← Table of contents
Het Leven der Dieren: Deel 2, Hoofdstuk 01: De Boomvogels

De Boomvogels (Coracornithes). (continued 11)

Reading edition

De Schermvogel bewoont de oostelijke hellingen van de Peruaansche Cordilleras tot op een hoogte van 1000 M. Zijn voedsel bestaat, volgens Tschudi, uit vruchten van verschillende boomen, volgens Bates ook uit Insecten, vooral Kevers en Spinnen. Vruchten van de grootte van een pruim worden geheel doorgeslikt en de steenen later weer uitgebraakt, de Insecten vóór het verzwelgen eerst stukgemaakt. Terwijl bij den buit op deze wijze voorbereidt en over ’t algemeen gedurende het eten en vliegen legt de Schermvogel de veeren van de kuif naar achteren en het kwastvormig halsaanhangsel zoo dicht tegen den romp aan, dat men het van de daar aanwezige veeren niet kan onderscheiden. Wanneer hij daarentegen rustig op een tak zit, richt hij de kuif tot haar volle hoogte op en laat den kwast hangen. Als hij op een tak neergehurkt gaat slapen, buigt hij den kop achterwaarts tot op het midden van den rug, zoodat de kop, de hals en de pooten geheel verborgen zijn; alleen het scherm en de kwast steken dan nog buiten de overige veeren uit.

Het geschreeuw, dat hij vooral ’s morgens vroeg en tegen zonsondergang laat hooren, en dat hem den naam “Stiervogel” heeft verschaft, is een afschuwelijk geluid, dat op het brullen van een stier in de verte gelijkt. Aan het voortbrengen van dit gebrul neemt het vleezig aanhangsel van den hals deel. Vóór het schreeuwen spreidt de Vogel zijn kuif uit, blaast de holle lel op, zwaait haar heen en weer en buigt den kop voorover. Het gelijktijdig gebrul van verscheidene dezer virtuozen doet eerder aan een rundveekudde dan aan een troep Vogels denken. Het kunstelooze, van rijsjes gebouwde nest, staat op den top van een der hoogste boomen en bevat twee witte eieren.

*

Nauwkeuriger berichten hebben wij over de Klokvogels (Chasmarhynchus). Zij behooren tot de kleinste leden van de onderfamilie en zijn hoogstens zoo groot als een Duif. Kenmerkend zijn voor hen de huidwoekeringen rondom den snavel, die, evenals bij onze Kalkoenen, verlengd en verkort kunnen worden.

Klokvogel (Chasmarhynchus nudicollis). ⅜ v. d. ware grootte.
Klokvogel (Chasmarhynchus nudicollis). ⅜ v. d. ware grootte.

Klokvogel (Chasmarhynchus nudicollis). ⅜ v. d. ware grootte.

De Klokvogel of Smid (Chasmarhynchus nudicollis) is sneeuwwit; de teugel en de keel zijn onbevederd en helder groen van kleur. Het oog is zilverwit, de snavel zwart, de poot vleeschkleurig. Het eenigszins kleinere wijfje heeft de kruin en de keel zwart; de bovendeelen zijn geelachtig groen, de onderdeelen geel met zwarte, overlangsche vlekken, aan den hals met witachtige en gele streepjes. Totale lengte 26, staartlengte 7 cM.

Van deze soort verschilt de Klokluider (Chasmarhynchus carunculatus) in zoover, dat het eveneens zuiver witte mannetje aan den snavelwortel een hol, zwart, gespierd aanhangsel draagt, dat met eenige witte veertjes bedekt is, naar verkiezing uitgestrekt en ingetrokken kan worden, in ’t eene geval als een hoorn omhoog steekt, in ’t andere, als de zoogenaamde “neus” van den Kalkoen, aan de zijde van den snavel naar beneden hangt.

Bij een derde soort, die wij den in Zuid-Amerika gebruikelijken naam Araponga zullen laten behouden en die de Portugeezen in Brazilië Averano (saamgetrokken uit Ave-de-verano = Zomervogel) noemen (Chasmarhynchus variegatus), is het naakte keelveld bij het mannetje met talrijke, wormvormige huidaanhangsels voorzien. Bij den Hamerling of Bruine Averano (Chasmarhynchus tricarunculatus) eindelijk ontspruiten op het midden van het voorhoofd en aan weerszijden van den snavelwortel drie weeke, draadvormige aanhangsels van 5 à 7 cM. lengte.

De Klokvogels bewonen Zuid-Amerika: de Smid komt voor in Brazilië en is hier in de wouden zeer veelvuldig, de Klokluider behoort in Guyana, de Araponga in het noorden van Zuid-Amerika, de Hamerling in Costarica thuis.

“Deze vreemdsoortige Vogel,” zegt de Prins Von Wied van den Smid, “is zoowel door zijn schitterend wit kleed als door zijn luide, helder klinkende stem een merkwaardigheid van de prachtige, Braziliaansche wouden en trekt in den regel onmiddellijk de aandacht van den vreemdeling. Hij is overal verbreid, waar oerwouden voorkomen en houdt zich, naar het schijnt, bij voorkeur in de donkerste en ondoordringbaarste gedeelten dezer wouden op. Hij wordt echter niet overal even veelvuldig aangetroffen, maar bewoont het liefst het bergachtige woud. Zijn stem gelijkt op het geluid van een helder klinkenden klok; hij laat dezen eenigen tijd aanhoudenden klank met tusschenpoozingen hooren en herhaalt hem ook vaak eenige malen achtereen. Dan gelijkt het geluid op het getik van een hamer. Men hoort deze stem op alle uren van den dag zeer veel en op grooten afstand. Gewoonlijk bewonen verscheidene Vogels hetzelfde gewest en wekt de eene den anderen tot schreeuwen op. Het geluid van den eenen weerklinkt luid en helder en wordt lang aangehouden; de andere laat vele opeenvolgende klokketonen hooren; gezamenlijk brengen zij een hoogst zonderling concert voort.”

“Uit het naburige woud,” verhaalt Schomburgk, “kwamen geluiden, verwonderlijker dan ik ooit gehoord had. Het was, alsof verscheidene harmonisch gestemde, glazen klokjes gelijktijdig aangeslagen werden. Kort daarna hoorde ik ze opnieuw en na pauzen van eenige minuten telkens weer. Toen volgde een iets langere tusschenruimte van 6 à 8 minuten, voordat de volle, harmonische tonen opnieuw weerklonken. Geruimen tijd bleef ik verbaasd staan luisteren, in de hoop dat de betooverende klanken nogmaals zouden beginnen: zij zwegen echter. Van mijn broeder, dien ik hierover ondervroeg, vernam ik, dat dit de stem van den Klokluider was. Geen gezang, geen stem van eenigen gevederden bewoner van Guyana, zelfs niet de zoo duidelijk uitgesproken woorden van den Geitenmelker hadden mij zoozeer verbaasd als de klokketonen van dezen Averano. Dat sommige Vogels van Guyana de gave van de spraak bezitten, had ik reeds ervaren; tonen als die van zooeven, waren mij echter tot dusver nog niet bekend; niets kon mijn aandacht van dezen verwonderlijken zanger afleiden.

“De Klokluider laat zijne betooverende, kristalheldere tonen meestal van den hoogsten top van een reusachtigen mora-boom weerklinken; bijzonder graag zit hij hier op een dorren tak. In den toestand van rust hangt het snavelaanhangsel zijwaarts naar beneden; het wordt opgeblazen, zoodra het dier zijn stem laat hooren en draait dan tevens met de spits om zijn eigen wortel. Wanneer slechts één enkele toon wordt voortgebracht, gaat het aanhangsel onmiddellijk overeind staan; het valt, zoodra het geluid ophoudt, weer neder, om zich bij het volgende geschreeuw opnieuw op te richten.”

Naar het schijnt, maken bessen en vruchten het gewone voedsel van deze Vogels uit. In den laatsten tijd worden zij niet al te zelden levend naar Europa overgebracht; in de kooi kunnen zij met eenvoudigen kost (gekookte rijst, wortels en aardappels) verscheidene jaren lang in ’t leven worden gehouden.

Het geslacht van de Rotshanen (Rupicola), dat uit drie betrekkelijk groote, Zuid-Amerikaansche Vogels bestaat, is o. a. gekenmerkt door de waaiervormige, overlangsche kuif op den bovenkop.

De meest bekende soort is de Gewone Rotshaan (Rupicola crocea). Het rijk voorziene vederenkleed van het mannetje is schel oranjerood; de veeren van de kuif zijn donker purperrood; de veeren van den schouder eindigen draadvormig, die van rug en staartwortel daarentegen zeer breed; de slag- en stuurpennen zijn bruin met witachtigen rand en aan den wortel met breede, witte vlekken geteekend. De wijfjes en de jongen Vogels zijn effen bruin; de onderste dekveeren van den vleugel zijn bij hen oranjerood, de staartwortel- en staartveeren licht roodgeelachtig bruin; de kam op het voorhoofd is kleiner. Het oog is oranjerood, de snavel licht hoornkleurig geel, de poot geelachtig vleeschkleurig. Het mannetje is 31 cM. lang (staartlengte 10 cM.); het wijfje is aanmerkelijk kleiner.

De met rivieren doorsneden bergstreken van Guyana en van het noordoostelijke deel van Brazilië zijn het vaderland van den Rotshaan; in bergwouden en bergdalen, die rijk zijn aan rotsen, houdt hij zich bij voorkeur op. In de vlakte treft men hem nooit aan. Bijzonder gaarne vestigt hij zich in de nabijheid van watervallen; hoe meer rotskloven een rivierdal bevat, des te beter schijnt het hem te behagen. In Juni en Juli komt hij van zijne rotspunten naar beneden in het woud, om zich te verzadigen met de in dezen tijd rijp wordende vruchten van sommige boomen.

Over de levenswijze van dezen zonderlingen Vogel hebben vele reizigers berichten gegeven. A. von Humboldt heeft hem nagegaan aan de oevers van den Orinoko. De gebroeders Schomburgk vonden hem in twee verschillende districten van Britsch Guyana: het steenachtige Kanoekoe-gebergte en de zandsteenrotsen van de Wenamoe; op beide plaatsen is hij veelvuldig en leeft hij gezellig, maar vermijdt beslist alle betrekkingen met andere Vogels. “Nadat wij nogmaals een steile hoogte bestegen hadden,” zegt Richard Schomburgk, “die door reusachtige, met mos en varens begroeide granietblokken bijna onbegaanbaar werd gemaakt, bereikten wij een kleine, bijna volkomen vlakke plek, waarop geen gras of struiken groeiden. Op een door de Indianen gegeven teeken zweeg ik en verborg mij in het naburige struikgewas, waar ook zij zich verscholen, zonder eenig gedruisch te maken. Nauwelijks hadden wij hier eenige minuten rustig gelegen, toen ik op een tamelijk grooten afstand een geluid hoorde, dat veel overeenkomst had met het geschreeuw van een jonge Kat, waardoor ik begon te vermoeden, dat het doel van onze tocht de vangst van een viervoetig dier zou zijn. Pas was dit geluid weggestorven, toen ik het in mijn onmiddellijke nabijheid door een van mijne Indianen volkomen nauwkeurig hoorde herhalen. De Vogels, die dit geroep in de verte beantwoordden, kwamen steeds nader, totdat eindelijk rondom ons aan alle zijden hetzelfde geschreeuw weerklonk. Hoewel de Indianen mij gewaarschuwd hadden, dat ik mij gereed moest houden om te vuren, werd ik door het zien van den eersten Rotshaan zoo verrast, dat ik vergat hem te schieten. Zoo snel als houtsnippen kwamen de fraaie Vogels door de struiken op ons afvliegen; zij gingen een oogenblik zitten om uit te kijken naar den kameraad, die hen naar deze plaats had gelokt en verdwenen weer even vlug, nadat zij hun dwaling hadden ingezien. Wij waren zoo gelukkig geweest intusschen zeven exemplaren te dooden. De Vogels bezat ik nu, maar was nog niet in de gelegenheid geweest tot het bespieden van hunne dansen, waarover ik zoo vaak had hooren spreken, zoowel door mijn broeder als door de Indianen, die mij begeleidden.

Rotshaan (Rupicola crocea). 3/10 v. d. ware grootte.
Rotshaan (Rupicola crocea). 3/10 v. d. ware grootte.

Rotshaan (Rupicola crocea). 3/10 v. d. ware grootte.

“Na verscheidene moeitevolle, maar zeer belangwekkende dagreizen bereikten wij eindelijk een streek, waar ons dit schouwspel ten deel zou vallen. Gedurende een pauze, waarin wij adem schepten, hoorden wij zijwaarts van ons de loktonen van verscheidene Rotshanen; dadelijk slopen twee met geweren gewapende Indianen er heen. Kort daarna keerde een van hen terug en gaf mij door gebaren den raad hem te volgen. Over een afstand van ongeveer duizend schreden kropen wij met de grootste voorzichtigheid door de struiken, intusschen werd mijn nieuwsgierigheid in hooge mate gespannen; op eens zag ik den anderen Indiaan plat op den bodem liggen en tevens het schitterende, oranjekleurige kleed van den Rotshaan door de struiken schemeren. Voorzichtig vleide ik mij naast den Indiaan neer en werd nu getuige van een zeer aantrekkelijk schouwspel. Een geheel gezelschap van de prachtige Vogels, die wij zochten, was juist op een kolossaal rotsblok met den dans bezig. Op de struiken, die het blok omgaven, zaten een twintigtal toeschouwers, mannetjes en wijfjes, blijkbaar met bewondering vervuld over de werkzaamheden van een mannetje, dat op den vlakken top van de rots met de zonderlingste passen en bewegingen in allerlei richtingen heen en weer liep. Soms spreidde de speelsche Vogel zijne vleugels half uit en bewoog intusschen den kop naar alle zijden, krabde met de pooten het harde gesteente, sprong meer of minder snel altijd op ’tzelfde punt omhoog, om kort daarna den staart uit te spreiden en in behaagzieke houding weder het terras rond te wandelen. Eindelijk scheen het vermoeid te zijn, maakte een geluid, dat van zijn gewone stem verschilde en vloog op de naastbijgelegen twijg. Het werd vervangen door een ander mannetje, dat eveneens zijn bevalligheid en bekwaamheid in ’t dansen toonde, om na verloop van eenigen tijd, vermoeid, voor een nieuwen danser plaats te maken.” Robert Schomburgk vermeldt bovendien nog, dat de wijfjes, die tusschen de uitrustende mannetjes zitten, onverdroten naar deze vertooning kijken en bij de terugkomst van het vermoeide mannetje een geschreeuw aanheffen, dat bijval te kennen geeft.

De Indianen zijn, naar het schijnt, groote liefhebbers van gevangen Rotshanen. In Pararoema boden zij Von Humboldt zulke Vogels aan. Deze werden hem gebracht in nette kooitjes, die van bladstelen van palmen gemaakt waren. Schomburgk trof dikwijls getemde jongen, nooit echter een mannetje in het prachtkleed in de kooi aan en meent hieruit te mogen afleiden, dat de Rotshanen niet lang tegen de gevangenschap bestand zijn. Dat deze onderstelling niet juist is, blijkt uit de oude Vogels, die men nu en dan in onze diergaarden ziet. De prachtige vellen zijn overal zeer gezocht; de Indianen vervaardigen er een opzichtigen feesttooi van; de Keizer van Brazilië droeg bij buitengewone feestelijkheden een mantel, die uit vellen van Rotshanen samengesteld was. Het oranjekleurige vleesch van dit dier smaakt goed.

De familie der Hapvogels (Eurylaemidae) omvat een aantal Vogels van gedrongen lichaamsbouw, met korten en breeden snavel, tamelijk krachtige tredvoeten, middelmatig lange vleugels en een korten of tamelijk langen staart. De snavel is korter dan de kop, aan den wortel zeer breed, neemt naar de spits schielijk in breedte af, heeft een duidelijke kiel op den bovensnavel en een haakvormig gekromde spits; de snavelranden zijn naar binnen omgeslagen. De mondspleet reikt tot onder het oog: de mondopening is derhalve bijna even groot als bij de Geitenmelkers. Het kleed vertoont fraaie kleuren, welker verdeeling en teekening bij de mannetjes en wijfjes nagenoeg gelijk schijnen te zijn.

Indië en de Maleische eilanden zijn het vaderland van de Hapvogels. De weinige soorten, die men tot dusver heeft leeren kennen, bewonen donkere wouden en, naar het schijnt, bij voorkeur zulke, die ver buiten het menschelijk verkeer gelegen zijn.

Bij de gewone soort van de Soenda-eilanden en de Molukken, bij den Javaanschen Hapvogel (Eurylaemus javanicus), is het vederenkleed grijsachtig purperkleurig met een donkeren band over den krop; de rug en de vleugels zijn zwart met gele vlekken. Hij houdt zich aan de oevers van rivieren en meren of bij moerassige plaatsen in de bosschen op, voedt zich met Insecten en Wormen en bevestigt zijn groot nest aan een boven het water hangenden tak. Horsfield vond hem op Java in een van de ontoegankelijkste deelen van het land, in uitgestrekte, rijk met rivieren en moerassen voorziene wouden. Van een verwante soort bericht Helfer, dat zij in gezelschappen van 30 à 40 stuks op de hoogste boomen van het woud leeft en zoo onbevreesd of dom is, dat men alle leden van den troep, het eene na het andere kan schieten.

De Liervogels (Menura) worden (met nog een ander geslacht van Australische Vogels) tot de familie der Schijnzangers (Pseudoscines) gebracht; deze verdienen hun naam, daar zij wel met de Muschvogels vergeleken, maar wegens hun eigenaardige gestalte niet met hen tot één groep vereenigd kunnen worden. In grootte en lichaamsbouw aan onze Fazanten herinnerend, maar met langeren en dunneren loop dan deze, met korte vleugels en langen staart, vormen zij een afzonderlijke groep van de onderorde der Spechtmuschvogels. Hun snavel is recht, aan de spits gebogen, hiervóór een weinig uitgerand, aan den wortel breeder dan hoog; de neusgaten zijn in ’t midden gelegen, groot, eivormig en door een vlies half gesloten. De middelste voorteen, die slechts half zoo lang is als de slanke loop en de beide andere voorteenen slechts weinig in lengte overtreft, is met den buitensten tot aan het eerste gewricht door een smal spanvlies verbonden; elke teen is met een krommen, doch stompen nagel gewapend, die even lang is als de teen. In den zeer bollen vleugel nemen de vijf eerste handpennen trapsgewijs in lengte toe; de zesde tot negende zijn de langste en aan elkander gelijk. De zeer lange staart is samengesteld uit veeren van verschillenden vorm. Twaalf van de zestien lange aanhangsels, die de plaats van de eigenlijke stuurpennen innemen, kunnen ternauwernood nog den naam van pennen dragen; omdat zij bestaan uit een as met niet samenhangende, wijd uiteenstaande baarden en dus op de haarvormig gebaarde pronkveeren van sommige soorten van Reigers gelijken. De beide middelste en de beide buitenste stuurpennen zijn met samenhangende baarden bezet: de eerstgenoemde sabelvormig buitenwaarts gebogen met zeer smalle vlag; de laatstgenoemde hebben een smalle buiten en een zeer breede binnenvlag en zijn als een lange S gekromd, zoodat zij samen een lier vormen. Een staart van deze gestalte komt trouwens alleen bij het mannetje voor; hij is het schoonste sieraad van dezen Vogel. De staart van het wijfje bestaat uit 12 trapvormig in lengte afnemende stuurpennen van gewonen vorm. De veeren zijn overvloedig en los, op den romp en de rug bijna haarvormig, op den kop tot een kuif verlengd, rondom den snavelwortel in borstels veranderd.

*

De hoofdkleur van den Liervogel (Menura superba) is donker bruingrijs, op den staartwortel met roodachtig waas; de keel en de gorgelstreek zijn rood, de onderdeelen bruinachtig aschgrauw, aan den buik bleeker, de armpennen en de buitenvlag der overige slagpennen roodbruin; de staart is aan de bovenzijde zwartachtig bruin, van onderen zilvergrijs; de buitenvlag van de beide liervormige veeren is donkergrijs; hare spitsen zijn fluweelachtig zwart en met witte franje omzoomd; de binnenvlag is met afwisselende, zwartbruine en roestroode banden geteekend; de middelste staartveeren zijn grijs, de overige zwart. De totale lengte van het mannetje bedraagt 130 cM., zijn staart is 70 c.M. lang. Het wijfje is aanmerkelijk kleiner; hare veeren hebben een vuilbruine kleur, die op den buik in grijs overgaat.

Aan Gould danken wij de uitvoerigste berichten over de levenswijze van den Liervogel. Zijn vaderland is Nieuw-Zuid-Wales en strekt zich oostwaarts uit tot aan de Moretonbaai zuidwestwaarts tot bij Port-Philipp; zijne verblijfplaatsen zijn dichte struikbosschen op heuvelachtigen of rotsachtigen grond. “Het rondklauteren in deze bergen,” zegt een liervogeljager, “is niet slechts moeilijk, maar ook hoogst gevaarlijk. De spleten en kloven zijn met ontzaglijke massa’s half vergane plantaardige stoffen bedekt, waarin men, evenals in een sneeuwlaag, tot aan de knieën wegzinkt. Een enkele misstap en men zakt in den afgrond weg of blijft als een wig in een rotsspleet vastgeklemd. Gelukkig hij, die in een dergelijken toestand zijn wapen nog kan gebruiken en zich door een schot door ’t hoofd voor het langzaam versmachten kan vrijwaren; want hulp is hier onmogelijk.” Op zulke plaatsen hoort men den Liervogel overal, maar wordt hem niet op andere wijze gewaar. Gould bleef dagen lang te midden van de struiken, was door de Liervogels omgeven, hoorde hun luide, heldere stem, maar slaagde er niet in één van hen te zien te krijgen; met buitengewone volharding en de grootst mogelijke voorzichtigheid moest hij zijn onderzoek nog geruimen tijd voortzetten, voordat zijn streven met een goeden uitslag bekroond werd.

Daar het zoo veel moeite kost dezen voorzichtigen Vogel te naderen en als ’t ware met hem te verkeeren, kan het geen verwondering wekken, dat men door alle jachtverhalen van de reizigers in deze gewesten nog geen duidelijk beeld van de levenswijze, handelingen gewoonten en eigenaardigheden van den Liervogel heeft kunnen verkrijgen. Volgens het getuigenis van alle onderzoekers brengt hij het grootste deel van zijn leven op den grond door en maakt slechts hoogst zelden van de vleugels gebruik. Loopend doorkruist hij de ontzaglijk groote wouden en snelt over liggende boomstammen heen of zelfs tusschen hunne twijgen door; hij klimt bij harde, oneffene rotswanden omhoog, verheft zich door een plotselingen sprong tot een hoogte van 3 of meer meter boven zijn uitgangspunt, gebruikt zijne pooten om zich van den bovenrand der rotsen naar beneden te laten zakken en neemt alleen dan zijn toevlucht tot de vleugels, wanneer hij den bodem van een rotsspleet onderzoeken wil. Bartlett, die een gevangen Liervogel verzorgd heeft, noemt hem een zeer onrustige en beweeglijke Vogel en zegt, dat hij gedurende zijn verbazingwekkend snellen loop, vlug en behendig alle hinderpalen te boven weet te komen. Zijn houding bij snellen loop is met die van een Fazant te vergelijken: de romp is dan zeer gestrekt, de kop voorovergebogen, de lange staart samengevouwen en waterpas gericht: alleen op deze wijze is het hem mogelijk door wildernissen heen te dringen zonder zijn prachtigen tooi te beschadigen. Des morgens en des avonds is hij het ijverigst in de weer; gedurende den broedtijd beweegt hij zich echter ook in de middaguren op plaatsen, die hij hiervoor opzettelijk ingericht heeft. Ieder mannetje werpt, met de voeten gravend, heuveltjes op en maakt op deze standplaatsen soortgelijke gebaren als de mannelijke Hoenderen gedurende den voortplantingstijd. Onophoudelijk stapt hij hier heen en weer, houdt intusschen den staart omhoog, spreidt hem uit en geeft bovendien aan zijn opgewondenheid door zeer verschillende geluiden lucht. Zooals met het oog op zijne goed ontwikkelde zangspieren te verwachten is, heeft de Liervogel een buitengewoon buigzame stem. Zijn gewone loktoon is luid, ver klinkend en schril. Al naar de plaats, waar hij zich bevindt, is zijn gezang verschillend; daar het een mengsel is van eigen en geborgde of gestolen klanken. Zijn eigen gezang schijnt een vreemdsoortige buiksprekerij te zijn; om het te kunnen hooren, moet men den zanger tot op een afstand van eenige schreden naderen. Iedere strophe op zichzelf beschouwd is opgewekt van toon, maar verward; de strophen worden dikwijls afgebroken en krijgen dan een zwaren, hollen, ratelenden slottoon. “Deze Vogel,” zegt Becker in volkomen overeenstemming met andere waarnemers, “bezit waarschijnlijk meer dan eenige andere het talent om allerlei geluiden na te bootsen. De volgende feiten zullen een denkbeeld kunnen geven van de uitgestrektheid van dit vermogen. In Gippsland staat dicht bij de zuidelijke helling van de Australische Alpen een houtzaagmachine. Daar hoort men op stille Zondagen tal van geluiden in het woud: hondengeblaf, kindergeschreeuw, het gelach van menschen en het zingen en krijschen van verschillende Vogels, alle nu en dan afgewisseld door het oorverscheurende gekras, dat door het scherpen van de zagen wordt veroorzaakt. Een Liervogel, die niet ver van de houtzagerij zijn rustplaats heeft, is de voortbrenger van al deze klanken en geluidcombinaties.” Tegen den broedtijd is zijn liefhebberij voor het nabootsen van geluiden het grootst; dan kan men van hem, evenals van den Amerikaanschen Spotvogel, zeggen, dat hij een geheel leger van Zangvogels vervangt. Buitengewoon voorzichtig zijn de Liervogels, in de nabijheid van vreemde dieren; nog angstvalliger, naar het schijnt, ontvlieden zij den mensch. Nooit vereenigen zij zich tot troepen, steeds leven zij paarsgewijs. Op een ontmoeting tusschen twee mannetjes volgt steeds een hevige strijd.

Het voedsel van den Liervogel bestaat grootendeels uit Insecten en Wormen. In de maag van de door hem onderzochte exemplaren vond Gould vooral Duizendpooten, Kevers en Slakken.

Becker bericht, dat deze Vogel in Augustus broedt. Volgens Ramsay echter begint hij reeds in Mei zijn nest te bouwen en legt in Juni, uiterlijk in Juli, één ei. Bij voorkeur nestelt hij in het dichte struikgewas op de hellingen van de diepe en steile kloven, waaraan de Australische gebergten zoo rijk zijn, doch ook wel op de kleine vlakten aan den voet van het gebergte tusschen de krommingen der rivieren. Hier zoekt hij jonge boomen uit, die zoo dicht bijeenstaan, dat hunne stammetjes gezamenlijk een soort van trechter vormen; tusschen deze, doch ook wel in een hollen stomp of op een niet al te hooge boomvaren, in een rotsnis of in een door het vuur gedeeltelijk vernielden boomstam, wordt het nest gebouwd, meestal op geringe, bij uitzondering soms op aanzienlijke hoogte boven den beganen grond. De wijze waarop het is samengesteld, verschilt al naar de standplaats en den aard van de bouwstoffen, die hier het gemakkelijkst verkrijgbaar zijn; het is met een dak voorzien, langwerpig eivormig, ongeveer 60 cM. lang en 30 cM. hoog. De grondslag bestaat in den regel uit een laag grove rijsjes, stukjes hout en dergelijke materialen; het eigenlijke nest is bolvormig, van fijne, buigzame wortels vervaardigd en van binnen met de zachtste veeren van het wijfje gevoerd. De bovenste helft, die niet stevig met de onderste verbonden is en er gemakkelijk van afgescheiden kan worden, dient als dak en bestaat, evenals het onderste gedeelte, uit stevige takjes, gras, mos, varenbladen en dergelijke stoffen. Op een afstand kan men geen verschil zien tusschen dit nest en een hoop doode takken. Een zijdelingsche opening dient als ingang tot de holte van dit schijnbaar slordig gebouwd, maar in werkelijkheid zeer duurzaam verblijf, dat dikwijls verscheidene jaren achtereen gebruikt wordt.

De Liervogel broedt slechts éénmaal per jaar en legt slechts één ei, dat ongeveer de grootte heeft van een eendenei en op licht aschgrauwen grond met onduidelijke, donkerbruinachtige vlekken geteekend is. Het wijfje wordt bij het broeden nooit door het mannetje afgelost, ook niet gevoederd en, naar het schijnt, niet eens bezocht. Door den vader van haar kroost veronachtzaamd, is de moeder genoodzaakt dikwijls, en wel in de middaguren, het nest te verlaten om voedsel te zoeken; waarschijnlijk wordt hierdoor de broedtijd zoo verlengd, dat het wel een maand duurt, vóórdat het jong uit den dop komt. Dit is minstens 8 à 10 weken oud, voordat het zich buiten het nest waagt. Een door Becker waargenomen jong kwam met gesloten oogen uit het ei, hoewel de oogleden goed vaneengescheiden waren; het was bijna onbevederd: slechts hier en daar had het eenige op paardenharen gelijkende beginsels van veeren. Een ander jong, dat reeds tamelijk groot en op den kop en den rug met dons bedekt was, lokte, toen het uit het nest genomen werd, door zijn luid geschreeuw onmiddellijk zijn moeder tot zich. Telkens als het jong zijn op “tsjing tsjing” gelijkende stem liet hooren, hetwelk dikwijls geschiedde, en de oppasser dit geschreeuw met “boellan boellan”, de loktoon van de moeder, beantwoordde, kwam het diertje oogenblikkelijk naar hem toeloopen; door deze klanken liet het zich volkomen leiden. Na korten tijd was het zeer tam geworden. Ongelukkig stierf het op den achtsten dag van zijn gevangenschap. Later is het grootbrengen van jong uit het nest genomen Liervogels verscheidene malen gelukt; toch is in den Londenschen dierentuin de eerste levende Liervogel niet vóór 1867 aangekomen.

Gould en andere onderzoekers noemen den Liervogel den schuwsten Vogel, die er bestaat. Het kraken van een twijg, het rollen van een steentje, kortom het geringste gedruisch noopt hem tot een onmiddellijke vlucht en verijdelt de moeite van den jager. Zeer veel dienst kan deze hebben van een goed gedresseerden Hond, die den Vogel opspoort en diens opmerkzaamheid van den jager afwendt. Oude, ervaren vogelvangers verbergen zich in de struiken met een completen staart van een mannetjes-Liervogel op den hoed; wanneer zij nu op een bepaalde wijze het hoofd en hierdoor hun ongewone hoedversiering bewegen, zal de Liervogel, die deze verschijnselen opmerkt, meenen, dat er een mededinger in zijn gebied is doorgedrongen; zoodra hij, door ijverzucht gedreven, nadert, kan de jager hem gemakkelijk dooden.

Als de naaste verwanten van de Muschvogels en de Schijnzangers beschouwt Fürbringer de Spechtvogels (Pici), tot welke groep hij, behalve de Spechten, ook nog de Honigwijzers, Pepervreters en Baardvogels rekent. De verwantschap tusschen de vertegenwoordigers van deze vier familiën blijkt vooral uit hun inwendig maaksel. Hun levenswijze biedt niet veel punten van overeenkomst aan.

Even karakteristiek als het uitwendig voorkomen is het inwendig maaksel van deze Vogels. Vooral de tong heeft een merkwaardigen vorm. Zij is smal, hoornachtig, zeer langwerpig en aan iedere zijde met 5 of 6 korte, stijve stekels of borstels bezet, die op de weerhaken aan een pijlpunt gelijken. Met deze eigenaardige inrichting van de tong gaat de buitengewoon sterke ontwikkeling gepaard van een paar klieren, die zich aan beide zijden van de onderkaak tot onder de gehooropeningen uitstrekken; zij scheiden een kleverig slijm af, dat den langen hals van de tong op soortgelijke wijze bedekt, als dit bij den Miereneter geschiedt.

Door den karakteristieken bouw van pooten, snavel tong en staart, is de Specht buitengewoon geschikt voor zijn eigenaardige levenswijze. Met zijn scherpe, diep doordringende nagels, die een uitgestrekte oppervlakte omklemmen, houdt hij zich zonder moeite vast aan vertikale stammen. De staart verschaft hem daarbij steun en verhoedt het naar beneden glijden. Dit doen niet alleen de spitsen van de acht voornaamste stuurpennen, maar ook bijna alle aanhangsels van deze veeren. De stijve baarden van de drie paar middelste pennen zijn, als ’t ware, zelfstandig geworden en ieder afzonderlijk tegen den stam aangedrukt; zelfs de kleinste oneffenheden van den stam doen nu, wegens het groot aantal dezer baarden, als steunpunten dienst. De stevige, scherpe snavel is voor het hakken en beitelen uitmuntend geschikt; ook bij dezen arbeid vervult de staart een belangrijke rol, daar zijn veerkracht het vooroverwippen van ’t lichaam gemakkelijker maakt. De dunne, draadvormige tong eindelijk kan in alle gaten doordringen en wegens haar buitengewoon groote beweeglijkheid iedere kromming van den door een Insect gegraven gang volgen.

Met uitzondering van het Australische rijk en van het eiland Madagaskar, zijn de Spechten over alle werelddeelen verbreid; ook in het noorden zijn zij volstrekt niet zeldzaam.

Alle Spechten leiden in hoofdzaak dezelfde levenswijze. Zij houden zich gedurende het grootste deel van hun leven met klimmen bezig en gaan zelfs om te slapen in de houding, die zij gedurende het klimmen aannemen, aan een loodrechten wand hangen, n.l. aan de binnenste oppervlakte van een holte in een boom. Op den bodem dalen zij zelden af; wanneer zij het doen, huppelen zij hier met onbeholpen sprongen rond. Zij vliegen niet gaarne ver; waarschijnlijk echter moet men dit niet toeschrijven aan tegenzin in de inspanning, die voor het vliegen vereischt wordt, maar wel aan de hen kenmerkende onvermoeidheid en onrust, die hen noopt om zoo mogelijk iederen boom op hun weg te onderzoeken. De Specht beschrijft bij ’t vliegen een aaneenschakeling van bogen van groote hoogte en diepte. Hij klimt als ’t ware met snel bewogen vleugels bij het stijgende gedeelte van de bocht omhoog, legt plotseling de vleugels dicht tegen den romp aan en schiet nu langs het dalende deel van den boog even ver omlaag, waarna het stijgen opnieuw begint. Zoodra hij bij een boom komt, schiet hij gewoonlijk ver naar beneden, hecht zich aan den stam op een afstand van weinige meters van den bodem, klautert vervolgens met groote, snel opeenvolgende sprongen omhoog, dikwijls ook zijwaarts of volgens een schroeflijn vooruit en naar boven, soms ook wel een weinig terug, waarbij echter nooit de kop naar onderen wordt gericht. Zelden volgt hij horizontale takken; wanneer dit een enkele maal geschiedt, loopt hij er niet over heen, maar klautert steeds in hangende houding bij de onderzijde langs. Terwijl hij zich vastklemt, worden de borst, de hals en de kop ver naar achteren gebogen; bij het springen knikt hij met den kop.

Door het kloppen of hakken met den snavel worden, al naar de kracht die hij aanwendt, meer of minder groote stukken schors losgemaakt; op deze wijze opent hij de schuilhoeken der Insecten, waarna de tong ze opzoekt, te voorschijn brengt en naar ’t keelgat stuurt.

Verreweg de meeste Spechten voeden zich bij voorkeur met allerlei Insecten op alle trappen van ontwikkeling; het liefst echter eten zij die, welke in de boomen, hetzij in of onder de schors of in het hout van den stam, verborgen leven. Eenige Spechten gebruiken bovendien verschillende bessen en zaden als voedsel en leggen zelfs voorraadschuren aan, die zij met zaden vullen. Van verscheidene Amerikaansche soorten van Spechten wordt beweerd, dat zij nu en dan een vogelnest plunderen, om de eieren en jongen te verslinden of naar hun kroost te brengen.

Schijnbaar zijn de Spechten ernstig en afgemeten, in werkelijkheid echter opgewekt en vroolijk van aard. Dit blijkt bij ’t nagaan van alle soorten, die men in de kooi gehouden en zoover getemd heeft, dat zij hun verzorger volkomen vertrouwen. Ieder die hen heeft leeren kennen, zal getuigen, dat zij schrander zijn; hij zal hun ook een zekere snaakschheid toeschrijven, wanneer hij ze gedurende langen tijd, in de kamer of in de kooi, in gevangenschap gehouden heeft. Hetzelfde geldt ook voor de Spechten in de vrije natuur. Wie zou ze willen missen? wie zou wenschen, dat zij onze bosschen niet verlevendigden? Reeds door hun stem vervroolijken zij den bezoeker van hun gebied; vooral hun luid, lachend geschreeuw, dat op grooten afstand door de bosschen en over de velden weerklinkt, is zulk een onmiskenbare uiting van vroolijkheid, dat het een zeer aangenamen indruk maakt.

Behalve door hun stem brengen zij in het woud nog een andere eigenaardige muziek voort: aan een dooden tak hangend, deelen zij hieraan door het snel herhaalde kloppen of hakken met den snavel een trillende beweging mede, waardoor een eentonig, ver hoorbaar geluid ontstaat, dat men “snorren” noemt. Het is, al naar de dikte van den tak, nu eens hooger, dan weer lager van toon; soms kan men het in het bosch op een afstand van 1000 à 1500 M. hooren. Door het nabootsen van dit geluid kan men sommige soorten tot zich lokken.

Het nest bevindt zich steeds in een door den Specht zelf uitgehouwen holte van een boom; het bestaat eigenlijk eenvoudig uit den met eenige spaanders bedekten bodem van deze holte. Elk legsel bevat 3 à 8 zeer glanzige, zuiver witte eieren, die door het mannetje en het wijfje gezamenlijk uitgebroed worden. De jongen zijn buitengewoon leelijk en gelijken aanvankelijk al zeer weinig op hunne ouders, welker voornaamste wijze van beweging, het klimmen, door hen echter reeds in praktijk wordt gebracht, lang voordat zij hun definitieve gestalte en bekleeding bezitten. Na het verlaten van het nest blijven de jongen nog eenigen tijd onder de hoede van vader en moeder, die later niets meer van hen willen weten.

Men kan het niet vaak genoeg herhalen en niet uitdrukkelijk genoeg verzekeren, dat de Spechten voor ons nuttig zijn en niet als schadelijke Vogels moeten worden beschouwd. Als men het nut en de schade van de Spechten nauwgezet en onbevooroordeeld tegenover elkander plaatst, kan de beslissing niet twijfelachtig zijn. Enkele Spechten kunnen ons zelfzuchtige menschen last veroorzaken en misschien ook een onbeduidend nadeel berokkenen; zoomin die last als dit nadeel kan echter opwegen tegen de buitengewoon groote diensten, die deze vogels ons bewijzen. Het zijn niet de ongevaarlijkste, maar juist de ergste woudvernielers, die door de Spechten worden tegengewerkt. Hoe groot het voordeel is, dat zij hierdoor aan de bosschen brengen, laat zich niet berekenen en zelfs niet schatten. Behalve direct, door het verslinden van Insecten, zijn zij ook indirect zeer nuttig; de Spechten zijn nl. de eenige bouwmeesters van de woningen der nuttige in holen broedende Vogels.

Deze Vogels, de nuttigste en belangrijkste van al onze boschwachters, verdienen dus bescherming en vrijgeleide; men moet ze niet alleen sparen, maar ook behulpzaam zijn. Zij hebben toch al vijanden genoeg. Op hen wordt niet slechts door vele roovers uit de klassen der Zoogdieren en Vogels, maar ook door onverstandige menschen jacht gemaakt: kinderachtige schutters van allerlei leeftijd gebruiken maar al te vaak den Specht als doelwit van hun werptuig.

Als de meest bekende vertegenwoordiger van de onderfamilie der Groene Spechten (Picinae) kan men den Groenen Specht (Picus viridis) beschouwen; daar hij, zoowel in ons land als in ons werelddeel, menigvuldiger is dan zijn eenige inheemsche stamgenoot—de Kleine Groene Specht (Picus canus). Bij den eerstgenoemden zijn de bovenzijde van den kop, de nek en een breede, door een smalle, zwarte lijn omzoomde vlek aan den mondhoek karmijnrood, de bovendeelen van den romp olijfkleurig grasgroen, de vleugels meer bruinachtig getint, de staartwortel en de bovendekveeren van den staart glanzig olijfgeel, de oorstreek, de kin en de keel wit met vuil groenachtig waas; de zijden van den hals en de onderdeelen zijn geelgroenachtig wit: de zijden van de schenkels en de onderdekveeren van den staart met donkere dwarsbanden versierd; de handpennen zijn op de buitenvlag met 6 à 7 roestwitachtige dwarsvlekken, alle slagpennen op de binnenvlag met breede, witachtige randvlekken, de zwarte staartveeren met 5 à 7 olijfbruine, uitvloeiende dwarsbanden geteekend. Het wijfje heeft aan den mondhoek geen roode, maar een zwarte vlek. Bij de jongen zijn de onderdeelen gevlekt. De oogen zijn bij de volwassen Vogels blauwachtig wit, bij de jongen donkergrijs; de snavel is vuil loodkleurig grijs, met zwartachtige spits; de pooten zijn groenachtig loodkleurig grijs. Totale lengte 31, staartlengte 12 cM.

De Groene Specht komt, met uitzondering van Spanje en van den noordelijken rand van ons werelddeel, die door de toendra wordt ingenomen, in alle landen van Europa voor. In sommige gewesten ontmoet men hem dikwijls, in andere nooit of hoogstens gedurende de zwerftochten, die hij in den winter onderneemt. Deze beginnen, zoodra de jongen zelfstandig zijn geworden en eindigen eerst in de volgende lente, als de broedtijd nadert; een vaste regel is hierin echter niet op te merken: in sommige winters zwerven de Vogels in ’t geheel niet, in andere vliegen zij tamelijk ver het land rond. In Nederland wordt de Groene Specht in Holland en Zeeland zeer schaarsch, in de overige provinciën menigvuldiger broedend aangetroffen.

De Groene Specht is geen echte boschbewoner. In bosschen, die uitsluitend uit naaldboomen bestaan, is hij zeer zeldzaam; in wouden van breedgebladerde boomen komt hij veelvuldiger voor; het liefst echter bewoont hij gewesten, waar boomgroepen met open terreinen afwisselen. Gedurende den broedtijd houdt hij zich in de nabijheid van zijn nest op. In den winter doorkruist hij, ook wanneer hij de streek niet verlaat, een grooter gebied dan in den zomer; hij is echter gewoon iederen avond een holte op te zoeken, die als slaapplaats dient. Dan verschijnt hij maanden achtereen in tuinen, die onmiddellijk naast woningen gelegen zijn en zelfs in de gebouwen.

Groene Specht (Picus viridis). ⅖ v. d. ware grootte.
Groene Specht (Picus viridis). ⅖ v. d. ware grootte.

Groene Specht (Picus viridis). ⅖ v. d. ware grootte.

De Groene Specht is even opgewekt en vroolijk, even listig en voorzichtig, even onrustig en beweeglijk als zijne verwanten. Hij klimt even goed als zij, maar kan beter gaan dan de andere inheemsche vormen; hij beweegt zich veel op den bodem en huppelt hier met groote behendigheid rond. Bij ’t vliegen beschrijft hij bogen van veel grooter hoogte dan de overige Spechten en veroorzaakt bij het bewegen der vleugels veel gedruisch. Zijn heldere, ver hoorbare stem klinkt als “gluuk” en gelijkt, wanneer de klanken snel opeenvolgen, op een schaterend gelach; teedere aandoeningen worden te kennen gegeven door de welluidende klanken “guuk”, “gek” of “kiep”. Het “snorren”, dat aan zoovele andere Spechten eigen is, komt naar het schijnt, bij den Groenen Specht niet voor.

De wijze, waarop deze Vogel den dag besteedt, blijkt uit het volgende: Zoodra de morgendauw eenigermate verdampt is, verlaat de Groene Specht zijn nachtkwartier, laat vergenoegd zijn stem weerklinken en begint zijn gebied te doorkruisen. Hij vliegt van den eenen boom naar den anderen, bezoekt ze in een zekere volgorde, hoewel niet zoo geregeld, dat men hem met zekerheid op een bepaalde plaats zou kunnen opwachten. Hij zoekt de boomen steeds van onderen naar boven af en gaat niet dikwijls op de takken over. Als men een boom nadert, waarop hij aan ’t werk is, begeeft hij zich schielijk naar de zijde van den stam, die van den waarnemer is afgekeerd, kijkt soms met vooruitgestoken kop bij den stam langs, klimt verder omhoog en verlaat plotseling onbemerkt den boom; gewoonlijk geeft hij daarna door een luid, juichend geschreeuw blijdschap over het gelukken van zijn vlucht te kennen. Tot omstreeks den middag is hij onverpoosd in de weer. In de voormiddaguren onderzoekt hij stellig meer dan honderd boomen en tevens iederen mierenhoop. Boomen met hart hout beklopt hij veel minder dan andere Spechten, daarentegen hakt hij niet zelden diepe gaten in het houtwerk van woningen of in leemwanden. Als in den zomer de weiden afgemaaid zijn, loopt hij vaak op den bodem rond en pikt hier Wormen en larven op; in den winter vliegt hij op de hellingen, welker sneeuwbedekking door de zon is weggevaagd en kijkt naar de hier verborgen Insecten uit. Hij is niet kieskeurig, maar geeft toch aan de Roode Mieren de voorkeur boven ieder ander voedsel; om ze te verkrijgen vliegt hij ver op de velden rond. Het vangen van Mieren verstaat hij beter dan alle overige Spechten, omdat zijn tong naar verhouding langer is en wegens haar kleverige oppervlakte op dezelfde wijze als door den Miereneter gebruikt kan worden.

Tegen het einde van Februari komt de Groene Specht op zijn broedplaats aan; eerst in April echter maakt het wijfje toebereidselen voor het nestelen. De Vogels kiezen hiervoor een boom, die inwendig vergaan of reeds hol is. Hier zoeken zij een plaats op, waar een afgestorven tak was aangehecht en verwijden deze opening. De beide echtgenooten werken gemeenschappelijk en zeer vlijtig, zoodat de holte reeds binnen 14 dagen voltooid is. De ronde opening is zoo klein, dat de Vogel er juist door kan; de holte in den stam is 25 à 50 cM. diep en ongeveer 15 à 20 cM. wijd. Als de hardheid van het hout grooter is dan verwacht werd, laat de Groene Specht den begonnen arbeid rusten. Liever dan zelf dit werk te verrichten, maakt hij gebruik van een reeds aanwezige holte, die door een soortgenoot uitgehakt werd. Wanneer het bezit van deze woning hem niet betwist wordt, neemt hij hier in het volgende jaar opnieuw zijn intrek. Het legsel bestaat uit 6 à 8 langwerpige eieren met gladde, glanzig witte schaal. De beide ouders broeden beurtelings 16 à 18 dagen lang: het mannetje van 10 uur ’s morgens tot 3 of 4 uur ’s namiddags, het wijfje gedurende het overige deel van den dag. Ook bij het warm houden van de teere jongen, lossen de beide ouders elkander af; beiden verzorgen hun kroost ijverig met voedsel. De jongen zijn even leelijk als de kinderen van de andere Spechten, ontwikkelen zich even snel en kijken reeds in de derde week van hun zelfstandig leven door de opening van het nesthol naar buiten. Later klauteren zij, van hier uitgaande, in den boom rond en doorkruisen eindelijk met hunne ouders het gebied, dat zij als hun eigendom beschouwen; in den eersten tijd keeren zij echter iederen avond naar het nest terug. De zwerftochten worden nu al verder en verder uitgestrekt; ten slotte zoekt de familie, die nog altijd vereenigd is gebleven, de broedplaats niet meer op, maar overnacht hier of daar in een andere dergelijke schuilhoek. In October gaat elk lid van het gezelschap zijn eigen gang: de jongen zijn geheel zelfstandig geworden en ieder zoekt nu zijn dagelijksch brood, zonder zich om de anderen te bekommeren.

De Groene Specht laat zich niet gemakkelijk vangen. In strikken of slagnetten komt er slechts bij toeval een terecht; meer kans van slagen bestaat, als men er achter is gekomen, in welke holte hij den nacht doorbrengt en vervolgens vóór den ingang strikken plaatst. Dat er geen sprake van kan zijn een ouden Vogel van deze soort te temmen, is wegens zijn driftigen en onhandelbaren aard te verwachten. Men heeft het beproefd en hem aan een kettinkje vastgelegd, zonder echter eenige andere uitkomst te bereiken, dan een spoedigen dood van den onstuimigen gevangene. Dat jong gevangen Spechten gemakkelijker getemd kunnen worden, is wel mogelijk.

De Kleine Groene Specht (Picus canus) gelijkt door voorkomen en levenswijze veel op de vorige soort, maar is iets kleiner (totale lengte 30, staartlengte 11 cM.). De kop en de hals zijn grauw; de vlek aan den mondhoek is ook bij het mannetje zwart; het rood van den bovenkop is bij het mannetje tot het voorhoofd en de kruin beperkt; het wijfje heeft in ’t geheel geen rood op den kop. Het verbreidingsgebied van deze soort is uitgestrekter dan dat van de vorige; het omvat, met uitzondering van Groot-Brittannië, het grootste deel van Europa, zoover hier boomen groeien, in Azië geheel Siberië tot aan Japan en de zuidelijkere landen tot aan Perzië. In Nederland werd deze Vogel slechts enkele malen—in Gelderland (in het Groesbeeksche bosch), in Noordbrabant en in Noord-Holland—broedend waargenomen. In Duitschland is hij over ’t algemeen zeldzamer dan de Groene Specht; hij bewoont nagenoeg dezelfde plaatsen als deze. Van jaar tot jaar neemt trouwens het aantal van deze beide soorten en van de Zwarte Spechten in dezelfde reden af, als de exploitatie van den bodem in ’t algemeen en van de bosschen in ’t bijzonder toeneemt.

*

Een Amerikaansch geslacht van de onderfamilie der Groene Spechten is dat van de Kromsnavelige Spechten (Colaptes); het omvat een veertigtal soorten, die zich door een tamelijk dunnen en platten, meestal duidelijk gebogen snavel onderscheiden.

De meest bekende soort is de Goudspecht, de Flicker of High-holer van de Anglo-Amerikanen (Colaptes auratus). Zijn kleur is tamelijk bont, o. a. doordat de schaften van de slagpennen en staartveeren hoog geel of rood zijn. Totale lengte 32, staartlengte 12 cM.

De Goudspecht is over het geheele oosten van de Vereenigde Staten, van Texas tot aan het allernoordelijkste deel van Nieuw-Schotland, verbreid en werd, naar men zegt, ook op Groenland waargenomen. In alle door hem bewoonde gewesten is hij zoo buitengewoon talrijk, dat geen andere Specht, althans geen der Noord-Amerikaansche soorten, hem in dit opzicht evenaart.

Geen enkele mij bekende Specht verdraagt de gevangenschap zoo goed als deze, die niet zelden ook bij ons in de kooi wordt gehouden. Het is volstrekt niet moeielijk voedsel voor hem te vinden; de moeite is althans niet grooter dan voor eenigen anderen insecteneter, daar hij met het gewone lijstervoer tevreden is; dit moet echter met meer mierenpoppen gekruid zijn, dan voor de Lijsters noodig is. Voor den vogelliefhebber is een door een Goudspecht bewoonde volière een bron van groot genoegen. Hier is hij in de gelegenheid om op zijn gemak de zoo eigenaardige bewegingen waar te nemen, waardoor de Spechten in ’t algemeen gekenmerkt zijn, te zien hoe snel en behendig zij bij de boomstammen in de kooi naar boven klauteren, hoe krachtig zij hunne klauwen in de schors slaan, hoe stevig zij zich weten vast te hechten, welk een veelomvattend gebruik zij van hun snavel maken; men kan zelfs hun wijze van vliegen leeren kennen; want niet zelden doen zij in de kooi pogingen om hunne vleugels voor dit doel te gebruiken.

In de zuidelijke en westelijke staten ontmoet men den Koperspecht (Colaptes mexicanus), die gedeeltelijk hetzelfde gebied bewoont als de Goudspecht, op wien hij zoowel door grootte en kleur als door de rangschikking der teekening gelijkt; alle kleuren zijn bij hem echter donkerder; de schaften der vleugelvederen zijn niet goudgeel, maar oranjerood.

Verreweg de meeste Spechten zoeken hun voedsel uitsluitend of althans hoofdzakelijk op de boomen; eenige echter jagen op den bodem. Dit doet o. a. de Veldspecht (Colaptes campestris), die de open weidegronden van Zuid-Amerika bewoont. Hij voedt zich voornamelijk met Termieten en Mieren, die in deze vlakten ongeloofelijk veelvuldig voorkomen. De Termieten bouwen groote, kegelvormige heuvels van geel leem, die in het woud dikwijls wel 2 M. hoog, maar in open landstreken gewoonlijk meer afgeplat zijn. Soortgelijke nesten, van roodachtigen vorm en zwartachtig bruine kleur, hangen aan dikke boomtakken; iedere cactusstam draagt er één of meer. Gewoonlijk zit de Veldspecht op zulk een nest en hakt hierin om. Voor Brazilië en andere gewesten is hij zeer nuttig daar de genoemde Insecten hier de voornaamste vijanden van den landbouw zijn. Voor het overige gelijkt de Veldspecht volkomen op zijne verwanten. Hij vliegt en loopt geheel op de wijze van onzen Groenen Specht.

Slechts weinig gebogen is de snavel van den Roodkopspecht (Colaptes erythrocephalus); bij dezen zijn de kop en hals hoog rood, de mantel, de handpennen en de staart zwart, de staartwortel en de onderdeelen zuiver wit. Totale lengte 24, staartlengte 6 cM.

“Waarschijnlijk is geen Vogel in Amerika,” zegt Wilson, “meer algemeen bekend dan de Roodkop. Hij komt hier zoo veelvuldig voor, zijn driekleurig kleed is zoo eigenaardig en zijn roofzuchtige aard heeft zoozeer ieders aandacht getrokken, dat elk kind iets van hem weet te vertellen.” Hij is over de geheele noordelijke helft van Amerika verbreid. Het is opmerkelijk, dat hij, behalve Insecten, ook allerlei soorten van vruchten, vooral kersen en bessen, gaarne eet. Volgens Wilson heeft het kroost van den Roodkop veel te lijden van de Zwarte Slang (Coryphodon constrictor). Deze kronkelt zich dikwijls langs de hoogste boomstammen op, dringt in de vreedzame kinderkamer van den Specht door, verslindt hier de eieren of de weerlooze jongen voor de oogen van de angstig schreeuwende en om hun woning heenfladderende ouders en gaat daarna, als de ruimte groot genoeg is, ineengekronkeld in het nest liggen om rustig zijn maal te verteren. De schooljongen, die den nek er aan waagt om een nest van dezen Specht uit te halen, is niet weinig teleurgesteld, als hij, de hand in de holte stekend, in plaats van de jonge Vogels de griezelige Slang aanvat. Het is te begrijpen, dat hij na deze ontmoeting in den regel met groote haast den terugtocht aanvaardt, zich zonder eenige consideratie voor zijne ledematen en voor zijn broek bij den stam naar beneden laat glijden en vol schrik den boom verlaat.

In Californië en Mexico wordt de Roodkop vervangen door een verwanten vorm (Colaptes formicivorus), dien wij Zamelspecht zullen noemen. In grootte evenaart deze Vogel onzen Bonten Specht. De rand van het voorhoofd, de teugels, de kin, een smalle oogrand, de slapen, de oorstreek en een breede streep aan de zijden van den hals benevens de geheele bovenzijde zijn zwart; de voorkop heeft een geelachtig witte kleur; de kruin en de achterkop zijn zooals bij de Spechten regel is, karmijnrood; de wangen tot onder de oorstreek zijn wit, evenals de zijden van den hals en het onderste deel van de keel, het laatstgenoemde lichaamsdeel met stroogelen tint; de krop en de borst zijn zwart, met witte, overlangsche vlekken versierd, de overige onderdeelen wit, aan de zijden en op de onderdekveeren van den staart met smalle, zwarte schaftstrepen geteekend; de staartwortel en de bovendekveeren van den staart, benevens de wortelgedeelten van alle handpennen (met uitzondering van de eerste) zijn eveneens wit. De oogen zijn bruin, de pooten geelachtig grijs; de snavel is hoornzwart.

Deze Vogel bewoont de kuststreken van de Stille Zuidzee, van Californië en Mexico tot Middel-Amerika. “De Zamelspecht,” zegt Heermann, “is de veelvuldigste en bedrijvigste van alle Californische Spechten. De hoogste tak van een boom is zijn gewone zitplaats; bij ’t vervolgen van een Insect begeeft hij zich plotseling naar den voet van den stam; na het vangen van de prooi, keert hij naar zijn uitgangspunt terug en begint weinige oogenblikken later een dergelijke jacht. In den herfst houdt hij zich zeer ijverig bezig met het opbergen van eikels, waarvoor hij gaatjes boort in de schors van eiken en sparren. In ieder gat wordt een eikel gestopt, die er zoo vast in zit, dat het moeite kost hem er uit te trekken. Soms krijgt de schors van een reusachtigen naaldboom hierdoor het voorkomen, van met dicht bijeen geplaatste bronzen spijkers beslagen te zijn. Een zeer groot aantal eikels wordt op deze wijze opgeborgen en gedurende den winter door den Specht als voedsel gebruikt; ook door Eekhoorntjes, Muizen, Gaaien enz. wordt deze voorraad sterk geplunderd.” Saussure ontmoette tot zijn verwondering dezen fraaien Vogel in talrijk gezelschap aan den voet van den vulkaan Pizarro te midden van een dorre woestenij, waar in ’t geheel geen boomen, doch alleen agaven, artisjokken en yuccas groeiden. Zijn verwondering nam echter toe, toen hij den arbeid van deze Spechten nauwkeuriger naging en zag, dat zij zich bezig hielden met het opbergen van voorraad voor de zes regenlooze maanden, waarin alles uitdroogt. De Vogel gebruikt hiervoor de holte, die bij de uitgebloeide agaven in de as van den bloemendragenden stengel ontstaat; hij hakt eerst met zijn snavel in het onderste deel van de schaft een rond gat en maakt van deze opening gebruik om eikels in de binnenste, buisvormige holte te schuiven. Hij boort vervolgens in hoogere gedeelten van de schaft een tweede, een derde gat enz., totdat de geheele buis met opeengestapelde eikels gevuld is. Opmerkelijk is het, dat de eikels door hem aangevoerd moeten worden van plaatsen, die mijlen ver verwijderd zijn. Tegen het einde van het droge seizoen, ziet men de Spechten eikels uit hunne voorraadschuren nemen; zij steken ze met het eene einde in een gat, dat zij in de schors van een yucca geboord hebben, om ze hier met den snavel stuk te hakken en voor het inslikken geschikt te maken.

De onderfamilie van de Bontspechten (Dendrocopinae) omvat ongeveer 150 soorten met typischen Spechtensnavel.

*

De grootste en krachtigste soorten van de geheele familie behooren tot het geslacht der Zwarte Spechten (Dryocopus); bij deze heeft de zwarte kleur de overhand en zijn de veeren van den kop dikwijls tot een kuif verlengd. De meeste zijn bewoners van Amerika.

Onze Zwarte Specht (Dryocopus martius) heeft een effen, dofzwart kleed; donker karmijnrood is bij het mannetje de geheele bovenkop, bij ’t wijfje een deel van den achterkop. De oogen zijn dof zwavelgeel, de pooten loodkleurig grijs; de snavel is paarlkleurig, aan de spits leikleurig blauw. Totale lengte 47 à 50, staartlengte 18 cM.

Europa, voor zoover het met bosschen bedekt is, Azië tot aan de noordelijke helling van den Himalaja zijn het vaderland van den Zwarten Specht. In ons land heeft men hem slechts zeer enkele malen, n.l. bij Twello en Groesbeek en in de Meierij van ’s-Hertogenbosch, broedend waargenomen of geschoten. In Duitschland bewoont hij tegenwoordig nog de Alpen en alle Middelgebergten, namelijk het Bohemer Woud, het Reuzen-, Erts- en Fichtelgebergte, het Frankische en Thuringer Woud, den Rhön, Harts, Spessart en Taunus, het Schwarzwald en de Vogesen, bovendien echter alle uitgestrekte wouden van de Noordduitsche vlakte.

De Zwarte Specht houdt zich op in groote, aaneengeschakelde wouden, die zoo weinig mogelijke door menschen verontrust worden en waar althans eenige hooge boomen van voldoende dikte staan. Zijn lievelingsvoedsel is de Reuzenmier of Paardenmier (Camponotus herculeanus), die in dikke stammen van dennen en sparren haar nest bouwt. Daarom geeft hij aan naaldhoutbosschen de voorkeur; toch vindt men hem ook wel in bosschen met breedbladige boomen, vooral in beukenwouden. Hoe meer het woud verwilderd is, des te liever kiest hij het tot woonplaats; hoe ordelijker en regelmatiger het geëxploiteerd wordt, des te minder gaarne zal hij er blijven. Ook op dezen regel zijn echter uitzonderingen.

Zoowel in het zuiden als in het noorden van ons werelddeel vertoont de Zwarte Specht zich hoogst zelden in de nabijheid van bewoonde plaatsen. Toch is het eenige malen gebleken, dat ook hij erkentelijk is voor hem verleende bescherming, en dat zijn betrekking tot menschen, die hem genegen zijn, buitengewoon vriendschappelijk kan worden. Wegens een enkelen hollen boom hecht hij zich soms aan een bepaald gebied en verhuist naar elders, wanneer deze boom wordt omgehakt. Hij komt echter weer terug, zoodra andere boomen dik genoeg geworden zijn, om er een behoorlijke woning in te bouwen.

Onze Zwarte Specht is een buitengewoon opgewekte, beweeglijke, schuwe, behendige en sterke Vogel. Nu eens hier, dan weer daar werkzaam, doorkruist hij zijn gebied vele malen in zeer korten tijd. Dit kan men zeer goed afleiden uit zijn geschreeuw, dat in een tijdsverloop van weinige minuten op zeer verschillende plaatsen gehoord wordt. Vooral drie tonen brengt hij voort: twee gedurende het vliegen en één, terwijl hij zit. De eerstbedoelde klinken als “kier kier” en “kluuk kluuk”, de laatste als “kluu”, eenlettergrepig, lang gerekt en zeer doordringend, of als “kliehè kliehè kliëe”. In de nabijheid van het nest laat hij echter ook nog andere geluiden hooren. Hoewel hij op den bodem tamelijk onbeholpen rondhuppelt ontmoet men hem hier zelden, meestal in de buurt van mierennesten. In het klauteren en beitelen is hij de behendigste van alle Europeesche Spechten. Bij het klimmen verzet hij altijd beide pooten tegelijk, evenals al zijne verwanten. Hij huppelt dus eigenlijk bij de boomen op; daar dit met groote kracht geschiedt, kan men het doordringen van de klauwen in de schors duidelijk hooren. Bij struiken klimt hij zeldzamer omhoog, nooit met het doel hier te hakken, zooals in de wormstekige boomen, die Paardenmieren of larven van Reuzenhoutwespen bevatten. Bij het klimmen houdt hij de borst van den boomstam verwijderd en buigt den hals achterover.

De groote Paardenmieren en hare poppen, benevens alle soorten van houtwormen en meer bepaaldelijk de Keverlarven, die het naaldhout vernielen, ook de Kevers zelve, vormen het voedsel van den Zwarten Specht. Om de larven en de Houtkevers te kunnen bereiken, hakt hij groote stukken uit de boomen en palen; de Mieren vangt hij op dezelfde wijze als de Miereneters, met de kleverige tong.

Al naar de weersgesteldheid gunstig is of ongunstig, heeft de paring in de eerste of in de tweede helft van Maart plaats. In het begin van April maken de Zwarte Spechten toebereidselen voor het bouwen van hun nest. Zij kiezen hiervoor een inwendig vermolmden boom uit. Het wijfje begint den arbeid op de plaats waar zich een “gepijpte kwast” of een afgebroken, van binnen vervuurde tak bevindt. Zij opent of verwijdt in de eerste plaats den ingang, totdat deze ruim genoeg is om haar lichaam door te laten. Daarna wordt de holte binnen in den stam afgewerkt, waarbij zij grooten ijver en veel vaardigheid toont. Het uithollen van den boom is een moeielijk werk, omdat de Vogel geen voldoende ruimte heeft voor zijne slagen. Dikwijls is er zoo weinig plaats, dat hij slechts 2 cM. ver kan uithalen. Dan klinken de slagen dof en zijn de naar buiten geworpen spaantjes zeer klein. Zoodra de ruimte eenigszins vergroot is, maakt hij veel grootere spanen los. Bij het bouwen van een nest in een eenigszins vervuurden dennestam waren de grootste spanen, die een Zwarte Specht naar buiten wierp, 15 cM. lang en 3 cM. breed. Het wijfje is slechts in de voormiddaguren op deze wijze werkzaam; des namiddags zoekt zij haar voedsel. Wanneer eindelijk, na een vermoeienden arbeid van 10 à 14 dagen, de holte gereed is, heeft deze, van den benedenrand van den ingang gemeten, een diepte van ongeveer 40 en een middellijn van 15 cM., soms eenige cM. meer, soms minder. Van binnen is zij zoo glad bewerkt, dat nergens een splinter zich boven de oppervlakte verheft. De bodem vormt een deel van een bol, maar geen halve bol en is met fijne houtspaantjes bedekt. Hierop worden, in den regel vóór het midden van April, 3 of 4, zeldzamer 5, bij uitzondering 6 betrekkelijk kleine eieren gelegd. Deze zijn zeer langwerpig, aan het eene einde sterk afgerond, in het midden buikig, aan ’t andere einde met stompe spits; de zeer gladde schaal is zuiver wit en fraai glanzig als email.

Het nest wordt verscheidene jaren gebruikt, hoewel men de jongen gedood, ja zelfs een van de ouders geschoten heeft. Een nieuw nest is reeds op een afstand kenbaar aan de spanen, die over een oppervlakte van 3 vierkante meter verstrooid liggen en op den grond een dichte laag vormen; ook na het schoonmaken en vernieuwen van het nest, dat ieder jaar geschiedt, worden eenige spaanders onder den boom gevonden.

Het mannetje, dat iederen morgen het wijfje bij het broeden aflost, komt soms iets vroeger, soms iets later bij het nest. Men weet echter zeker, dat het mannetje gedurende eenige voor- en namiddaguren, het wijfje den geheelen nacht en in de morgen- en avonduren op de eieren of jongen zit. De pas uit den dop gekomen jongen zien er zeer wanstaltig uit. Zij zijn alleen op het bovenlichaam (en ook hier zeer schaars) met zwartachtig grijs dons bekleed; hun kop schijnt zeer groot en hun snavel onevenredig dik. Zij worden door de beide ouders uit den krop gevoerd met de poppen van de Paardenmier en van de Bruinroode Mier.

Jong uit het nest genomen Zwarte Spechten kunnen, wanneer men ze behoorlijk verzorgt, gedurende geruimen tijd in ’t leven gehouden en tot op zekere hoogte getemd worden.

Grooter dan de Zwarte Specht is de Heerenspecht of Ivoorsnavel der Noord-Amerikanen (Dryocopus principalis), wiens lengte 55 cM. bedraagt (staartlengte 19 cM.). Zijn kleed is glanzig zwart; een smalle streep, die op het midden van de wang begint en zich langs de zijden van den hals en van de schouders uitstrekt, benevens de armpennen en de achterste handpennen, zijn wit; de slapen, de spitse, lange kuif op den achterkop en de nek zijn vurig karmijnrood. De iris heeft een gele, de snavel een geelachtig witte, de poot een donker loodkleurig grijze kleur. Het verbreidingsgebied van den Heerenspecht is beperkt tot de zuidelijke Vereenigde Staten en het eiland Cuba. Deze prachtige Vogel, welks levenswijze op die van onzen Zwarten Specht gelijkt, wordt ijverig vervolgd, daar zijn roode kuif en ivoorwitte snavel door de Indianen als versierselen en amuletten gedragen worden.

Zwarte Specht (Dryocopus martius).
Zwarte Specht (Dryocopus martius).

Zwarte Specht (Dryocopus martius).

Wilson trachtte een Ivoorsnavel in gevangenschap te houden, maar vond, dat dit bezwaren oplevert. De bedoelde Specht was een oude Vogel, die, na gewond te zijn, gegrepen werd. Hij schreeuwde als een klein kind en maakte daardoor Wilson’s Paard zoo schichtig, dat het zijn berijder in levensgevaar bracht. Toen deze met zijn schreeuwenden Vogel door de straten van Wilmington reed, snelden alle vrouwen angstig naar de deur of het venster, om de oorzaak van dit ontzettend gejammer te leeren kennen; bij de herberg gekomen, moest onze onderzoeker zich aan een kruisvuur van vragen onderwerpen. Ten slotte bracht hij den Ivoorsnavel op zijn kamer en verliet deze om voor zijn Paard te zorgen. Toen hij ongeveer een uur later terugkeerde, vond hij, dat de kolossale Vogel bijna reeds zijn vrijheid herwonnen had. Hij was bij de vensterluiken omhoog geklauterd en had zich bijna door de wanden van het vertrek heen een weg naar buiten gebaand. Om een tweede poging tot vluchten te voorkomen, legde Wilson, die den Vogel uitteekenen wilde, hem met een ketting aan den dikken poot van een mahoniehouten tafel vast. Vervolgens verliet hij de kamer nogmaals om voedsel voor zijn gevangene te halen. Terugkomende, hoorde hij reeds op de trap, dat de Specht weder aan het werk was; toen hij de kamer binnentrad, zag hij tot zijn schrik, dat de tafel op slechts drie van hare vier pooten rustte. Terwijl hij teekende, bracht de weerbarstige Vogel hem verscheidene wonden toe en toonde ook op andere wijzen zulk een edele, vrijheidslievende gezindheid, dat de onderzoeker meer dan eens er aan dacht hem naar zijn woud terug te brengen. Daar de Specht het voedsel, dat hem geboden werd, versmaadde, kwam er reeds op den derden dag een einde aan zijn lijden.

De grootste soort is de eveneens in Noord-Amerika inheemsche, ruim 6 dM. lange Keizerspecht (Dryocopus imperialis), die voornamelijk door het gemis van de witte streep aan de zijden van den hals en aan de schouders van de vorige verschilt.

*

1) Bonte Specht (Dendrocopus major). 2) Middelste Bonte Specht (Dendrocopus medius). 3) Kleinste Bonte Specht (Dendrocopus minor). ½ v. d. ware grootte.
1) Bonte Specht (Dendrocopus major). 2) Middelste Bonte Specht (Dendrocopus medius). 3) Kleinste Bonte Specht (Dendrocopus minor). ½ v. d. ware grootte.

1) Bonte Specht (Dendrocopus major). 2) Middelste Bonte Specht (Dendrocopus medius). 3) Kleinste Bonte Specht (Dendrocopus minor). ½ v. d. ware grootte.

De Bonte Spechten (Dendrocopus) worden als de volkomenste leden van de familie beschouwd, omdat zij bijna uitsluitend op boomen leven en slechts bij uitzondering op den bodem komen. Zij zijn van middelmatige grootte of klein; hun lichaamsbouw is gedrongen.

De Bonte Specht, die in sommige streken van Noord-Holland ook wel Eksterspecht wordt genoemd (Dendrocopus major), mag als de meest bekende soort van dit geslacht beschouwd worden. Hij draagt zijn naam te recht, want zijn kleed is werkelijk buitengewoon bont. De bovenkop en de overige bovendeelen benevens een smalle teugelstreep zijn zwart; de teugels en de zijden van den kop tot aan de slapen, een langwerpige dwarsvlek op de zijden van den hals achter de zooeven genoemde benevens een breed, overlangs gericht veld op de schouders zijn wit; ook de onderdeelen, hoewel meestal door vuil verdonkerd, hebben deze kleur; een breede vlek aan den achterkop, de aarsstreek en de onderdekveeren van den staart zijn donker karmijnrood, de handpennen geteekend met vijf, de armpennen met drie witte dwarsvlekken, die op den opgevouwen vleugel vijf dwarsbanden vormen. Over de witte eindhelft van de beide buitenste paren staartveeren loopen twee zwarte dwarsbanden, terwijl de derde stuurpen slechts één zwarte dwarsvlek vertoont. Het wijfje is op den achterkop niet rood. De oogen zijn bruinrood, de snavel is loodkleurig. Totale lengte 23 à 25, staartlengte 8.5 cM.

Geheel Europa en Siberië tot aan Kamtschatka, benevens Japan, zijn het vaderland van den Bonten Specht. Hij kan als de algemeenste van de Europeesche en tevens als de veelvuldigste van de Siberische soorten beschouwd worden. Hier te lande werd hij nagenoeg in dezelfde streken broedend aangetroffen als de Groene Specht (niet in het lage land en slechts zelden in het hout langs den duinkant). Dikwijls wordt hij na den broedtijd tot in het voorjaar vrij algemeen, ook in de provinciën Noord- en Zuid-Holland, waargenomen (Schlegel). In Friesland broedt hij in de woudstreken vrij algemeen; in het najaar is hij soms menigvuldig, zelfs op heidevelden en op het eiland Ameland, waar slechts enkele boomen zijn. Van half September tot half November 1889 was in alle provinciën een sterke trek van deze vogelsoort. Zij vertoonde zich overal waar maar boomen zijn, zelfs in tuinen midden in de steden. De trek was in westelijke richting. In 1862 werd in dezelfde maanden een dergelijk verschijnsel waargenomen (Albarda).

De Bonte Specht houdt van woudzoomen en van groote bosschen; hij komt echter ook in kleine, door velden omgeven bosschen voor, en vertoont zich in den herfst en ’s winters in de tuinen. Hij geeft de voorkeur aan dennen-, populieren- en wilgenbosschen. Gedurende den zomer beweegt hij zich in een niet zeer uitgestrekt gebied; in den herfst en den winter zwerft hij over een grootere uitgestrektheid rond en leeft dan gewoonlijk in gezelschap van Boomkruipers, Boomklevers, Meezen en Goudhaantjes. In den zomer duldt hij in zijn gebied geen van zijne soortgenooten. Bij zijne zwerftochten blijft hij zooveel mogelijk in de met boomen begroeide streken en vliegt niet gaarne over het vrije veld. Hij houdt echter evenmin van omwegen; daar zijne zwerftochten alleen ten doel hebben, zich een ruimer voorzienen disch te verschaffen dan hij op zijn eigenlijke standplaats vindt en tevens een weinig in de wereld rond te kijken.

Velerlei Insecten benevens hunne eieren, larven en poppen, maar ook noten en bessen vormen het voedsel van den Bonten Specht. Vooral op Schorskevers in al hunne ontwikkelingstoestanden maakt hij ijverig jacht. Om deze te verkrijgen, schilt hij de buitenste, doode korst van de sparren geregeld af. Bovendien eet hij allerlei rupsjes, die voor de boomen in het woud nadeelig zijn, en brengt er zijne jongen mede groot. Hij is een echte beschermer van de wouden en moest op alle mogelijke wijzen ontzien worden. “Als hij tegen dunne takken klopt,” zegt Naumann, “loopt hij dikwijls plotseling naar de andere zijde van den tak en kijkt hier rond, om alle Insecten, die door het kloppen uit hunne schuilhoeken verdreven zijn en ontvluchten willen, te kunnen wegvangen. De door den Specht vervolgde dieren bemerken—evenals de Regenwormen in den door een Mol doorwoelden grond—reeds op een afstand de nadering van hun doodsvijand.”

Bovendien voedt hij zich met zaden, vooral hazelnoten en dennezaden. De noot breekt hij af, brengt haar naar een voor dit doel geschikt gemaakte spleet van een boom en hakt haar open. Dikwijls pikt hij de sparrekegels leeg, terwijl hij er aan hangt; gewoonlijk echter bijt hij ze af, vervoert ze naar een tak en eet de zaden er uit.

De Bonte Specht moge behendig zijn bij het openen van dennekegels, bij het aanleggen van zijn nest toont hij weinig volharding. Hij is reeds aan vele gaten in boomen begonnen te werken, voordat hij er één van voltooit; zoo mogelijk zoekt hij de holte, waarin hij of een zijner verwanten vroeger gebroed heeft, weer op. Het nest bevat 4 of 5, zelden 6, kleine, langwerpige eieren, die zeer dun van schaal zijn en een glanzig witte kleur hebben. De beide echtgenooten broeden om beurten.

Gevangen Bonte Spechten zijn zeer vermakelijke Vogels. Het is niet moeielijk ze aan den gevangeniskost te gewennen. Zij leven in vrede met de meest verschillende kleine Vogels, die met hen dezelfde kooi bewonen, maar niet met andere dieren van hun soort. Jegens deze toonen zij zich reeds in hun vroegste jeugd onverdraagzaam, twistziek en tot vechten geneigd.

Hoezeer de Bonte Spechten zich aan den mensch kunnen hechten, blijkt uit de volgende mededeeling van Girtanner: “Een van mijne voedsterlingen, die volkomen zelfstandig geworden was, en ook Wormen, Maden, Spinnen en dergelijk voedsel had leeren zoeken, wilde ik de vrijheid schenken; ik bracht hem daarom ver weg in het hoogstammige woud en liet hem vliegen. Dadelijk klauterde hij vergenoegd bij een zilverspar omhoog en scheen goed tevreden te zijn, hoewel hij telkens naar mij omkeek. Toen ik weggaan wilde, liet hij zijn loktoon hooren, vloog mij na en klemde zich aan mij vast. Telkens als ik hem wegwierp en hoe ver ik dit ook deed, altijd wist hij mij terug te vinden, zoodat ik eindelijk wel genoodzaakt was hem weer mede naar huis te nemen. Een andere Bonte Specht werd zoo tam, dat hij naar eigen verkiezing uit en in mocht vliegen; hij dacht er nooit aan om naar het woud terug te keeren, hoewel hij vaker op de boomen van de wandelplaatsen der stad te zien was dan in mijn huis. Als ik hem floot, gaf hij steeds antwoord, kwam naar mij toe vliegen en kreeg dan tot belooning larven van Meikevers. Zoolang hij wist, dat er nog voorraad was in de blikken bus, die ik bij mij droeg, kon ik hem niet weg krijgen.”

In loofboombosschen van de vlakte (niet in naaldhout) broedt, behalve de vorige soort, ook de Middelste Bonte Specht (Dendrocopus medius). Deze is kleiner (totale lengte 21, staartlengte 8 cM.) en fraaier van kleur, hoewel het verschil niet zeer groot is: de bovenkop is niet slechts bij de mannetjes, maar ook bij de wijfjes en jongen rood; ook de buik en zijn omgeving zijn rood, hoewel deze kleur hier veel flauwer is; op de borst en den buik komen fijne, overlangsche, zwartachtige strepen voor. Zijn verbreidingsgebied komt met dat van den Bonten Specht overeen; hij is echter zeldzamer. In Nederland werd hij nu en dan bij de Duitsche grenzen—in Noordbrabant en Gelderland (ook op den Wildenborch bij Lochem)—broedend waargenomen.

De Kleine Bonte Specht (Dendrocopus minor), is slechts 16 cM. lang (staartlengte 6 cM.), heeft, evenals de vorige soort, op de borst en den buik overlangsche, zwarte streepjes, maar is op het midden van den rug wit; de schouderveeren hebben witte dwarsstrepen; aan en achter den onderbuik is geen rood te zien; de kruin van het mannetje is rood, die van het wijfje witachtig. In levenswijze en verbreiding komt hij met de beide andere Bonte Spechten overeen. In Nederland broedt hij op sommige plaatsen van Noordbrabant, Gelderland (o. a. op den Wildenborch bij Lochem en bij Velp), Groningen en vermoedelijk ook van Noord-Holland (’s Graveland); voorts werd hij waargenomen in Friesland (Oldeberkoop), Overijsel (bij Tubbergen, Ommen en Zwolle), Utrecht (bij Nieuwersluis) en Zuid-Holland.

De Zachtstaartspechten (Picumninae), waarvan een dertigtal soorten bekend zijn, vormen als ’t ware een overgang van de Spechten tot de Draaihalzen. Over ’t geheel genomen hebben zij de gedaante van onze Spechten, hun staart is echter niet geschikt om er op te steunen. Zij zijn buitengewoon klein, niet veel grooter dan onze Goudhaantjes. De meeste hebben vier, sommige (o. a. de Javaansche Dwergspecht—Picumnus abnormis—van de Soenda-eilanden) slechts drie teenen, daar de binnenteen ontbreekt.

*

Bij de meest bekende Amerikaansche soort—de Dwergspecht (Picumnus minutus)—is de bovenkop zwart, fijn wit gestippeld; de overige bovendeelen zijn grijsbruin, de onderdeelen wit en zwart dwarsgestreept, het voorhoofd en het voorste deel van de kruin bij het mannetje rood, bij het wijfje wit gepareld, evenals het overige deel van de kruin. Dit 9 cM. lange Vogeltje komt in alle Zuid-Amerikaansche kustwouden van Guyana tot Paraguay (ook in Suriname) niet zelden voor; het vertoont zich dikwijls in de nabijheid van woningen.

De Draaihalzen (Junginae), die als de laagst ontwikkelde van alle Spechtvogels beschouwd moeten worden, behooren uitsluitend in de Oude Wereld thuis. Hun romp is langwerpig, de hals lang, de kop tamelijk klein, de staart middelmatig lang en niet geschikt om er op te steunen, de snavel kort, recht en spits; de vleugels zijn kort en stomp; de tamelijk dikke pooten hebben vier teenen, waarvan de beide middelste naar voren, de binnenste en de buitenste naar achteren gericht zijn; het vederenkleed is los en zacht. De tong is draadvormig en kan zeer ver buiten den bek gestoken worden; zij is echter aan de spits niet met weerhaken voorzien.

*

Draaihals (Jynx torquilla). ⅗ v. d. ware grootte.
Draaihals (Jynx torquilla). ⅗ v. d. ware grootte.

Draaihals (Jynx torquilla). ⅗ v. d. ware grootte.

Onze Draaihals of Mierenjager (Jynx torquilla), is op de bovenzijde aschgrauw met fijne, donkerder golflijnen en stippels; de onderzijde is wit en met wijd uiteenstaande, donkere, driehoekige vlekken geteekend; de keel en de onderhals zijn op gelen grond met dwarse golflijnen voorzien; een zwartachtige, overlangsche streep strekt zich van de kruin tot aan het onderste gedeelte van den rug uit; voor ’t overige bestaat de teekening van de bovendeelen uit zwartachtige, roestbruine en lichtbruine vlekken; de slagpennen vertoonen roodbruine en zwartbruine banden; de staartveeren zijn fijn zwart gespikkeld en met vijf smalle, boogvormige banden geteekend. De oogen zijn geelbruin, de snavel en de pooten groengeel. Totale lengte 18, staartlengte 6,5 cM.

De Draaihals is benoorden den evenaar over de geheele Oude Wereld verbreid; zijn eigenlijk vaderland is echter in Middel-Europa en Middel-Azië gelegen. In ons land is deze soort schaarsch vertegenwoordigd; in de zee-provinciën wordt zij zeer zelden waargenomen. In Friesland b.v. heeft men haar slechts éénmaal te Tietjerk broedend gevonden (Albarda). In de lage streken broedt zij niet; wel, doch in zeer kleinen getale, langs den duinkant (Schlegel). In Duitschland wordt zij in kleinen getale allerwege aangetroffen, echter niet in het hooge gebergte of in de dichte, hooggelegen wouden. Naar ’t noorden strekt haar verbreidingsgebied zich tot in het middelste deel van Skandinavië en tot in Finland uit; naar ’t oosten tot in de Amoerlanden. In Middel- en Zuid-Rusland is de Draaihals overal veelvuldig; zelfs in de steppen is hij een gewone verschijning. Ik kan niet met zekerheid zeggen, hoe ver het door hem bewoonde gebied zich naar ’t zuiden uitstrekt; wel weet ik, dat men hem hier veel zeldzamer opmerkt dan bij ons: in Spanje b.v. komt hij als broedvogel niet meer voor; evenzoo schijnt het in Griekenland gesteld te zijn. De reden hiervoor meen ik in de schaarschte van het boomgewas in de Spaansche en Grieksche vlakten te moeten zoeken; hoewel deze onderstelling bepaald in strijd is met de aanwezigheid van den Draaihals in de steppen. Op den trek ziet men hem in geheel Egypte, Nubië en Oost-Soedan: hier schijnt hij zijne winterkwartieren te hebben. Ditzelfde geldt voor Indië, waar men den Draaihals in alle districten, die men onderzocht heeft, waarnam, hoewel uitsluitend in den winter.

Hier te lande en in Duitschland verschijnt de Draaihals eerst, als het werkelijk lente is geworden; hij verlaat ons reeds vóór het einde van den zomer. Bosschen te midden van het veld, samenhangende kreupelbosschen of boomgaarden worden door hem bij voorkeur bewoond. Hij schuwt den mensch niet en vestigt zich gaarne in de onmiddellijke nabijheid van huizen, b. v. in tuinen, op voorwaarde dat hier minstens één boom met een voor broedplaats geschikte holte staat. Binnen zijn gebied wordt hij, althans in de lente, gemakkelijk opgemerkt; want zijn stem is zeer eigenaardig en valt nog meer op, daar het wijfje gewoon is het roepende mannetje geregeld te beantwoorden. Als men afgaat op het geluid “wie-ie ied wie-ie ied”, dat dikwijls 20-maal achtereen weerklinkt, zal men den vreemdsoortigen Vogel spoedig bemerken. Hij zit òf op een boomtak, òf tegen den stam geplakt, òf op den grond, hier zoowel als daar tamelijk rustig, hoewel volstrekt niet bewegingloos, want zoodra hij bemerkt, dat men naar hem kijkt, rechtvaardigt hij minstens zijn naam. Men kan niet zeggen, dat hij plomp of onbehendig, maar wel, dat hij traag is en zich alleen dan beweegt, wanneer hij er volstrekt niet buiten kan. Van de onrust en de haastigheid der Spechten en andere Klimvogels is bij hem niets meer te bespeuren. Zijne klimvoeten dienen hem alleen om zich vast te klemmen aan den boom, maar schijnen onbruikbaar te zijn voor het stijgen. Op den bodem huppelt hij met logge sprongen rond; als hij vliegt, zoekt hij zoo spoedig mogelijk weer een boom op. Van boven laat hij zich tot dicht bij den bodem vallen, vliegt hier met snel bewogen vleugels een eind weegs rechtuit en stijgt daarna volgens een groote, weinig gekromde, boogvormige lijn weer omhoog. Alleen wanneer hij over een grooten afstand moet vliegen, beweegt hij zich volgens een zacht golvende lijn.

Verbazingwekkend is daarentegen de lenigheid van zijn hals; hieraan heeft hij zijn naam te danken, die in bijna alle talen dezelfde beteekenis heeft. Elk ongewoon verschijnsel noopt hem tot het maken van gebaren en deze worden des te doller, hoe meer de Vogel door de een of andere oorzaak bevreesd geworden is. “Dikwijls rekt hij den hals lang uit,” zegt Naumann, “zet de veeren van den kop tot een kuif omhoog en breidt den staart waaiervormig uit, terwijl hij intusschen herhaaldelijk langzame buigingen maakt. Soms strekt hij het geheele lichaam, buigt het, vooral als hij boos is, langzaam naar voren, verdraait de oogen en beweegt de keel als een Boomkikvorsch, terwijl hij een zonderling, dof gegorgel laat hooren. Als hij angstig is, b.v. wanneer men hem met de hand wil grijpen en hij niet ontkomen kan, maakt hij zulke zonderlinge grimassen, dat ieder, die ze voor ’t eerst ziet, zoo niet verschrikt, dan toch verbaasd zal worden. Met opgerichte kopveeren en half gesloten oogen rekt hij den hals tot een buitengewone lengte uit en draait hem als een Slang zeer langzaam zoo, dat de kop verscheidene malen een cirkel beschrijft en de snavel nu eens naar achteren dan weer naar voren gericht is.” Het is zoo goed als zeker, dat de Draaihals op deze wijze zijne vijanden of aanvallers schrik wil aanjagen. Evenals de Hop bij ’t zien van een Roofvogel op den grond gaat liggen en zich door eigenaardige gebaren onkenbaar tracht te maken, doet ook de Draaihals moeite om den vijand om den tuin te leiden en af te schrikken. Hij vertrouwt op zijn weinig in ’t oog vallend kleed, welks kleur met die van de boomschors of van den grond overeenkomt en bootst bovendien de bewegingen na van de Slang, van een wezen, dat aan de meeste dieren vrees inboezemt.

Zelden hoort men van den Draaihals een ander geluid dan het reeds genoemde “wie-ie ied wie-ie ied.” Het mannetje roept “wèd wèd,” als het vertoornd is; evenals het wijfje, laat het uit angst den kort afgebroken klank “sjek” hooren; in zeer opgewonden toestand sist het wijfje (misschien ook het mannetje) als een Slang. De jongen sjirpen, zoolang zij zich nog in het nest bevinden, als Sprinkhanen.

De Spanjaarden hebben wel reden om den Draaihals “Formiguero”, d.i. Mierenvogel, te noemen, want werkelijk vormen Mieren, die zoowel van den bodem als van de boomen worden afgezocht, het hoofdbestanddeel van zijn voedsel. Alle kleine soorten van Mieren vallen in zijn smaak; nog liever dan de volwassen Insecten verslindt hij echter hunne poppen. Bij gelegenheid eet hij ook wel rupsen en andere larven of poppen; Mieren vormen echter altijd de hoofdschotel van zijn maal. De tong, die hij even ver uitsteken kan als eenige andere Specht, bewijst hem bij zijn kostwinning uitmuntende diensten. Op soortgelijke wijze als de Miereneter steekt hij haar door spleten en gaten binnen in het mierennest en wacht, totdat de vertoornde Insecten zich vastgebeten hebben aan het voorwerp, dat zij voor een Worm houden, of aan het kleverige slijm zijn blijven hangen, waarna de met buit beladen tong met één ruk in de mondholte teruggetrokken wordt.

De Draaihals stelt geen hooge eischen aan de holte, waarin hij zijn nest zal bouwen. Hij acht haar voldoende, als de ingang maar niet zoo wijd is, dat ieder roofdier hem of zijn kroost in gevaar kan brengen. In gewone omstandigheden is geen andere voorbereiding van de nestholte noodig, dan dat zij eenigszins gezuiverd wordt van het hierin aanwezige vuil; het vermolmde hout vormt een tamelijk vlakke onderlaag, waarop het wijfje in het midden van Mei 7 à 12 kleine, stomp eindigende, dunschalige, zuiver witte eieren legt. Deze worden ongeveer 14 dagen lang, grootendeels door haar alleen, bebroed. De jongen zijn, als zij uit het ei komen, bijna naakt of slechts met eenige grauwe donsveertjes bekleed; zij groeien echter schielijk, omdat zij door de beide ouders ruimschoots met voedsel worden voorzien. Zij verlaten evenwel het nest niet, voordat zij volkomen in staat zijn om te vliegen. Hoe zorgvuldig de ouders overigens de belangen van hun talrijk kroost behartigen—van één zaak hebben zij geen begrip, n.l. van het schoonhouden van de kinderkamer. De Hop staat wegens zijn nalatigheid in dezen bij iedereen in kwaden reuk, de Draaihals is geen haar beter; ook zijn nest wordt ten slotte “een stinkende drekhoop.”

Gevangen Draaihalzen zijn de gezelligste kamervogels, die er bestaan. Het is niet moeielijk hen aan een doelmatig en voor de kooi geschikt voedsel te gewennen en geruimen tijd in ’t leven te houden. Toch komen soms exemplaren voor, die zoogenaamd “koppig” zijn, niets anders dan mierenpoppen willen eten.

Het opvoeden van een nest vol jonge Draaihalzen verschaft misschien nog meer vermaak dan het houden van oude Vogels. “Het hongergeschreeuw van deze kinderschaar,” verhaalt Girtanner, “is het merkwaardigste muziekstuk, dat men zich voorstellen kan; het maakt vooral dan een verrassend effect, als de muziekanten zich, gelijk bij mij het geval was, in een gesloten kistje bevinden, welks inhoud men van buiten af niet raden kan. De geringste aanraking van het als nest dienende kistje brengt een zeer zonderling, rythmisch, ratelend gegons te weeg, dat men met een mirliton tamelijk zuiver kan nabootsen: het kistje is als ’t ware een speeldoos geworden. Verwonderd zien nu de oningewijde toehoorders, bij ’t openen van de speeldoos, deze plotseling in een janklaassenspel veranderd, welks acteurs reeds nu hunne grimassen beginnen te vertoonen. De meest ontwikkelde jongen maken al een goed gebruik van hun lange, beweeglijke slangentong, woelen hiermede bliksemsnel in de mierenpoppen om en laten even schielijk het voedsel, dat aan het bedoelde grijpwerktuig is blijven hangen, in hun snavel verdwijnen.” De jongen, die men op deze wijze grootbrengt, worden zoo tam als huisdieren en zijn wel in staat om hun verzorger te vermaken. Met de andere Vogels, waarmede zij in de kooi verkeeren, kunnen zij zeer goed overweg; ook uit dit oogpunt mag men ze dus ten zeerste aanbevelen.

De hoogst ontwikkelde van de drie nu nog overblijvende familiën van Spechtvogels is die der Pepervreters of Toekans (Rhamphastidae), welker buitengewoon groote, maar toch zeer lichte snavel aan de zijranden bij wijze van een zaag getand is; zij hebben slechts tien stuurpennen. De teugel en de oorstreek zijn onbevederd. Deze familie omvat een zestigtal soorten, die de keerkringslanden van Amerika bewonen.

Volgens Burmeister is de levenswijze van deze Vogels het best beschreven door den Prins Von Wied, wiens woorden wij hier laten volgen:

“In de Braziliaansche oerwouden zijn na de Papegaaien de Toekans de meest algemeen voorkomende Vogels. In het koude jaargetijde worden zij overal in grooten getale gedood en gegeten. Voor den vreemdeling, die deze streken bereist, zijn deze Vogels trouwens uit een ander oogpunt merkwaardig dan voor den inboorling, die aan hun hoogst zonderlinge gestalte en aan hunne schitterende kleuren gewoon geraakt is. Het vederenkleed heeft meestal een koolzwarte grondkleur, maar is (evenals de iris van het oog, de pooten en de reusachtige snavel) op sommige plaatsen met sterk sprekende kleuren versierd. Hoewel deze fraaie Vogels in de Braziliaansche wouden zeer talrijk zijn, is het (gelijk ook door Sonnini te recht wordt opgemerkt) moeilijk om nauwkeurige inlichtingen te verkrijgen over hunne levenswijze en gewoonten en meer bepaaldelijk over hun voortplanting. Nooit heb ik het nest van een Toekan gevonden. De Brazilianen hebben mij echter verzekerd, dat deze Vogel twee eieren legt in een holte van een boom of van een boomtak; dit komt mij zeer waarschijnlijk voor, omdat de meeste Vogels van deze gewesten slechts twee eieren leggen. De vraag, welk voedsel de Toekans gebruiken, wacht sinds lang op een bevredigend antwoord. Volgens Azara plunderen zij vogelnesten; hiertegen weet ik niets in te brengen, hoewel ik in hun maag nooit iets anders dan vruchten, pitten van vruchten en dergelijke weeke stoffen gevonden heb. Waterton bevestigt mijn opmerking en zegt, dat de Toekans geen vleesch eten, maar schade aanrichten in de aanplantingen van bananen en guayavaboomen, op welker vruchten zij azen. In getemden toestand zijn zij ongetwijfeld alleseters, gelijk ik zelf heb kunnen opmerken, daar ik zulk een Vogel vleesch, een brij van maniokmeel met vleeschnat en verschillende soorten van vruchten gretig zag verslinden. De mededeeling van A. von Humboldt, dat de Toekan visch eet, heeft ongetwijfeld op een tammen Vogel betrekking. De Toekan gelijkt in getemden toestand veel op een Kraai, maar is nog veel begeeriger naar voedsel dan deze. Dat hij zijn voedsel, voordat hij het verslindt, omhoogwerpt, heb ik niet opgemerkt. Volgens de verzekering van de wilden leven de Toekans in vrijen toestand uitsluitend van vruchten. Over ’t algemeen schijnen zij veel overeenkomst te hebben met Kraaien; misschien zijn zij echter in de vrije natuur alleseters, althans voor zoover het voedsel geldt, dat week genoeg is om door hun zwakken snavel verwerkt te worden. Zij zijn nieuwsgierig als de Kraaien, vervolgen de Roofvogels gemeenschappelijk en verzamelen zich in grooten getale om den vijand te plagen. Ik vind geen reden om hun wijze van vliegen plomp te noemen; maar Sonnini’s oordeel heeft misschien betrekking op den Toko, die van alle Toekans den grootsten snavel heeft en dien ik nooit zag vliegen. De Toekans vliegen hoog, ver en volgens zwak gekromde booglijnen. Het blijkt niet, dat deze beweging buitengewone inspanning van hen vereischt; ook nemen zij hierbij geen houding aan, welke van die der overige Vogels afwijkt. Zij dragen den hals en den snavel horizontaal uitgestrekt en vliegen niet, zooals Levaillant zegt, moeielijk en met ingetrokken hals. Waterton beweert ten onrechte, dat de groote snavel den Vogel lastig schijnt te zijn en daarom in benedenwaartsche richting gedragen wordt; want het is mij zeer dikwijls opgevallen, hoe gemakkelijk en vlug de Toekans, ondanks hun grooten snavel, over de hoogste boomen van het woud zwenkten, voordat zij naar hunne donkere, schaduwrijke schuilplaatsen terugkeerden. Maakt misschien de Toko een uitzondering op dezen regel? Ik betwijfel het, daar de Toekan-snavel zoo licht is, dat hij den Vogel volstrekt niet lastiger schijnt te zijn, dan den Specht zijn kleinere snavel. De stem is voor iedere soort van Toekans eenigszins verschillend. Azara zegt, dat de door hem waargenomen soorten “rack” roepen. Misschien geldt dit van den Toko; de soorten, die ik heb hooren schreeuwen, maakten een geheel ander geluid.

“De oorspronkelijke bewoners van Amerika tooien zich dikwijls met de fraaie, bonte veeren van deze Vogels; vooral met de oranjekleurig bevederde huid van de borst, die zij in haar geheel aftrekken en aan hun kleeding hechten.”

De nieuwere berichten, die mij bekend geworden zijn, zal ik laten voorafgaan door de beschrijving van eenige soorten van Toekans.

*

De Pepervreters (Rhamphastus) kenmerken zich door den buitengewoon grooten, bij den wortel zeer dikken, naar de spits aanmerkelijk saamgedrukten, op den rug scherpkantigen snavel, den dikken, hoogen, met groote, vlakke hoornplaten belegden loop, den korten, breeden, uit veeren van gelijke lengte bestaanden staart en de korte vleugels. De grondkleur van hun kleed is glanzig zwart; hierbij steken de roode, witte of gele velden aan de keel, den rug en den staartwortel sterk af.

De grootste soort van dit geslacht is de Reuzentoekan of Toko (Rhamphastus magnirostris). Bij hem zijn de veeren effen zwart; de staartwortel is licht bloedrood; de wangen, de keel, het voorste deel van den hals en de bovendekveeren van den staart zijn wit, bij den levenden Vogel met zwak geelachtig waas. De zeer groote, hooge snavel, welks rand eenige inkervingen vertoont, is schel oranjerood, op en bij den snavelrug en aan de spits van de onderkaak vuurrood; de spits van den bovensnavel en de rand van den snavel vóór de veeren van den kop zijn zwart; de driehoekige vlek vóór het oog is dooiergeel, de ring om het oog kobaltblauw, de iris donker flesschengroen, de voet lichtblauw. Totale lengte 57, staartlengte 14 cM.; de snavel is zoo lang als de vleugel, d. i. 23 cM.

Toko (Rhamphastus magnirostris). ⅓ v. d. ware grootte.
Toko (Rhamphastus magnirostris). ⅓ v. d. ware grootte.

Toko (Rhamphastus magnirostris). ⅓ v. d. ware grootte.

De Toko bewoont de hooggelegen gewesten van Zuid-Amerika, van Guyana tot Paraguay, maar komt ook in Middel-Amerika voor. Volgens Schomburgk voedt hij zich in Guyana vooral met de zoogenaamde Spaansche peper (vruchten van verschillende soorten van Capsicum); hieraan heeft hij den naam van Pepervreter te danken.

In ’t noorden van Zuid-Amerika wordt hij vervangen door den Roodsnaveligen Toekan, den Kirima der inboorlingen (Rhamphastus erythrorhynchus), die iets kleiner is en slanker gebouwd, maar overigens veel op hem gelijkt. Hij onderscheidt zich hoofdzakelijk door den minder hoogen, grootendeels karmijnrooden, op den rug en aan den wortel geel gekleurden snavel, den breeden, rooden zoom aan den onderrand van de witte keel en den gelen staartwortel. In grootte evenaart hij een Kraai; zijn snavel is korter dan de vleugel.

In de wouden langs de kust van Brazilië leeft de Oranjetoekan, de Toekana der Brazilianen (Rhamphastus Temminckii); deze is een weinig kleiner dan een Kraai; de snavel heeft de helft van de lengte der vleugels en is zwart met een gelen wortelband; de zijden van den kop, de keel en de krop zijn roodachtig geel, de krop met lichtgelen zoom langs den achterrand; de staartwortel en de stuit zijn rood.

Uit de beschrijvingen van alle onderzoekers, die de Pepervreters in hun vaderland hebben leeren kennen, vloeit voort, dat de levenswijze der verschillende soorten in hoofdzaken dezelfde is, zoodat men hetgeen van de eene bekend is, ook op de andere kan toepassen. De Toko bewoont slechts de hoogste gedeelten van het land; men treft deze Vogels uitsluitend in de Savanna aan, deels bij paren in de bosschen en op de met boomen begroeide rivieroevers, deels in kleine troepen, die door de open Savanna zwerven, als de vruchten rijp geworden zijn. De Kirima is een van de algemeenste Vogels van het woud; alleen in de onmiddellijke nabijheid van de kust komt hij zeldzaam, in het dichte woud daarentegen des te veelvuldiger voor. De Toekana eindelijk vindt men overal, waar groote, aaneengeschakelde wouden zijn. Alle onderzoekers berichten, dat de Toekana en de Kirima van den broedtijd tot aan den ruitijd bij paren leven.

Gewoonlijk houden de Pepervreters zich boven in de boomen van het woud op. Hier sluipen zij met meer behendigheid, dan men bij hen zou vermoeden, door de kroon om voedsel te zoeken, of zetten zich om te rusten op de meest uitstekende toppen van de hoogste boomen neer en laten van hier hun krakende of fluitende stem weerklinken. “Soms ziet men,” zegt Bates, “een gezelschap van 4 of 5 stuks uren lang op de toptwijgen van een der hoogste boomen zitten en hoort hen dan een vreemdsoortig muziekstuk uitvoeren. Eén van hen, die hooger gezeten is dan de overigen, schijnt de leider van dit wanluidende concert te zijn; van de overigen schreeuwen dikwijls twee beurtelings op verschillenden toon.” Ook wanneer zij zich te midden van de dichtst dooreengevlochten twijgen verborgen hebben, laten zij nog dikwijls hun stem weerklinken; buitengewoon schreeuwlustig zijn zij echter, volgens de berichten van de Indianen, wanneer er regen in aantocht is; zij worden daarom als goede weerprofeten beschouwd.

Alle soorten zonder uitzondering zijn beweeglijke, wakkere, schuwe, maar toch nieuwsgierige Vogels. Den mensch ontwijken zij met groote omzichtigheid; alleen geoefende jagers kunnen hen bekruipen; zij plagen den schutter, door, evenals als onze Vlaamsche Gaai, nooit ver, maar altijd ter rechter tijd weg te vliegen en telkens weder een zitplaats te kiezen, die moeielijk te naderen is. Toch zijn deze Vogels oogenblikkelijk bereid om een Roofvogel, b.v. een Uil, het leven lastig te maken. Hun opmerkzaamheid strekt zich uit over al wat in hun omgeving voorvalt; gewoonlijk zijn zij de eersten, die een naderenden vijand bespeuren en zijn aanwezigheid aan de overige bevederde bewoners van het woud verraden. Daar zij sterk en weerbaar zijn, jagen zij zwakke Roofvogels in den regel op de vlucht, hoofdzakelijk door den overlast, dien zij hun aandoen. Bates zegt, dat zij schuw en wantrouwig zijn, zoolang zij kleine gezelschappen vormen, maar zich in ’t oog vallend onvoorzichtig toonen, als zij, tot groote vluchten vereenigd, wouden bezoeken, die zij in andere tijden vermijden. Het laatstgenoemde geval doet zich voor, zoodra de ruitijd, die in de maanden Maart tot Juli valt, voorbij is.

Over het voedsel van de Toekans heerschen ook thans nog verschillende meeningen. Schomburgk beweert uitdrukkelijk, dat zij niet anders dan vruchten eten; Bates zegt, dat vruchten ongetwijfeld hun voornaamste voedsel zijn, en dat zij deze, wegens de groote lengte van hun snavel, gemakkelijk afplukken kunnen. Azara daarentegen verzekert, dat zij zich volstrekt niet tot het eten van plantaardig voedsel bepalen, maar ook vele Vogels verdelgen, en door hun grooten snavel allen angst aanjagen, dat zij de kleine Vogels van hunne nesten verdrijven en eieren en jongen, zelfs die van de Araras verslinden, dat zij in den regentijd, als het harde nest van den Ovenvogel week geworden is, zelfs dit aantasten, het stukhakken en de jongen er uithalen. A. von Humboldt verzekert, dat zij Visschen eten. En werkelijk namen alle Toekans, die men tot dusver in de gevangenschap heeft waargenomen, niet slechts zonder eenige aarzeling dierlijk voedsel tot zich, maar vervolgden bovendien kleine Gewervelde Dieren met zóó grooten ijver, dat men wel kon zien, dat zij geen ongewone handeling verrichtten. Azara deelt ook nog mede, dat zij vruchten, stukken vleesch en Vogels omhoog werpen en weer opvangen, op de wijze van een jongleur, die met ballen speelt, en dit herhalen, totdat het voedsel geschikt is om doorgeslikt te worden; ook Pechuel-Loesche heeft ervaren, dat zij wel niet geregeld, maar toch dikwijls op deze wijze te werk gaan; de overige onderzoekers hebben de bedoelde hebbelijkheid niet waargenomen: Schomburgk zegt uitdrukkelijk, dat hij haar nooit bij de Toekans heeft opgemerkt, zoomin in de vrije natuur als in de gevangenschap. “Het kost den vreemdsoortigen Vogel wel eenige moeite om zijn voedsel van den grond op te nemen,” zegt hij; “wanneer hij het echter eens gegrepen heeft, steekt hij den snavel loodrecht omhoog en slikt het brok door, zonder het vooraf omhoog geworpen te hebben.”

Nagenoeg op dezelfde wijze gaat de Vogel te werk, als hij drinken wil. De snavel wordt met water gevuld, de kop langzaam omhoog geheven, zooals bij een drinkend Hoen geschiedt, waarna de vloeistof in de keel vloeit.

Uitvoerige berichten over de voortplanting ontbreken tot dusver. De Toekans nestelen in gaten van boomen en leggen twee witte eieren. De jongen krijgen spoedig het fraai gekleurde vederenkleed van de ouden; de fraaie kleuren van den snavel ontwikkelen zich echter eerst in het tweede of derde levensjaar. Dit is al wat over dit belangrijke levenstijdperk van den Vogel bekend is.

In Brazilië wordt ijverig jacht gemaakt op alle Pepervreters, zoowel wegens hun vleesch en hunne fraaie veeren als met de bedoeling, om deze vreemdsoortige dieren als huisgenooten te hebben. “Wij schoten,” zegt de Prins Von Wied, “dikwijls verscheidene Toekans op één dag; hun vleesch werd gegeten en gelijkt op dat van de Kraai.” Burmeister verzekert, dat dit wild een zeer aangenaam gerecht oplevert, dat het met rijst gekookt, op een goede duivensoep gelijkt en zeer smakelijk is. Schomburgk noemt den Vogel eenvoudig eetbaar. Volgens Bates houden alle bewoners van Ega, een plaats aan den Amazonen-stroom, zich ijverig met de Toekan-jacht bezig, zoodra deze Vogels, tot vluchten vereenigd, in de naburige bosschen verschijnen. “In Ega gaat ieder, die in dezen tijd over een geweer of zelfs maar over een blaaspijp kan beschikken, hiermede naar het woud en schiet tot verbetering van zijn middagdisch eenige van deze Vogels, zoodat in de maanden Juni en Juli geheel Ega bijna uitsluitend van Toekans leeft. Weken lang heeft ieder gezin dagelijks een gekookten of gebraden Pepervreter op schotel. In dezen tijd zijn de Vogels buitengewoon vet en is hun vleesch zeer malsch en smakelijk.”

Over het gebruik, dat van de veeren wordt gemaakt, geeft Schomburgk uitvoerige berichten. Hij beschrijft een ontmoeting met de Maionkongs en zegt: “Hun smaakvolste vederentooi bestond grootendeels uit dikke hoofdbanden, samengesteld uit de roode en gele veeren, die bij de Pepervreters onmiddellijk boven den staartwortel groeien. Daar niet alleen de Maionkongs, maar ook de Goeïnaus, Olaupes en Paoeixanas zich hoofddeksels en zelfs geheele mantels van deze veeren vervaardigen, zouden de beide soorten van Pepervreters, waarop meer bepaaldelijk jacht wordt gemaakt, weldra uitgeroeid zijn. Op een zeer vernuftige wijze weten de wilden echter het uitsterven van de dieren, die hun grondstoffen voor kleederen leveren, te verhoeden. Zij schieten de Vogels, die hiervoor dienen, met zeer kleine pijlen, die met een zeer zwak vergif bestreken zijn. De wonde, door zulk een pijl veroorzaakt, is te onbeduidend om doodelijke gevolgen te hebben: het zwakke vergif verdooft eenvoudig den buit. De Vogel valt naar beneden, de gewenschte veeren worden hem uitgetrokken; na verloop van korten tijd vliegt hij weer weg, om misschien nog meermalen dezelfde behandeling te ondergaan.”

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings