← Table of contents
In de Oer-wouden van Afrika

Ngora!

Reading edition

Den volgenden morgen was de lucht geheel opgeklaard, strak blauw spande zij zich boven de toppen der boomen uit. In de zonnestralen fonkelden de waterdruppels op bladeren en grashalmen als diamanten. De grond, die zeer snel opgedroogd was, was voortreffelijk begaanbaar, maar gelukkig behoefde men er nog geen gebruik van te maken. De Rio Johausen stroomde altijd nog in Zuidwestelijke richting en Khamis twijfelde niet of hij zou binnen veertien dagen de Oebanghi bereiken.

“Dat onweer is maar juist bijtijds gekomen”, zei John Cort, terwijl hij en zijn vriend hunne karabijnen zaten schoon te maken en Llanga het kreupelhout was ingeloopen om eieren te zoeken.

“Dat geloof ik!” antwoordde Max Huber, “als die afschuwelijke dieren nu maar niet terugkomen, nu het weer opgeklaard is. Wij mogen wel goed oppassen.”

“Ik ben straks den oever honderd pas langs geloopen”, hernam John Cort, “maar ik heb geen enkelen aap gezien.”

“Gelukkig! Ik hoop, dat wij onze patronen beter kunnen gebruiken. Het liet zich aanzien, dat wij waarlijk al onze kogels op de apen moesten verschieten.”

Daar riep Khamis zijn reisgenooten voor het ontbijt en tegelijkertijd kwam Llanga terug met eenige eendeneieren, die met een stuk antilope-vleesch een goed maal opleverden.

Toen werd het vlot naar de rivier gesleept en kon de tocht worden voortgezet.

De Rio Johausen bleek steeds breeder te worden, de takken der boomen aan weerszijden raakten elkander reeds niet meer en mochten zich dus nu nog apen op de oevers vertoonen, dan zou dit lang zoo gevaarlijk niet zijn als den vorigen avond.

Deze dieren vertoonden zich echter niet meer, wel honderden watervogels, eenden, ganzen, pelikanen, snippen en John Cort schoot er eenige voor het middagmaal.

Zoo ging de tocht zonder ongevallen voort, tot omstreeks vier uur Khamis, die het roer hield, aan John Cort verzocht het even over te nemen, waarna hij op de voorplecht ging staan uitkijken.

Max Huber vroeg dadelijk:

“Ziet gij iets?”

“Daar”, zei de voorlooper, terwijl hij een eind verder op de rivier wees, waar het water zeer beweeglijk was.

“Zou daar een stroomversnelling zijn, of erger nog een waterval?” vroeg Max.

“Neen”, begon Khamis, maar hij zweeg, want een groote straal water spoot uit de rivier op.

“Te deksel, er zijn hier toch geen walvisschen!” riep Max Huber.

“Neen, maar wel nijlpaarden”, antwoordde de voorlooper.

Daar klonk een geweldig geblaas en de geweldige kop van een nijlpaard verscheen even boven het water.

De hippopotamus, de grieksche naam die letterlijk vertaald, rivierpaard beteekent, komt nog voor van de Kaap de Goede Hoop tot aan den 23sten Noorderbreedtegraad. Het is een zachtaardig dier, maar toch te vreezen, want als het verschrikt, of erger nog, door een kogel getroffen of geharpoeneerd wordt, dan stort het zich woedend op de jagers en verbrijzelt hunne booten onder zijn reusachtige kaken.

Onze vrienden op het platte, zwakke vlot konden er dan ook niet aan denken, het nijlpaard aan te vallen. Het zou al erg genoeg wezen als het dier het hen deed, als het tegen het vlot stootte....

“Wij moeten hem onopgemerkt voorbij zien te komen”, fluisterde Khamis, “laten wij ons plat op het vlot neerleggen, geen gerucht maken en ons gereed houden om dadelijk in het water te springen, als dat noodig is.”

De raad van Khamis werd onmiddellijk opgevolgd. Allen strekten zich plat op het vlot uit, dat midden op den stroom voortdreef.

Eenige oogenblikken verkeerden de reizigers in grooten angst. Zou het vlot opgeheven worden door het reusachtige dier? Neen, het geblaas en geplas verstomde en toen zij het eindelijk waagden zich wat op te richten en rond te zien, bleek het nijlpaard verdwenen.

Het is waar, jagers die met de karavaan van Urdax op olifanten gejaagd hadden, zouden in gewone omstandigheden voor een nijlpaard niet bang zijn geweest. Meermalen hadden zij er in de Oebanghi zelfs op gejaagd, maar dan niet aan boord van een zwak vlot en dus waren zij zeer gelukkig er ditmaal zoo goed afgekomen te zijn.

Dien avond liet Khamis stilhouden in de monding van een beekje op den rechteroever, onder een boschje bananas. De bodem bleek ook hier wederom bedekt met allerlei schaaldieren, die zeer goed eetbaar waren. En het beekje verschafte daarbij heerlijk, frisch water.

“Het zou hier volmaakt zijn”, zei Max Huber, “als wij nu ook maar rustig konden slapen, maar daar zullen die verwenschte muskieten wel voor zorgen!”

Maar Llanga wist daar goeden raad op. Hij schepte allerlei droge mest van buffels en antilopen bij elkaar en deze brandstof gaf een dikken, scherpen rook, een doeltreffend en misschien het eenige middel om de muskieten te verjagen en dat door de inboorlingen algemeen wordt toegepast.

Wel moest dit vuur den geheelen nacht worden onderhouden, waartoe de mannen beurtelings waakten, maar de anderen konden dan rustig slapen en verkwikt kon men den volgenden morgen vroeg de Rio Johausen verder afzakken.

Niets is verandelijker dan het weer in dit Aequatoriaal Afrika. Na den helderen hemel van den vorigen dag, was het luchtruim thans donkergrijs, hetgeen een regenachtigen dag voorspelde. En weldra viel dan ook een fijne motregen, maar die lang aanhield en verre van aangenaam was.

Gelukkig had Khamis een goed idee gehad. De bladeren van den hier voorkomenden bananenboom zijn misschien de grootste van alle tropische planten. De inboorlingen gebruiken ze om er de daken van hunne hutten van te maken en een twaalftal waren genoeg om midden op het vlot een soort afdak te maken, waarbij lianen heel goed als touw dienst deden. Dit afdak beschutte de vrienden zeer goed tegen den fijnen regen.

In de ochtenduren vertoonden zich eenige apen langs den rechteroever, een twintigtal groote, sterke dieren, die wel geneigd schenen te zijn om de vijandelijkheden te hervatten. Het verstandigst was elke aanraking met hen te vermijden en daarom werd het vlot dichter langs den linkeroever gestuurd, waar zich geen apen vertoonden.

In den middag hield het vlot slechts éénmaal op, om een antilope op te nemen, die John Cort bij een bocht van de rivier geschoten had.

Maar bij deze bocht wijzigde de Rio Johausen ook eensklaps haar richting naar het Zuidoosten en dit beviel Khamis in het geheel niet, want om uit het groote woud te komen, moest men in elk geval naar het Westen gaan. Gelukkig bleek het, dat de rivier een uur verder weder haar gewone richting hernam en men kon dus hopen, dat zij het vlot naar de grens van Fransch Congo zou brengen, van waar men gemakkelijk Libreville zou kunnen bereiken.

Om half acht was het nog niet donker, een schemering hing nog over het water, waarop allerlei bundels planten en boomtronken dreven.

Terwijl de overigen bezig waren het vlot aan den linkeroever vast te meeren en droge bladeren op te hoopen om er een vuurtje aan te leggen, vermaakte Llanga zich met naar die voorbijdrijvende plantenmassa te kijken.

Daar kwam in de verte een vrij zware boomstam aandrijven, met de takken vol bladeren en bloesems en gedeeltelijk onder water. Hoogst waarschijnlijk was deze boom in het laatste onweer door den bliksem getroffen. Maar toen hij naderbij kwam, meende Llanga er iets bizonders aan te zien, tusschen de takken bewoog iets.

Hij riep John Cort en Max Huber, de boom dreef steeds nader, daar klonk eensklaps een kreet, alsof een menschelijk wezen om hulp riep, en plotseling stortte zich iets uit den boom en trachtte den oever te bereiken.

Zonder recht te weten wat hij deed, zonder een woord te spreken, sprong Llanga in het water en wist het kleine wezentje te grijpen. John Cort en Max Huber snelden naar den oever en staken hem hunne hand toe.

“Maar Llanga, wat doe je nu!” riep Max.

“Een kind ... dat bijna verdronken was”, stamelde Llanga.

“Een kind!” herhaalde John Cort, zeer verbaasd.

“Ja ... ja.” En Llanga knielde neer bij het wezen dat hij gered had.

Max Huber keek er eens naar en riep:

“Maar dat is geen kind! Het is een aap, een jong van een van die afschuwelijke dieren, die ons hebben aangevallen! En voor zoo’n apenjong heb je gevaar geloopen, zelf te verdrinken, Llanga!”

“Het is wel een kind!” hield de kleine neger vol, en hij droeg het naar het vuur en legde het daar op een hoopje droge bladeren neer.

De twee vrienden bemoeiden er zich niet verder mede en gingen slapen, terwijl Khamis tot middernacht de wacht zou houden.

Llanga kon niet slapen. Vol belangstelling nam hij elke beweging van zijn beschermeling waar. Maar wie schetst zijn verrassing, toen het, ongeveer om elf uur, op klagenden toon “Ngora! Ngora!” riep, ngora, zijn moeder!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings