De komst van het voedsel.
J. Kuylman translation
I.
Ons thema, dat zoo beknopt begon in de studeerkamer van den heer Bensington, heeft zich reeds uitgebreid en vertakt, tot het nu dezen, dan genen kant uitwijst en van nu aan zullen de gebeurtenissen in ons verhaal op verschillende plaatsen voorvallen. Het Voedsel der Goden verder te volgen, staat gelijk met de vertakkingen van een voortdurend lotenschietenden boom na te gaan; in korten tijd, in het vierde gedeelte van een menschenleven, was het voedsel uit zijn eersten bron te Hickleybrow op de kleine boerderij, gelekt en had zich verspreid—het voedsel, en ook de faam en schaduw van zijn kracht—de geheele wereld over. Zeer spoedig had het zich ook buiten Engeland verspreid. Weldra werkte het in Amerika, op het geheele vasteland van Europa, in Japan, in Australië, eindelijk de geheele wereld over, naar het gezette doel. Steeds werkte het langzaam, langs indirecte kanalen en tegen de verdrukking in. Het was de grootheid die in opstand gekomen was. Niettegenstaande vooroordeelen, ten spijt van wet en verordening, niettegenstaande al de koppige vasthoudendbeid, die ten grondslag ligt aan de formeele orde der menschheid, ging het Voedsel der Goden, als het eenmaal losgelaten was, zijn onnaspeurlijken en niet te stuiten gang. Gedurende al deze jaren groeiden de kinderen van het Voedsel staag; dit was de belangrijkste factor van dien tijd. Doch het zijn juist de gevallen waarin het uitbrak, die het tot historie maken. De kinderen die ervan gegeten hadden, groeiden, en weldra waren er nog andere kinderen die ook begonnen te groeien; en de beste voornemens ter wereld konden niet verhoeden dat het telkens en telkens maar weer aan uitlekte. Het Voedsel volhardde in het losbreken, alsof het een levend iets was. Als het met bloem van meel vermengd geraakte, werd het Voedsel, bij droog weder, als bij opzet tot fijn poeder en stoof voor het lichtste briesje uit. Nu eens was het een of ander insect dat tot tijdelijke noodlottige ontwikkeling kwam, dan weder een nieuw uitbreken der rattenplaag uit de riolen, en dergelijk ongedierte. Eenige dagen lang had het dorp Pangbourne in Berkshire te kampen met reuzenmieren. Drie mannen werden gebeten en stierven. Er placht een paniek te ontstaan, er werd gekampt en dan was de losgebroken plaag weder aan banden gelegd, doch liet steeds iets na in de minder op den voorgrond tredende dingen des levens—die voor altijd veranderd waren. Dan was het weder een acute en onrustbarende uitbarsting, een snel opgroeien van monsterachtig kreupelhout, een vertakking over de aarde van onredelijk-sterk groeiende distels, van torren die door de menschen bevochten werden met jachtgeweren, of een plaag van reusachtige vliegen.
Hier en daar werd op vreemde en wanhopige wijze gekampt in obscure plaatsen. Het Voedsel verwekte helden in de zaak der kleinheid...
En in de levens der menschen kwamen allerlei, tot nu toe ongekende, gebeurtenissen en zij traden ze tegen zooals zij het beste konden, en zeiden tegen elkaar, dat er eigenlijk in de orde der dingen niets veranderd was. Na de eerste groote paniek werd Caterham, niettegenstaande zijn groote welsprekendheid, een minder belangrijke figuur in de politieke wereld, en bleef slechts in de heugenis der menschen hangen als de voorstander van een zeer geavanceerde opvatting.
Slechts zeer langzaam veroverde hij zich een op den voorgrond tredende positie. „Er had geen verandering in de essentieele orde der dingen plaats gegrepen”—die eminente leider der moderne gedachte, Dokter Winkles zei hier zeer duidelijke dingen over,—en de voorstanders van wat men in die dagen Progressief Liberalisme noemde, werden werkelijk sentimenteel over de essentieele onoprechtheid hunner vooruitstrevendheid. Het blijkt dat hunne droomen uitsluitend liepen over natietjes, taaltjes, huishoudentjes, elk zichzelf bedruipend op zijn eigen kleine hoeve. Er ontstond plotseling een mode van het kleine en nette. Groot-zijn was „vulgair”, en sierlijk, net, mignon, miniatuur „minitieus-volmaakt” werden de grond-woorden voor critischen bijval.
Ondertusschen groeiden de Kinderen van het Voedsel rustig en namen hun tijd ervoor, zooals kinderen dit moeten, in een wereld die veranderde om hen te ontvangen, en verzamelden kracht en postuur en kennis, werden persoonlijkheden met een doel in het oog, en groeiden langzaam op tot de afmetingen waarvoor het lot hen bestemd had. Weldra leken zij een natuurlijk deel te vormen van de wereld rondom hen, en begonnen de menschen zich verwonderd af te vragen, hoe alles vóór hun tijd geweest was. Verhalen van wat de reuzen-jongens konden doen drongen tot hunne ooren door, en men zei „dat is sterk!”—zonder eenige verwondering. De populaire bladen verhaalden van de drie zonen van Cossar en hoe deze wonderbaarlijke kinderen groote kanonnen konden optillen, ijzer-massa’s honderden meters ver weg slingeren, en twee honderd voet ver springen. Men vertelde dat zij bezig waren een put te graven, dieper dan eenig andere put of mijn die de menschen ooit gemaakt hadden, en dat zij, zoo zei men, zochten naar schatten die in de aarde verborgen lagen sedert de aarde geschapen werd.
„Deze Kinderen,” zeiden de populaire tijdschriften, „zullen bergen met den grond gelijk maken, zeeën overbruggen, tunnels graven door jelui aarde tot deze een honiggraat gelijkt.” „Merkwaardig,” zei het kleine volk, „niet waar? Wat een massa gemakken zullen we dan hebben!” en gingen weder huns weegs, alsof er van geen Voedsel der Goden sprake was op aarde. En inderdaad was dit alles nog slechts een vage aanduiding en belofte van wat de „Kinderen van het Voedsel” zouden kùnnen doen, later. Nù was alles nog slechts kinderspel bij hen, niet anders dan het eerste gebruik maken van kracht, waarin nog geen doel stak. Zij zelven wisten nog niet waarvoor zij waren. Zij waren kinderen—langzaam groeiende kinderen van een nieuw geslacht. De reuzenkracht groeide dag aan dag—de reuzen-wìl moest nog tot een doel rijpen; doch inderdaad zag niemand het komen van Grootheid in de wereld, zooals ook niemand ter wereld, vóór er eeuwen verloopen waren, het verval en den ondergang van Rome als één gebeurtenis zag. Zij, die in die dagen leefden, stonden te veel temidden van deze heele ontwikkeling van Groei, om ze als een enkel op zichzelf staand iets te zien. Het leek zelfs wijzen menschen toe, dat het Voedsel de wereld niets anders zou geven dan een oogst van onhandelbare, met elkaar niets uit te staan hebbende dingen, die de bestaande orde van zaken konden doen beven op hare grondvesten en haar konden verontrusten, doch verder niets.
Het wonderbaarste in dezen tijd van toenemende kracht leek wel—tenminste één’ opmerker leek het dit—het koppig volharden van de groote massa in den ouden toestand, hun rustig voortgaan in het negeeren van de kolossale gestalten die zich tusschen hen bewogen, en van de belofte van nog meer kolossale dingen, die temidden van hen zouden opgroeien. Zooals menige stroom het rustigst voortstroomt, diep en krachtig, in de nabijheid van een waterval, zoo scheen al wat behoudend in den mensch was, in die dagen een kalm overwicht te voeren. De reactie werd populair; men praatte van het bankroet der wetenschap, van het sterven van den vooruitgang, van de nadering der Mandarijnen—, en van dergelijke dingen, terwijl de schreden van de „Kinderen van het Voedsel” te midden van hen daverden. De lawaaierige doellooze Revolutien van ouds, een groote menigte dwaze kleine lieden die den een of anderen dwazen kleinen monarch verjoegen, dit alles lag ver achter hen en hiermede had men afgedaan; doch de Verandering was nièt gestorven. Het eenige was, dat de Verandering veranderd was. Het nieuwe was bezig te komen op zijn eigen manier en dit ging boven het alledaagsch begrip der wereld.
Uitvoerig te verhalen van deze komst, zou gelijk staan met een groote Geschiedenis te schrijven, doch overal was een evenwijdig-loopende keten van gebeurtenissen. Zoodat het verhalen van de komst ervan op ééne plaats, feitelijk het verhalen van het geheel is. Toevallig viel er een zaadje dezer Onmetelijkheid in het aardige dorpje Cheasing Eyebright in Kent; en te oordeelen naar het verhaal van de eigenaardige ontkieming ervan en van de tragische beuzelachtigheden die hieruit ontstonden, kan men trachten—als het ware één draad volgend—de richting aan te wijzen waarin dit geheele groote weefsel van gebeurtenissen het weefgestoel van den Tijd ontrolde.
II.
Cheasing Eyebright had natuurlijk een dominé.
Nu zijn er dominé’s en dominé’s; en van alle soorten houd ik van een nieuwigheden invoerenden dominé—van een bonten, naar vooruitgang strevenden professioneelen reactionnair—het minst. Doch de dominé van Cheasing Eyebright was iemand die wel het allerminst dacht aan nieuwigheden invoeren, een brave, gezette, rijpe en conservatieve kleine man. Het is niet meer dan passend een eindje met ons verhaal terug te gaan om van hem te vertellen. Hij paste volkomen bij zijn dorpsbewoners en men kan hen zich het beste voorstellen zooals zij waren, op den avond tegen zonsondergang, toen juffrouw Skinner—gij herinnert u haar vlucht nog wel!—het voedsel, zonder dat iemand het vermoedde, tusschen haar wereldsche goederen deze landelijke rust binnen droeg.
„Wij liggen in een sterke vesting tusschen de heuvelen,” legde hij nader uit.
En eindelijk kwam hij geheel en al voor de zaak uit. „Wij liggen er gelukkig geheel van afgesloten.”
„Wij staan er hier heelemaal buiten,” herhaalde hij en net terwijl hij dit zei trof het geluid der voetstappen van iemand die dien kant uitkwam zijn oor, en hij rolde zich om in zijn stoel en keek naar haar.
Gij kunt u de stage, beverige nadering der oude vrouw wel voorstellen, met haar pak in haar knoestige, vermagerde hand geklemd, haar neus (die haar gezicht vormde) gerimpeld van ademlooze vastberadenheid. Gij ziet de klaprozen al zwaar van noodlot knikken op haar hoed, en de met stof bedekte elastieken laarzen onder haar schamele rokken onherroepelijk en langzaam beurtelings oost en west wijzend. Onder haar arm schoof een niet zeer kostbare parapluie heen en weer, als een oproerige gevangene. Wat kon den Dominé aanduiden, dat deze grotesque oude gestalte—tenminste voor zoover het zijn dorp betrof—niemand anders was dan het Vruchtbare Toeval, en het Onverwachte—de oude harpij die de menschen het Noodlot noemen. Doch voor ons is zij niemand anders dan juffrouw Skinner.
Daar zij te veel bepakt was om een buiging te maken, deed zij net of zij hem en zijn vriend niet zag, en ging hen dus, flip, flap, op nog geen drie pas voorbij, op het dorp toe. De dominé zag haar daar zoo langzaam in stilte heentrekken en deed ondertusschen een opmerking in zich rijpen...
III.
Zonder twijfel was hij een van de eersten die ze ontdekte. Met kleine afstanden ertusschen waren ze langs het pad verspreid; tusschen den dichtst bijzijnden heuvel en het einde van het dorp—een pad dat hij dagelijks bezocht op zijn digestie-wandelingetje. Alles bij elkaar genomen, waren er van het begin tot het einde, minstens dertig van deze zwammen. De dominé schijnt naar elk van hen afzonderlijk verbaasd te hebben staan kijken, en in de meeste een paar maal met zijn wandelstok te hebben gestooten. Eén ervan trachtte hij met zijne armen te meten, doch zij barstte bij zijn Ixionische omarming.
Hij sprak er met verscheidene menschen over en zeide dat zij „wonderbaarlijk!” waren en hij verhaalde aan minstens zeven verschillende personen de welbekende geschiedenis van den vloersteen, die opgelicht werd van den keldervloer door een hoop paddestoelen die er onder groeiden. Hij keek er zijn Sowerby eens op na om te zien of het Lycoperdon coelatum of giganteum was. Hij hield er een geliefkoosde theorie op na, dat de benaming „giganteum” niet juist was.
Men weet niet of hij ook opmerkte dat deze witte bollen juist op het pad groeiden dat die oude vrouw gisteren gevolgd had, en of hij opmerkte dat de laatste op nog geen twintig passen van het hek van het huisje van Caddles zijn dikken kop opstak. Zoo hij dit alles al opmerkte, trachtte hij toch niet er aanteekening van te houden. Zijn observatie-vermogen in botanische dingen was wat de kleinere natuurkundigen een „geoefende waarneming” noemen—men zoekt naar zekere bepaalde dingen en ziet alle verdere dingen over het hoofd. En hij deed geen moeite om dit verschijnsel in verband te brengen met het merkwaardig snelle groeien van den zuigeling van Caddles, wat nu al eenige weken aan den gang was; ja, feitelijk van den dag af dat Caddles ongeveer een maand tevoren zijn schoonmoeder was gaan bezoeken en hij zijn schoonmoeder hoorde opsnijden over het fokken van kippen.
IV.
Het groeien der wolfsveesten, volgend op het plotseling groeien van den baby der Caddles, behoorde den dominé de oogen geopend te hebben. Het laatste dezer twee feiten was hem reeds rechtstreeks in de armen gevoerd bij het doopen—bijna overweldigend...
De hummel gilde oorverdoovend, toen het koude water, dat zijn goddelijk erfdeel en zijn recht op den naam van Albert Edward Caddles bezegelde, op zijn voorhoofd druppelde. Hij ging de moederlijke draagkracht reeds te boven en Caddles, weliswaar wankelend onder den last, doch ouders van minder voordeelige kinderen triumphantelijk toegrijnzend, droeg hem terug naar de bank die door zijn gezelschap werd ingenomen.
„Zóó’n kind heb ik nog nooit gezien!” zei dominé.
Dit was de eerste openlijke aanduiding dat het kleine kind van Caddles, dat zijn aardsche loopbaan begonnen was ònder een gewicht van zeven pond, bij slot van rekening zijn ouders toch nog eer aan zou gaan doen. En heel gauw werd het duidelijk dat het niet alleen voornemens was hun een eer, doch zelfs een glorie te zijn. En binnen een maand schitterde hun glorie zoo helder, dat zij, den stand van lieden als de Caddles in aanmerking nemend, onbehoorlijk was.
De slager woog het kind elf maal. Hij was geen erg spraakzaam mensch en besteedde niet veel tijd aan dit wegen. De eerste maal zei hij: „’t is een goeie hoor;” de tweede maal zei hij: „wel allemachtig!” De derde maal zei hij: „Nou, hm,” en daarna blies hij ieder maal slechts geweldig, krabde zich het hoofd, en keek naar zijn weegschaal met een tot hier toe nooit gevoeld wantrouwen. Iedereen kwam naar het „Groote Kind” kijken—zoo werd het algemeen genoemd—en de meesten zeiden: „’t is een dikzak, hoor!” Juffrouw Fletcher kwam ook kijken en zeide dat ze nog nooit zóó iets gezien had, wat volkomen juist was.
Lady Wondershoot, de dorps-tyran, kwam op den dag nadat het voor de derde maal gewogen was aanzetten en bekeek het phenomeen nauwkeurig door haar lorgnon, wat het kind deed brullen van angst.
„’t Is een merkwaardig „Groot kind,”” vertelde zij de moeder, met een luide, leerende stem. „Je mag er wel goed voor zorgen, Caddles. Natuurlijk gaat dat zoo niet dóór, daar het met de flesch grootgebracht wordt, maar we moeten er voor doen wat we kunnen. Ik zal je nog wat flanel sturen.”
De dokter kwam en mat het kind met een elletje, en schreef de cijfers in zijn notitieboekje, en de oude meneer Drifthassock, die een boerderij bij Up Marden had, maakte met een voerage-reiziger een omweg van een half-uur, om het te zien. De reiziger vroeg drie malen hoe oud het kind was en zeide eindelijk dat hij „verdompeld” zou zijn. Hoe en waarom hij „verdompeld” was moest men maar raden. Hij zei ook dat het in een reuzen-kinderen-tent op de kermis moest tentoongesteld worden. En den geheelen dag kwamen er kinderen die zeiden: „juffrouw Caddles, maggen we asjeblief je kind es zien,” tot juffrouw Caddles er een stokje voor moest steken. En temidden van al deze verbazingwekkende dingen stond daar juffrouw Skinner, glimlachend en zich een beetje achteraf houdend, met de puntige elbogen in haar lange slappe handen, en al maar glimlachend om en bij haar neus, met een oneindig diepzinnigen glimlach.
„Zelfs die oude heks van een grootmoeder ziet er opgeruimder door uit,” zei Lady Wondershoot. „Al spijt ’t mij ook dat ze weer hier in het dorp terug is.”
Natuurlijk, zooals bij de meerderheid der zuigelingen van de armere dorpelingen, werd het bedeeld, doch door een enorm gekrijt maakte het kind het weldra duidelijk dat het, wat het vullen van zijn zuigflesch aanging, nog lang niet genoeg bedeeld werd.
De baby had recht op een negendaagsche bewondering, en iedereen had schik in zijn verbazenden groei, gedurende tweemaal dien tijd en langer. En zelfs daarna, inplaats van op den achtergrond te geraken, en plaats te maken voor andere wonderen, bleef het maar steeds doorgroeien, nog sterker dan te voren!
Lady Wondershoot luisterde met de uiterste verbazing naar haar huisbewaarster.
„Caddles al wéér beneden. Geen eten voor het kind! Maar m’n beste Greenfield, dat kàn niet. Het schepsel eet als een nijlpaard! ’t Kan beslist niet waar zijn.”
„Ik mag van harte lijden dat ze u niet bedriegen, barones,” zei juffrouw Greenfield.
„Het is zoo moeilijk te zeggen bij zulk soort menschen,” zei Lady Wondershoot. „Doe me een pleizier, m’n beste Greenfield, er vanmiddag zelf even heen te gaan en je zelf te overtuigen—en blijf erbij als ’t de flesch krijgt. Al is ’t werkelijk een groot kind, ik kan me heusch niet voorstellen dat ’t méér dan zes pint per dag zou noodig hebben.”
„’t Heeft er geen recht op, barones,” zei juffrouw Greenfield.
Lady Wondershoot’s hand beefde, met die C. O. S. soort van emotie, die achterdochtige woede, die in alle ware aristocraten beeft, bij de gedachte dat mogelijk de lagere klassen bij slot van rekening—even laag zijn als hun meerderen en—en hier steekt de angel—op dit gebied nog beter aan toe zijn misschien dan zij.
Doch juffrouw Greenfield kon geen bewijzen vinden dat er op den zak harer meesteres gespeculeerd werd, en er werd bevel gegeven, aan Caddles’ baby een grooter dagelijksch rantsoen te verstrekken. Nauwelijks was het eerste rantsoen op, of daar kwam Caddles alweer aan, met een wanhopig air van „ik kan er niks aan doen.”
„Wij hebben er zuinig op gepast, juffrouw Greenfield, ’t is waar, juffrouw, maar ze zijn ’em d’r allemaal gewoon afgesprongen! Ze vlogen met zoo’n kracht in de rondte, juffrouw, dat er een knoop door een ruit ging, en een andere me nèt hier tegen m’n hoofd vloog da ’k er van duizelde.”
Toen Lady Wondershoot vernam dat het wonderbaarlijke kind zoowaar zijn prachtige bedeelingskleeren had doen barsten, besloot zij er Caddles zèlf eens over te spreken. Hij verscheen vóór haar; zijn haar inderhaast natgemaakt en gladgestreken met de hand, buiten adem en zich aan zijn hoed-rand vastklemmend alsof het een zwemgordel was, en struikelend in zijn rampzaligheid over den rand van het vloerkleed.
Lady Wondershoot mocht Caddles graag afsnauwen. Caddles was in haar oog het ideaal van iemand die tot de lagere klassen behoort, oneerlijk, trouw, kruiperig, werkzaam, en onbegrijpelijk ongeschikt om verantwoordelijkheid op zich te nemen. Zij zeide hem dat hij werkelijk niet te licht moest denken over de wijze waarop dat kind zich gedroeg.
„Niks anders dan dat hij zoo’n honger heeft, barones,” zei Caddles, met verheffing van stem.
„En je kunt hem niet tegenhouden ook, barones,” zei Caddles. „Hij ligt daar maar van zich af te trappen en te gillen dat je hooren en zien vergaat. ’t Gaat niet, barones en als we ’t al deden, zouden de buren tusschen beiden komen...”
Lady Wondershoot raadpleegde er den dokter eens over.
„Ik zou wel eens willen weten,” zei Lady Wondershoot, „of ’t wel goèd is dat dit kind zulk een verbazende hoeveelheid melk krijgt?”
„De gewone hoeveelheid voor een kind van dien leeftijd,” zei de dorpsdokter, „is anderhalf tot twee pint in de vierentwintig uur. Ik zie heusch niet in dat u geroepen is om méér te verschaffen. Zóó u het doet, dan is ’t alleen uw eigen edelmoedigheid. Natuurlijk zouden we het met de hoeveelheid die hem toekomt eens een paar dagen kunnen probeeren. Maar ik moet toegeven, dat het kind, door de een of andere oorzaak physiologisch van andere kinderen verschilt. Het is mogelijk dat het, wat men een „Sport” noemt, is. Een geval van Algeheele Overvoeding.”
„Het is niet eerlijk tegenover de andere dorpskinderen,” zei Lady Wondershoot. „Ik weet zeker dat er klachten inkomen als dit zoo dóórgaat.”
„Ik zie werkelijk niet in dat er van iemand verwacht kan worden méér te geven dan de hoeveelheid die algemeen aan kinderen van dien leeftijd gegeven wordt. We zouden er op kunnen staan dat ’t zich daarmede tevreden stelde, of, als ’t dat niet wilde, het als een „geval” naar het ziekenhuis sturen.”
„Ontdekt u, nog afgezien van de grootte en den eetlust, ook nog iets anders dat abnormaal is—niets monsterachtigs?” zei Lady Wondershoot nadenkend.
„Neen, neen, dat niet. Doch als deze groei doorgaat, zullen wij ernstige moreele en intellectueele tekortkomingen ontdekken. Men zou dit reeds nu haast durven voorspellen aan de hand van Max Nordau’s wet. Een zeer begaafde, en beroemde filosoof, Lady Wondershoot. Hij ontdekte dat het abnormale—abnormaal is, een zeer gewichtige ontdekking, die wel de moeite waard is onthouden te worden. Voor mij is zij tenminste van groot belang in mijn praktijk. Als ik iets abnormaals ontdek, zeg ik dadelijk: „Dit is abnormaal.” Zijn oogen namen een diepzinnige uitdrukking aan; hij liet zijn stem dalen, zijn houding grensde aan het intiem-vertrouwelijke. Hij hief stijf een hand op. „En in dien geest behandel ik dan zoo’n geval,” zei hij.
V.
„Wel, wel!” zei de dominé tegen zijn ontbijt-gerei—den dag na de aankomst van juffrouw Skinner.
„Wel, wel, wat hebben we hier?” en richtte zijn bril op zijn courant met een afkeurenden blik.
„Reuzenwespen! Wat beleven we al niet... Amerikaansche journalisten, vertrouw ik! Ik moet niets hebben van al die nieuwe fratsen. Ik ben al heel tevreden met reuzen-klapbessen.”
„Onzin!” zei de dominé, dronk in één teug zijn koffie leeg, met zijn blikken vast op zijn courant gevestigd, en smakte ongeloovig met de lippen.
„Nonsens!” zei de dominé, het bericht niet willend gelooven. Doch den volgenden dag stond er meer over in, en toen ging hem plotseling een licht op. Doch alles werd hem niet opeens duidelijk. Toen hij dien dag zijn digestie-wandeling ging doen, liep hij nog onderdrukt te lachen over dat nonsensicale verzinsel, dat zijn courant hem op de mouw wilde spelden. „Jawel! Wespen—die een hond gedood hadden!” Toen hij toevallig voorbij de plek kwam waar die eerste was van Wolfsveesten groeide, merkte hij bij zichzelven op dat het gras daar erg hoog en weelderig groeide, doch hij bracht dit op geenerlei wijze in verband met dat waarover hij in stilte zulk een pleizier had.
„Dan zouden we er toch hier ook wel ièts van gehoord hebben,” zei hij; „Whitstable is nog geen twintig mijlen hier vandaan.”
Toen schoot de beteekenis van dit alles in hem als een bliksemstraal.
Dien morgen deed hij niet zijn gebruikelijke rondte. Hij sloeg af bij den tweeden overstap en liep zóó om naar het huisje der Caddles. „Waar is je kind?” vroeg hij, en toen hij het zag, riep hij uit: „Goeie hemel!”
Hij liep den stijgenden weg naar het dorp op en kwam den dokter tegen die in allerijl naar beneden liep. Hij vatte hem bij den arm. „Wat betéékent dit allemaal?” zei hij. „Heb je de laatste dagen couranten gelezen?”
De dokter antwoordde toestemmend.
„Nu, en wat is er aan de hand met dat kind? En al dat andere—wespen, wolfsveesten, zuigelingen, hè, zeg? Wat is het dat ze zoo sterk doet groeien? ’t Komt erg onverwacht. En dat nog wel in Kent! Als ’t nu nog Amerika was—”
„’t Is op ’t oogenblik nog moeilijk te zeggen wat ’t precies is,” zei de dokter. „Zoover als ik de symptomen kan nagaan—”
„...is het overmatige voeding—algemeene overvoeding.”
„Overvóéding?”
„Ja, algeheele—doet den geheelen lichaamsbouw aan—het geheele organisme. Tusschen ons, in vertrouwen gezegd, ben ik er wel haast van overtuigd dat het dàt is... Maar je moet altijd een beetje voorzichtig zijn in je oordeel.”
„Ha,” zei de dominé, erg opgelucht, te bevinden dat de dokter tegen het geval was opgewassen; „maar hoe komt ’t dat ’t overal op deze manier uitbreekt?”
„Ja, dat is weer iets dat moeilijk te zeggen valt.”
„In Urshot, en nu hier, ’t is een vrij duidelijk geval van verspreiding.”
„Ja,” zei de dokter, „ja. Ik geloof het ook. Het lijkt in elk geval erg op de een of andere epidemie. Waarschijnlijk zal ’t wel Epidemische Overvoeding zijn.”
„Epidemisch!” zei de dominé. „Je wilt toch niet zeggen dat ’t besmettelijk is?”
De dokter glimlachte vriendelijk en wreef zich in de handen. „Ja, zie je, dàt kan ik niet zeggen,” zei hij.
„Maar—!” riep de dominé, met wijd open oogen. „Als ’t eens besmettelijk is—dan—dan steekt ’t òns ook aan!”
Hij liep een paar pas den weg op en wendde zich toen weder om.
„Ik kom er juist vandaan,” riep hij. „Zou ’t niet goed zijn als—? Ik ga dadelijk naar huis, om een bad te nemen en mijn kleeren te ontsmetten.”
De dokter keek zijn zich verwijderende gestalte een oogenblik na, wendde zich toen om en ging naar zijn eigen huis...
Doch onderweg dacht hij na over het feit dat er nu al een maand lang een geval in het dorp was zonder dat iemand anders er door besmet werd, en na een korte aarzeling besloot hij moedig te zijn zooals een dokter betaamt en de gevolgen als een man af te wachten.
En wèl waren zijn overdenkingen juist. Want groei was het allerlaatste dat hèm nog zou aansteken. Hij,—en ook de dominé—kon een handkar vol Herakleophorbia opgegeten hebben. Want de groei was bij hen uit, voor altijd.
VI.
Een dag of zoo na dit gesprek,—dat wil zeggen een dag of zoo na het verbranden der Proef-Hoeve, kwam Winkles bij Redwood en liet hem een beleedigenden brief zien. Het was een ongeteekende brief, en een auteur behoort de geheimen zijner sujetten te bewaren. „Ge denkt eer in te leggen met wat niets anders dan een volkomen natuurlijk verschijnsel is,” luidde de brief, „en ge tracht voor uzelf reclame te maken met uw brief aan de „Times.” U en uw Bomvoedsel! Laat ik u even zeggen dat dit voedsel met zijn zotten naam slechts zeer toevallig in verband staat met deze groote wespen en ratten. De naakte waarheid is dat er een epidemie van Overvoeding heerscht—Besmettelijke Overvoeding—die ge ongeveer even weinig kunt tegengaan als ge het zonnestelsel kunt bedwingen. Het is een quaestie die zoo oud is als de wereld. Er heerschte overvoeding in het geslacht van Enak. Geheel buiten uw bereik, te Chaesing Eyebright bevindt zich op dit oogenblik een kind—”
„Beverige op- en neerhalen. Blijkbaar oude heer,” zei Redwood. „Maar het is toch vreemd dat een kind—”
Hij las een paar regels verder, en kreeg plotseling een ingeving.
„Bij den hemel!” zei hij. „Dat is mijn verdwenen juffrouw Skinner!”
Hij overviel haar plotseling den volgenden dag in den namiddag.
Zij was bezig uien te trekken in het tuintje voor haar dochter’s huisje, toen zij hem zag aankomen door het tuinhek. Zij bleef een oogenblik „beduusd” staan, zooals de lui op ’t land het uitdrukken, sloeg toen de armen over elkaar en wachtte zijn komst af met het bosje uien als ter verdediging onder haar linker elboog. Haar mond opende en sloot zich verscheidene malen; zij mummelde wat met haar eenigen tand, en eenmaal maakte zij plotseling een buiging, als het flikkeren van een booglamp.
„Ik dacht wel dat ik je vinden zou,” zei Redwood.
„Ja, dat heb ik ook al gedacht, meneer,” zei zij, zonder veel vreugdebetoon.
„Waar is Skinner?”
„’IJ ’eeft me nooit weer geschreve’, meneer, en is ook nooit meer ’ier geweest vanaf dat ik ’ier ben.”
„Weet je niet wat er van hem geworden is?”
„’IJ ’eeft me nooit meer geschreve’, meneer,’’ zei zij en deed zijdelings een schrede naar links, half met het doel Redwood van de deur af te houden.
„Niemand weet wat er van hem geworden is,” zei Redwood.
„Nou maar, ’ijzèlf wel,” zei juffrouw Skinner, „maar ’ij wil ’t niet zegge’, want ’ij ’ad t’r altijd slag van ’n mensch, dat ’t em ’t naaste stond in last te brenge’ en te late’ zitte’. Maar slim was ie, da mô’ k zegge’,” zei juffrouw Skinner....
„En waar is dat kind nu?” vroeg Redwood plotseling.
„Wâ blieft u?”
„Dat kind daar ik van heb hooren spreken, ’t kind dat je ons goedje gegeven hebt—het kind dat acht en twintig pond weegt.”
De handen van juffrouw Skinner waren zenuwachtig in de weer, en ze liet de uien vallen. „Warachies, meneer,” zei zij, „ik weet werkelijk niet wat u bedoel. M’n dochter, meneer, juffrouw Caddles, ’ééft een kind, meneer.” En zij maakte zenuwachtig een reverence, en probeerde er onschuldig-vragend uit te zien, door haar neus naar één kant te trekken.
„Ik zou graag dat kind es zien, juffrouw Skinner,” zei Redwood.
Juffrouw Skinner deed één oog wat wijder open toen zij hem voorging naar de deel. „Natuurlijk, meneer, d’r kan ergens wel een klein beetje in geweest zijn, in een kleine bus van Nicey die ik aan zijn vader gaf om van de boerderij mee te brengen, of misschien een klein beetje dat ik om ’t zoo maar es uit te drukken bij me had, en dat door m’n gauwe inpakke’ d’r tussche’ zal zijn geraakt....”
„H’m!” zei Redwood nadat hij een poosje naar het kind had staan kijken. „H’m!”
Hij zei tot juffrouw Caddles dat het een erg voordeelig kind was, iets wat zij hoe langer hoe meer in al zijn omvang begon te begrijpen,—en na dit gezegd te hebben, bemoeide hij zich verder niet met haar. Een oogenblik later verliet zij het vertrek uit louter onbeduidendheid.
„Nu dat je er mee begonnen bent, zul je er mee voort moeten gaan,” zei hij tot juffrouw Skinner. Hij wendde zich plotseling tot haar.
„En denk er wel om, dat je ’t niet wéér rondmorst,” zei hij.
„’t Rondmorse, meneer?”
„Kom, je begrijpt me heel goed.”
En dàt zij hem begreep bleek uit haar zenuwachtige gebaren.
„Je hebt er hier niemand iets van verteld? De ouders, den dorpsheer op het heerenhuis, den dokter, aan niemand?”
Juffrouw Skinner schudde ontkennend het hoofd.
„Dat zou ik je ook niet raden,” zei Redwood.
Hij ging naar de deel-deur en keek eens naar buiten. De schuurdeur zag, tusschen het eind van het boerenplaatsje en eenige ongebruikte varkenskotten, door een hek met vijf dwarslatten uit op den heirweg. Daar achter bevond zich een hooge steenen muur, weelderig met klimop, muurbloemen en huismanslook begroeid, en die van boven voorzien was van glasscherven. Net voorbij den hoek van den muur stak een door de zon verlicht bord tusschen de groene en gele bladerentakken uit, boven de weelderige schakeeringen der eerste gevallen bladeren, en behelsde het gebruikelijke „Verboden Terrein, volgens artikel 461 Wetboek van Strafrecht.” De donkere schaduw van een gat in de heg deed een eind prikkeldraad duidelijk uitkomen.
„Hm,” zei Redwood, en toen nog eens wat dieper, „hm!”
Het geklep van paardenhoeven en het geratel van raderen kwam naderbij en Lady Wondershoot’s schimmels kwamen in het zicht. Hij lette op de gezichten van koetsier en palfrenier, onderwijl de equipage naderbij kwam. De koetsier was een zeer mooi exemplaar in zijn soort, welgedaan en rijp, en hij mende met een soort van sacramenteele waardigheid. Anderen mochten aan hun roeping en positie twijfelen in de wereld, hij was er ten minste zéker van—hij reed de barones. De palfrenier zat naast hem met over elkaar geslagen armen en met een onbeweeglijk, zéker gezicht. Toen werd de groote dame zelf zichtbaar, met hoed en mantel die alle elegance verachtten. Twee jonge dames rekten, met haar, hunne halzen uit en gluurden naar buiten. De dominé, die aan den anderen kant voorbij kwam, nam met een zwaai den hoed van zijn David’s voorhoofd, zonder dat hij opgemerkt werd.
Redwood bleef nog langen tijd nadat het rijtuig verdwenen was, in den deurpost staan kijken, de handen op zijn rug. Zijn blikken gingen naar het hooge duinland en de met wolken geplekte lucht, en gingen toen weder terug naar den met glasscherven afgezetten muur. Hij wendde zich om naar de koele schaduwen daarbinnen, en temidden van plekken en klodders kleur zag hij daar het reuzen-kind in dat Rembrandtieke halfduister, naakt op een flanellen luier na, gezeten op een ontzettend dikke wis stroo en met zijn teenen spelend.
„Ik begin in te zien, wat wij gedaan hebben,” zei hij.
Hij verzonk in gedachten, en de jonge Caddles en zijn eigen kind en Cossar’s jongens vormden deel van zijne mijmeringen. Plotseling begon hij te lachen. „Goeie hemel!” zei hij, als om een voorbijgaande gedachte.
„In ieder geval mag hij niet gekweld worden met storing in het geregeld krijgen van zijn voedsel. Dàt kunnen we tenminste voorkomen. Ik zal je elk half jaar een bus sturen. Daar zal hij wel mee uitkomen, denk ik,” zei hij tot juffrouw Skinner.
Juffrouw Skinner mompelde iets van „als uwes dat denkt, meneer,” en „is er vast bij ongeluk tusschen geraakt.... dacht niet dat ’t kwaad kon as ’k ’em er ’n beetje van gaf,” en aldus met behulp van allerlei buigzame gebaren beduidde zij hem dat ze hem begreep.
En aldus ging het kind voort met groeien.
„Feitelijk,” zei Lady Wondershoot, „heeft hij ieder kalf in het dorp opgegeten. Als die Caddles toch nog weer zoo’n kind—”
VII.
Doch zelfs zulk een afgezonderd plaatsje als Cheasing Eyebright kon, bij de steeds toenemende drukte die er over het Voedsel gemaakt werd, niet lang volharden in de theorie van Overvoeding—besmettelijk of niet. Weldra kwam het tot pijnlijke ophelderingen voor juffrouw Skinner—ophelderingen die haar slechts sprakeloos deden mummelen op haar eenigen tand—verklaringen, die uit haar haalden wat er uit te halen was, die haar als ’t ware doorzòchten, en haar ontmaskerden—totdat zij zich ten laatste genoodzaakt zag haar toevlucht te nemen tot de waardigheid van een ontroostbaar weduwschap, om de zich steeds ophoopende blaam te ontgaan. Zij sloeg haar oog—dat ze steeds in een waterigen toestand hield—op de burchtvrouwe, en veegde het zeepsop van haar handen.
„U vergeet, barones, waar ik onder gebukt ga.”
En zij liet op deze waarschuwing, met lichtelijk uitdagende stem volgen:
„Aan ’em denk ik, nacht en dag.”
Zij perste de lippen samen en haar stem werd zachter en haperde: „En nog wel opgegeten en wel.”
En zich aldus op dit standpunt geplaatst hebbend, herhaalde zij de verklaring die de barones eerst niet had willen aannemen. „Ik ’ad niet méér idee wat ik an ’t kind gaf, dan ieder ander mensch zou ’ebben.”
De barones richtte hare gedachten op hoopvoller dingen, doch vergat niet Caddles natuurlijk flink de les te lezen. Afgezanten, vol van diplomatieke bedreigingen, kwamen plotseling in de bewogen levens van Bensington en Redwood. Zij verschenen in den vorm van leden van den parochialen raad van bestuur, dom vasthoudend als een speeldoos aan hun vooraf in elkaar gezette bewerinkjes.
„Wij beschouwen u als aansprakelijk, mijnheer Bensington, voor al het nadeel dat onze parochie ondervonden heeft. U draagt hiervan alleen de schuld.”
Een advocaten-firma, met een arglistigen stijl—zij noemden zich Banghurst, Brown, Flapp, Codlin Tedder en Snoxton, en verschenen onveranderd in den vorm van een rood, er-listig-uitziend heertje met een spitsen neus—zei vage dingen over schadevergoeding, en dan was er nog een erg gepolijst personage—de agent der barones, die Redwood plotseling op zekeren dag overviel en vroeg: „Nu, mijnheer, wat denkt u te doen?” Waarop Redwood antwoordde dat hij van plan was het verstrekken van het „Voedsel” aan het kind te staken, als hij of Bensington nog verder over iets lastig gevallen werden. „Ik geef het toch al gratis,” zei hij, „en als u ophoudt het ’t voedsel te geven, zal het uw dorp omvèr schreeuwen vóór het sterft. Jullie hebt dit kind nu eenmaal, en jullie moet het houden. Lady Wondershoot kon niet altijd Lady de Milde en Aardsch Voorzienigheidje spelen in haar parochie zonder zoo nu en dan eens een verantwoordelijkheid tegen te komen.”
„Het kwaad is geschied,” besliste Lady Wondershoot toen men haar mededeelde—met de noodige afkortingen en zuiveringen—wat Redwood gezegd had.
Hoewel inderdaad het kwaad pas bezig was een aanvang te nemen.
