De jonge Caddles in Londen.
J. Kuylman translation
I.
Geheel onbewust van den gang van zaken, niets wetend van de wetten die zich steeds nauwer samentrokken om al de Broederen, ja, zelfs niet wetend dat er een Broeder leefde op aarde, koos de jonge Caddles dezen tijd uit om uit zijn krijtgroeve te komen en de wereld te gaan zien. Door zijn somber gepeins kwam hij hièr eindelijk toe. Hij kreeg in Cheasing Eyebright geen antwoord op al zijn vragen; de nieuwe dominé was nòg minder verlicht dan de oude, en het raadsel van zijn doelloozen arbeid werd eindelijk zoo groot, dat hij het niet langer dragen kon. „Waarom moet ik hier dag in dag uit in deze groeve werken?” vroeg hij. „Waarom zou ik me binnen zekere grenzen houden, en zou ik al de wonderen van de wereld daarbuiten niet mogen zien? Wat heb ik gedaan, dat ik hiertoe veroordeeld ben?”
En op zekeren dag stond hij op, rekte zich uit, en zeide met luider stem: „Neen! ik doe ’t niet langer,” en toen verwenschte hij de groeve met kernachtige taal. En toen, daar hij niet rad van tong was, trachtte hij zijn gedachten in daden uit te drukken. Hij nam een lorrie, die half met krijt gevuld was en keilde hem met een smak tegen een anderen aan. Toen greep hij een heele rij leege lorries en gooide ze een glooiing af. Hij smeet er een reusachtig krijtblok tusschen dat aan stukken vloog, en brak toen met één krachtigen schop van zijn voet ongeveer twaalf rails op. Aldus begon hij op nauwgezette wijze de groeve te vernielen.
„’k Zou nog liever, dan hier al mijn dagen in te werken,” zei hij.
De kleine geoloog dien hij, in zijn abstractie, over het hoofd gezien had, beleefde een angstige vijf minuten. Nadat dit arme wezen ternauwernood twee rotsblokken ontweken was, vluchtte hij door den westelijken uitgang, den heuvel over, met zijn knapzak dansend op zijn rug en met glanzende beentjes die in een kuitbroek gestoken waren, en liet een spoor van krijtachtige echinodermata achter zich, terwijl de jonge Caddles, voldaan over de verwoesting die hij aangericht had, met groote passen naar buiten kwam om zijn fortuin in de wereld te gaan zoeken.
„Ik zou nog liever dan in die ouwe rot-groef te werken, tot ik doodga en rot en stink!” Wat voor ’n wurm dachten ze wel, dat in mijn reuzenlichaam huisde? Krijtgraven voor god weet wat een onzinnig doel. ’k Zou je danken!..
De richting van den weg, of van de spoorlijn misschien, deed hem den kant naar Londen opgaan, en daar kwam hij opaan stappen, over de Duinen, dwars over de weiden, in den heeten namiddag, tot groote verbazing van de wereld. Het had voor hem geen beteekenis, dat er aan iederen muur en schuur verscheurde roode en witte aanplakbiljetten fladderden, waarop verschillende namen te lezen waren.
Hij wist niets van de verkiezings-revolutie die Caterham, „Jack de Reuzendooder” plotseling op het kussen gebracht had. Het wilde voor hem niets zeggen, dat op elk aanplakbord aan elk politiebureau langs zijn weg, aangeplakt was wat bekend stond als Caterham’s ukase, proclameerend dat geen reus, of eenig ander persoon boven de acht voet, zich verder dan vijf mijlen buiten zijn „woonplaats” mocht begeven, zonder speciale vergunning. Het zei hem niets, dat achter hem aan constabels, die hem niet bij konden houden, en voor wien het een ware opluchting was dat ze dit niet konden, waarschuwende biljetten achter zijn verdwijnenden rug schudden. Hij wilde zien wat er in de wereld te zien was, de arme ongeloovige domme jongen, en hij was niet van plan zich te laten ophouden door lieden die nu en dan nijdig „ho” tegen hem schreeuwden. Hij liep voort door Rochester en Greenwich op een steeds compacter wordende huizenmassa toe; hij liep nu tamelijk langzaam, verbaasd om zich heen ziend, en met zijn geweldig houweel zwaaiend.
„’t Is maar goed dat we nu Caterham hebben.”
„Dat is het antwoord op zijn proclamatie.”
De lieden in de societeiten wisten er meer van. Zij verdrongen zich allen om het telegraaflint of praatten in groepen in hunne rookzalen.
„Hij is ongewapend. Als hij wist wat daar gaande was, zou hij naar Sevenoaks gaan.”
„Caterham zal wel weten hoe hij hem klein moet krijgen.”
De winkeliers vertelden het hun klanten. De kellners in restaurants braken er een oogenblik tusschen de schotels uit om een avondblad te lezen. De huurkoetsiers lazen het dadelijk na het wedren-nieuws ingekeken te hebben... Op de plakaten van het voornaamste regeeringsavondblad stond met vette letters te lezen van „De koe bij de horens vatten”—Anderen trachtten effect te bereiken met: „Reus Redwood gaat voort met de prinses te ontmoeten.” „De Echo” volgde een geheel eigen methode: „Berichten van Opstand onder de Reuzen in het Noorden van Engeland. De Sunderland Reuzen op weg naar Schotland.” De „Westminster Gazette” liet haar gewone waarschuwende klanken hooren.
„Reuzen, Laat af,” zei de „Westminster Gazette,” en trachtte uit het geval iets te halen, dat dienstig kon zijn om de Liberale Partij weder te vereenigen—waarin ten dien tijde vreeselijke scheuring ontstaan was door zeven intens-egoïstische leiders. In de latere bladen kwam meer eenheid. „De Reus op den New Kent Road,” luidde hun aankondiging.
„Ik wou wel es weten,” zei de bleeke jongeling in de theezaak, „waarom we niets hooren van de jonge Cossars. Je zoudt anders kunnen verwachten dat zij zich meer dan een van de anderen zouden roeren...”
„Ik heb hooren zeggen, dat er wéér een van die jonge reuzen op pad is,” zei de buffetjuffrouw, een glas afdrogend. „Ik heb altijd gezegd dat’t gevaarlijke kerels waren om zoo maar los te late’ loope’. ’k Heb ’t al dàdelijk gezegd.... Ze moesten d’r ’n stokje voor steke’. Ik ’oop maar, in elk geval, dat ie deze kant niet uitkomt.”
„Ik wou ’m anders wel es zien,” zei de jonge man voor het buffet snoeverig, en voegde erbij „’k heb de Prinses óók gezien.”
„Denk je dat ze ’m wat doen zulle’?” zei de buffetjuffrouw.
„Zulle’ misschien wel moete’,” zei de jonge man die voor den toonbank stond, zijn glas leegdrinkend.
En temidden van tien millioen dergelijke praatjes kwam de jonge Caddles naar Londen...
II.
Ik denk aan den jongen Caddles altijd terug zooals men hem op den Nieuwen Kentschen weg zag, met de warme stralen der ondergaande zon op zijn verbaasd gezicht. De weg was overvol van omnibussen, trams, wagens, karren, trolleys, fietsers, auto’s en een menigte-in-verbazing—straatslijpers, vrouwen, kindermeisjes, winkelende vrouwen, kinderen, vermetele melkbaarden—die alle achter zijn moeilijk-bewegende voeten aankwamen. De schuttingen waren overal slordig van de verscheurde verkiezingsbiljetten. Een gekakel van stemmen rees en daalde om hem. Ge kunt u de klanten en winkeliers zich zien verdringen in de deuren, de gezichten die aan vensters verschenen en weder verdwenen, de kleine straatjongens hardloopend en schreeuwend, de politieagenten die het allen heel stijfjes en kalmpjes opnamen, de werklieden hun karwei neerleggend op de steigers en al de dooreenkrioelende mengelmoes van kleine menschjes. Zij schreeuwden hem toe, vage aanmoedigende woorden of nauw-verstaanbare beleedigingen, de stomme pakmoppen van den dag, en hij keek verbaasd op hen neer, naar zulk een menigte van levende wezens als hij zich nooit op aarde gedacht had.
Naarmate hij verder in Londen vorderde moest hij hoe langer hoe langzamer loopen, daar de kleine menschjes zich zoo om hem heen verdrongen. De menigte werd bij iedere schrede dichter en eindelijk, op den hoek waar twee drukke straten bij elkaar kwamen, stond hij stil, en de menigte vloeide als het ware om hem heen en sloot hem in.
Daar stond hij, met zijne voeten een eindje van elkaar, met zijn rug tegen een grooten hoogen kroeg die wel tweemaal zoo hoog was als hij, en in de lucht eindigde in een reclame bord. Hij staarde neer op de dwergen en verwonderde zich al meer—zonder twijfel trachtend dit alles in verband te brengen met de andere dingen van zijn leven, met de vallei tusschen de lage heuvellanden, de minnaars die hij bij avond betrapte, het zingen in de kerk, het krijt dat hij dagelijks afbikte, en met instinct, den dood en de lucht, trachtend den samenhang en beteekenis van dit alles te vinden. Hij stond daar met gefronste wenkbrauwen. Hij hief zijn enorme hand om er mede door zijn haar te varen, en kermde luid.
„Ik zie het niet”, zeide hij.
Men verstond zijn dialect niet. Een luid gekakel rees over de open ruimte—een gebabbel waartusschen de gongs der trams, die hardnekkig hun weg door de menigte bleven ploegen, uitklonken, zooals roode klaproozen tusschen het koren uitsteken. „Wat zei ie?” „Zei dat ie ’t niet begreep.” Hij zei „waar is de zee?” Hij zei „waar kan ik toch gaan zitten?” „Hij wil gaan zitten.” „Kan die idioot dan niet boven op een huis of iets dergelijks gaan zitten?”
„Wat is jelui doel, jelui kleine krioelende menschjes? Wat doen jelui toch allemaal, waar zijn jelui allemaal voor?”
„Waarom zijn jelui allemaal hier, terwijl ik krijt voor jelui hak in de krijtgroeven daar ginder?”—zijn eigenaardige stem, de stem die zoo nadeelig gewerkt had op de discipline van de school te Cheasing Eyebright, deed de menigte verstommen zoolang zij klonk, en deed hen eindelijk weder in luid tumult losbreken. De een of andere droogkomieke persoon brulde: „Spreken, spreken!” „Wat zegt hij?” werd er telkens en telkens weer gevraagd, en men begon te vertellen dat Caddles dronken was. „Hé, hé, hé,” brulden de omnibus-koetsiers die zich een weg baanden. Een dronken Amerikaansch matroos liep huilend rond en vroeg: „wat moet hij eigenlijk hebben?” Een voddenkoopman, met een leêrachtig gezicht, die op een karretje met een ponnie er voor zat, overstemde de menigte door zijn luidere stem. „Ga naar ’uis, pest van een reus!” brulde hij, „Ga naar ’uis! Jij verpest groot gevaarlijk ding! Zie je dan niet dat je de paarden an ’t schrikke maakt. Ga naar je land. ’Eeft niemand je gezeid wat er in de wet staat?”—En boven al dit rumoer stond de jonge Caddles verward, vol verwachting en niets meer zeggend.
Uit een zijstraat kwam een klein rijtje deftige politieagenten, en kronkelde zich handig door het gedrang; „doorloopen, asjeblieft.”
De jonge Caddles bemerkte dat er een klein donker blauw mannetje hem op zijn scheen stond te tikken. Hij keek naar beneden en zag twee witte gesticuleerende handen. „Wat?” zei hij, zich vooroverbuigend.
„Kunt hier niet blijven staan,” riep de inspecteur.
„Nee! Je kunt hier niet blijven staan,” herhaalde hij.
„Maar waar moet ik dan heen?”
„Terug naar je dorp. Je woonplaats. In ieder geval—je moet doorloopen. Je stremt het verkeer.”
„Wat voor verkeer?”
„Hier op den weg.”
„Maar waar leidt die dan heen? waar komt ie vandaan? wat beteekent dit toch allemaal? ze staan allemaal om me heen. Wat willen ze toch? wat gaan ze doen? Ik wil het weten. Ik heb genoeg van krijt bikken en alleen zijn. Wat doen zij voor mij terwijl ik krijt hak? Nu ik toch hier ben, zou ik graag hebben dat ’t me nù uitgelegd werd.”
„Ja hoor is, maar wij zijn hier niet om dergelijke dingen uit te leggen. Ik moet je verzoeken door te loopen.”
„Maar weet je ’t dan niet?”
„Doorloopen, áls je blieft...... Ik zou je raden om maar te maken dat je thuis komt. We hebben nog geen speciale instructies ontvangen—maar ’t is in ieder geval tegen de wet... Uit den weg daar, uit den weg.”
Het trottoir aan zijn linkerkant werd heerlijk leeg, en de jonge Caddles begaf zich langzaam op weg. Doch nu raakte zijn tong los.
„Ik begrijp het niet,” mompelde hij. „Ik begrijp het niet.”
Hij sprak nu en dan de menigte, die steeds naast en achter hem voortging, met gebroken stem aan. „Ik wist niet dat er zulke plaatsen als deze waren. Wat doen jelui toch allemaal voor de kost? waar is dit allemaal voor? Waar is dit toch allemaal voor en wat is mijn rol hierin?”
Hij had reeds een nieuwe mop doen geboren worden. Jonge mannen, vol geestigheid en boertigen luim, spraken elkander op de volgende wijzen aan: „Hello, ’Arry, O’cock, waar is dit allemaal voor? Hè? Waar dient dit allemaal voor?” waarop een concurreerende varieteit van snedige antwoorden gegeven werd, voor het meerendeel onbeleefd. Het meest populaire en best geschikte voor algemeen gebruik schijnt geweest te zijn „Hou je smoel,” of een verachtelijk eruitgegooid: „Stik!”
Maar er waren ook nog andere die bijna even populair waren.
III
Wat zocht hij toch? Hij verlangde iets dat de dwergen-wereld hem niet gaf, een doel, dat de dwergen-wereld hem belette te bereiken, dat zij hem zelfs belette duidelijk te zien, en dat hij nooit helder zou zien. Dit was het haken van het eenzame stomme monster naar gezelligheid, naar zijn ras, naar de dingen die aan hem verwant waren, naar iets dat hij zou liefhebben en iets dat hij kon dienen, naar een doel dat hij kon begrijpen, en een bevel dat hij kon gehoorzamen. En ge weet dat dit alles in hem „stom” was en met stomme woede in hem kookte, en dat hij het, zelfs al had hij een broeder-reus ontmoet, niet in woorden had kunnen uitdrukken. Het eenige wat hij van het leven kende was de eentonige kringloop van het dorpsbestaan, de eenige taal die hij kende waren de onbelangrijke praatjes van het boerderijtje, die zelfs zijn minst reusachtige behoefte onbevredigd lieten. Deze reusachtige eenvoudige jongen kende geen geld, wist niets af van handel, niets van de ingewikkelde voorwendsels waarop het maatschappelijke gebouw der kleine menschjes gebouwd was. Hij had behoefte aan...... Hij had behoefte aan......
Maar waar hij ook behoefte aan had, het werd nooit bevredigd.
Dien geheelen dag en den zomeravond die er op volgde, dwaalde hij rond, hongerig wordend, doch tot dàn toe nog onvermoeid, het verkeer, dat verschilde naar het karakter der straten, gadeslaand, de niet na te gane affairetjes van al die ontelbare wezens. Het geheel droeg een zeer verwarrend karakter voor hem......
Hij kwam weder in Picadilly Circus tusschen elf en twaalf uur des nachts en vond daar nu een geheel ander soort van menigte. Blijkbaar keken allen scherp om zich heen: vol van de dingen die zij, hij begreep niet waarom, wilden doen en van andere dingen die zij niet konden doen. Zij keken naar hem op en jouwden hem uit en gingen door. De huurkoetsiers, met hun gierenoogen, volgden elkaar in één lange rij, langs den rand van het krioelende trottoir. Er kwamen lieden uit de restaurants of traden ze binnen, ernstig, vol aandacht, vol waardigheid of lichtelijk en aangenaam opgewonden of waakzaam en scherp om zich heen kijkend—gladder dan de gladste kellner die hen wilde afzetten. Terwijl de kolossus daar op zijn hoek stond, keek hij op dit alles neer. „Wat is toch het doel van dit alles?” mompelde hij zacht en klagelijk. „Wat is toch het doel van dit alles? Zij zijn allemaal zoo ernstig. Wat is er dan dat ik niet begrijp?”
En geen van die allen scheen te zien, zooals hij dit doen kon, de dronken ellende der geblankette vrouwen op den hoek, die in lompen gehulde ellende, die langs de goten voortsloop, de oneindige beuzelachtigheid van al dit gedoe. De oneindige nietigheid! Geen van die allen scheen ook maar in de verte de behoefte van dezen reus te begrijpen, de schaduw der toekomst te zien, die over hun pad viel......
Aan den overkant gloeiden hoog in de lucht de geheimzinnige letters op en verdwenen weder. Zoo hij ze had kunnen lezen, zouden ze hem een denkbeeld hebben kunnen geven van de afmetingen der menschelijke belangen, zouden zij hem hebben kunnen vertellen van de fundamenteele behoeften en van de dingen des levens, zooals de kleine menschjes dit tenminste opvatten. Eerst kwam er een gloeiende T.
Toen volgde er een U.
T U.
Toen P.
T U P.
Totdat er eindelijk in zijn geheel tegen de lucht de blijde mare te lezen stond voor allen die den last van ’s levens ernst voelden:
TUPPER’s VERSTERKENDE WIJN TOT HERSTEL VAN KRACHTEN.
Klik! en het was weder verdwenen in het duister, om op dezelfde langzame wijze gevolgd te worden door een tweede algemeene behoefte:
SCHOONHEID’s ZEEP.
Let wel, het was geen gewone zeep om schoon te maken, maar iets, wat men noemt „ideaal”; en vervolgens om den drievoet van het kleine leventje volledig te maken:
YANKER’s GELE PILLEN.
Hierna zat er niets anders op dan dat Tupper weder zou verschijnen, in gloeiende purperen letters; klik, klik, schoten ze over het duister:
T U P P............
Kort na middernacht schijnt de jonge Caddles aan de lommerrijke rust van het Regent’s Park gekomen te zijn; hij moet over het hek gestapt zijn en zich neergelegd hebben over een met gras begroeide helling dicht bij de plaats waar men ’s winters schaatst en daar sliep hij een uur lang. Tegen zes uur in den morgen zag men hem praten tegen een beslijkte vrouw, die hij slapende gevonden had in een greppel bij Hampstead Heath, en hij vroeg haar zeer ernstig waar zij voor dacht op de wereld te zijn......
IV.
Het omdwalen van Caddles door Londen liep den tweeden dag in den morgen plotseling ten einde. Want toen werd zijn honger hem de baas. Hij bleef aarzelend staan bij een kar waarin warme, lekker riekende brooden gegooid werden, en toen knielde hij snel neder en begon te rooven. Hij ledigde de kar terwijl de bakkersknecht de politie ging halen en toen kwam zijn groote hand den winkel binnen en veegde den toonbank en de kisten ledig. Toen ging hij met een armvol brooden, al etend heen, uitziend naar een tweeden winkel om zijn maal voort te zetten.
Toevallig was het een tijd, waarin het werk schaars en het voedsel duur was, en in dat stadsgedeelte sympathiseerde de menigte zelfs met een reus, al nam hij ook het voedsel dat zij begeerden. Zij juichten hem toe toen hij aan het tweede gedeelte van zijn maal begon, en lachten om zijn domme gebaar tegen den politie-agent.
„Ik had honger”, zeide hij, met zijn mond vol.
„Brayvo!” riep de menigte. „Goed soo!”
Toen hij nu aan een derden bakkerswinkel beginnen wilde, werd hij tegengehouden door een half dozijn politie-agenten die zijne schenen met wapenstokken bewerkten. „Kijk es hier, reusje, jij gaat met mij mee”, zeide de hoofdagent. „Je mâg zoover niet van huis. En nou ga je met mijn mee naar huis!” Zij deden hun uiterste best hem te arresteeren. Men had toen nog geen plan hem te dooden. „Hij heeft niets met het complot te maken,” had Caterham gezegd. „Ik wil mijn handen niet met onschuldig bloed bezoedelen.” En hij voegde erbij:—„vóór we alles beproefd hebben.”
Eerst begreep Caddles niet wat deze attenties te beduiden hadden. Toèn hij het begreep, zei hij den agenten zich niet als zotten aan te stellen, en ging er van door met groote passen, en liet hen allen achter zich. De bakkerswinkels bevonden zich in Harrow Road en hij liep dwars door Londen naar St. John’s Wood en ging daar in een privaten tuin zitten om zijn tanden te stoken, en hier werd hij zeer spoedig weder aangevallen door een nieuwen troep agenten.
„La’ me met rust, hoor,” gromde hij, en liep log door de tuinen—bedierf verscheidene gazons en trapte een paar schuttingen omver, terwijl de rappe politie-agentjes hem volgden, enkelen door de tuinen, anderen langs den weg aan den voorkant der huizen. Er waren er hier ook een paar met geweren, doch zij maakten er geen gebruik van. Toen hij in den Edgeware-Road uitkwam, was er een andere stemming onder de menigte, en een bereden agent reed over zijn voet. Het gevolg was dat het mannetje omver werd gekijld voor zijn dienstijver.
„La’ me met rust,” zei Caddles, zich naar de ademlooze menigte keerend. „Ik heb je niks in den weg gelegd.”
Hij was toen ongewapend, want hij had zijn krijthouweel in Regent’s Park achtergelaten. Doch de arme drommel schijnt nu gevoeld te hebben dat hij een wapen noodig had. Hij liep terug naar het Goederen-emplacement der Great Western Spoorweg-Maatschappij, rukte den paal van een groot booglicht uit den grond, die een geweldigen knots in zijn hand vormde, en schouderde hem. En toen hij bevond dat de politie hem nog maar steeds bleef nazetten en kwellen, liep hij terug, door den Edgware Road, naar Cricklewood, en ging droevig gestemd noordwaarts.
Hij zwierf tot bij Waltham en keerde zich toen weder westwaarts, en zoo weder naar Londen en langs de begraafplaatsen en over den heuvel bij Highgate. En zoo kwam hij tegen den middag weder in het gezicht der enorme stad. Hij ging aan den kant van den weg in een tuin zitten met zijn rug tegen een huis aan, dat op Londen uitzag. Hij was buiten adem en zijn gelaat stond dreigend, en nu verdrongen de menschen zich niet langer om hem zooals de eerste maal, toen hij in Londen kwam, doch loerden naar hem vanuit een tuin daarnaast, en gluurden vanuit veilige schuilplaatsen. Men wist nu dat de zaak er ernstiger uitzag dan men eerst gedacht had.
„Waarom kunnen ze me niet met rust laten?” gromde de jonge Caddles. „Ik moèt eten. Waarom late’ ze me niet met rust?”
Hij zat daar met een gezicht, dat steeds donkerder werd, bijtend op zijn knokkels en op Londen neerziend. Al de vermoeidheid, de kwelling, de verwarring en de onmachtige woede die hij op zijne zwerftochten gevoeld had, bereikten nu hun toppunt. „Wat willen ze toch?” fluisterde hij. „Wat willen ze toch? En ze willen me niet met rust laten.” En telkens herhaalde hij weder bij zich zelven: „wat willen ze toch?”
„Bah, dat kleine volkje!”
Hij beet harder op zijn vingers en zijn gezicht werd nog dreigender. „Krijt voor hen bikken,” fluisterde hij. „En de heele wereld hoort an ze! Ik heb nergens deel aan—nergens.”
Plotseling zag hij met een aanval van weëe woede de hem nu reeds zoo goed bekende gestalte van een agent schrijlings op den tuinmuur zitten.
„La’ me met rust,” gromde de reus. „La’ me met rust.”
„Ik moet m’n plicht doen,” zei het agentje, met een bleek, doch vastbesloten gezicht.
„La’ me met rust, hoor! Ik moet net zoo goed leven as jij ook. Ik moet denken. Ik moet eten. La’ me met rust!”
„De wet is eenmaal niet anders,” zei het agentje, blijvend waar hij was. „Wij hebben de wet niet gemaakt.”
„Ik ook niet,” zei de jonge Caddles. „Jelui kleine menschjes hebben dat allemaal gemaakt vóór ik geboren werd. Jelui met je wet! Wat ik mag doen en wat niet! Geen eten voor me of ik moet er voor werken als een slaaf, geen rust, geen onderkomen, niks, en jij zoudt me willen vertellen—”
„Daar heb ik allemaal niks mee te maken,” zei de agent. „Ik kan daar niet over praten. ’t Eenige wat ik te doen heb, is de wet te voltrekken.” En hij stak zijn tweede been over den muur en scheen van plan te zijn naar beneden te komen. Achter hem werden nog meer agenten zichtbaar.
„Denk erom—tegen jou heb ik niks,” zei de jonge Caddles, zijn reusachtige knots omknellend, met bleek gelaat, en een slappen vinger naar den agent uitstekend. „Tegen jou heb ik niks, maar dit zeg ik je, je láát me met rust.”
De agent trachtte kalm te doen, alsof er niets buitengewoons voorviel, terwijl hij de reusachtige tragedie toch voor zijne oogen had. „Geef mij de proclamatie,” zei hij tot een ander die onzichtbaar was, en een klein wit papier werd hem aangegeven.
„La’ me met rust,” zei Caddles, dreigend naar hem kijkend, en zijn spieren spanden zich.
„Dit papier wil zooveel zeggen als „ga naar ’uis,” zei de agent, vóór hij begon te lezen. „Ga naar ’uis naar je krijtgroef. En als je dat niet wil, dan zul je d’r de last van motte drage!”
Caddles gromde iets onverstaanbaars.
En toen de proclamatie hem voorgelezen was, gaf de agent een teeken. Vier mannen met geweren werden nu zichtbaar en stelden zich met voorgewende kalmte op langs den muur. Ze droegen den uniform der ratten-politie. Toen hij de geweren zag, werd de jonge Caddles plotseling woedend. Hij herinnerde zich de pijnlijke steken die de geweren der Wreckstone boeren hem veroorzaakt hadden. „Wil je die op me afschieten?” zei hij, ernaar wijzend, en het leek den agent, dat hij bang was.
„Als je niet naar je groef terugwilt—”
Het volgend oogenblik had de agent zich laten terugglijden van den muur en van zestig voet boven hem kwam de electrische-booglamp-paal neerschieten met doodelijke juistheid. Pang, pang, pang, knalden de zware geweren, en krak! de versplinterde muur, de grond, en de ondergrond van den tuin vloog in het rond. Er kwam iets meevliegen dat roode droppels op de handen van een der schutters achterliet. De schutters zochten, zich bukkend, een goed heenkomen en keerden zich dapper om, om nogmaals te vuren. Doch Caddles, die reeds tweemaal door het lichaam geschoten was, had zich met een ruk omgekeerd om te zien wie hem zoo ernstig in den rug geraakt had. Pang, pang! Hij zag huizen en serres en tuinen om zich heen draaien, en menschen die zich verschrikt van de ramen terugtrokken, alles draaide en wankelde geheimzinnig en vreeselijk om hem heen. Hij deed drie wankelende schreden voorwaarts, hief zijn reusachtige knods op, liet hem toen vallen, en drukte zijn hand tegen de borst. De pijn stak hem en deed hem ineenkrimpen. Wat was dat, dat daar zoo warm en kleverig op zijn hand lekte?...
Een man die uit een slaapkamerraam gluurde, zag zijn gezicht, zag hem neerkijken, met weenende verslagenheid, toen hij het bloed op zijn hand zag en toen knikten zijne knieën onder hem en hij viel met een smak ter aarde, de eerste der reuzen-netels die in Caterham’s vastbesloten klauwen terechtkwamen, en de allerlaatste die hij gedacht had dat in zijn handen zou vallen.