De bewegende vuren.
Reading edition
De afstand tusschen het kampement en het donkere woud, waarbij nu af en toe zulke geheimzinnige lichten verschenen, bedroeg omstreeks twee kilometer. Soms schenen wel tien van die lichten tegelijk en zoo fel, dat men wel haast moest aannemen, dat daar een kamp van negers was. Maar daarvoor verspreidden die vuren zich te grillig en te veel uit elkander.
Een handelskaravaan zou echter zeker niet zoo onvoorzichtig zijn van zulke groote vuren aan te leggen en daardoor haar tegenwoordigheid te verraden.
Intusschen bleef in het kamp der Europeanen alles in diepe rust en zelfs de wakers bleken op hun post ingeslapen. Het was dan ook een groot geluk, dat de kleine Llanga wakker werd. Hij wreef zijn oogen eens uit, zag hij goed? Ja, hij vergiste zich niet, daar, aan den rand van het woud, scheen licht!
Toch wilde hij niet dadelijk zijn beide weldoeners wekken en daarom sloop hij naar den wagen, schudde den voorlooper wakker en wees met den vinger naar de lichtschijnsels aan den horizon.
Khamis staarde een oogenblik zwijgend voor zich uit en riep toen eensklaps: “Urdax!”
“Wat is er?” vroeg de Portugees, die dadelijk wakker en overeind was.

De lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond. (Zie pag. 17).
“Kijk eens!”
Urdax zag de lichten en liet dadelijk de gansche karavaan op de been brengen en zoodanig was iedereen onder den indruk van het dreigend gevaar, dat niemand er aan dacht de wakers, die zoo slecht hadden opgepast, te berispen.
Het was omstreeks elf uur. De vlakte was voor drie vierde deel in volkomen duister, maar in het Zuiden stegen allerlei grillige vlammen op, thans soms wel vijftig tegelijk.
“Een kamp van inboorlingen”, zei Urdax. “Waarschijnlijk Boudjos, die veel aan de oevers van de Congo en de Oubanghi komen.”
“Het zijn lichten, die door menschen verplaatst worden”, merkte John Cort op.
“Maar dan moesten wij die menschen zien”, antwoordde Max Huber.
“Dat komt omdat zij achter den boschrand zijn”, verklaarde Khamis.
“Maar de vuren verplaatsen zich en komen toch weer op dezelfde plaats terug”, hernam Max Huber.
“De plaats waar het kamp is”, meende de voorlooper.
“En wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.
“Dat wij aangevallen zullen worden”, antwoordde de Portugees, “en wij ons dus terstond op verdediging gereed moeten maken.”
“Maar waarom hebben die inboorlingen ons dan niet in stilte bekropen en plotseling overvallen, zonder hunne tegenwoordigheid eerst zoo duidelijk te verraden?”
“Negers zijn geen blanken”, hernam Urdax, “maar zij zijn daarom niet minder te duchten door hun aantal en hunnen woesten inborst.”
De karavaan moest zich dus gereed houden voor eene verdediging op leven en dood, want genade of lijfsbehoud was van deze negerstammen van de Oebanghi niet te verwachten. Zij zijn inderdaad zeldzaam wreed, zelfs de beruchte inboorlingen van de Salomons-eilanden, van de Hebriden en van Nieuw-Guinea staan hierin bij deze negers achter. Maar in het binnenland der door hen bewoonde streken vindt men uitsluitend kannibalen-dorpen en de zendelingen, die uit edele roeping hier hun leven wagen, weten dit zeer goed. Men zou bijna geneigd zijn deze negers onder de dieren te rangschikken, roofdieren in menschengedaante, te gevaarlijker, omdat zij op volwassen leeftijd nog zelfs niet het verstand hebben van een zesjarig kind bij ons. Menschenoffers zijn bij deze negers verre van zeldzaam, menig zendeling heeft er tegen wil en dank getuige van moeten zijn. Slaven worden gedood bij het graf van hunnen meester en het afgehouwen hoofd wordt met een buigzamen tak weggeschoten, zoover als het vliegen wil. De kinderen worden, zooals reeds gezegd is, tusschen hun tiende en zestiende jaar bij sommige feestelijke gelegenheden geslacht, ja, verscheidene stamhoofden voeden zich met geen ander vleesch.
Natuurlijk zijn deze negers ook ware roovers. Vaak trekken zij mijlen ver om een karavaan te overvallen, de begeleiders met hunne assegaaien af te maken en de wagens te plunderen. Wel zijn zij slechter gewapend dan de kooplieden, maar zij winnen het van deze verre in aantal en tegen een paar duizend negers vermogen vijftig of honderd dragers niet veel.
De voorloopers kennen dit gevaar dan ook zeer goed en hun grootste zorg is, er voor te waken, dat de karavaan niet terecht komt bij zulke dorpen, als Ngombé Dara, Kalaka Taimo en andere in de streek van de Aoukadepé en van de Bahar-el-Abiad, waar de zendelingen tot dusver niet doorgedrongen zijn.
Tot dusver had de karavaan elke aanraking met vijandige stammen weten te vermijden, de voorlooper had als goede gids haar ver gelaten van alle gevaarlijke streken. En de terugtocht beloofde evenzoo volkomen veilig te geschieden. Als men Westelijk het groote woud zou omgetrokken zijn, kwam men aan den rechteroever van de Oebanghi en langs die rivier zou men voorttrekken tot waar zij in de Congo uitmondt. Hier is een streek die druk bereisd wordt door kooplieden en zendelingen, en de gevaarlijke stammen zijn van hier meer en meer naar de verwijderde streken van Darfoer verdrongen.

Toen kon hij de anderen behulpzaam zijn om tegen den stam op te klimmen. (Zie pag. 24).
En zou de karavaan, op enkele dagreizen van de rivier verwijderd, nog de prooi moeten worden van die roofzieke benden? Er bestond alle vrees voor. Maar in elk geval zou men zich niet zoo maar goedsmoeds overgeven en op aanwijzing van Urdax begon men dan ook alles voor de verdediging gereed te maken.
Zonder dralen werden Urdax, de voorlooper, John Cort en Max Huber gewapend, de karabijn in de hand, revolvers in den gordel, de patroontasch goed voorzien. In den wagen bleef nog een half dozijn geweren en pistolen over, die gegeven werden aan enkele dragers, op wier trouw men vast kon rekenen.
Daarop gaf Urdax last dat men post zou vatten tusschen en achter de groote tamarindeboomen, om beter beschut te zijn tegen de pijlen, wier vergiftigde punt doodelijke wonden veroorzaakt. En zoo bleef men wachten. Geen geluid werd gehoord; de vijand scheen nog niet dichter bij te zijn gekomen, de vuren bleven met tusschenpoozen schijnen en deden een geelachtigen rook opstijgen.
“Ik begrijp niet, hoe zij zooveel licht maken, als zij plan hebben ons aan te vallen!” zei Max Huber.
“En ik begrijp het evenmin, als zij geen vijandelijke bedoelingen hebben”, antwoordde John Cort.
Het was inderdaad vreemd, maar wat kon men verwachten van die woeste stammen van de Boven-Oebanghi?
Een half uur verstreek, zonder dat er eenige verandering in den toestand kwam. Tusschen het kampement en de vuren scheen de vlakte werkelijk volkomen eenzaam.
Eindelijk, tegen elf uur, zei Max Huber: “Het gaat zoo niet langer, wij moeten den vijand verkennen!”
“Zou dat niet onvoorzichtig zijn?” vroeg John Cort. “Laten wij liever eene afwachtende houding aannemen tot de dag aanbreekt.”
“Nog langer wachten?” hernam Max Huber, “nog zes uren minstens hier staan blijven met het geweer in de hand? Neen, wij moeten weten waaraan wij ons te houden hebben! Als die negers geen kwaad in den zin hebben, dan ga ik weer lekker tusschen die tamarindewortels liggen, waar ik straks zoo heerlijk sliep!”
“Wat denkt gij er van?” vroeg John Cort aan Urdax.
“Het denkbeeld is niet slecht”, antwoordde deze, “maar de grootste voorzichtigheid moet er bij in acht genomen worden.”
“Ik zelf zal gaan”, hernam Max Huber, “en ik zal voorzichtig zijn.”
“En ik ga mee”, zei de voorlooper.
“En ik”, zei John Cort.
“Neen, twee is genoeg”, hernam Max, “wij gaan bovendien niet verder dan strikt noodig is, en als wij iets verdachts zien, zullen wij onmiddellijk terugkeren om dat te melden.”
“Zijn uwe wapens goed in orde?”
“Ja, maar wij zullen ze wel niet noodig hebben, de hoofdzaak is, dat wij ons niet laten zien.”
“Juist”, zei Urdax.
Zoo ging Max Huber met den voorlooper op weg en weldra hadden zij den heuvel met de tamarindeboomen achter zich. Hier in het vrije veld was het iets minder duister, maar op verderen afstand dan honderd schreden zou toch geen mensch te onderscheiden zijn.
Het tweetal was voorzichtig een vijftig pas voortgegaan, toen zij eensklaps Llanga achter hen bespeurden. Zonder een woord te spreken was de negerknaap hen gevolgd.
“Hoe durft gij?” vroeg Max Huber vertoornd; “ga onmiddellijk terug!”
“O mijnheer, laat mij bij u blijven”, smeekte Llanga
“En uw vriend John dan, die daar ginds is?”
“Ja, die is daar, maar mijn vriend Max is hier!” antwoordde de negerknaap zeer ter snede.
“Maar wij hebben je niet noodig”, zei Khamis barsch.
“Kom, laat hem maar meegaan”, hernam Max Huber. “Hij zal ons niet hinderen en met zijn kattenoogen ontdekt hij misschien iets, wat wij niet kunnen zien.”
“Ja, ik zal goed uitkijken!” verzekerde Llanga.
“Goed, blijf dan dicht bij mij!”
Het drietal zette den tocht voort en een kwartier later waren zij een kilometer van het kampement verwijderd en scheidde diezelfde afstand hen nog van den zoom van het groote woud.
De vuren brandden altijd nog en hun schijnsel was nu veel helderder, maar noch de kattenoogen van Llanga, noch de voortreffelijke veldkijker van Max Huber konden de wezens, die deze vuren onderhielden, zien. Urdax scheen dus gelijk te hebben, dat de negers zich achter de zware stammen en het dichte gebladerte schuil hielden. Zij waren dus nog niet buiten het woud gekomen en hadden misschien niet eens plan, dit te doen.
Het werd werkelijk hoe langer hoe onbegrijpelijker. Als het eenvoudig het nachtleger was van rondtrekkende zwarten, waartoe diende dan die illuminatie? Of zouden zij wellicht de een of andere nachtelijke plechtigheid vieren?
“Misschien hebben zij onze karavaan niet eens bespeurd”, zei Max Huber.
“Maar dan zien zij haar toch bij het aanbreken van den dag”, antwoordde de voorlooper.
“Als wij dan ten minste niet weg zijn, Khamis.”
Nog een halven kilometer liepen zij voort en waren toen het woud tot op een paar honderd schreden genaderd. Nog was niets verdachts te bespeuren, geen menschelijk wezen vertoonde zich.
“Zullen wij nog verder gaan?” vroeg Max Huber.
“Waartoe?” hernam Khamis; “het zou onvoorzichtig zijn. Best mogelijk dat zij onze karavaan niet eens bespeurd hebben en wij kunnen van nacht nog wegtrekken.”
Zij slopen voorzichtig nog een klein eind voort, toen de voorlooper plotseling fluisterde:
“Pas op, geen stap verder!”
Wat was er gebeurd? De vuren waren eensklaps verdwenen. Onbeweeglijk bleef het drietal staan, dikke duisternis omgaf hen, maar daar lichtten eensklaps weder een twintigtal vuren op.
“Te drommel, het is een vreemde historie”, mompelde Max Huber.
En dat was het inderdaad, want de lichten schenen thans wel vijftig en honderd voet boven den beganen grond!
Wat voor wezens konden vuren aansteken, eerst op de vlakte, daarna op de hoogere en lagere takken der boomen?
“Het zijn toch geen dwaallichtjes”, mompelde Max.
“Wij moeten terug”, raadde de voorlooper, “ik geloof niet dat ons kamp van nacht zal worden aangevallen en wij moeten de anderen gerust gaan stellen.”
“Wij kunnen dat beter doen, als wij hen tegelijkertijd kunnen meedeelen, wat die geheimzinnige lichtschijnsels eigenlijk zijn.”
“Neen, mijnheer Max, wij moeten ons niet verder wagen. Er is geen twijfel, of daar ginds is een troep rondzwervende negers. Misschien ontsteken zij die vuren, om de roofdieren van zich af te houden.”
“Roofdieren!” riep Max Huber, “panters en hyena’s, of zelfs wilde buffels zouden wij moeten hooren brullen en het eenige geluid dat ik hoor, is het geknetter van brandend hout. Neen, ik wil het weten....”
En Max Huber ging weder verder, op den voet gevolgd door Llanga.
De voorlooper wist niet wat hij doen moest met dien ongeduldigen Franschman, maar begrijpende, dat hij hem toch niet alleen kon laten, besloot hij hem te vergezellen tot aan den rand van het woud, hoewel hij dit, zooals hij ronduit verklaarde, een verregaande roekeloosheid vond.
Eensklaps bleef hij staan en Max en Llanga deden hetzelfde en keerden zich om. De lichtschijnsels trokken hunne aandacht niet meer, zij waren eensklaps als uitgeblazen en weder heerschte diepe duisternis om hen heen.
Maar van den anderen kant klonk een dof geloei, een angstaanjagend geluid als van een naderenden stormwind....
“Wat is dat, Khamis?” riep Max Huber.
“Terug! Terug! Naar het kamp! Er is geen oogenblik te verliezen! Terug!”