← Table of contents
In de Oer-wouden van Afrika

Een dorp in de lucht.

Reading edition

Toen John Cort, Max Huber en Khamis den volgenden morgen ontwaakten, was het nog donkerder in het woud dan anders, maar, wat den drie tochtgenooten dadelijk trof, het was niet zoo stil als gewoonlijk. Heel in de hoogte klonk een dof gegons en toen zij opkeken, zagen zij een honderdtal voeten boven den grond een soort dak. Hoogst waarschijnlijk was dit door het in elkander groeien van allerlei takken ontstaan, maar het gaf tevens een verklaring van de duisternis, die aan den voet der boomen heerschte.

De buffel scheen niet van plan om heen te gaan. (Zie pag. 87).
De buffel scheen niet van plan om heen te gaan. (Zie pag. 87).

De buffel scheen niet van plan om heen te gaan. (Zie pag. 87).

Wel een uur lang bleef Khamis heen en weer loopen, om naar alle richtingen uit te kijken of hij het licht, dat hun de vorige dagen den weg gewezen had, nog niet zag verschijnen. Maar dit gebeurde dezen ochtend niet en wat moesten onze vrienden nu beginnen? Verder gaan? Maar waarheen? Blijven? Hoe moesten zij dan aan voedsel komen? Honger en dorst deden zien toch reeds deerlijk gevoelen!

“Toch kunnen wij hier niet blijven”, zei John Cort, nadat zij lang en breed beraadslaagd hadden, “en ik zou voorstellen om maar dadelijk op weg te gaan.”

“Maar welken kant uit?” vroeg Max Huber.

“Komaan!” hernam John Cort ongeduldig, “wij zijn hier toch niet met onze voeten aan den grond vastgeworteld, zou ik denken!... Wij kunnen tusschen de boomen doorloopen en zien waar wij uitkomen.”

“Vooruit dan!” zei Khamis.

Zoo gingen de drie tochtgenooten op weg en de bodem bleek overal kaal en droog te zijn, als onder een dicht dak, waardoor noch zonnestralen, noch regendruppels konden heendringen. En overal stonden dezelfde boomen, waarvan alleen de onderste takken waren te zien.

Onbewoond was dit woud echter, naar het scheen, niet. Herhaaldelijk meende Khamis schaduwen tusschen de stammen te zien sluipen. Was het verbeelding? Hij kon het niet zeggen. Maar eensklaps fluisterde hij:

“Daar ginds beweegt iets.”

“Een dier of een mensch?” vroeg John Cort, in de aangeduide richting kijkende.

“Als het een mensch is, dan toch een kind”, antwoordde de voorlooper, “want het was klein van stuk.”

“Een aap!” meende Max Huber.

Onbewegelijk bleven zij staan om beter te zien en waarlijk, daar naderde het dier, en het toonde bij het bespeuren der drie menschen hoegenaamd geen verbazing. Het liep recht overeind, als een mensch, en bleef op korten afstand staan.

“Te drommel, het is het schepseltje, dat Llanga uit de rivier gered heeft!” riep Max Huber, ten hoogste verwonderd.

“Gelooft gij dat?” vroeg de voorlooper.

“Ja, het is zóó”, bevestigde John Cort, “en wij zullen de proef op de som nemen.”

Hij haalde de medaille aan het koord te voorschijn, die het schepseltje om den hals gedragen had en liet het heen en weer slingeren, zooals men bij een klein kind doet, om de aandacht te trekken. En nauwelijks had hij dit gezien of met één sprong was hij er bij. Ziek was hij niet meer, dat bleek, en hij had met zijn gezondheid ook zijn vroegere lenigheid teruggekregen. Klaarblijkelijk wilde hij de medaille weggrissen, maar Khamis sprong hem in den weg en greep hem vast.

“Li-Mai!... Ngala!... Ngala!” schreeuwde het kleine wezen.

Wat die woorden beteekenden wisten zij natuurlijk niet, maar zij hadden ook geen tijd er over te denken, want eensklaps verschenen een aantal groote schepsels, minstens vijf en een halven voet lang.

Of het dieren of menschen waren, konden onze reizigers niet zoo spoedig zien, maar zij begrepen, dat het in elk geval dwaasheid zou geweest zijn, zich te verzetten tegen een twaalftal van dergelijke krachtige boschjesmannen. In een oogwenk waren John Cort, Max Huber en de voorlooper gegrepen en half voortgeduwd, ging het tusschen de boomen door, zeker wel vijf- of zeshonderd meter.

Toen kwamen zij op een plek, waar twee boomen dicht genoeg bij elkander stonden, dat de takken er van naar elkander gebogen waren, zoodat zij wel geen trap, maar dan toch een zeer gemakkelijken ladder vormden. Vijf of zes van de troep klommen langzaam daar tegen op en de overigen dwongen de drie gevangenen hetzelfde te doen, waarbij zij overigens, zooals wij gaarne erkennen, volstrekt geen geweld gebruikten.

Naarmate men hooger klom, drong ook het licht sterker tusschen de bladeren door; reeds zagen onze vrienden eenige zonnestralen, waarvan zij zoo lang verstoken waren geweest.

En Max Huber moest bij zich zelf nu eindelijk erkennen, dat wat hem thans overkwam, toch werkelijk wel iets heel ongedachts en heel buitengewoons was!

Zij werden meegesleurd in de kolk. (Zie pag. 91).
Zij werden meegesleurd in de kolk. (Zie pag. 91).

Zij werden meegesleurd in de kolk. (Zie pag. 91).

Want toen zij ten laatste ongeveer honderd voet geklommen waren, zagen zij tot hun verbazing hier, als het ware op de toppen der boomen, een plat, heerlijk door de zon verlicht.

Tusschen de nog hooger oprijzende boomen stonden in zekere regelmaat hutten van stroo, zoodat men meenen kon in een straat te zijn en de geheele oppervlakte van dit dorp in de lucht was zóó groot, dat onze reizigers de grens er van niet konden zien.

En daar liepen heen en weer een troep wezens, gelijkende op den beschermeling van Llanga. Hunne houding, overeen komende met die van den mensen, wees aan, dat zij gewend waren recht op te loopen en dus aanspraak mochten maken op den bijnaam erectus, dien dr. Eugène du Bois, de Nederlandsche officier van gezondheid, gegeven heeft aan de groote, uitgestorven aapsoorten, waarvan hij op Java overblijfselen heeft gevonden.

Maar Max Huber en John Cort hadden geen tijd, om bespiegelingen te maken. Of het dieren waren, of menschen, of wel schepsels tusschen den mensch en het dier in staande, moesten zij later uitmaken, thans werden zij door den troep, die onderling in een bepaalde taal sprak, in een hut gedrongen; de deur ging achter hen dicht en zoo waren zij goed en wel gevangen!

“Mooi!” riep Max Huber, “daar zitten wij, als die luidjes nu ook maar de gewoonte hebben hunnen gevangenen eten te geven.”

“Misschien eten zij liever hunne gevangenen op”, antwoordde John Cort droogjes.

En onmogelijk was dat niet, want er zijn in Centraal Afrika nog stammen, als bijv. de Mounbouttou’s, die zich aan kannibalisme schuldig maken.

Hoe het zij, als deze schepsels apen waren, dan stonden zij toch in elk geval boven den oran-oetan van Borneo, den chimpanzee van Guinea en den gorilla van den Gabon, want zij wisten vuur aan te maken en dit te gebruiken, zooals bleek uit de toorts, die zoolang als wegwijzer had gediend.

En nu dachten onze vrienden eensklaps aan de bewegelijke vuren, die zij lang geleden aan den zoom van het woud bespeurd hadden. Konden die ook niet door deze vreemde bewoners van het groote woud aangestoken zijn?

“En zij praten ook met elkaar”, zei John Cort, nadat het drietal allerlei opmerkingen over hun avontuur gemaakt had.

“Wist ik maar, hoe ik in hunne taal zeggen moet, dat ik grooten honger heb!” riep Max Huber, spotziek als altijd.

Van de drie gevangenen was Khamis de stilste. Hij had natuurlijk geen verstand van dierkundige vraagstukken en voor hem konden deze wezens niets anders zijn dan dieren, en wel apen. Het waren apen, die rechtop liepen, die praatten, die vuur aanlegden, die te zamen in een dorp woonden, maar toch in elk geval apen. Maar wel vond hij het vreemd, dat in het woud van Oebanghi zulke dieren leefden, waarvan men nog nooit gehoord had en zijn trots als neger kwam er tegen op, dat er apen waren, die zóóveel op menschen als hij geleken!

Intusschen verkeerden onze vrienden thans in een vreemd geval en er was maar één omstandigheid, die hun nog eenige hoop gaf, namelijk dat zij aangeland waren in het dorp, als men deze kolonie zoo noemen mocht, in het geboortedorp waarschijnlijk zelfs van den kleinen beschermeling van Llanga, en dat, nu het kleine zwarte schepseltje daar gezond en wel was aangekomen, de negerknaap er ook zijn zou.

En ziet, nauwelijks hadden John Cort en Max Huber dit besproken, of de deur van de hut werd geopend.

“Llanga!... Llanga!” riep John Cort.

“Mijnheer John!... Mijnheer Max!” Met deze woorden vloog Llanga op zijn beide blanke vrienden toe.

“Sedert wanneer ben je hier?” vroeg Khamis, die minder aangedaan was onder dat wederzien.

“Sedert gisteren morgen, zij hebben mij door het woud gedragen.”

“Die hebben dus sneller geloopen dan wij. En wie heeft je gedragen?”

“Een van degenen die mij gered hebben, en u ook hebben gered.”

“Zijn het dan menschen?”

Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken. (Zie pag. 93).
Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken. (Zie pag. 93).

Hij poogde tusschen het bladerengewelf door, een stukje van den hemel te ontdekken. (Zie pag. 93).

“Zeker, menschen, geen apen ... geen apen!”

En toen begon Llanga zijn wedervaren te vertellen, waarbij hij herhaaldelijk de handen kuste van zijn twee blanke vrienden, die hij reeds voorgoed verloren waande.

“Toen het vlot tegen de rotsen stootte”, zei hij, “werden Li-Mai en ik in het water geslingerd...”

“Li-Mai?” vroeg Max Huber.

“Ja, zoo heet hij”, antwoordde Llanga.

“Heeft dat schepseltje dus een naam”, zei John Cort, “heeft deze stam, of dit volk, of hoe gij het noemen wilt, dan soms ook een naam?”

“Ja, ik heb Li-Mai hen dikwijls Wagdies hooren noemen.”

Toen Llanga tot zich zelf kwam, zoo bleek uit zijn verder verhaal, lag hij in de armen van een grooten Wagdie, den vader van Li-Mai, en deze zelf was in de armen zijner “ngora”, zijner moeder. Hoogst waarschijnlijk was het schepseltje, een paar dagen vóór Llanga het uit het water opvischte, in het woud verdwaald.—En eenmaal in zijn dorp terug werd de kleine beschermeling nu op zijn beurt de beschermer van Llanga, hij werd goed behandeld en dezen zelfden morgen had Li-Mai hem bij de hand genomen en voor deze hut gebracht. Met welk doel wist hij niet, maar toen had hij hooren praten en de stemmen van John Cort en Max Huber herkend.

“Alles heel mooi, Llanga!” zei de Franschman, toen de knaap zijn verhaal gedaan had, “maar wij sterven van honger; gij, die hier zoo goed staat aangeschreven, kunt ons zeker wel een ontbijt bezorgen.”

Llanga verliet de hut en kwam weldra met eenige spijzen terug: een stuk geroosterd buffelvleesch, een half dozijn vruchten van de Acacia Adansonia, ook wel genoemd apenbrood, wat bananen en in een kalebas heerlijk frisch water.

Toen het drietal zich aan dit koningsmaal verzadigd had, begon John Cort aan Llanga een soort verhoor af te nemen.

“Zijn die Wagdies talrijk?” vroeg hij.

“O, zóó veel! Zóó veel!”

“Even veel als in de dorpen van Bornoe of van Baghirmi?”

“Ja.”

“En komen zij nooit van de boomen af?”

“Zeker ... om te jagen ... om vruchten en wortels te verzamelen ... om water te scheppen.”

“En spreken zij?”

“Ja, maar ik begrijp hen niet, maar soms hoor ik woorden, die ik van Li-Mai wel eens gehoord heb.”

“En de vader ... de moeder van dat kind?”

“O, die zijn zeer goed voor mij, wat ik straks hier gebracht heb, kreeg ik van hen.”

“En hoe heet dit dorp in de boomen?”

“Ngala.”

“Heeft het een opperhoofd?”

“Ja.”

“Hebt gij dien gezien?”

“Neen, maar ik heb gehoord, dat hij Mselo-Tala-Tala heet.”

“Dat zijn woorden uit een inlandsche taal”, zei Khamis eensklaps.

“En wat beteekenen die?”

“Vader Spiegel”, antwoordde de voorlooper.

En zoo noemen de Congoleezen inderdaad iemand, die een bril draagt.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings