niet al te spoedig op het tentamen volgde. In den staat van opgewondenheid, waarin Herman verkeerde, zoude een welslagen twijfelachtig geweest zijn. In ieder geval zou hij minder voldaan hebben, dan van zijne algemeene ontwikkeling mocht verwacht worden, en zou hij een lager nummer bekomen hebben in de ranglijst, dan nu het geval was, nu dat examen nog ettelijke weken achterwege bleef.

Toen de groote dag daar was, had zijn gemoed in zoo verre zijne kalmte herkregen, dat hij onbevangen zich aan zijn arbeid kon wijden, en dien tot een goed einde brengen.

Acht dagen duurde het examen voort onder het oog der daartoe benoemde commissie, bestaande uit een hoofdofficier als voorzitter en drie kapiteins: een van de infanterie, een van de artillerie en een van de genie, waaraan nog de Directeur der Militaire School als adviseerend lid werd toegevoegd. In elk der vakken werd aan al de leerlingen een zeker aantal vragen, die schriftelijk beantwoord moesten worden, opgegeven, en werd voor elke vraag slechts een half uur ter oplossing gegund.

Toen het schriftelijk werk afgeloopen was, werd tot het praktische gedeelte van het examen op het terrein overgegaan. De aanstaande officieren moesten omtrent den verkenningsdienst bewijzen geven van eenig terreingedeelte daadwerkelijk met behulp van de smalkalder-boussole, of van het planchet, op te kunnen nemen, en in kaart te brengen, alsmede niet onbekend met de eenvoudigste meet- en waterpas-instrumenten te zijn. Verder moesten zij het tracée van een veldwerk uitzetten, en op het terrein aanduiden, hoe de werkzaamheden daarbij verdeeld werden en verliepen; zij moesten van eenige kennis van batterij-bouw doen blijken, verder de bediening, zoowel van het voornaamste vestinggeschut als van de veldartillerie kunnen verklaren en onderwijzen. Dan nog moesten zij blijken geven degelijk onderwijzer in de verschillende scholen van het wapen der infanterie te zijn, om eindelijk op den laatsten dag van het praktische gedeelte als bataillons-kommandant op te treden, en daarbij te toonen niet alleen de verschillende afdeelingen van dat exercitie-reglement te kunnen uitvoeren, maar ook te kunnen manoeuvreeren, en het bataillon in den kortst mogelijken tijd, en zonder het te zeer aan ’s vijands vuur bloot te stellen, op een gegeven punt, hetzij in linie te deploieeren of in kolonne saam te trekken.

Dat alles slaagde bij uitnemendheid. De Directeur der Militaire School had alle eer van zijne leiding; want van de twee en dertig jongelieden, die zich voor het examen aangeboden hadden, slaagden acht en twintig.

Twee dagen na afloop van die vuurproef, werd den geëxamineerden die uitslag medegedeeld, en kon Frank Brinkman naar Wilatoong schrijven, dat hij nummer drie, en Herman nummer vijf verworven hadden, en dat beiden derhalve geslaagd waren.

Toen Adelien die goede berichten las, slaakte zij een kreet van genoegen en riep onverholen uit:

„Nu is de tijd van beproeving, Goddank, voorbij!”

Het lieve kind zou zich toch eenigermate vergissen, en zou dat weldra ontwaren.

Opgeruimd en tevreden liet zij evenwel hare zuster Emma een paar regels van Franks brief lezen ter plaatse waar geschreven stond:

„Bij Herman heeft een geheele ommekeer plaats gehad. Wat daartoe den stoot gegeven heeft, zal ik mijne lieve Adelien later wel vertellen. Maar, volgens mijne opvatting is het rijk van Lydia uit.”

Emma bloosde tot achter de ooren bij het lezen dier woorden.

„La reine est morte! Vive la reine!” riep Adelien schalks uit.

EINDE VAN „IN HET LAND DER ZON.”

Notes in this chapter

Note 1 · Tienkojangs-prauwen (bladz. 3) Zie de noot No 82 op bladz. 392 van Naar den Equator. ↑Note 2 · De Welkomst-batterij (bladz. 3) is een klein onbeduidend veldwerk, dat met de batterij, het Loo, die nog kleiner is, den toegang tot het havNote 3 · In den modder waren blijven steken (bladz. 3). Hoe het destijds met den toegang tot Indië’s hoofdplaats geschapen stond, valt af te leiden dNote 4 · Totdat de vloed doorkwam (bladz. 3). Bij hoogen vloed of springtij is bij den vuurtoren te Batavia de grootste rijzing en daling der zee 1,3Note 5 · Ver in zee uitgebouwd waren (bladz. 4). Die kaaimuren waren destijds zoo lang niet als nu. Thans zijn ze 1800 M. ver in zee uitgebouwd, gereNote 6 · Een werpnet (bladz. 4) heet te Batavia: „djala”, een kruisnet: „antjo” en een treknet: „djaring.” ↑Note 7 · Sarong (bladz. 5) is een kleedje, dat op Java zoowel door mannen als door vrouwen gedragen wordt. Het is eigenlijk niet meer dan een zak, vaNote 8 · Een vischhaak (bladz. 5) heet „pantjing,” welke naam ook aan het geheele vischtuig gegeven wordt. Hengelen heet: „mantjing.” ↑Note 9 · Bedoelde palmbladeren (bladz. 5) zijn gewoonlijk afkomstig van Nipah-fruticans, eene moeraspalm. ↑Note 10 · Bandeng (bladz. 6) = Lutodeira Chanos, behoort tot de Clupea of haringsoorten. ↑Note 11 · Kakap (bladz. 6) = Lates nobilis, behoort tot de Percoïdeae of baarsachtigen. ↑Note 12 · Baren (bladz. 7) of in het enkelvoud baar, is afkomstig van het Maleische woord bahroe, hetgeen door nieuw vertaald wordt. Baren beteekent hNote 13 · Kondeh (bladz. 8). Zie de noot No 35 op bladz. 388 van Naar den Equator enz. ↑Note 14 · Perampoean djelek kei andjing (bladz. 9) beteekent: vrouw zoo leelijk als een hond. Er was iets anders geroepen, een obscoeniteit, die ik niNote 15 · Toekan-auer (bladz. 12) is een rondwandelende gaarkeukenbaas. ↑Note 16 · Obie’s (bladz. 12) zijn aardvruchten, die veel met onze aardappelen, of meer nog met de topinambours overeenkomen. Hun technische naam is BaNote 17 · Ananas (bladz. 12) = Ananassa sativa. Pompelmoes = Citrus decumana. Oranjeappels = Citrus aurantium. ↑Note 18 · Katoepat (bladz 12) is rijst in een vlechtwerk van klapperbladeren gekookt, die daarin in een dichten deeg te saam gedrongen wordt en den voNote 19 · De Groote Boom (bladz. 12) is eigenlijk het Rijks-entrepot, waar de douaneformaliteiten vervuld worden. ↑Note 20 · Passar (bladz. 13) verbastering van het woord: bazar, beteekent: markt. ↑Note 21 · Trassi (bladz. 14) is een deeg, die in Indië onontbeerlijk bij de rijsttafel is. De eerste kwaliteit wordt gewoonlijk van bedorven garnalen Note 22 · Kwenni (bladz. 14) ook wel kawini = Mangifera foetida. ↑Note 23 · Nangka djawa (bladz. 14) = Artocarpus integrifolia. ↑Note 24 · Klapperpalm (bladz. 15) = Cocos nucifera. ↑Note 25 · Katapangboom (bladz. 16) = Terminalia Catappa. ↑Note 26 · A. V. H. vocht (bladz. 16) Zie daaromtrent de noot No 22 op bladz. 386. van Naar den Equator. ↑Note 27 · Koeliet langsep. (bladz. 17) Koeliet beteekent: huid, ook schil. Langsep is de vrucht van de Lansium domesticum. Die vrucht heeft eene zachtNote 28 · In het hartje van den westmoesson (bladz. 17) Langs de noordkust van Java begint de westmoesson gewoonlijk in het begin van November om in hNote 29 · In drieën vertakte (bladz. 20). De middenweg loopt recht uit langs Passar Tanabang naar Buitenzorg. De linker voert naar Weltevreden en de rNote 30 · De hier bedoelde boontjes (bladz. 26) worden eenvoudig katjang, door de Oost-Javanen katjang bagohloh genoemd. Dit is de Vigna sinensis der Note 31 · Geel vezelachtig touw (bladz. 26). De hier bedoelde specerij is de serèh, eene grassoort, die zeer welriekend is en door de geleerden AndropNote 32 · Sambal (bladz. 27) is eene toespijs bij de rijst, welker bestanddeelen hoofdzakelijk uit spaansche peper, de lombok der inlanders en de CapsNote 33 · Slaaptafels (bladz. 28) zijn vierkante houten tafelbladen, die zoowat de lengte van een groot mensch en in de breedte dezelfde afmeting hebbNote 34 · In Nederlandsch-Indië wordt een groot aantal soorten muskieten (bladz. 30) aangetroffen. Op de noordkust van Java heeft men echter hoofdzakeNote 35 · Eene tongtong (bladz. 31) is een uitgehold dik stuk hout, waarop door de wachthebbende Javanen met een knuppel de uren en de halfuren alsookNote 36 · Tamarindeboom (bladz. 32) = Tamarindus indica. ↑Note 37 · Een gekko (bladz. 32) is eene groote hagedissoort, die gaarne in oude boomen en bouwvallen woont, maar ook niet schuwt de bewoonde huizen deNote 38 · Zijn pantalon (bladz. 35). De man bezigde eene andere uitdrukking, die ik niet kan weergeven. ↑Note 39 · De Javaansche suiker (bladz. 42) wordt hoofdzakelijk uit de sagoeweer- of den palmwijn uit de Arenga saccharifera getrokken, vervaardigd. ↑Note 40 · Klamboe beteekent gordijn. Klamboehaken (bladz. 43) zijn haken waarmede bedgordijnen open gehouden worden. ↑Note 41 · Kraboe’s (bladz. 44) zijn oorknoppen, die middels een stiftje door het gaatje, in de oorbel gestoken en met een schroefmoertje bevestigd worNote 42 · Sarong en kabaai (bladz. 44). Zie omtrent eerstbedoeld kleedingstuk noot 7 op bladz. 372 hiervoren. Een kabaai is een lang jak, van gekleurdNote 43 · Recepissen (bladz. 46). Destijds bestond in Indië papieren geld van ƒ 1.00, in de wandeling recepis genoemd. Dat was vies, smerig, aan elkanNote 44 · Nonna (bladz. 46) is de betiteling in Indië van een jong meisje van Europeesche afkomst. ↑Note 45 · Nèh of nenèh (bladz. 43) is de gemeenzame benaming voor oude Inlandsche vrouwen. ↑Note 46 · Sirihkalk (bladz. 48) maakt een bestanddeel van de sirih-pruim uit. De beste sirihkalk wordt door het branden van schelpen gewonnen. Over heNote 47 · Pandoppo (bladz. 50) is eigenlijk een ruime overdekte galerij, die achter het hoofdgebouw van eene aanzienlijke woning in Indië en loodrechtNote 48 · Mangistan (bladz. 57). Zie hieromtrent de noot No. 78 op bladz. 392 van Naar den Equator. ↑Note 49 · Generaal de Stuers (bladz. 68). Die naam is niet verdicht. ↑Note 50 · Ik beveel u vooral bladzijde 28 (bladz. 71) Grandeurs et servitudes militaires par Alfred de Vigny, 12e édition 1872. ↑Note 51 · Door andere soorten had doen vervangen (bladz. 74). Voor hen, die met de toestanden destijds bekend waren, roep ik de correspondentie in hetNote 52 · De kazernes gesloten waren (bladz. 74). Tusschen 10 en 4 uur, dus op het heetste van den dag, mocht destijds in Indië geen militair de kazerNote 53 · Bruine kwalijk riekende olie (bladz. 77). Deze olie wordt van katjangboonen gewonnen. Die boonen zijn afkomstig van eene plant, die door denNote 54 · Tottokh’s (bladz. 80). De blanken, die niet in Indië geboren zijn, worden zoo genoemd. ↑Note 55 · Buikje (bladz. 81) is de betiteling in de militaire wereld van burgers, vooral van hooggeplaatste civiele ambtenaren. ↑Note 56 · Eene bendie (bladz. 84) is of beter was een eenspannig licht voertuig, het best te vergelijken met onze sjees. ↑Note 57 · Toean toean koeliet langsep (bladz. 86). Toean toean beteekent heeren. Overigens wordt omtrent deze uitdrukking naar de noot No. 27 op bladzNote 58 · Sienjo (bladz. 87) is eene verbastering van het Portugeesche Signor. Deze benaming wordt in N. I. aan alle mannelijke kinderen van EuropeescNote 59 · Nontongen (bladz. 88) of beter nontong wordt genoemd: buiten of op straat staande naar een feest te kijken of naar de muziek van een concertNote 60 · Lantaarns bengelden (bladz. 90). Die lantaarns heeten lolleng’s. De karakters daarop zijn gewoonlijk ontleend aan de gewijde geschriften vanNote 61 · Diam! olang blanda, soldadoe! blankali olang mabôh (bladz. 91). De Chineezen kunnen sommige letters moeielijk of in het geheel niet uitsprekNote 62 · A. Thiers (bladz. 97). Histoire du Consulat et de l’empire par A. Thiers, XLIVe boek. ↑Note 63 · Passar Senin (bladz. 107) beteekent: Maandag-markt. ↑Note 64 · Tjoe (bladz. 107) is de Chineesche naam voor jonge arak. ↑Note 65 · Ajer kras (bladz. 107) is palmwijn afkomstig van de Arenga Saccharifera. Deze drank wordt, na gegist te zijn, met het aftreksel eener bitterNote 66 · Struiswijk en Kramat (bladz. 110) zijn Europeesche wijken ten zuiden van Passar Senin langs den weg naar Meester Cornelis gelegen. ↑Note 67 · In Indië is een ras honden inheemsch, de zoogenaamde gladakhond (bladz. 110) dat meer van den jakhals dan van den hond heeft. Die dieren blaNote 68 · Sp.….… (bladz. 113). De lezer zal, hoop ik, permitteeren, dat ik den gebruikelijken naam, dien ik slechts met twee beginletters aanduid, nieNote 69 · Babah (bladz. 114) is de betiteling, waarmede Chineezen in Indië in het dagelijksche leven aangesproken worden. Men zou het door ons „man” oNote 70 · Kee (bladz. 115) is een soort scheldnaam, waarmede Chineezen bejegend worden. ↑Note 71 · Verschijnt in de eerste plaats de opiumpachter (bladz. 116). De heer Cremer, hoofdadministrateur der Deli-maatschappij heeft in zijne brochuNote 72 · Voor den opium-pachter buigt geheel Nederlandsch-Indië (bladz. 118). De Minister van Koloniën rapporteerde destijds aan Z. M. den Koning hetNote 73 · Voor den krijgsraad (bladz. 119). Het saaie en langdradige der rechtspleging heeft bij het schetsen van dit tooneel voor eene meer gewenschtNote 74 · Theorie (bladz. 119). Zie omtrent dat woord de noot No. 42 op bladz. 389 van Naar den Equator. ↑Note 75 · Uit de binnenlanden van Java en Madura of van Amboina (bladz. 121). Het 11e bataillon infie bestond destijds uit eene Europeesche, drie JavaNote 76 · Het gaat al wonderlijk toe in de wereld (bladz. 129). Het geldt hier vroegere toestanden. Overigens wordt verwezen naar de noot No. 15 voorkNote 77 · En kibbelde over de betaling van eene duit (bladz. 147). De schrijver heeft zoo’n geval in 1856 waargenomen. Een ter dood veroordeelde Eur. Note 78 · Toetool (bladz. 155) is de Javaansche naam van de Felis pardus. ↑Note 79 · Matjan en Singa (bladz. 155). Die woorden beteekenen in het Maleisch: tijger en leeuw. Die namen worden door Europeanen in Indië veel aan hoNote 80 · Tjelleng (bladz. 156) = Sus verrucosus. ↑Note 81 · De Lawoe (bladz. 157) een vulkaan, die 3254 M. of 10394 voet hoog is, ligt op de grenzen van de Residentiën Soerakarta en Madioen. ↑Note 82 · De Tjerimai (bladz. 157) een vulkaan die 3070 M. of 9808 voet hoog is, ligt in de Residentie Cheribon. ↑Note 83 · Karbouw-vogel (bladz. 161). Dit is eene soort lijster met fraaie bonte veeren. ↑Note 84 · Schaduwboomen (bladz. 161). Hiertoe wordt op Java gewoonlijk de Erytrina indica gebezigd. ↑Note 85 · Telogo Passir (bladz. 161) beteekent: zandmeer. ↑Note 86 · Dessa (bladz. 167) is Javaansch en beteekent dorp. ↑Note 87 · Plosso-boomen (bladz. 171) zijn vrij hooge woudboomen, die op de berghellingen van Midden- en Oost-Java veelvuldig aangetroffen worden. Hun Note 88 · Tjakkar-beh-beh en Tjoemplingan (bladz. 171). Beiden zijn Convolvulus-soorten, die door de geleerden, de eerste: Ipomoea pes tigridis, en deNote 89 · De Willis (bladz. 171) is een vulkaan, op de grenzen van de residentiën Madioen en Kediri gelegen, die in zijn hoogsten top, Goenoeng DoerowNote 90 · Dessa-boschjes (bladz. 171). De dessa’s of dorpen liggen gewoonlijk in boschjes van vruchtboomen verscholen. ↑Note 91 · Sawah’s (bladz. 172) zijn rijstvelden, die in de vlakten en ook op de berghellingen, ten allen tijde met behulp van waterleidingen en kunstmNote 92 · Kaboepaten (bladz. 172) is de benaming eener Regentswoning. Vroeger heetten de regenten: boepati. ↑Note 93 · Toedoeng (bladz. 174) is een hoofddeksel in den vorm van een slabak, en is gewoonlijk van palmbladeren vervaardigd. ↑Note 94 · Droh (bladz. 174) is eene eerbiedsuitdrukking, titel zou men kunnen zeggen, die de Javaan steeds tegenover blanken, hetzij man of vrouw, bezNote 95 · Raden Maas Adipati (bladz. 175). Dit is eene gewone titulatuur van een Regent. ↑Note 96 · Kiahi (bladz. 175) is de titulatuur van een opperhoofd. Nimmer zal de Javaan het woord: harimao (tijger) bezigen. Hij zal zelfs vermijden ovNote 97 · Ketjoe’s (bladz. 177) zijn gewapende rooverbenden. ↑Note 98 · Dengdeng (bladz. 183) is rauw vleesch, aan dunne reepen gesneden en in de zon gedroogd. ↑Note 99 · Ikan sapat (bladz. 183) is een vischje dat veel overeenkomst met ons scharretje heeft, en gezouten en gedroogd in den handel voorkomt. ↑Note 100 · Het fort Pontjol (bladz. 183) is eene gebastionneerde redoute, die aangelegd is, om in verband met eenige andere kleinere werkjes de reede vNote 101 · Bodjong (bladz. 183) is eene buitenwijk van Semarang. ↑Note 102 · Sajor-petèh (bladz. 184) beteekent: petèhsaus. De petèh is eene peulvrucht afkomstig van de Parkia speciosa, eene Mimosceën-soort. De petèhbNote 103 · Karbouwenlapjes (bladz. 184). De hier bedoelde lekkernij is de binnenwand van een karbouwenmaag in vierkante stukjes gesneden en in klapperoNote 104 · Oesi-oesi (bladz. 184) zijn gebraden kippen- of kalfsdarmen. ↑Note 105 · Randoesari, Djoemblang en Karang Bidara (bladz. 184). De twee eerstbedoelden zijn groote dessa’s in de nabijheid van Semarang. De derde is eNote 106 · Koeda galadak en koeda haloes (bladz. 186). Het eerstbedoelde is een werkpaard, Koeda haloes beteekent een fijn paard, dus een rijpaard, eenNote 107 · De Oenarang (bladz. 188) is een vulkaan, op de grens van de Residentiën Semarang en Kadoe gelegen, die 2047 M. of 6527 voet hoog is. Aan zijNote 108 · Merak Mati (bladz. 188) is een vrij groote kampong, die haren naam ontleent aan een’ kleinen berg—een vulkaan in miniatuur. Merak Mati beteeNote 109 · De Telemojo (bladz. 188) is een kleine vulkaan, die 1880 M. of 6006 voet hoog is. ↑Note 110 · De Toentang (bladz. 188) is eene rivier, die uit een moerassig meer, Rawah Peneng genaamd, ontspringt, en zich onder den naam van rivier vanNote 111 · Merbaboe (bladz. 188) is een vulkaan, op de grenzen van de Residentiën Kadoe en Semarang gelegen, die 3116 M. of 9955 voet hoog is. ↑Note 112 · Eene galadak (bladz. 188) op Java is wat men zou kunnen noemen een militair passantenhuis. Voor die inrichtingen wordt hoegenaamd geen zorg Note 113 · Witte mieren (bladz. 188) = Termes fatalis. ↑Note 114 · Merapie (bladz. 189) is een vulkaan, op de grenzen van de Residentie Kedoe, Djokjokarta en Soerakarta gelegen, die 2807 M. of 8967 voet hoogNote 115 · Madja (bladz. 191) is een plaatsje in de Residentie Cheribon, aan den westelijken voet van den Tjerimai gelegen. ↑Note 116 · Majoor (bladz. 196). In de militaire hospitalen, wordt de behandelende geneesheer steeds met den titel van majoor begiftigd. ↑Note 117 · Zaal 7 (bladz. 198) was destijds de dyssenterie-zaal. ↑Note 118 · De gamelang (bladz. 199) is een orkest van vele metalen bekkens, die bespeeld worden. Na de Amsterdamsche Koloniale Uitvoerhandel TentoonsteNote 119 · „Jan den dief” (bladz. 200). In alle militaire hospitalen werd destijds een „Jan den dief” aangetroffen. Waaraan die naam ontleend is, heb iNote 120 · Pisang radja (bladz. 201) is een der edelste soorten van de Musa paradisiaca. ↑Note 121 · De Lampongs (bladz. 204). Zoo wordt het Zuider gedeelte van Sumatra geheeten. Destijds was het een onbeduidend gewest, hetwelk door een kapiNote 122 · Op de liederlijkste wijze door de wervers met behulp van opium en spel in het net gelokt zijn (bladz. 209). Ik breng hier voor hen, die op dNote 123 · Eene tandoe (bladz. 211) is een draagtoestel. De hier bedoelde zou men hier te lande brancard noemen. ↑Note 124 · De randsels (bladz. 213). Destijds behoorden de randsels tot de velduitrustingen en werden derhalve in het garnizoen niet verstrekt. ↑Note 125 · Gollokh’s (bladz. 213) zijn eene soort hakmessen, die eigenlijk geen wapen mogen genoemd worden. Zij zijn daarentegen uiterst nuttig om zichNote 126 · Wingsen (bladz. 224) waren worstvormige smakelooze schouderversieringen van geel sajet vervaardigd. ↑Note 127 · Frisschen morgenwind (bladz. 226). De maanden Juni, Juli en Augustus leveren de koelste nachten op van het geheele jaar. Niet zelden wijst dNote 128 · De Kleine Boom (bladz. 227) is het kantoor van in- en uitgaande rechten aan het haven-kanaal gelegen, alwaar de visitatiën der bagages enz. Note 129 · Een slendang (bladz. 228) is een kleedingstuk, een soort sjerp, die voornamelijk door de inlandsche vrouwen over den schouder gedragen wordtNote 130 · Snuivende zoenen (bladz. 228). De bewoners, van den Ind. archipel kussen niet, zooals wij westerlingen dat doen. Zij drukken hunnen neus tegNote 131 · Kree’s (bladz. 230) is een soort matwerk van zeer fijne bamboelatjes vervaardigd. Die latjes worden op een onderlingen afstand gelijkstaandeNote 132 · Eene soeling (bladz. 232) is eene inlandsche dwarsfluit. ↑Note 133 · De kanari-boom (bladz. 234) is een der fraaiste boomen van Nederlandsch-Indië. Hij wordt voornamelijk aangeplant tot het vormen van lanen. ZNote 134 · Zich lekker maken (bladz. 235) is een Indische uitdrukking, welke beteekent: het zich gemakkelijk maken. ↑Note 135 · Een Java-paal (bladz. 236) is een afstand van 1507 M. ↑Note 136 · Kruisbooten (bladz. 239) zijn lichte vaartuigen, gewoonlijk met schooners- of kotters-tuig—met een of hoogstens twee stukken kanon gewapend—Note 137 · Majang- en tjunia-prauwen (bladz. 239) zijn lichte inlandsche zeebouwende vaartuigen. ↑Note 138 · Poeloe Seboekoe en Tandjong toea (bladz. 240). Eerstgenoemde is de naam van een eiland in de Lampong-baai gelegen. De andere is de naam van Note 139 · Poeloe tiga (bladz. 240) beteekent: drie eilanden. Er zijn schrijvers, die deze eilandjes: tiga poeloeh genoemd hebben. Dat is eene vergissiNote 140 · Dapoer (bladz. 242) is een toestel, gewoonlijk van gebakken zandgrond, waarop gekookt wordt. Overdrachtelijk heet de keuken ook dapoer. ↑Note 141 · Atàp (bladz. 242) is eene dakbedekking, die gewoonlijk van de bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt. ↑Note 142 · Kadjang omwanding (bladz. 242) is een matwerk, dat ook van de bladeren van den Nipah-palm vervaardigd wordt. ↑Note 143 · Niboeng (bladz. 242) is eene fraaie slanke palmsoort, door de plantenkundigen Areca Nibung geheeten. De stam van dien palm levert een sterk Note 144 · Tampat mandi (bladz. 248). Mandi beteekent: baden, Tampat mandi = badplaats. ↑Note 145 · Kembang sapatoe (bladz. 250) = Hibiscus rosa sinensis. Van deze bestaan zeer veel variëteiten, met dubbele en enkele, met groote en kleine bNote 146 · Sedap malam (bladz. 250) = Polyanthes tuberosa. Katja piring = Gardenia florida. Melattie = Jasminum sambec. ↑Note 147 · Kembang mawar (bladz. 251). Zoo worden door de inlanders alle rozensoorten geheeten. De hier bedoelde is de „rosa indica”, die in sommige beNote 148 · De prachtigste orchideeën (bladz. 251) waaronder in de bedoelde bergstreken, op ± 2000 voet hoogte gelegen, aangetroffen worden, b.v.: de VaNote 149 · Aardorchideeën (bladz. 251), waaronder o.a. de Cipipredium javanicum—angrek plembang—met hare wonderlijk gevormde bloem, welker onderlip denNote 150 · Pandan bebaoe (bladz. 252) = Pandanus odoratissimus. ↑Note 151 · Wariengien (bladz. 253) = Ficus religiosa. ↑Note 152 · De Takka laoet (bladz. 254) wordt door Miquel Tacca cristata en in Paxton’s Botanical Dictionary Attaccia Rafflesiana genoemd. ↑Note 153 · Een allerliefste vuurvliegje (bladz. 259). Waarschijnlijk een Lampyris of ook wel een Fulgora of lantaarndrager, waarvan in Nederlandsch IndNote 154 · Benteng (bladz. 262) is de inlandsche naam eener versterking. Gevoegelijk is dat woord door: fort te vertalen. ↑Note 155 · Kemiri (bladz. 263) = Aleurites tribola. De noten smaken als fijne amandelen. ↑Note 156 · De peper (bladz. 266) = Piper nigrum. ↑Note 157 · Kedjineman (bladz. 267) is een Javaansch woord, dat het best door „in dienst zijnde werkman” te vertalen is. ↑Note 158 · Patjar tjina (bladz. 268) is een sierlijk struikgewas, dat door de geleerden Lawsonia alba, ook wel Aglaja odorata genoemd wordt. ↑Note 159 · Idjoh (bladz. 272) is eene zwarte haarzelfstandigheid, die tusschen den stam en de bladstelen van de Arengpalmen groeit. ↑Note 160 · Brandals (bladz. 274) beteekent: muitelingen. ↑Note 161 · Rappat (bladz. 275), beter gezegd landraad, is eene rechtbank, die door het Europeesche hoofd van gewestelijk bestuur gepresideerd wordt, maNote 162 · Oelam emas (bladz. 278) is de Javaansche naam van eene soort goudkarper, die door de geleerden Cyprima flavis punis geheeten wordt. Die viscNote 163 · Tambra (bladz 278) = Labea barbus tambra. Deze visch bereikt bij volkomen wasdom eene lengte van ruim drie voet en weegt dan ± 20 katti’s ofNote 164 · Goerami (bladz. 278) = Osphromeus olfax. Is een visch die ongeveer 1½ voet lang wordt. Is de lekkerste zoetwatervisch, die in den Indischen Note 165 · Kilaling (bladz. 278) = Bogarius Buchanani. Dit is een geduchte roofvisch, die ruim drie voet lang wordt. ↑Note 166 · Randjoe’s (bladz. 281) zijn een soort voetangels van bamboe, van ijzerhout of van andere harde houtsoorten vervaardigd. Zij zijn een geduchtNote 167 · Borang’s (bladz. 281) zijn lange randjoe’s, die onder eene zekere helling in het hooge gras of te midden van het struikgewas geplant worden,Note 168 · Op den bedoelden top aan (bladz. 283). De Radja Bassa-top is 1341 M. of ruim 4316 voet hoog. ↑Note 169 · De eilanden Seboekoe en Sebessi (bladz. 285). De hoogste top van het eiland Seboekoe bereikt 426 M. of ruim 1360 voet. De top van het eilandNote 170 · Krakatoea (bladz. 285). De piek van Krakatoea is (was) 823 M. of ruim 2629 voet hoog. ↑Note 171 · Maar het is misdadig (bladz. 292). Ik laat hier volgen wat destijds aan de troepen te velde verstrekt werd: 1⅓ pond rijst of 1 pond hard broNote 172 · IJzerhout (bladz. 296) wordt door de geleerden Eusideroxylon Zwagerii genoemd. ↑Note 173 · Poeloe Bessi en Krakatoea (bladz. 296). Deze uitleg dier namen, die zeer aannemelijk is, werd mij zoo in het jaar 1856 medegedeeld. Laat mijNote 174 · Een groote inktvisch (bladz. 296). Zie daaromtrent de noot No. 76 op bladz. 391 van Naar den Equator. Het hier bedoelde dier, dat de schrijvNote 175 · Kaoem (bladz. 298) is een soort Mohammedaansch priester, wiens voornaamste bezigheid is driemaal daags, op de bedoed, die gewoonlijk onder hNote 176 · Bedoed (bladz. 298) is een instrument, dat niet beter te vergelijken is dan met eene overgroote Turksche trom, die slechts aan eene zijde meNote 177 · Adat (bladz. 300) beteekent: gewoonte, gebruik. Stelt in Indië een grooteren band daar dan nieuwbakken wetten. ↑Note 178 · Dat de schuldige jaren geleden (bladz. 301). De bedoelde moord werd in 1851 gepleegd. ↑Note 179 · Confiteor Deo omnipotenti (bladz. 310) beteekent: ik belijd aan den almachtigen God. Het zijn de beginwoorden van een formulier van schuldbeNote 180 · Meâ culpâ, meâ maximâ culpâ (bladz. 310) beteekent: door mijne schuld, door mijne overgroote schuld. Behoort tot het hierboven bedoelde formNote 181 · Ideo precor beatam Mariam semper Virginem (bladz. 310) beteekent: Daarom verzoek ik de gelukzalige Maria, die steeds Maagd gebleven is, enz.Note 182 · Viaticum (bladz. 310) is de naam van het Nachtmaal aan stervenden verstrekt. ↑Note 183 · Groene en roode briefjes (bladz. 314). Dat was destijds papieren geld van 5 en 10 gulden. ↑Note 184 · Boegineezen (bladz. 317). Zoo worden de bewoners van Boni en aangrenzende rijken op Celebes genoemd. ↑Note 185 · De geweren worden gebruineerd (bladz. 322). In Indië zijn de ijzerdeelen der geweren niet blank zoo als hier te lande. Het onderhoud dier waNote 186 · Amokh (bladz. 322) is een kreet, die bij moord zoowel door den moordenaar als door de bedreigden aangeheven wordt. ↑Note 187 · Melattie-bloempjes (bladz. 333) zijn allerliefste uiterst welriekende bloemen, die door de geleerden Jasminum Sambec genoemd worden. ↑Note 188 · Nonnie (bladz. 334) is eene verbastering van nonna. Wordt tegen zeer kleine meisjes gebezigd. Zie verder de noot No. 44 op bladz. 375 hiervoNote 189 · Pagger (bladz. 334) beteekent: heg. ↑Note 190 · Matraman (bladz. 335) is een landgoed, dat in de afdeeling Meester Cornelis langs de Tjiliwong gelegen is. ↑Note 191 · Pagger-koffiestruiken (bladz. 337). In zeer vele kampongs worden koffieheesters als heggen gebezigd. ↑Note 192 · Sambalans en sajorans (bladz. 337). Zie omtrent het eerstbedoelde woord, de noot No. 32 op bladz. 273 hiervoren. Sajoran is ook eene toespijNote 193 · Bantal goeling (bladz. 340) is een kussen, een rolkussen, in den vorm van eene dikke worst. Wordt in Indië zeer veel ter bevordering van de Note 194 · Stip (bladz. 340) was destijds een schimpnaam voor de adjudant-onderofficieren bij het leger, waarschijnlijk omdat zij zoo stipt hunne plichNote 195 · De acht en twintig naderden (bladz. 342). Die leeftijd was het maximum, waarop een kandidaat tot het afleggen van het officiersexamen werd tNote 196 · 197 De weg naar Meester Cornelis (bladz. 345) is 3¾ paal of ruim 5½ kilometer lang. ↑Note 197 · Les Sept Caveaux (bladz. 362). Zoo wordt eene galerij genoemd, die zich in de helling van den berg, ter halver hoogte daarvan bevindt. Van dNote 198 · Zouden de konkernollen-struiken daar nog staan? (bladz. 362). Men leze nog eens bladzijde 6 van Naar den Equator. Op 2 Mei 1884 volbracht deNote 199 · In den tekst op bladz. 345 staat abusievelijk (182) moet zijn (196). ↑Note 200 · 196 197 De weg naar Meester Cornelis (bladz. 345) is 3¾ paal of ruim 5½ kilometer lang. ↑Note 201 · „De Maas,” zoo las hij binnensmonds, „treedt iets bezuiden het dorp Eysden het Nederlandsche grondgebied binnen. .… Eysden,” zoo bracht hem
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings