Verstrooid.
Reading edition
Max Huber, Llanga en Khamis hadden geen tien minuten noodig om de vijftienhonderd meter, die hen van het kampement scheidden, te doorloopen. Zij hadden zelfs geen oogenblik omgezien, het deerde hun niet, of de negers, na hunne vuren te hebben uitgedoofd, hen misschien achtervolgden—-
Toen het drietal in het kampement terugkwam, vonden zij dit in groote ongerustheid, in vrees voor een onbekend gevaar, waartegen moed en tegenwoordigheid van geest niets vermogen. Vluchten was het eenige.
“Een kudde olifanten!” riep de voorlooper, buiten adem, Urdax toe.
“Ja, en in een kwartier zullen zij hier zijn en ons vermorseld hebben”, antwoordde deze.
“Wij moeten naar het woud”, meende John Cort.
“Dat zal hen niet tegenhouden!” zei Khamis.
“En de inboorlingen?”
“Wij hebben er geen gezien”, antwoordde Max Huber.
“En toch zijn zij niet buiten het woud getrokken.”
“Neen, dat zeker niet.”
Verder op de vlakte, nog een halve mijl ver ongeveer, kon men een dichte massa van zwarte schaduwen zien. Een dof gerommel vervulde de lucht en de bodem deinde zelfs op en neer, zoodat de stammen der tamarindeboomen bewogen. En af en toe weerklonk een snerpend geluid, als een schril trompetten.
Afrika-reizigers hebben dit geluid zeer juist vergeleken met dat, hetwelk een trein artillerie maakt, die in vollen draf over het slagveld rijdt. Schrikkelijk was het, te denken aan het gevaar, dat de karavaan bedreigde, van verpletterd te worden onder de pooten van die honderden olifanten!
De jacht op deze reusachtige dieren is hoogst gevaarlijk. Alleen wanneer het gelukt enkele van de kudde af te scheiden, kan men het wagen den olifant door een schot, dat precies tusschen het oog en het oor treffen moet, te dooden. Maar tegen een kudde, zelfs tegen een tiental olifanten, is elke weerstand nutteloos en zelfs onmogelijk.
En toch is deze diersoort aan het uitsterven. Daar elke olifant gemiddeld voor eene waarde van vijftig gulden aan ivoor oplevert, wordt er hardnekkig jacht op gemaakt. Volgens berekening worden alleen in Afrika jaarlijks niet minder dan veertig duizend gedood, die zeven honderd vijftig duizend kilogram ivoor opleveren, welke naar Engeland verzonden worden. Maar eer een halve eeuw verstreken is, zal er op Afrika’s bodem geen olifant meer zijn. Het ware inderdaad verstandiger, deze verstandige dieren te temmen, zij kunnen de vracht dragen van twee en dertig man en viermaal grooteren weg afleggen. En een tamme olifant is achthonderd à duizend gulden waard, tegenover de vijftig gulden, die hunne slagtanden opbrengen.
De Afrikaansche olifant vormt met den Aziatischen de twee eenige nog bestaande soorten. De Afrikaansche olifant is iets kleiner dan de Aziatische, zijn huid is iets bruinachtiger, zijn ooren zijn belangrijk grooter en zijn slagtanden veel langer. Ook is hij veel woester en gevaarlijker van aard.
In de streken van de Oebanghi komt de olifant nog veelvuldig voor, daar hij hier bij uitstek het plantaardig voedsel vindt, dat hij verlangt. En Urdax, die in hoofdzaak was uitgetrokken om ivoor te verzamelen, had dan ook rijken buit gemaakt. En thans op de terugreis bedreigde hem eensklaps zoo groot gevaar!
Wat kon men tegen zulk een bestorming doen? Van het heele kampement zou weldra niets dan wat splinters hout over zijn! Het eenige redmiddel was, zich over de vlakte te verstrooien, want men moet wel bedenken, dat de olifant minstens even hard loopt als een paard in galop!
“Wij moeten vluchten!” riep de voorlooper.
“Vluchten?” herhaalde Urdax, en hij bedacht hoe hij dan alles verliezen zou, wat hij op zijn langen tocht met zooveel moeite en gevaren verworven had.
“En waarheen moeten wij vluchten?” vroeg Max Huber.

Daar weerklonk een schot. (Zie pag. 27).
“Naar het woud.”
“En de negers?”
“Daar is minder gevaar dan hier”, hernam Khamis.
Was dit werkelijk zoo? Niemand wist het, maar hier blijven kon men in elk geval ook niet; de eenige kans om niet vermorseld te worden onder de hoeven der aanstormende olifanten was een schuilplaats te zoeken in het bosch.
Maar zou daar tijd voor zijn? Twee kilometer ver moest men, en de kudde was hoogstens tot op één kilometer genaderd!
Urdax stond besluiteloos.
“Laten wij den wagen naar den anderen kant van den heuvel brengen”, zei hij ten laatste, “misschien zijn wij daar veilig.”
“Te laat”, merkte de voorlooper op.
“Doe wat ik je zeg”, herhaalde Urdax zenuwachtig en driftig.
“Maar hoe kan ik dat?” herhaalde Khamis, en hij had inderdaad wel recht tot die vraag, want de trekossen waren in doodsangst gevlucht en holden helaas, juist in de richting van de olifanten, die hen als vliegen zouden vertrappen.
Toen Urdax dit zag riep hij:
“Alle dragers, hier!”
“De dragers”, herhaalde Khamis, “die vluchten ook!”
“De lafaards!” riep John Cort.
En inderdaad, al de negers snelden weg, deze met een baal goed, gene met een paar slagtanden; niet alleen als lafaards, maar ook als dieven verlieten zij hunnen meester!
Op hen viel niet meer te rekenen, zij zouden niet terugkomen, maar wel een onderkomen vinden in de naburige negerdorpen. Van heel de karavaan bleven alleen over de Portugees, de voorlooper, Max Huber, John Cort en de negerjongen Llanga.
“De wagen! De wagen!” bleef Urdax roepen, en met groote moeite gelukte het werkelijk aan het vijftal om het zware voertuig tusschen de boomen te krijgen. Misschien zou het daar veilig zijn, als de troep olifanten zich ten minste bij het boschje tamarindeboomen in tweeën splitste.
Maar toen de wagen daar eindelijk stond, bleef aan de menschen geen andere schuilplaats over dan de boomen.
Eerst gingen Max Huber en John Cort nog in den wagen en namen alle patronen mede, terwijl zij den voorlooper nog een flinke bijl als wapen gaven.
“Het zal ons wat baten”, mompelde Max Huber zenuwachtig, “alleen kanonnen zouden hier hulp kunnen verleenen!”
Khamis was eigenlijk de eenige, die zijn koelbloedigheid bewaarde. Hij had twee revolvers in zijn gordel, de karabijn in de hand en wachtte, wat gebeuren zou. Urdax raasde en tierde over het verlies zijner goederen en scheen aan het dreigend gevaar weinig te denken. Llanga toonde wel is waar geen vrees, maar volgde Max Huber op den voet.
En onderwijl werd het gerommel, het gedreun van den bodem steeds sterker, steeds vreesaanjagender. De olifanten waren nu nog een vierhonderd schreden ver en in het halfduister namen hunne vormen een onnatuurlijken, beangstigenden omvang aan.
Werkelijk, het werd tijd, dat de mannen, op lijfsbehoud bedacht, een schuilplaats zochten tusschen de takken der tamarinden. Sterke boomen waren het, hunne stam meette aan den voet wel twee meter in omtrek, maar zouden zij den schok van zulk een aanstormende troep olifanten kunnen weerstaan?
De eerste takken waren dertig voet boven den grond en dus moeilijk te bereiken geweest, indien Khamis niet gedacht had aan zijn “sjamboks”. Dit zijn riemen van neushoornhuid, waarvan hij eenige aan elkaar gebonden over den laagsten tak wist te werpen en met behulp daarvan kon hij zich ophijschen. Toen kon hij de anderen gemakkelijk behulpzaam zijn om evenzoo tegen den stam op te klimmen en zoo waren allen weldra tusschen de takken verscholen.
“Wel Max, zijt gij nu tevreden?” vroeg John Cort spottend.
“Waarover, dit is nog niet zooveel bizonders.”
“Neen, maar wel zal het iets bizonders zijn, als wij behouden en wel uit dit avontuur terugkomen”, hernam de Amerikaan.

Het was een Inyala, een soort antilope. (Zie pag. 34.)
Op hetzelfde oogenblik kwam de olifantentroep als een wervelwind aanstormen, tusschen en langs de boomen en de sterke reiswagen was in een oogwenk omver geworpen, verbrijzeld, versplinterd, als een stuk kinderspeelgoed!
Daar weerklonk een schot! Urdax, woedend over het verlies zijner bezittingen, wilde althans een der olifanten daarvoor straffen. En Max, John Cort en de voorlooper volgden weldra zijn voorbeeld.
Of de kogels doel getroffen hadden, was niet te zeggen, van mikken kon geen sprake zijn, men moest maar in de dichte massa vuren. En wat zou het gebaat hebben, al was elke kogel doodelijk geweest, wat beteekenden vier olifanten minder op zulk een troep?
Zij bewogen den grond met zulk een kracht, doorwoelden den bodem met zulk een heftigheid, dat de zwaar gewortelde tamarinden er van schudden. Weder klonken schoten, twee ditmaal, van Urdax en den voorlooper. Max Huber en de Amerikaan zagen het nuttelooze van dit schieten in en achtten het beter hun kruit en kogels te sparen.
Daar gebeurde eensklaps iets verschrikkelijks! De boom, door tal van woedende olifanten omringd, schudde geweldig en eer men het verhoeden kon, was de Portugees ter aarde gestort. Een enkele gil weerklonk en toen was alles stil.
“De ongelukkige!” riep John Cort.
“Aanstonds onze beurt!” antwoordde Khamis.
Wat moesten zij beginnen? Het schrikkelijk lot van Urdax, onder de pooten der olifanten verpletterd te worden, stond ook hun te wachten. De boom zou weldra moeten vallen, konden zij er vóór dien tijd nog uitkomen? Maar zelfs dan, zouden zij den tijd hebben aan de olifanten te ontsnappen? Zouden zij het woud kunnen bereiken? En bood dit zelfs wel veiligheid aan? Daar waren immers de inboorlingen, niet minder gevaarlijk dan deze monsterdieren!
De boom schudde zoo geweldig, dat Max Huber met zijn linkerhand Llanga vastgreep, terwijl hij met zijn rechterarm den stam omklemde. En werkelijk, daar lieten de wortels los en de boom neigde ter aarde, zonder met een geweldigen slag neer te komen.
De ongelukkigen waren onmiddellijk op de been en snelden zoo hard zij konden, in de richting van het woud. Maar nog hadden zij geen halven mijl afgelegd, of een tiental olifanten begon hen te volgen.
“Moed, moed, volhouden!” hijgde John Cort.
Nog een mijl verder kwamen zij, zonder dat de olifanten merkbaar wonnen maar toen waren zij ook uitgeput.
Het woud kon nog maar een honderd schreden ver zijn, en daar zouden de vluchtelingen wellicht veilig wezen, want de olifanten konden met hun reusachtige lichamen daar niet gemakkelijk doordringen.
Zij spanden hunne laatste krachten in, daar was reeds de rand van het bosch, de boomen stonden zoo dicht op elkaar, dat zij bijna geen doorgang verleenden; nog enkele schreden en buiten adem stortte het viertal op den met allerlei planten bedekten bodem neder!