← Table of contents
In de Oer-wouden van Afrika

Na de schipbreuk.

Reading edition

Den volgenden dag lagen drie mannen bij een vuur, dat bijna uitging. Overmand door vermoeienis en slaap en na hunne kleeren zoo goed mogelijk bij het vuur gedroogd te hebben, hadden zij zich neergelegd en waren weldra vast ingeslapen.

Hoe laat het was, of het dag of nacht was zelfs, had geen hunner kunnen zeggen, hoewel te veronderstellen was, afgaande op den tijd sedert den vorigen avond verstreken, dat de zon reeds op moest zijn. Maar waar was het Oosten? Die vraag kon niet beantwoord worden.

Waren die mannen dan opgesloten in een grot, of in een donkere gevangenis, waarin geen lichtstralen konden doordringen?

Neen, maar om hen heen stonden zulke hooge, zwaar gebladerde boomen, dat op weinige passen alles donker was.

Die drie mannen waren John Cort, Max Huber en Khamis.

Hoe kwamen zij daar op die dichte, donkere plek in het groote woud? Zij wisten het niet. Van het oogenblik af dat zij van het vlot geslingerd en in den kolkstroom meegesleurd waren, wisten zij niet meer wat er met hen gebeurd was.

Maar wel wisten zij, dat niet allen aan de ramp waren ontkomen; twee ontbraken: Llanga, het pleegkind van John Cort en Max, en het kleine schepseltje, dat Llanga op zijne beurt tot pleegkind had aangenomen. Misschien was de negerknaap wel juist verdronken, omdat hij zijn beschermeling had willen redden!

De drie overgeblevenen hadden nu geen vuurwapens, geen patronen, geen gereedschap of kookgerei meer, niets dan een paar zakmessen en de bijl, die Khamis in zijn gordel had gedragen. Ook geen vlot hadden zij meer, maar in welke richting hadden zij ook moeten gaan om weer bij de Johausen-rivier te komen?

En hoe moesten zij zich nu voedsel verschaffen, nu er geen wild meer te schieten was? Moesten zij voortaan leven van wortels en wilde vruchten? Zou dat niet hetzelfde zijn als binnen kort van honger te sterven?

De eerste die wakker werd was John Cort en het was nog zoo donker of het nacht was. Hij stond op en onderscheidde met moeite de gestalten van Max Huber en Khamis aan den voet van de boomen. Allereerst ging hij naar het vuur; de asch gloeide nog en met wat droge takken en bladeren vlamde het weldra weder op.

Door het geknetter ontwaakten ook de beide anderen en het duurde niet lang of zij spraken over den ernstigen toestand waarin zij verkeerden.

“Waar zijn wij toch?” vroeg Max.

“Daar waar men ons heen gebracht heeft”, antwoordde John Cort.

“Wat zegt gij daar!” riep Max Huber, “weet gij wel, dat ik op het oogenblik dat het vlot tegen de rotsen stootte, menschen op den linkeroever meende te zien.

“Ja, ja” bevestigde John Cort, “negers, die gebaren maakten en schreeuwden en naar de rotsen snelden.”

“Hebt gij inboorlingen gezien?” vroeg de voorlooper.

“Een dozijn ongeveer”, hernam Max Huber, “en aan hen hebben wij zonder twijfel onze redding te danken! Ja, zij moeten het zijn, die ons voor verdrinken hebben bewaard!”

“Ja, terwijl wij bewusteloos waren hebben zij ons hierheen gebracht ... met wat wij nog aan provisie overhadden. En na een vuur te hebben aangelegd, zijn zij heengegaan.”

“En zoo goed heengegaan”, voegde Max Huber er bij, “dat wij geen spoor van hen terug vinden. Dat bewijst wel, dat zij op onze dankbaarheid niet erg gesteld zijn.”

“Geduld maar, beste Max”, hernam John Cort, “het is best mogelijk, dat zij hier in de buurt ronddwalen. Waarom zouden zij ons anders hierheen hebben gebracht?”

“Een mooie plek!” bromde Max Huber, “het blijft stikdonker!”

Boven de toppen der boomen scheen een vaag licht, een bewijs dus, dat de zon inderdaad boven den horizon was verrezen, maar hoe laat het was, konden onze vrienden niet zoo spoedig beslissen, want de horloges der beide blanken waren na het gedwongen bad in de rivier stil blijven staan.

Intusschen was Khamis naar de plek geloopen, die door de reusachtige, vijftig voet hooge boomen eenigszins opengelaten was en die omzoomd was door slingerplanten en doornachtige heesters. Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken, want hij wilde zich oriënteeren, weten waar zich het Zuidwesten bevond....

Langzaam kwam hij bij de twee vrienden terug en vroeg eensklaps:

“Zijt gij er wel zeker van, mijnheer Max, dat gij op den oever inboorlingen gezien hebt?”

“Volmaakt zeker, juist op het oogenblik, dat het vlot tegen de rotsen verpletterd werd.”

“En op welken oever?”

“Den linker.”

“Weet gij wel zeker den linker?”

“Ja.”

“Dan zouden wij dus Oostelijk van de rivier zijn?”

“Dat geloof ik ook”, zei thans John Cort, “en bijgevolg in het diepste gedeelte van het woud. Maar hoe ver zijn wij van de rivier?”

“De afstand kan niet groot zijn”, meende Max Huber, “want onze redders, wie het dan ook zijn, zullen ons wel niet eenige mijlen ver gesleept hebben.”

“Dan moeten wij dus allereerst de rivier opzoeken”, hernam Khamis, “en onze reis aan den anderen kant van de rotsversperring hervatten, als wij eerst een nieuw vlot gebouwd hebben.”

“Maar hoe moeten wij dan leven, eer wij aan de Oebanghi zijn?” vroeg Max Huber. “Jagen kunnen wij niet meer.”

“En hoe moeten wij uit dit doolhof komen?” vroeg John Cort.

“Hier langs”, antwoordde de voorlooper en hij wees op de verscheurde en afgerukte lianen, de plaats dus, waarlangs zij op deze plek gebracht waren en waar werkelijk een soort pad begon.

Maar waar voerde dit pad heen? Naar de Rio? Hoogst onwaarschijnlijk. En zou het niet met andere paden kruisen en daardoor een reusachtig doolhof vormen?

“Hoe het zij”, hernam John Cort, “wij kunnen niet van honger en dorst omkomen en moeten dus beginnen met hier vandaan te gaan.”

“Wacht nog even!” zei Max Huber en opstaande, riep hij driemaal achtereen, zoo hard hij kon:

“Llanga! ... Llanga! ... Llanga!”

Er kwam geen antwoord, zelfs geen echo weerkaatste het geroep.

“Op weg!” zei de voorlooper.

Maar nauwelijks had hij twee stappen op het pad gezet, of hij bleef staan en riep:

“Een vuur!”

“Waar? Waar?” riepen de beide blanken en snelden op hem toe.

Het lichtschijnsel, waarschijnlijk van een toorts, scheen eenige honderden schreden verder en was slechts zeer flauw.

Wie waren het, die dat licht droegen? Moest men die lieden vreezen, of kwamen zij wellicht hulp brengen?

Besluiteloos bleven onze reizigers staan, maar hoe zij ook tuurden, het licht veranderde niet van plaats.

“Wat moeten wij doen?” vroeg John Cort.

“Naar dat licht toe gaan, omdat het niet naar ons komt”, hernam Max Huber.

“Vooruit dan!” zei Khamis.

Maar wederom had hij te nauwernood eenige schreden afgelegd, of de toorts verwijderde zich. Zou diegene, die haar droeg, de drie reizigers dus bespieden? Of wilde hij hen als ’t ware voorlichten en den weg wijzen, dien zij gaan moesten?

Er was geen tijd of gelegenheid meer voor beraad, er bleef niets over dan voort te loopen.

“Als hij ons maar uit dit doolhof brengt, dan ben ik tevreden”, zei John Cort. “Wel vriend Max, is dit nu ook nog niet vreemd en onverwacht genoeg voor je?”

“Het gaat vrij wel”, antwoordde de luchthartige Franschman.

Het licht volgende legden zij naar schatting vier of vijf mijlen af en toen bluschte het eensklaps uit.

“Laten wij halt houden”, zei de Amerikaan, “het is blijkbaar een sein voor ons...”

“Of een bevel”, meende Max Huber.

“Wij moeten gehoorzamen en hier overnachten”, zei Khamis.

“Maar zal het licht morgen weer schijnen?” vroeg John Cort.

Dat was inderdaad de vraag.

Doodelijk vermoeid strekte het drietal zich aan den voet van een reuzenboom uit en de slaap liet zich dan ook niet wachten.

Toen zij ontwaakten drong een flauw licht door het gebladerte, een bewijs dat het dag was. Khamis meende te kunnen verzekeren, dat men in Oostelijke richting gegaan was, ongelukkigerwijze dus juist den verkeerden kant!

“En de fakkel?” vroeg John Cort.

“Daar begint zij juist weer te schijnen!”

Geen enkel avontuur deed zich op dezen dagtocht voor. De toorts bleef het drietal voorlichten, altijd in Oostelijke richting. Hoe moest dat afloopen? Als zij niet spoedig op de plaats hunner bestemming kwamen, zouden zij van honger moeten bezwijken!

Zoo kwam de avond, weder doofde het licht uit en moesten onze reizigers aan den voet van een boom overnachten.

Den volgenden morgen—23 Maart—ontwaakte John Cort het eerst en dadelijk riep hij:

“Terwijl wij sliepen is er iemand hier geweest!”

Dat was niet tegen te spreken: er brandde een klein houtvuur en een stuk antilope-bout hing aan een lagen tak van een acacia boven een klein beekje.

Maar geen van drieën toonde daarover groote verbazing, zij namen de dingen aan, zooals zij waren, het was nutteloos, ja, onmogelijk over al die onverklaarbare zaken te redekavelen. Aan het zoo geheimzinnig verstrekte voedsel deden zij zich echter begrijpelijkerwijze te goed en nauwelijks was dit ontbijt gebruikt of de toorts gaf weder het sein tot hervatting van den tocht.

En deze werd afgelegd onder dezelfde omstandigheden als de vorige dagen en toen tegen het vallen van den avond het licht weder verdween, kon men berekenen in het geheel ongeveer zestig kilometer te hebben geloopen, sedert men den oever van de Rio Johausen verliet.

Kort daarop was het drietal in slaap, maar, was het een droom?—Max Huber geloofde stellig, dat boven zijn hoofd de wals uit de Freischütz van Weber gespeeld werd!

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings