De eerste dagen in het woud.
Reading edition
Het was iets later dan acht uur, toen het viertal den tocht in Zuidwestelijke richting begon.
Waar zij den stroom zouden vinden, die naar verondersteld werd in de Oebanghi zou uitloopen, wisten zij niet, zooals zij eigenlijk niets wisten aangaande de streek, waarin zij zich zoo vermetel gingen wagen.

Toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde. (Zie pag. 40).
Aanvankelijk waren de boomen nog niet zoo dicht, dat de zon niet te zien was, maar toch heerschte op menige plek, ondanks de heldere Maartsche dag, een halve duisternis en bij betrokken lucht zou het daar zeker volslagen donker zijn. Gedurende den nacht zou de tocht dan ook moeten worden gestaakt, en Khamis stelde voor, dat men dan zou slapen tusschen de zware wortels der reusachtige stammen, zonder vuur aan te leggen, hetgeen slechts de aandacht van ongewenschte bezoekers zou kunnen trekken. Van koude zou men geen last hebben en een klein vuurtje overdag zou voldoende zijn, om wat vleesch of wild te roosteren voor een eenvoudig maal.
Meer te duchten waren de regens, die in deze streek zeer onverwacht kunnen opkomen en wel op een stortvloed gelijken.
Zooals wel te denken was, bood het woud geen gemakkelijk begaanbaar pad aan en dit deed Max Huber opmerken:
“Het is wel jammer, dat onze olifanten hier niet kunnen doordringen. Wat hadden zij netjes al die slingerplanten kunnen wegruimen en die zware wortels der boomen kunnen plat trappen....”
“En ons daarbij”, zei John Cort.
“Laten wij tevreden zijn met wat de buffels en neushoorns gedaan hebben”, hernam Khamis, “waar zij doorgegaan zijn, vinden wij een goed pad.”
Behalve reusachtige tamarinden, groeiden hier in overvloed buitengewoon hooge mimosa’s en baobabs, voorts vreemde gewassen van de familie der Euphorbiaceeën, met stekelige takken en groote bladeren.
Terwijl Max Huber mopperde over de lagere struiken, die den weg versperden, had John Cort geen oogen genoeg om de prachtige en zeldzame plantenwereld hier te bewonderen.
En al die zware takken waren bewoond door allerlei dieren, vooral apen, waaraan Afrika zoo rijk is: grijze bavianen, mandrils, chimpansee’s en de reusachtige en gevaarlijke gorilla’s! Maar wat ons viertal tot dusver van deze vierhandigen gezien had, bood nog geen reden tot ongerustheid. Ongetwijfeld waren zij de eerste menschen, die aan de apen onder de oogen kwamen, en deze toonden dan ook meer nieuwsgierigheid dan vijandschap.
Na een korte rust op den middag, werd ten zes ure weder halt gehouden. De tocht had groote moeilijkheden opgeleverd, allerlei slingerplanten, allerlei belemmerende struiken hadden weggekapt moeten worden en dit was een zwaar werk geweest.
Daarom liet Khamis onder een zeer hoogen boom halt houden. Zijn bladerdak begon zes meter boven den grond en was grijsachtig groen, waartusschen witte bloemen prijkten. Het was een Afrikaansche katoenboom, wiens wortels een goede legerstede aanboden.
“Het bed is opgemaakt”, schertste Max Huber. “Het is wel geen springmatras, maar wij slapen toch onder katoen!”
Met eenig dood hout werd een klein vuur aangelegd en het eenvoudige avondmaal daarbij gebruikt. Maar alvorens zich tusschen de wortels van den katoenboom uit te strekken, vroeg John Cort aan den voorlooper:
“Wij zijn immers nog altijd in Zuidwestelijke richting gegaan?”
“Altijd”, verzekerde Khamis.
“En hoeveel mijlen denkt gij dat wij per dag afleggen?”
“Vier of vijf en als wij zoo voortgaan, zullen wij in een maand de Oebanghi bereikt hebben.”
Alvorens zich ter ruste te leggen werd afgesproken, dat men beurtelings drie uren zou waken en John Cort nam dezen plicht het eerst op zich, terwijl de anderen zich tusschen de zware boomwortels uitstrekten. En hij was zoodanig met zijn gedachten over dezen vreemden en gevaarvollen tocht vervuld, dat de tijd voor hem omvloog en hij werkelijk ontstelde, toen hij eensklaps een hand op zijn schouder voelde.
“Neen, het is geen menscheneter, ik ben het!” zei Max Huber vroolijk, “de beurt van waken is aan mij. Hebt gij niets verdachts gezien?”
“Niets”, antwoordde de Amerikaan.

Max Huber legde dadelijk zijn karabijn aan. (Zie pag. 47).